Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Subsidieovereenkomst/-besluit

Wanneer het project wordt geselecteerd voor een EU-subsidie uit hoofde van het Erasmus+-programma:

  • wordt een door het Uitvoerend Agentschap genomen subsidiebesluit ter kennis gebracht van de aanvrager van een geselecteerd project. Bij ontvangst/kennisgeving van het besluit wordt de aanvrager de begunstigde van de EU-subsidie en mag het project worden gestart1;
  • wordt een subsidieovereenkomst ondertekend tussen het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap dat het project selecteert, en de aanvrager. De aanvrager ontvangt de subsidieovereenkomst en moet die laten ondertekenen door zijn wettelijke vertegenwoordiger en terugsturen naar het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap; het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap ondertekent de overeenkomst als laatste. Zodra beide partijen de overeenkomst hebben ondertekend, wordt de aanvrager de begunstigde van de EU-subsidie en mag het project worden gestart2.

Naargelang van het soort actie kunnen subsidieovereenkomsten de vorm aannemen van overeenkomsten met één begunstigde, waarbij de aanvrager de enige begunstigde is, dan wel van overeenkomsten met meerdere begunstigden, waarbij alle partnerorganisaties begunstigden van de overeenkomst worden. De overeenkomst met meerdere begunstigden wordt ondertekend door de coördinator die het enige contactpunt is voor het nationaal agentschap of het Uitvoerend Agentschap. Niettemin ondertekenen alle andere organisaties die aan een project deelnemen (medebegunstigden) een volmacht waarbij zij de coördinator machtiging verlenen om als hoofdbegunstigde op te treden. Doorgaans moeten de volmachten van elke partner aan de aanvrager in de aanvraagfase worden gegeven. Gebeurt dat op een later tijdstip, dan moeten deze volmachten uiterlijk bij het ondertekenen van de subsidieovereenkomst beschikbaar zijn.

Opmerking: wat betreft mobiliteitsprojecten voor hogeronderwijsstudenten en -personeel, mobiliteitsprojecten voor lerenden en personeel van beroepsonderwijs en -opleiding, mobiliteitsprojecten voor personeel in schoolonderwijs en mobiliteitsprojecten voor personeel in volwassenenonderwijs, zijn geen volmachten vereist voor partnerorganisaties die gevestigd zijn in andere landen dan het land van de aanvragende organisatie. Organisaties die lid zijn van nationale consortia op het gebied van hoger onderwijs, beroepsonderwijs en  opleiding, school  en volwassenenonderwijs zijn wel verplicht een volmacht te geven aan de aanvragende organisatie.

Bij wijze van uitzondering moet in het kader van strategische partnerschappen van het type "Partnerschappen voor schooluitwisseling" elke deelnemende organisatie die bij een geselecteerd project betrokken is, met het in haar eigen land gevestigde nationaal agentschap een afzonderlijke subsidieovereenkomst (met elke begunstigde) ondertekenen die betrekking heeft op haar aandeel in de subsidie.

In de loop van het jaar worden op de websites van de Europese Commissie en het Uitvoerend Agentschap modelsubsidieovereenkomsten en -besluiten voor het Erasmus+-programma gepubliceerd.

De indicatieve kalender voor de ontvangst van subsidieovereenkomsten en -besluiten voor elke actie staat hieronder in het deel "Overzicht van projecttermijnen en betalingsvoorwaarden".

  • 1. Uitzonderingen op die regel worden nader omschreven in "Verbod op terugwerkende kracht" in dit deel van de gids.
  • 2. Zie voetnoot hierboven.