Ga direct naar het kruimelpad en sla tools en taalkeuzemenu over

Aanvullende pensioenen

Een aanvullend pensioen is een belangrijke bron van inkomsten voor veel Europeanen. Omdat de coördinatie van de sociale zekerheid niet van toepassing is op de meeste aanvullende pensioenstelsels, heeft de EU speciale regels afgesproken om de rechten op aanvullend pensioen van werknemers die naar een ander EU-land verhuizen te beschermen. Deze regels gelden voor pensioenstelsels van werknemers (bedrijfspensioenen).

Waarom is het belangrijk aanvullende pensioenrechten te beschermen?

Sommige regels van aanvullende pensioenstelsels kunnen ertoe leiden dat werknemers een deel van hun pensioenrechten verliezen als zij naar een ander EU-land verhuizen.

Werknemers moeten soms aan bepaalde voorwaarden voldoen voordat zij hun pensioenrechten definitief verwerven. Zo is het mogelijk dat werknemers die hun baan opzeggen en naar een ander EU-land verhuizen, hun pensioenrechten verliezen als ze niet lang genoeg voor hun werkgever hebben gewerkt.

Ook eerder verworven pensioenrechten kunnen hun waarde verliezen door inflatie, tenzij zij worden beschermd door die waarde regelmatig aan te passen.

Gelijke behandeling en betalingen in het buitenland

Richtlijn 98/49/EG over het aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen vormde een eerste stap in de richting van het vrije verkeer van dergelijke pensioenen. De belangrijkste bepalingen kunnen als volgt worden samengevat:

  • Wie een stelsel verlaat omdat hij naar een ander EU-land verhuist, behoudt zijn verworven pensioenrechten evenzeer als iemand die in het land blijft.
  • Wie recht heeft op een aanvullend pensioen, kan dat overal in de EU ontvangen.

Verwerving en behoud van aanvullende pensioenrechten (uiterlijk in 2018 om te zetten)

Richtlijn 2014/50/EU over de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten is aangenomen op 16 april 2014. Deze bevat minimumnormen voor de bescherming van werknemers die naar een ander land verhuizen. De lidstaten moeten de volgende normen uiterlijk op 21 mei 2018 in hun nationale wetgeving omzetten:

  1. Verwerving
  • Uiterlijk na drie jaar dienst voor een werkgever worden pensioenrechten definitief verworven.
  • De eigen bijdragen van werknemers kunnen nooit verloren gaan. Als een werknemer een pensioenstelsel verlaat voordat zijn rechten definitief verworven zijn, krijgt hij zijn eigen bijdragen terug.
  • De minimumleeftijd voor de verwerving van pensioenrechten mag nooit hoger dan 21 jaar zijn.
  1. Behoud
  • Als een werknemer uit een pensioenstelsel stapt, behoudt hij daar zijn verworven rechten, tenzij hij ermee instemt dat hij de waarde ervan als kapitaal uitbetaald krijgt.
  • De pensioenrechten van vertrekkende werknemers moeten op een billijke manier beschermd worden in vergelijking met die van huidige werknemers. Hoe dit gebeurt hangt af van de aard van het stelsel. Zo kan de waarde van pensioenrechten worden aangepast op basis van
    • het inflatiepercentage of het loonniveau (typisch voor een toegezegde-uitkeringsregeling),
    • of van de winst op investeringen (typisch voor een regeling met vaste bijdrage).
  1. Voorlichting
  • Werknemers hebben recht op informatie over de gevolgen van een eventuele verhuizing naar het buitenland voor hun pensioenrechten.
  • Vroegere werknemers en hun nabestaanden (als het pensioenstelsel uitkeringen betaalt aan nabestaanden) hebben recht op informatie over de waarde van hun rechten en hoe ermee wordt omgegaan.

De richtlijn geldt voor werknemers die van het ene EU-land naar het andere verhuizen, maar een land kan dezelfde normen ook toepassen op werknemers die binnen dat land van baan veranderen.

De richtlijn gaat niet over de overdraagbaarheid van aanvullende pensioenen, d.w.z. de mogelijkheid om pensioenrechten bij verandering van werk over te dragen naar een ander stelsel.

    Share

  • Twitter Facebook Delen op Google+