Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Kleine samenwerkingspartnerschappen

Wat zijn de doelstellingen van een klein samenwerkingspartnerschap?

Kleine samenwerkingspartnerschappen stellen organisaties in staat netwerken te vormen en te versterken, hun vermogen om op transnationaal niveau te functioneren te verbeteren, goede praktijken uit te wisselen en ideeën en methoden op diverse gebieden die verband houden met sport en lichaamsbeweging voor te leggen. De geselecteerde projecten kunnen ook tastbare resultaten opleveren en er wordt verwacht dat de resultaten van de projectactiviteiten worden verspreid, weliswaar in verhouding tot de doelstelling en reikwijdte van het project. Bij kleine samenwerkingspartnerschappen zijn diverse organisaties betrokken, waaronder meer in het bijzonder overheidsinstanties op lokaal, regionaal en nationaal niveau, sportorganisaties, sportgerelateerde organisaties en onderwijsorganisaties. Kleine samenwerkingspartnerschappen richten zich in het bijzonder op voortzetting van de voorbereidende acties van 2013 en zijn met name projecten die gericht zijn op: 

  • het bevorderen van sociale integratie en gelijke kansen in de sport;
  • het promoten van Europese traditionele sporten en spelen;
  • het ondersteunen van de mobiliteit van vrijwilligers, coaches, managers en personeel van sportorganisaties zonder winstoogmerk;
  • het beschermen van atleten, in het bijzonder de jongste, tegen gevaren voor de gezondheid en de veiligheid, door het verbeteren van de omstandigheden voor trainingen en wedstrijden;
  • het bevorderen van onderwijs in en door de sportsector, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van vaardigheden.

Kleine samenwerkingspartnerschappen dienen de totstandbrenging en ontwikkeling van transnationale netwerken op sportgebied te bevorderen. De EU kan daarbij mogelijkheden bieden voor een intensievere samenwerking tussen belanghebbenden, die zonder de EU-actie niet zou hebben bestaan. Kleine samenwerkingspartnerschappen dienen ook de synergie te stimuleren met en tussen lokale, regionale, nationale en internationale beleidsvormen die tot doel hebben sportbeoefening en lichaamsbeweging te bevorderen en sportgerelateerde uitdagingen aan te pakken.

Bij kleine samenwerkingspartnerschappen moet ten minste één lokale of regionale sportclub betrokken zijn.

De Commissie zal in de loop van het jaar via het Uitvoerend Agentschap één selectieronde organiseren.

Welke activiteiten worden ondersteund door deze actie?

Erasmus+ biedt een ruime flexibiliteit met betrekking tot de activiteiten die kleine samenwerkingspartnerschappen kunnen ontplooien, zolang uit het voorstel blijkt dat deze activiteiten het meest geschikt zijn om de voor het project vastgelegde doelstellingen te bereiken. Kleine samenwerkingspartnerschappen bestrijken doorgaans een breed scala aan activiteiten, zoals:

  • netwerkvorming onder belanghebbenden;
  • promotie, vaststelling en uitwisseling van goede praktijken;
  • voorbereiding, ontwikkeling en toepassing van onderwijs- en opleidingsmodules en -instrumenten;
  • bewustmakingsactiviteiten om te wijzen op de meerwaarde van sport en lichaamsbeweging voor de zelfontplooiing en de maatschappelijke en beroepsontwikkeling van personen;
  • conferenties, seminars, bijeenkomsten, evenementen en bewustmakingsacties om een draagvlak te geven aan de hierboven genoemde activiteiten.

Wie kan deelnemen aan een klein samenwerkingspartnerschap?

Kleine samenwerkingspartnerschappen staan open voor alle publieke instellingen of organisaties die actief zijn op het gebied van sport en lichaamsbeweging. Afhankelijk van de projectdoelstelling komt het erop aan diverse geschikte partners te betrekken bij kleine samenwerkingspartnerschappen met het doel de grote verscheidenheid aan ervaringen, profielen en deskundigheid optimaal te benutten en relevante en kwalitatief hoogstaande projectresultaten te boeken.

Kleine samenwerkingspartnerschappen zijn gericht op samenwerking tussen in programmalanden gevestigde organisaties.

Een klein samenwerkingspartnerschap moet als volgt samengesteld zijn:

  • aanvrager/coördinator: organisatie die het projectvoorstel indient namens alle partners. Komt het project in aanmerking voor financiële steun, dan wordt de aanvrager/coördinator de belangrijkste begunstigde van de EU-subsidie en ondertekent hij een subsidieovereenkomst voor begunstigden. Zie deel C van deze gids voor meer informatie over financiële en contractuele regelingen. De coördinerende rol van de aanvrager/coördinator omvat de volgende taken:
  • de deelnemende organisaties vertegenwoordigen en in hun naam optreden ten aanzien van de Europese Commissie;
  • de financiële en juridische verantwoordelijkheid op zich nemen voor de deugdelijke operationele, administratieve en financiële uitvoering van het hele project;
  • het samenwerkingspartnerschap coördineren in samenwerking met alle andere projectpartners;
  • de financiële bijdrage van de EU uit hoofde van het Erasmus+-programma ontvangen en deze verdelen onder de bij het project betrokken partners;
  • partners: organisaties die bijdragen aan de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het kleine samenwerkingspartnerschap.

Welke criteria worden gehanteerd om een klein samenwerkingspartnerschap te evalueren?

Hieronder worden de formele criteria opgesomd waaraan een klein samenwerkingspartnerschap moet voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Erasmus+-programma:

SUBSIDIABILITEITSCRITERIA

In aanmerking komende deelnemende organisaties

Elke organisatie of overheidsinstantie, met haar (eventuele) gelieerde entiteiten, die actief is op het gebied van sport en gevestigd is in een programmaland of in een willekeurig partnerland over de hele wereld (zie deel A van deze gids onder "Begunstigde landen").

Voorbeelden van een dergelijke organisatie zijn (niet-limitatieve opsomming):

  • lokale, regionale of nationale publieke organen die bevoegd zijn voor sport;
  • nationale Olympische Comités of nationale sportfederaties;
  • sportorganisaties op lokaal, regionaal of nationaal niveau;
  • nationale sportbonden;
  • sportclubs;
  • organisaties of bonden die sporters vertegenwoordigen;
  • organisaties of bonden die beroepsmensen en vrijwilligers in de sportsector vertegenwoordigen (zoals coaches, managers enzovoort);
  • organisaties die de beweging "sport voor iedereen" vertegenwoordigen;
  • organisaties die zich inzetten ter bevordering van lichaamsbeweging;
  • organisaties die de sector van de actieve vrijetijdsbesteding vertegenwoordigen.

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke deelnemende organisatie die in een programmaland gevestigd is, kan een subsidie aanvragen. Deze organisatie dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij het project betrokken zijn.

Aantal deelnemende organisaties en profiel daarvan

Een klein samenwerkingspartnerschap heeft een transnationale opzet, wat betekent dat minstens drie organisaties uit drie verschillende programmalanden betrokken zijn. Er is geen maximumaantal partners vastgelegd. Voor het budget inzake projectbeheer en -uitvoering geldt echter een bovengrens (gelijkwaardig aan 5 partners). Alle deelnemende organisaties moeten worden geïdentificeerd op het ogenblik dat een subsidie wordt aangevraagd.

Projectduur

12 tot 24 maanden. De duur moet in de aanvraagfase worden gekozen (12, 18 of 24 maanden) op basis van de doelstelling van het project en het soort geplande activiteiten.

Locatie(s) van de activiteit

De activiteiten moeten plaatsvinden in een of meer landen van de organisaties die aan het kleine samenwerkingspartnerschap deelnemen.

Waar aanvragen?

Bij het in Brussel gevestigde Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 4 april om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan op 1 januari van datzelfde jaar.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

TOEKENNINGSCRITERIA

Binnen deze categorieën wordt het project beoordeeld op grond van de volgende criteria:

Relevantie van het project

(maximaal 30 punten)

  • De mate waarin het voorstel relevant is voor:
  • de doelstellingen van het Europese sportbeleid;
    de doelstellingen en prioriteiten van deze actie (zie het deel "Wat zijn de doelstellingen van een klein samenwerkingspartnerschap?").
  • De mate waarin:
  • het voorstel berust op een gedegen en adequate behoefteanalyse;
  • de doelstellingen duidelijk worden afgebakend en realistisch van opzet zijn, en kwesties aanpakken die van belang zijn voor de deelnemende organisaties en doelgroepen;
  • het voorstel gericht is op innovatie en/of een aanvulling vormt op andere initiatieven die de deelnemende organisaties eerder hebben uitgevoerd;
  • het voorstel meerwaarde oplevert op EU-niveau in de vorm van resultaten die niet worden bereikt in het geval dat activiteiten in een afzonderlijk land worden uitgevoerd.

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering

(maximaal 20 punten)

  • De duidelijkheid, volledigheid en kwaliteit van het werkprogramma, met inbegrip van geschikte fasen ter voorbereiding, uitvoering, controle, evaluatie en verspreiding.
  • De consistentie tussen de projectdoelstellingen, methodologie, activiteiten en het voorgestelde budget.
  • De kwaliteit en praktische uitvoerbaarheid van de voorgestelde methode.
  • Het bestaan en de kwaliteit van beheersregelingen (de tijdschema's, organisatie, taken en verantwoordelijkheden zijn nauwkeurig omschreven en realistisch).
  • Het bestaan en de relevantie van kwaliteitscontrolemaatregelen die ten doel hebben te waarborgen dat het project op kwalitatief hoogstaande wijze, op tijd en binnen het budget wordt voltooid.
  • De mate waarin het project economisch verantwoord (kosteneffectief) is en geschikte middelen toewijst aan elke activiteit.

Kwaliteit van het projectteam en de samenwerkingsregelingen

(maximaal 20 punten)

  • De mate waarin:
  • het project, voor zover van toepassing, op passende wijze is samengesteld uit complementaire deelnemende organisaties die over het vereiste profiel, de nodige ervaring en deskundigheid beschikken om het project in elk opzicht met succes te voltooien, met inbegrip van het vereiste profiel en nodige ervaring van hun capaciteiten op het gebied van sporbeleid en sportbeoefening;
  • de verdeling van verantwoordelijkheden en taken een afspiegeling is van de inzet en actieve bijdrage van alle deelnemende organisaties;
  • indien van toepassing, de mate waarin de betrokkenheid van een deelnemende organisatie uit een partnerland essentiële meerwaarde oplevert voor het project.

Effect en verspreiding

(maximaal 30 punten)

  • De kwaliteit van maatregelen om de projectresultaten te evalueren.
    De potentiële effecten van het project:
  • op deelnemers en deelnemende organisaties tijdens en na afloop van het project;
  • buiten de organisaties en personen die rechtstreeks deelnemen aan het project, op lokaal, regionaal, nationaal en/of Europees niveau.
  • De kwaliteit van het verspreidingsplan: de geschiktheid en kwaliteit van maatregelen met het oog op de verspreiding van de projectresultaten binnen de deelnemende organisaties en daarbuiten.
  • Voor zover van toepassing, de mate waarin het voorstel beschrijft hoe geproduceerde documenten, materiaal en media vrij toegankelijk worden gemaakt en gepromoot onder open licenties en zonder onevenredige beperkingen op te leggen.
  • De kwaliteit van de plannen om het project duurzaam te maken: de mate waarin het project effecten en resultaten kan blijven opleveren nadat de EU-subsidie is opgebruikt.

De voorstellen moeten een minimumscore van 60 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een score behalen van minstens de helft van het maximumaantal punten in elke categorie van de hierboven vermelde toekenningscriteria (dat wil zeggen ten minste 15 punten voor de categorieën "Relevantie van het project" en "Effect en verspreiding"; 10 punten voor de categorieën "Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering" en "Kwaliteit van het projectteam en de samenwerkingsregelingen").

Wat zijn de financieringsregels?

Het projectbudget wordt opgesteld met inachtneming van de volgende financieringsregels (in euro):

Maximumsubsidie voor kleine samenwerkingspartnerschappen: 60 000 EUR

Subsidiabele kosten

Financierings-mechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Projectbeheer en -uitvoering

Projectbeheer (dat wil zeggen planning, financiële regelingen, coördinatie en communicatie tussen partners enzovoort); leer-, onderwijs- en opleidingsmateriaal, instrumenten, benaderingen op kleine schaal enzovoort. Virtuele samenwerking en lokale projectactiviteiten; informatie, promotie en verspreiding (bijvoorbeeld brochures, informatiefolders, informatie op internet enzovoort).

Tegemoetkoming in de eenheidskost

Tegemoetkoming in de activiteiten van de coördinerende organisatie:
500 EUR per maand

Maximaal 1 500 EUR per maand

Op basis van de duur van de kleine samenwerkingspartnerschappen en het aantal deelnemende organisaties

Tegemoetkoming in de eenheidskost

Tegemoetkoming in de activiteiten van de andere deelnemende organisaties:
250 EUR per organisatie per maand

Transnationale project-bijeenkomsten

Deelname aan bijeenkomsten tussen projectpartners, waarbij een van de deelnemende organisaties optreedt als gastorganisatie voor uitvoerings- en coördinatiedoeleinden. Tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten.

Tegemoetkoming in de eenheidskost

Voor een reisafstand tussen 100 en 1 999 km:
575 EUR per deelnemer per bijeenkomst

Voor een reisafstand van 2 000 km of meer:
760 EUR per deelnemer per bijeenkomst

Voorwaardelijk: aanvragers moeten het aantal bijeenkomsten en betrokken deelnemers rechtvaardigen. De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening.

Subsidiabele kosten

Financierings-mechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Buitengewone kosten

Tegemoetkoming in de werkelijke kosten voor de uitbesteding of de inkoop van goederen en diensten.

Werkelijke kosten

80 % van de subsidiabele kosten
Maximaal 10 000 EUR per project (exclusief kosten voor een financiële garantie)

Voorwaardelijk: uitbesteding moet verband houden met diensten die de deelnemende organisaties om deugdelijk gemotiveerde redenen niet zelf kunnen verstrekken. Uitrusting mag geen betrekking hebben op gewone kantooruitrusting, noch op uitrusting die doorgaans wordt gebruikt door de deelnemende organisaties.