Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Stap 2: nagaan of aan de criteria van het programma wordt voldaan

Bij het uitwerken van hun project en alvorens de aanvraag voor EU-steun in te dienen, moeten de deelnemende organisaties nagaan of het project voldoet aan de subsidiabiliteits-, uitsluitings-, selectie- en toekenningscriteria.

Subsidiabiliteitscriteria

De subsidiabiliteitscriteria betreffen voornamelijk het soort project en activiteiten (voor zover van toepassing ook de duur, deelnemende organisaties enzovoort), de doelgroep (bijvoorbeeld status en aantal betrokken deelnemers) en de voorwaarden om een subsidieaanvraag in te dienen voor een dergelijk project (bijvoorbeeld uiterste indieningstermijnen, volledigheid van het aanvraagformulier enzovoort).

Om in aanmerking te komen voor financiële steun, moet het project voldoen aan alle subsidiabiliteitscriteria die betrekking hebben op de actie waarvoor het voorstel wordt ingediend. Voldoet het project in de aanvraagfase niet aan deze criteria, dan wordt dit afgewezen zonder verdere evaluatie. In het geval van door kernactie 1 of kernactie 2 ondersteunde mobiliteitsactiviteiten en beurzen voor EMJMD is het mogelijk dat bepaalde subsidiabiliteitscriteria (zoals de duur, het deelnemersprofiel enzovoort) pas worden gecontroleerd in de fase van de projectuitvoering of eindrapportage (niet in de aanvraagfase). In de aanvraagfase wordt de deelnemers verzocht een verklaring af te leggen dat het project aan deze criteria zal voldoen. Indien tijdens de uitvoering of bij de eindrapportage blijkt dat niet aan deze criteria is voldaan, kunnen de deelnemers of kan de activiteit als niet subsidiabel worden aangemerkt, met als gevolg een vermindering/terugvordering van de aanvankelijk aan het project toegekende EU-subsidie.

Voor Britse aanvragers, gelieve er rekening mee te houden dat u alleen in aanmerking komt als u gedurende het volledige subsidietijdvak aan de relevante criteria voldoet. Als het Verenigd Koninkrijk tijdens het subsidietijdvak uit de EU treedt zonder een overeenkomst met de EU te sluiten die waarborgt dat Britse aanvragers in aanmerking blijven komen, ontvangt u geen financiële steun van de EU meer (maar kunt u, waar mogelijk, aan het project blijven deelnemen) of moet u het project overeenkomstig de bepalingen van de subsidieovereenkomst bij opzegging verlaten.

In deel B van de programmagids wordt nader omschreven welke specifieke subsidiabiliteitscriteria van toepassing zijn op alle via het Erasmus+-programma uitgevoerde acties.

Uitsluitingscriteria

Overeenkomstig de artikelen 136-140 en/of 141 van het Financieel Reglement van de EU worden aanvragers uitgesloten van inschrijving bij uitnodigingen tot het indienen van voorstellen in het kader van het Erasmus+-programma of uitgesloten van de toekenningsprocedure indien zij in een van de hieronder beschreven situaties verkeren1:

  1. de aanvrager is failliet of is onderworpen aan insolventie- of liquidatieprocedures, zijn activa worden beheerd door een curator of een gerecht, hij heeft een regeling met schuldeisers getroffen, zijn werkzaamheden zijn gestaakt of hij verkeert in een vergelijkbare toestand als gevolg van een soortgelijke procedure uit hoofde van EU-wetgeving of nationale wetgeving;
  2. in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de aanvrager zijn verplichtingen met betrekking tot de betaling van belastingen of socialezekerheidsbijdragen overeenkomstig het toepasselijke recht niet is nagekomen;
  3. in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de aanvrager een ernstige beroepsfout heeft gemaakt doordat hij de toepasselijke wet- of regelgeving of de ethische normen van de beroepsgroep waartoe hij behoort heeft overtreden, of doordat hij onrechtmatig gedrag heeft vertoond dat invloed heeft op zijn professionele geloofwaardigheid wanneer dit gedrag voortvloeit uit kwaad opzet of grove nalatigheid, met name:
    1. het op frauduleuze of nalatige wijze afleggen van valse verklaringen over de informatie die wordt verlangd voor de verificatie van de afwezigheid van gronden voor uitsluiting, of voor de vervulling van subsidiabiliteits- of selectiecriteria, of bij de uitvoering van de wettelijke verbintenis;
    2. het sluiten van een overeenkomst met andere personen of entiteiten met als doel de mededinging te vervalsen;
    3. het schenden van intellectuele-eigendomsrechten;
    4. het pogen de besluitvorming van de ordonnateur die verantwoordelijk is tijdens de gunningsprocedure te beïnvloeden;
    5. het pogen vertrouwelijke informatie te verkrijgen die de aanvrager onrechtmatige voordelen kan opleveren in de gunningsprocedure;
  4. in een definitieve rechterlijke beslissing is vastgesteld dat de aanvrager zich schuldig heeft gemaakt aan een van de volgende feiten:
    1. fraude in de zin van artikel 3 van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad2 en artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 juli 19953;
    2. corruptie zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 2 van Richtlijn (EU) 2017/1371 of actieve corruptie in de zin van artikel 3 van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn, vastgesteld bij akte van de Raad van 26 mei 19974, of gedragingen zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad5, of corruptie zoals gedefinieerd in andere toepasselijke wetgeving;
    3. gedragingen gerelateerd aan een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 2 van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad6;
    4. witwassen van geld en terrorismefinanciering in de zin van artikel 1, leden 3, 4 en 5 van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad7;
    5. terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten in de zin van respectievelijk de artikelen 1 en 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad8, dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van zodanig misdrijf of strafbaar feit als bedoeld in artikel 4 van genoemd besluit;
    6. kinderarbeid of andere strafbare feiten betreffende mensenhandel als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad9;
  5. de aanvrager is aanzienlijk tekortgeschoten in de nakoming van belangrijke verplichtingen bij de uitvoering van een wettelijke verbintenis die uit het budget gefinancierd is, wat:
    1. heeft geleid tot de vroegtijdige beëindiging van een wettelijke verbintenis;
    2. heeft geleid tot de oplegging van een schadevergoeding of andere contractuele sancties; of
    3. is ontdekt door een ordonnateur, OLAF of de Rekenkamer na toetsen, audits of onderzoek;
  6. in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de aanvrager een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad10 heeft begaan;
  7. in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de aanvrager een entiteit heeft opgericht in een ander rechtsgebied met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen in het rechtsgebied van zijn vestigingsplaats, de plaats van zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging te omzeilen;
  8. in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat een entiteit is opgericht met de bedoeling zoals omschreven in punt g);
  9. bij gebreke aan een definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, een definitief administratief besluit, bevindt de aanvrager zich in een van de hierboven in c), d), f), g) en h) vermelde situaties, op grond van met name:
    1. feiten die zijn vastgesteld in het kader van audits of onderzoek uitgevoerd door het EOM, voor de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking volgens Verordening (EU) 2017/1939, de Rekenkamer, OLAF of de interne auditor, of enige andere toets, audit of controle uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateur;
    2. niet-definitieve administratieve besluiten die tuchtmaatregelen kunnen omvatten welke zijn genomen door het bevoegde toezichthoudende orgaan dat verantwoordelijk is voor de verificatie van de toepassing van normen inzake beroepsethiek;
    3. feiten die worden vermeld in besluiten van personen en entiteiten die middelen van de EU uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);
    4. informatie die overeenkomstig artikel 142, lid 2, onder d) van het Financieel Reglement van de EU wordt doorgegeven door entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder b) van het Financieel Reglement van de EU;
    5. besluiten van de Commissie betreffende schending van de mededingingsregels van de Unie of van een nationale bevoegde instantie betreffende de schending van het mededingingsrecht van de Unie of van het nationale mededingingsrecht;
    6. besluiten houdende uitsluiting genomen door een ordonnateur van een EU-instelling, een Europees bureau of een EU-agentschap of –orgaan;
  10. een aanvrager zoals bedoeld in artikel 135, lid 2 wanneer:
    1. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de aanvrager zoals bedoeld in artikel 135, lid 2, of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid ten aanzien van die aanvrager heeft, zich in een of meer van de situaties hierboven vermeld in de punten c) t/m h) bevindt;
    2. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de aanvrager zoals bedoeld in artikel 135, lid 2, zich in een of meer van de situaties hierboven vermeld in de punten a) of b) bevindt;
    3. een natuurlijke persoon die essentieel is voor de toekenning of voor de uitvoering van de wettelijke verbintenis, zich in een of meer van de situaties hierboven vermeld in de punten c) t/m h) bevindt;

Indien een aanvrager zich in een van de bovengenoemde uitsluitingssituaties bevindt, moet hij zijn betrouwbaarheid aantonen door aan te geven welke maatregelen hij heeft genomen om de uitsluitingssituatie te corrigeren. Het kan bijvoorbeeld gaan om technische, organisatorische en personeelsgerelateerde maatregelen om herhaling te voorkomen, de vergoeding van schade of de betaling van boeten. Dat geldt niet voor de in punt d) van dit deel bedoelde gevallen.

In bovenvermelde gevallen c) tot en met h) kan het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap, bij gebreke aan een definitieve rechterlijke beslissing of, in voorkomend geval, een definitief administratief besluit, een aanvrager voorlopig uitsluiten van inschrijving bij uitnodigingen tot het indienen van voorstellen indien inschrijving van de aanvrager een ernstige en imminente dreiging voor de financiële belangen van de Unie zou vormen.

Indien in het kader van de actie waarvoor de aanvrager een voorstel heeft ingediend, wordt voorzien in specifieke bepalingen voor deelname van gelieerde entiteiten, gelden dezelfde uitsluitingscriteria voor de gelieerde entiteiten.

Aanvragers of, in voorkomend geval, gelieerde entiteiten kunnen worden afgewezen in deze procedure en aan die aanvragers of gelieerde entiteiten kunnen administratieve sancties (uitsluiting of financiële sancties) worden opgelegd wanneer de verklaringen of inlichtingen die worden verlangd als voorwaarde voor deelname aan de procedure, vals of onjuist blijken te zijn.

Het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap mag op zijn website de volgende informatie publiceren met betrekking tot de uitsluiting en, in voorkomend geval, financiële sanctie in de gevallen als hierboven bedoeld in de punten c) tot en met h):

  1. naam van de betrokken aanvrager;
  2. de uitsluitingssituatie;
  3. de duur van de uitsluiting en/of het bedrag van de financiële sanctie.

Deze uitsluitingscriteria zijn van toepassing op de aanvragers die voorstellen indienen voor alle acties van het Erasmus+-programma. Om te bevestigen dat zij niet in een van de hierboven vermelde situaties verkeren, moeten aanvragers van een EU-subsidie een verklaring op erewoord overleggen waarin zij bevestigen niet in een van de hierboven bedoelde situaties te verkeren. Deze verklaring op erewoord vormt een specifiek onderdeel van of een bijlage bij het aanvraagformulier.

In het geval van voorstellen die namens een consortium van partners worden ingediend, zijn de hierboven opgesomde criteria van toepassing op alle deelnemende organisaties die bij het project betrokken zijn.

Overeenkomstig de artikelen 136 tot en met 142 van het Financieel Reglement van de EU kunnen administratieve en financiële sancties worden opgelegd aan aanvragers die valse verklaringen hebben afgelegd of die in het kader van een vorige subsidietoekenningsprocedure ernstig in de nakoming van hun contractuele verplichtingen zijn tekortgeschoten11.

Bovendien gaat de Commissie ervan uit dat voor de uitvoering van de door de programmagids bestreken acties de volgende organisaties in een belangenconflict verkeren of zouden kunnen verkeren en bijgevolg niet in aanmerking komen of zouden kunnen komen voor deelname:

  • nationale autoriteiten die belast zijn met het toezicht op nationale agentschappen en de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma in hun land; zij mogen geen steun aanvragen voor, noch deelnemen aan acties die door nationale agentschappen van een willekeurig land worden beheerd; wel mogen zij (als aanvrager of partner) een aanvraag indienen voor deelname aan door het Uitvoerend Agentschap of door DG EAC beheerde acties, tenzij zij uitdrukkelijk van deelname aan de betrokken actie uitgesloten zijn (zoals vermeld in deel B van de gids);
  • nationale agentschappen (de enige activiteit van hun juridische entiteit) of afdelingen van nationale agentschappen die behoren tot juridische entiteiten die zich bezighouden met activiteiten die niet onder de bevoegdheid van de nationale agentschappen vallen, kunnen geen aanvraag doen voor of deelnemen aan de uitvoering van een door deze gids bestreken actie;
  • instanties en netwerken die uit hoofde van het Erasmus+-programma of een jaarlijks werkprogramma dat door de Commissie is vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma, zijn geïdentificeerd of aangewezen om met name een financiële bijdrage van de Commissie te ontvangen in het kader van de tenuitvoerlegging van het Erasmus+-programma, en die onder dezelfde juridische entiteit ressorteren als het nationaal agentschap, mogen geen steun aanvragen voor, noch deelnemen aan acties die door nationale agentschappen van Erasmus+ van een willekeurig land worden beheerd; wel mogen zij (als aanvrager of partner) een aanvraag indienen voor deelname aan door het Uitvoerend Agentschap of door DG EAC beheerde acties, tenzij zij uitdrukkelijk van deelname aan de betrokken actie uitgesloten zijn (zoals vermeld in deel B van de gids); voordat zij een subsidie of contract krijgen, moeten zij kunnen aantonen dat zij niet in een belangenconflict verkeren, hetzij omdat zij voorzorgsmaatregelen hebben genomen, hetzij omdat hun interne organisatie een duidelijke scheiding van belangen waarborgt. Bovendien moeten de kosten en ontvangsten van elke actie of activiteit waarvoor de EU-middelen worden toegekend, worden geïdentificeerd. Het besluit of met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat zij niet in een feitelijk belangenconflict verkeren, behoort tot de bevoegdheid van het Uitvoerend Agentschap of DG EAC, onder hun eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, waarbij zij hun aanvraag indienen;
  • juridische entiteiten die optreden als gastheer voor de nationale agentschappen van Erasmus+ maar zich toeleggen op andere activiteiten binnen of buiten het terrein van het Erasmus+-programma, alsook de aan die juridische entiteiten gelieerde entiteiten, mogen geen steun aanvragen voor, noch deelnemen aan acties die door nationale agentschappen van een willekeurig land worden beheerd; wel mogen zij in principe een aanvraag indienen voor deelname aan door het Uitvoerend Agentschap of DG EAC beheerde acties, tenzij zij uitdrukkelijk van deelname aan de betrokken actie uitgesloten zijn (zoals vermeld in deel B van de gids). Voordat zij een subsidie of contract krijgen, moeten zij echter kunnen aantonen dat zij niet in een belangenconflict verkeren, hetzij omdat zij voorzorgsmaatregelen hebben genomen, hetzij omdat hun interne organisatie een duidelijke scheiding van belangen waarborgt (bijvoorbeeld gescheiden boekhouding, scheiding van besluitvormingsprocedures en rapportagelijnen, maatregelen om toegang tot vertrouwelijke informatie te beletten). Bovendien moeten de kosten en ontvangsten van elke actie of activiteit waarvoor de EU-middelen worden toegekend, worden geïdentificeerd. Het besluit of met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat zij niet in een feitelijk belangenconflict verkeren, behoort tot de bevoegdheid van de instelling, onder hun eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, waarbij zij hun aanvraag indienen.

Selectiecriteria

Het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap evalueert aan de hand van de selectiecriteria of de aanvrager over voldoende financiële draagkracht en operationele capaciteit beschikt om het voorgestelde project te voltooien.

Financiële Draagkracht

Financiële draagkracht houdt in dat de aanvragers over solide financieringsbronnen beschikken die toereikend zijn om hun werkzaamheden gedurende de periode waarin het project wordt uitgevoerd of het jaar waarvoor de subsidie is toegekend, te kunnen handhaven en aan de financiering ervan bij te dragen.

De verplichting om de financiële draagkracht te laten verifiëren, geldt niet voor:

  • publieke organen, met inbegrip van organisaties van de lidstaten12;
  • internationale organisaties.

Wat betreft EU-subsidieaanvragen die worden ingediend door andere organisaties dan de hierboven genoemde voor een steunbedrag van ten hoogste 60 000 EUR, moeten de aanvragers een verklaring op erewoord overleggen waarin zij bevestigen over voldoende financiële draagkracht te beschikken om het project uit te voeren. Deze verklaring op erewoord vormt een specifiek onderdeel van het aanvraagformulier.

Wat betreft EU-subsidieaanvragen die worden ingediend door andere organisaties voor een steunbedrag van meer dan 60 000 EUR, moeten de aanvragers naast de verklaring op erewoord de volgende documenten indienen via het deelnemersportaal:

  • voor door de nationale agentschappen beheerde acties: de winst-en-verliesrekening en de balans van de aanvrager voor het laatste afgesloten boekjaar;
  • voor door het Uitvoerend Agentschap beheerde acties: een formulier tot staving van de financiële draagkracht met daarin de relevante wettelijk vereiste boekhoudkundige gegevens en financiële overzichten (met inbegrip van de winst-en-verliesrekening, de balans en andere bijlagen, indien van toepassing) voor de laatste twee afgesloten boekjaren;
  • entiteiten die de hierboven genoemde documenten niet kunnen overleggen omdat ze nieuw opgericht zijn, mogen in plaats daarvan een financiële verklaring of een verzekeringsverklaring met opgave van de beroepsrisico's van de aanvrager indienen.

Organisaties moeten deze documenten uploaden naar het deelnemersportaal op het ogenblik dat zij zich daar registreren (zie het deel "Stap 1: zich registreren bij het deelnemersportaal" hierboven) of wanneer ze worden gecontacteerd door de valideringsdiensten van de EU die de aanvrager vragen om de nodige ondersteunende documenten aan te leveren. Voor gecentraliseerde acties wordt dit verzoek verstuurd via het berichtensysteem dat onderdeel is van het deelnemersregister.

Als na een risicoanalyse van het nationaal agentschap twijfel bestaat over de financiële draagkracht van een deelnemende organisatie die betrokken is bij een project waarvan het voorstel namens een consortium van partners wordt ingediend, mag het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap diezelfde documenten opvragen bij de deelnemende organisaties, zelfs als de toegekende subsidie minder dan 60.000 EUR bedraagt of als de totale aan een organisatie toegekende subsidie meer dan 60.000 EUR bedraagt.

Wanneer de aanvraag betrekking heeft op subsidies voor een project waarvoor het bedrag hoger is dan 750 000 EUR, kan in aanvulling op het bovenstaande een auditverslag van een erkende externe accountant worden vereist, waarin de rekeningen voor het laatste beschikbare boekjaar worden goedgekeurd.

Blijkt uit de analyse van deze documenten dat de vereiste financiële draagkracht niet genoegzaam werd aangetoond of ontoereikend is, dan mag het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap:

  • aanvullende informatie opvragen;
  • een subsidieovereenkomst of -besluit voorstellen met een door een financiële garantie13 gedekte voorfinanciering;
  • een subsidieovereenkomst of -besluit voorstellen zonder voorfinanciering of met een verminderde voorfinanciering;
  • een subsidieovereenkomst of -besluit voorstellen met voorfinanciering in verschillende tranches;
  • de aanvraag afwijzen.

Operationele Capaciteit

Operationele capaciteit houdt in dat de aanvragers over de vereiste beroepsbekwaamheden en -kwalificaties beschikken om het voorgestelde project tot een goed einde te brengen. De aanvragers moeten een verklaring op erewoord overleggen waarin zij bevestigen over de vereiste operationele capaciteit te beschikken om het project uit te voeren. Wanneer het aanvraagformulier dat voorschrijft en indien de subsidie hoger is dan 60 000 EUR, kan de aanvragers bovendien worden gevraagd de cv's te bezorgen van de bij het project betrokken sleutelpersonen om aan te tonen dat zij de vereiste beroepservaring bezitten, of andere ondersteunende documenten, bijvoorbeeld:

  • een lijst met relevante publicaties van het hoofdteam;
  • een uitputtende lijst van eerder uitgevoerde projecten en activiteiten die verband houden met het betreffende beleidsterrein of met deze specifieke actie.

Toekenningscriteria

Aan de hand van de toekenningscriteria kan het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap de kwaliteit beoordelen van de in het kader van het Erasmus+-programma ingediende projectvoorstellen.

Binnen de grenzen van de voor elke actie beschikbare begroting worden subsidies toegekend aan de projecten die het best aan deze kwaliteitscriteria voldoen.

In deel B van de programmagids wordt nader omschreven welke specifieke toekenningscriteria gelden voor alle in het kader van het Erasmus+-programma uitgevoerde acties.

  • 1. Verordening (EU, EURATOM) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie.
  • 2. Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198, 28.7.2017, blz. 29).
  • 3. PB C 316, 27.11.1995, blz. 48.
  • 4. PB C 195, 25.6.1997, blz. 1.
  • 5. Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector (PB L 192, 31.7.2003, blz. 54).
  • 6. Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB L 300, 11.11.2008, blz. 42).
  • 7. Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141, 5.6.2015, blz. 73).
  • 8. Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (PB L 164, 22.6.2002, blz. 3).
  • 9. Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101, 15.4.2011, blz. 1).
  • 10. Verordening (EG, EURATOM) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, 23.12.1995, blz. 1).
  • 11. Met uitzondering van acties die door nationale agentschappen worden uitgevoerd.
  • 12. Met inbegrip van scholen, hogeronderwijsinstellingen en organisaties op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugdzaken en sport die gedurende de afgelopen twee jaar meer dan 50 % van hun jaarlijkse inkomsten uit publieke bronnen hebben ontvangen; zij worden geacht over de nodige financiële draagkracht, beroepsbekwaamheid en administratieve capaciteit te beschikken om de activiteiten in het kader van het programma uit te voeren.
  • 13. De zekerheidstelling kan worden vervangen door een gezamenlijke borgstelling, of door individuele garanties van de deelnemende organisaties die medebegunstigden zijn van het project.