Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Strategische partnerschappen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken

Wat zijn de doelstellingen en prioriteiten van een strategisch partnerschap?

Strategische partnerschappen beogen de ontwikkeling, overdracht en/of toepassing van innovatieve praktijken te bevorderen evenals de tenuitvoerlegging van gezamenlijke initiatieven die samenwerking, intercollegiaal leren (peer learning) en uitwisseling van ervaring op Europees niveau stimuleren.

Afhankelijk van de doelstellingen en de samenstelling van het strategisch partnerschap, kunnen de projecten twee vormen aannemen:

  • Strategische partnerschappen ter ondersteuning van innovatie:

De projecten worden verondersteld te leiden tot innovatieve resultaten en/of betrekking te hebben op intensieve verspreidings- en benuttingsactiviteiten van bestaande en nieuwe producten of vernieuwende ideeën. Aanvragers kunnen een beroep doen op een specifiek budget voor intellectuele prestaties en evenementen met multiplicatoreffect om rechtstreeks in te spelen op het innovatieve aspect van de actie. Projecten van deze soort staan open voor alle gebieden van onderwijs, opleiding en jeugdzaken.

 

  • Strategische partnerschappen ter ondersteuning van de uitwisseling van goede praktijken:

Het belangrijkste doel bestaat erin organisaties in staat te stellen netwerken te vormen en te versterken, hun vermogen om op transnationaal niveau te functioneren te verbeteren en ideeën, praktijken en methoden te delen en voor te leggen. De geselecteerde projecten kunnen ook tastbare resultaten opleveren en er wordt verwacht dat de resultaten van de projectactiviteiten worden verspreid, weliswaar in verhouding tot de doelstelling en reikwijdte van het project. Deze resultaten en activiteiten zullen medegefinancierd worden uit het standaardbudget voor projectbeheer en -uitvoering. In strategische partnerschappen die het hoger onderwijs betreffen, worden dit soort projecten niet ondersteund. Daarnaast kunnen in het kader van dit type partnerschappen ook enkele vormen van specifieke strategische partnerschappen worden gerealiseerd:

  • Partnerschappen voor schooluitwisseling: Alleen scholen kunnen deelnemen aan dit soort strategische partnerschappen. De projecten kunnen gebruikmaken van de kansen voor mobiliteit voor leerlingen en personeel om de deelnemende scholen te helpen zich als organisaties te ontwikkelen en hun vermogen om in internationale projecten te werken, te verhogen. Bovendien wordt het combineren van mobiliteit en fysieke uitwisseling met virtuele samenwerking via eTwinning sterk aanbevolen.
  • Transnationale jongereninitiatieven: Deze strategische partnerschappen op het gebied van jeugdzaken zijn gericht op de bevordering van maatschappelijk engagement en ondernemersgeest bij jongeren. Kenmerkend voor dit type strategische partnerschappen is dat een jongereninitiatief door jongeren zelf wordt ingeleid, opgezet en uitgevoerd. 

Meer informatie over de kenmerken van deze specifieke projectvormen is te vinden onder "Vormen van specifieke strategische partnerschappen"

 

Strategische partnerschappen staan niet alleen open voor elke organisatie die actief is op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken of in andere sociaaleconomische sectoren, maar ook voor organisaties die op verschillende terreinen tegelijk actief zijn (zoals lokale en regionale overheden, centra voor erkenning en validering, kamers van koophandel, vakorganisaties, centra voor begeleiding, culturele organisaties). Afhankelijk van de projectdoelstellingen en -prioriteit komt het erop aan de meest geschikte en uiteenlopende partners te betrekken bij strategische partnerschappen met het doel de verschillende ervaringen, profielen en specifieke deskundigheid optimaal te benutten en ter zake dienende en kwalitatief hoogstaande projectresultaten te boeken.

Om gefinancierd te worden, moeten strategische partnerschappen op hetzij a) ten minste een horizontale prioriteit hetzij b) ten minste een specifieke doelstelling gericht zijn die relevant is op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd dat het sterkst beïnvloed wordt, zoals hieronder wordt beschreven. De nationale agentschappen mogen meer aandacht schenken aan die prioriteiten welke bijzonder relevant zijn in de nationale context ("Europese prioriteiten in de nationale context"). De nationale agentschappen moeten potentiële aanvragers hier via hun officiële website naar behoren over informeren. 

 

Horizontale prioriteiten

  • Ondersteuning van individuen bij het verwerven en ontwikkelen van basisvaardigheden en kerncompetenties1 om de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en de sociaalpedagogische en persoonlijke ontwikkeling, alsmede de deelname aan het maatschappelijke en sociale leven te bevorderen. In een snel veranderende wereld omvat dit ook taalvaardigheden, ondernemingsgeest, kritisch denken en creativiteit, evenals toekomstgerichte vaardigheden op gebieden die van strategisch belang zijn voor slimme economische en sociale ontwikkeling. Deze prioriteit omvat onder andere acties om: partnerschappen tussen onderwijsinstellingen, bedrijven en intermediaire instanties te ontwikkelen; werkplekleren te ondersteunen; de kwaliteit en doeltreffendheid van de leermobiliteitservaringen te verbeteren; effectieve en innovatieve onderwijsmethoden, onderwijs-, beoordelings- en leeromgevingen te ondersteunen; op competenties gebaseerde benaderingen toe te passen en de kwaliteit, het effect en de relevantie daarvan te beoordelen; interdisciplinaire samenwerking op het gebied van wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde te bevorderen; de ontwikkeling van nationale en transnationale sectorspecifieke vaardighedenstrategieën te ondersteunen. Dit kan bijdragen tot een hogere kwaliteit van onderwijs en opleiding en de overgang tussen de verschillende onderwijs- en opleidingstrajecten ondersteunen.
  • Sociale integratie: voorrang zal worden gegeven aan acties waarin aandacht wordt besteed aan diversiteit en waarin – met name door een innovatieve geïntegreerde aanpak – het eigenaarschap van gedeelde waarden, gelijkwaardigheid, met inbegrip van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen, en non-discriminatie en sociale integratie, met inbegrip van mensen met gezondheidsaandoeningen, via onderwijs-, opleidings-, jeugd- en sportactiviteiten worden gestimuleerd. Het programma verleent steun aan projecten die gericht zijn op de bevordering van de ontwikkeling van sociale, burgerschaps- en interculturele competenties, onlineveiligheid en digitaal welzijn, en op de bestrijding van discriminatie, segregatie, racisme, pesten (met inbegrip van cyberpesten), geweld, nepnieuws en andere vormen van onlinedesinformatie. Het programma ondersteunt en beoordeelt ook nieuwe benaderingen om de ongelijkheden in toegang tot en betrokkenheid bij digitale technologieën in formeel en niet-formeel onderwijs te verkleinen. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de aanpak van genderverschillen met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van digitale technologieën en het starten van studies en loopbanen in de ICT door vrouwelijke studenten.
  • Open onderwijs en innovatieve praktijken in een digitaal tijdperk: voorrang zal worden gegeven aan acties ter bevordering van innovatieve onderwijsmethoden en methoden voor lesgeven, leren en toetsen, en ter ondersteuning van opvoeders en lerenden bij het gebruik van digitale technologieën op creatieve, coöperatieve en efficiënte manieren. Voorrang zal worden gegeven aan de ondersteuning van onderwijs- en opleidingsinstellingen bij de invoering van digitale technologieën, zoals uiteengezet in het Europees kader voor digitaal competente onderwijsorganisaties2 en het Actieplan voor digitaal onderwijs, met inbegrip van met name het gebruik van het zelfreflectie-instrument SELFIE voor scholen voor algemeen onderwijs en scholen voor beroepsonderwijs en -opleiding op alle niveaus. "Een andere prioriteit is het actualiseren en ontwikkelen van digitale leermiddelen en -instrumenten, met name open leermiddelen, open leerboeken, en gratis “open source”-software voor onderwijsdoeleinden, alsmede het ondersteunen van het effectieve gebruik van digitale technologieën en open pedagogische methoden op het gebied van onderwijs, opleiding, jeugd en sport. Dit omvat de ondersteuning van synergie met activiteiten op het gebied van onderzoek en innovatie, waaronder dus ook open science, en de promotie van nieuwe technologieën als drijvende krachten achter verbeteringen in het onderwijs-, opleidings-, jeugd- en sportbeleid. Het programma zal ook steun verlenen aan nieuwe onderwijsmethoden en -instrumenten en het gebruik van de Europese kaders voor de digitale competentie van lesgevers, burgers en organisaties.
  • Ondersteunende lesgevers: voorrang zal worden gegeven aan acties ter versterking van de werving, selectie en professionele ontwikkeling van lesgevers (bv. leraren, opleiders, professoren, tutoren, mentoren, coaches), jeugdwerkers, schoolleiders (bv. schoolhoofden, rectoren, afdelingshoofden) en ondersteunend personeel (bv. onderwijsassistenten, loopbaanadviseurs, personeelsspecialisten in bedrijven), alsook aan acties ter ondersteuning van kwalitatief hoogstaand en innovatief lesgeven en toetsen. Dit omvat professionele ontwikkeling op gebieden als communicatie, samenwerking en uitwisseling tussen leerkrachten, het koppelen van onderwijs aan onderzoek en innovatie, werkplekleren en informeel leren, het aanpakken van voortijdig schoolverlaten, het ondersteunen van leerlingen uit kansarme milieus en het omgaan met culturele en taaldiversiteit.
  • Transparantie en erkenning van vaardigheden en kwalificaties: voorrang zal worden gegeven aan acties ter bevordering van leer- en arbeidsmobiliteit en ter vergemakkelijking van de overgang tussen verschillende niveaus en soorten onderwijs en opleiding, tussen onderwijs/opleiding en het beroepsleven en tussen verschillende banen. Voorrang zal worden gegeven aan acties ter bevordering van automatische wederzijdse erkenning, transparantie en vergelijkbaarheid van kwalificaties en leerresultaten, onder meer door de verlening van betere diensten en informatie/begeleiding inzake vaardigheden en kwalificaties. Dit omvat de bevordering van innovatieve oplossingen om de erkenning en ondersteuning te verbeteren van de validering – op lokaal, regionaal, nationaal of Europees/internationaal niveau – van competenties die door informeel en niet-formeel leren zijn verworven, waaronder het gebruik van digitale badges en blokketen-technologieën.
  • Duurzame investeringen, kwaliteit en efficiëntie van de onderwijs-, opleidings- en jeugdwerkstelsels: voorrang zal worden gegeven aan acties ter ondersteuning van de uitvoering van het investeringsplan voor Europa, onder meer door financieringsmodellen te stimuleren waarbij particuliere actoren en particulier kapitaal worden aangetrokken, zoals de Europese garantiefaciliteit voor studentenleningen; ter ondersteuning van de ontwikkeling van wetenschappelijk onderbouwd beleid en hervormingen die gericht zijn op een efficiëntere verstrekking van kwaliteitsonderwijs en -opleidingen; ter verkenning van innovatieve manieren om te zorgen voor duurzame investeringen in onderwijs, opleiding en jeugdwerk, met inbegrip van prestatiegerichte financiering en kostendeling, waar van toepassing.
  • De sociale en educatieve waarde van het Europees cultureel erfgoed, de bijdrage ervan aan het scheppen van werkgelegenheid, economische groei en sociale samenhang: voorrang zal worden gegeven aan acties die bijdragen aan de bewustwording van het belang van het Europese culturele erfgoed door middel van onderwijs, levenslang leren, informeel en niet-formeel leren, jeugdzaken en sport, met inbegrip van acties ter ondersteuning van de ontwikkeling van vaardigheden, sociale integratie, kritisch denken en betrokkenheid van jongeren. Nieuwe participatieve en interculturele benaderingen van het erfgoed, alsmede educatieve initiatieven ter bevordering van de interculturele dialoog tussen leerkrachten en leerlingen vanaf jonge leeftijd zullen worden bevorderd.

 

 

Gebiedsspecifieke prioriteiten 

Op het gebied van het hoger onderwijs zal voorrang worden gegeven aan acties ter versterking van internationalisering en mobiliteit, evenals verbanden tussen onderwijs, onderzoek en innovatie, in overeenstemming met de uitdagingen die zijn vastgesteld in de nieuwe EU-agenda voor hoger onderwijs, de aanbeveling van de Raad over het volgen van afgestudeerden, de mededeling “De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur” en het Actieplan voor digitaal onderwijs:

  • het stimuleren van internationalisering, onder meer door automatische wederzijdse erkenning van kwalificaties en leerresultaten, en ondersteuning van instellingen voor hoger onderwijs bij de uitvoering van de beginselen en instrumenten van het Bolognaproces om de mobiliteit voor iedereen te vergroten en een succesvolle Europese onderwijsruimte te ontwikkelen;
  • het aanpakken van lacunes in vaardigheden en mismatches door: a) ondersteuning van nieuwe innovatieve onderwijsmethoden om resultaatgerichte curricula te ontwerpen en te ontwikkelen, die beantwoorden aan de leerbehoeften van studenten en tegelijkertijd relevant zijn voor de arbeidsmarkt en de maatschappelijke behoeften, onder meer door een beter gebruik van open en online-, gemengd, werkplek- en multidisciplinair leren. En om flexibeler leren mogelijk te maken, de verscheidenheid van cursussen te vergroten en de digitale competenties van lesgevers en studenten te ontwikkelen; b) activiteiten om het aantal inschrijvingen in vakken die te kampen hebben met vaardigheidstekorten te vergroten en de loopbaanbegeleiding te verbeteren; c) activiteiten ter ondersteuning van de verwerving van overdraagbare, ondernemers- en digitale vaardigheden;
  • het bevorderen en belonen van excellentie in onderwijs en ontwikkeling van vaardigheden, onder meer door a) bevordering van effectieve stimulerende structuren en personeelsbeleid op nationaal en institutioneel niveau; b) stimulering van opleidingen van afgestudeerden en de uitwisseling van goede praktijken (bijvoorbeeld via samenwerkingsplatforms) op het gebied van nieuwe en innovatieve onderwijsmethoden, met inbegrip van multidisciplinaire benaderingen en nieuwe methoden voor de opzet van curricula, de uitvoering en de beoordeling; c) instellingen in staat te stellen om een breder scala aan (online)cursussen aan voltijd-, deeltijd- of een-leven-lang-lerenstudenten aan te bieden; d) onderwijs aan onderzoek en innovatie te koppelen, een ondernemende, open en innovatieve hogeronderwijssector te bevorderen en leer- en onderwijspartnerschappen met commerciële en niet-commerciële partners in de particuliere sector te stimuleren;
  • het opbouwen van inclusieve hogeronderwijsstelsels, verbonden met de omliggende gemeenschappen, door de toegang eerlijker te maken en het percentage deelnemers en afgestudeerden uit ondervertegenwoordigde en kansarme groepen en vluchtelingen te vergroten; flexibele en modulaire cursussen (deeltijds, online of gemengd) te ontwikkelen, te testen en uit te voeren; burgerlijke en sociale verantwoordelijkheid van studenten, onderzoekers en universiteiten te bevorderen en vrijwilligers- en gemeenschapswerk in academische resultaten te erkennen;
  • het consolideren en verbeteren van de opbouw van feitelijke kennis over het hoger onderwijs door de prestaties van hogeronderwijsbeleid, hogeronderwijsstelsels en afzonderlijke instellingen te meten; het verzamelen van feitelijke kennis over de vaardigheidsbehoeften van de economie en de samenleving door middel van anticipatie op vaardigheden, het volgen van afgestudeerden en verkenningsstudies, met inbegrip van ondersteuning aan verdere ontwikkeling van volgsystemen voor afgestudeerden in programmalanden overeenkomstig de aanbeveling van de Raad over het volgen van afgestudeerden, en het verbeteren van de beschikbaarheid van vergelijkbare gegevens over de afstudeerresultaten in Europa;
  • het bevorderen van effectieve en efficiënte financierings- en bestuursmodellen op systeemniveau, belonen van goed onderwijs, innovatie en gemeenschapsbelang;
  • het ondersteunen van de invoering van de EU-studentenkaart om de studentmobiliteit in Europa te vergemakkelijken door de administratieve lasten in termen van tijd, kosten en inspanningen in verband met de fysieke registratie aanzienlijk te verminderen; door te zorgen voor een veilige overdracht van studentengegevens tussen instellingen voor hoger onderwijs, van de selectie van studenten tot de erkenning van hun ECTS-studiepunten, met volledige inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens.

Op het gebied van schoolonderwijs zal voorrang worden gegeven aan:

  • het versterken van de profielen van onderwijsfuncties, waaronder met name leerkrachten, schoolleiders en opleiders van leerkrachten, bijvoorbeeld door: loopbanen aantrekkelijker en diverser te maken, selectie, werving en beoordeling te versterken, de opleiding en professionele ontwikkeling van leerkrachten te verbeteren en de verschillende fasen daarvan aan elkaar te koppelen; de mobiliteit van leerkrachten te vergemakkelijken, leerkrachten te ondersteunen bij het ontwikkelen van innovatieve onderwijs- en beoordelingsmethoden; leiderschap in het onderwijs te versterken, met inbegrip van verdeling van leiderschap en leerkrachten met leiderschapspositie;
  • het bevorderen van een integrale benadering van taalonderwijs en -verwerving, inspelend op de toenemende linguïstische diversiteit in scholen, bijvoorbeeld door: vroege taalverwerving en -bewustzijn te stimuleren, tweetalige onderwijsopties te ontwikkelen vooral voor grensregio’s en/of gebieden waar de inwoners meer dan een taal gebruiken; het gebruik van nieuwe technologieën ter ondersteuning van taalverwerving gangbaar maken, de integratie van taal in de verschillende lesprogramma’s;
  • het aanpakken van voortijdig schoolverlaten en achterstand, ervoor zorgen dat alle leerlingen succesvol kunnen zijn, waaronder kinderen met een migratieachtergrond, bijvoorbeeld door: samenwerking tussen alle actoren binnen scholen en met families en andere externe belanghebbenden te versterken; de overgang tussen de verschillende onderwijsfasen te verbeteren; de vorming van netwerken door scholen te ondersteunen, die samenwerkingsgerichte en holistische onderwijs- en leerbenaderingen bevorderen; de evaluatie en kwaliteitsborging te verbeteren;
  • het verbeteren van de toegang tot betaalbare en hoogwaardige opvang- en onderwijsmogelijkheden voor jonge kinderen, en het verhogen van de kwaliteit van de systemen en voorzieningen teneinde de op hun leeftijd afgestemde ontwikkeling van kinderen te stimuleren, met het oog op betere leerresultaten en een goede start in het onderwijs voor iedereen, bijvoorbeeld door: het EU-kwaliteitskader verder te ontwikkelen; de voordelen van onderwijs voor jonge kinderen te bestendigen in de andere niveaus van schoolonderwijs; en nieuwe modellen te ontwikkelen inzake uitvoering, beheer en financiering;
  • het opbouwen van capaciteit voor de organisatie en erkenning ven leerperioden in het buitenland, waaronder de erkenning van formeel onderwijs en transversale competenties ontwikkeld via niet-formeel en informeel leren, bijvoorbeeld door: instrumenten en mechanismen voor erkenning te ontwikkelen en te verspreiden; beste praktijken te delen en te bevorderen; de administratieve capaciteit van scholen te vergroten ter ondersteuning van deelname van leerlingen aan transnationale projecten en uitwisselingen; te zorgen voor de juiste veiligheidsnormen voor leerlingen die deelnemen aan transnationale mobiliteit; en duurzame partnerschappen te bewerkstelligen tussen organisaties die grensoverschrijdende uitwisselingen in het reguliere onderwijs organiseren.

 

Op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding (zowel initieel als postinitieel) zal voorrang worden gegeven aan:

  • het ontwikkelen van partnerschappen die het opzetten en uitvoeren van internationaliseringsstrategieën voor aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding ondersteunen3, en tot doel hebben de noodzakelijke ondersteuningsmechanismen en contractuele kaders in te stellen om hoogwaardige mobiliteit van personeel en studenten te bevorderen4, waaronder de erkenning van hun leerresultaten; het ontwikkelen van ondersteuningsdiensten voor studenten om internationalisering en studentmobiliteit in dit onderwijs te bevorderen door middel van acties gericht op het informeren, motiveren, voorbereiden en faciliteren van de sociale integratie van de student in het gastland en tegelijkertijd het verbeteren van hun interculturele bewustzijn en actief burgerschap;
  • het ontwikkelen van partnerschappen ter bevordering van alle vormen van werkplekleren, met name voor de uitvoering van de aanbeveling van de Raad over een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen5. Deze partnerschappen kunnen ook gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe opleidingsinhoud en gezamenlijke beroepsopleidingskwalificaties, die perioden van werkplekleren bevatten, met inbegrip van mogelijkheden om kennis toe te passen in de praktijk op de werkvloer, en op de invoering van internationale mobiliteitservaringen waar mogelijk; 
  • het verhogen van de kwaliteit van beroepsonderwijs en opleiding door middel van het opzetten van cyclische feedbackprocessen om het aanbod van beroepsonderwijs en -opleiding aan te passen, met inbegrip van het opzetten en testen van volgsystemen voor afgestudeerden in het kader van kwaliteitsborgingssystemen overeenkomstig de aanbeveling van de Raad over het volgen van afgestudeerden en de aanbeveling over het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding (EQAVET)6;
  • het verbeteren van de toegang tot opleiding en kwalificaties voor iedereen, met bijzondere aandacht voor laagopgeleiden, door middel van postinitieel beroepsonderwijs, met name door de kwaliteit, het aanbod en de toegankelijkheid van postinitieel beroepsonderwijs te verbeteren, niet-formeel en informeel leren te valideren, werkplekleren te bevorderen, efficiënte en geïntegreerde begeleidingsdiensten en flexibele leertrajecten aan te bieden waarbinnen makkelijk kan worden overgestapt; dit omvat het ontwikkelen van partnerschappen tussen micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding met het oog op het bevorderen van gezamenlijke competentiecentra, leernetwerken, ondersteuning voor het bundelen van middelen, en het aanbieden van initiële en/of postinitiële opleiding aan hun personeel;
  • het verder versterken van kerncompetenties in initieel en postinitieel beroepsonderwijs en -opleiding (met name lees- schrijf- en rekenvaardigheid, digitale competenties en talen), met inbegrip van gemeenschappelijke methoden voor het introduceren van deze competenties in curricula, evenals voor het verkrijgen, aanleveren en beoordelen van de leerresultaten van deze curricula;
  • het ondersteunen van het starten met innovatieve benaderingen en digitale technologieën voor het onderwijs, zoals uiteengezet in het Actieplan voor digitaal onderwijs, met inbegrip van het effectieve gebruik van het zelfreflectie-instrument SELFIE ter ondersteuning van een integrale benadering van innovatie, en het gebruik van digitale technologieën voor pedagogische, administratieve, technische en organisatorische verandering;
  • het invoeren van een systematische benadering van, en mogelijkheden voor, initiële en postinitiële professionele ontwikkeling van leerkrachten, opleiders en mentoren in beroepsonderwijs en -opleiding, zowel in de schoolomgeving als op de werkplek (waaronder leerlingplaatsen), onder meer via de ontwikkeling van doeltreffend digitaal, open en innovatief onderwijs en onderwijsmethoden, evenals praktische instrumenten;
  • het ontwikkelen van duurzame partnerschappen om de organisatie van nationale, regionale en sectorspecifieke vaardigheidswedstrijden op te zetten of verder te ontwikkelen, als een manier om de aantrekkingskracht en de topkwaliteit in het beroepsonderwijs te vergroten. Deze partnerschappen kunnen ook de regelingen ontwikkelen en ondersteunen voor de voorbereiding, training en deelname van studenten en personeel in het beroepsonderwijs in internationale, regionale en sectorspecifieke vaardigheidswedstrijden. Tegelijkertijd kunnen ze nauw samenwerken met bedrijven, aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding, kamers en andere relevante belanghebbenden.

Op het gebied van volwassenenonderwijs, in overeenstemming met de prioriteiten van de ET2020/Europese agenda voor volwasseneneducatie7 en de aanbeveling van de Raad betreffende bijscholingstrajecten: Nieuwe mogelijkheden voor volwassenen, zal voorrang worden gegeven aan:

  • het verbeteren en uitbreiden van het aanbod van hoogwaardige leermogelijkheden die zijn toegesneden op de behoeften van individuele laagopgeleide of laaggekwalificeerde volwassenen, zodat zij hun lees-, schrijf- en rekenvaardigheid of digitale vaardigheden, kerncompetenties en/of voortgang naar hogere kwalificaties kunnen verbeteren, onder meer door de validatie van vaardigheden die zij door informeel en niet-formeel leren hebben verworven;
  • het ondersteunen van de totstandbrenging van, en toegang tot, bijscholingstrajecten door het in kaart brengen en toetsen van vaardigheden, het leeraanbod aan te passen aan individuele leerbehoeften, flexibele manieren van leren te erkennen (bijvoorbeeld open onlinecursussen voor een groot publiek (MOOC’s)), en door vaardigheden die via informeel en niet-formeel leren zijn verworven te valideren;
  • het vergroten van de vraag en het gebruik door middel van doeltreffende strategieën voor voorlichting, begeleiding en motivatie die laagopgeleide of laaggekwalificeerde volwassenen aanmoedigen hun lees-, schrijf- en rekenvaardigheid, digitale competenties en andere kerncompetenties te ontwikkelen en te verbeteren en/of hogere kwalificaties te bereiken;
  • het uitbreiden en ontwikkelen van de competenties van de lesgevers en ander personeel dat volwassen lerenden ondersteunt, met name in het motiveren van volwassenen om deel te nemen aan het leerproces en in het effectief onderwijzen van lees-, schrijf- en rekenvaardigheid en digitale competenties aan laagopgeleide of laaggekwalificeerde volwassenen, onder meer door het effectief gebruik van digitale technologieën om de leerervaring te verbeteren;
  • het ontwikkelen van mechanismen om de doeltreffendheid van het beleid inzake volwassenenonderwijs te monitoren of om de vooruitgang van volwassen lerenden te volgen en te monitoren.

 

Gebiedsspecifieke prioriteiten

Op het gebied van het hoger onderwijs zal voorrang worden gegeven aan acties ter versterking van internationalisering en mobiliteit, evenals verbanden tussen onderwijs, onderzoek en innovatie, in overeenstemming met de uitdagingen die zijn vastgesteld in de nieuwe EU-agenda voor hoger onderwijs, de aanbeveling van de Raad over het volgen van afgestudeerden, de mededeling “De Europese identiteit versterken via onderwijs en cultuur” en het Actieplan voor digitaal onderwijs:

Op het gebied van jeugdwerk in overeenstemming met de voorgestelde EU-jeugdstrategie 2019-2027 zal voorrang worden gegeven aan:

Projecten die bijdragen aan de EU-jeugdwerkagenda door:

  • Het bevorderen van kwaliteit, innovatie en erkenning van jeugdwerk. Voorrang wordt gegeven aan projecten die gericht zijn op:
    • het ondersteunen van capaciteitsopbouw van jeugdwerkers en in het jeugdwerk; 
    • het ondersteunen van jeugdwerkers bij het ontwikkelen en delen van doeltreffende methoden om gemarginaliseerde jongeren te bereiken, racisme en onverdraagzaamheid onder jongeren te voorkomen en de risico's, kansen en gevolgen van digitalisering aan te pakken; 
    • het bevorderen van de inclusie en inzetbaarheid van kansarme jongeren (waaronder jongeren die geen baan hebben noch onderwijs of een opleiding volgen), waarbij de klemtoon in het bijzonder ligt op jongeren die gemarginaliseerd dreigen te raken en op jongeren met een migrantenachtergrond, waaronder pas aangekomen migranten en jonge vluchtelingen;
    • het stimuleren van de interculturele dialoog en het versterken van de kennis en de aanvaarding van diversiteit in de maatschappij; 
    • het openstellen van het jeugdwerk voor sectoroverstijgende samenwerking waardoor grotere synergieën mogelijk worden tussen alle actiegebieden die betrekking hebben op jongeren; 
    • de overgang van jongeren van jeugd naar volwassenheid vergemakkelijken, met name de integratie op de arbeidsmarkt; hun competenties ontwikkelen en kwaliteitsnormen, ethische en beroepscodes vaststellen; 
    • Het versterken van de banden tussen beleid, onderzoek en praktijk; het stimuleren van betere kennis over de situatie van jongeren en jeugdbeleid, de erkenning en validering van jeugdwerk en informeel en niet-formeel leren op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau. 
  • Het bevorderen van projecten gericht op het betrekken, verbinden en sterker maken van jongeren. Voorrang zal worden gegeven aan projecten die de sectoroverstijgende samenwerking versterken met het oog op grotere synergieën tussen alle actiegebieden die betrekking hebben op jongeren, met nadruk op de toegang tot rechten, autonomie, participatie – met inbegrip van e-participatie – en actief burgerschap van jongeren, en dan vooral die jongeren die risico lopen op sociale uitsluiting, door middel van projecten die gericht zijn op: 
    • een grotere participatie van alle jongeren in het democratische en het burgerleven in Europa, ook in het kader van de Europese verkiezingen van 2019; 
    • het verbreden en verdiepen van politieke en maatschappelijke participatie van jongeren op lokaal, regionaal, nationaal, Europees of mondiaal niveau; 
    • het promoten van vrijwilligerswerk onder jongeren; 
    • een sterkere sociale inclusie van alle jongeren, daarbij rekening houdend met de onderliggende Europese waarden; 
    • het promoten van diversiteit, interculturele en interreligieuze dialoog en de gemeenschappelijke waarden vrijheid, tolerantie en eerbiediging van mensenrechten, sociale en economische rechten; 
    • kritisch denken en mediageletterdheid bij jongeren doen toenemen ter versterking van de democratie en bestrijding van manipulatie, propaganda en nepnieuws;
    • het versterken van de zin voor initiatief van jonge mensen, met name op sociaal gebied;
    • het in staat stellen van jonge mensen om in verbinding te komen met, hun mening kenbaar te maken aan en invloed uit te oefenen op verkozen beleidsmakers, overheden, belangengroepen, maatschappelijke organisaties of individuele burgers in het kader van politieke of maatschappelijke processen die hun leven beïnvloeden.
  • Het bevorderen van onderwijs in ondernemerschap, maatschappelijk verantwoord ondernemen en activiteiten zonder winstoogmerk onder jonge mensen. Voorrang wordt gegeven aan projecten in de vorm van transnationale jongereninitiatieven die groepen jongeren in staat stellen ideeën in de praktijk te brengen, onder meer door middel van sociale ondernemingen, met het oog op het aanpakken van uitdagingen en problemen waar ze in hun dagelijks leven mee te maken krijgen.

 

Welke activiteiten worden ondersteund in een strategisch partnerschap?

Gedurende de looptijd van het project, en rekening houdend met het soort strategische partnerschappen, kunnen projecten doorgaans een breed scala aan activiteiten ontplooien, zoals:

  • activiteiten ter versterking van de samenwerking en netwerkvorming tussen organisaties;
  • toetsing en/of toepassing van innovatieve praktijken op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken;
  • activiteiten ter vergemakkelijking van de erkenning en validering van kennis, vaardigheden en competenties verworven door formeel, niet-formeel en informeel leren;
  • activiteiten met het oog op de samenwerking tussen regionale overheden ter bevordering van de ontwikkeling van onderwijs-, opleidings- en jeugdwerkstelsels en de integratie daarvan in lokale en regionale ontwikkelingsacties;
  • activiteiten om lerenden met een handicap/specifieke behoeften te helpen hun opleiding af te ronden en om voor hen de overgang naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, onder meer door segregatie en discriminatie van gemarginaliseerde gemeenschappen in het onderwijs te bestrijden;
  • activiteiten om professionele krachten in onderwijs en opleiding beter voor te bereiden op en hen in te zetten bij uitdagingen inzake gelijkheid, diversiteit en inclusie in de leeromgeving;
  • activiteiten ter bevordering van de integratie van vluchtelingen, asielzoekers en pas aangekomen migranten en van bewustmaking van de vluchtelingencrisis in Europa;
  • transnationale initiatieven ter bevordering van ondernemersgeest en -vaardigheden, ter stimulering van actief burgerschap en ondernemerschap (met inbegrip van maatschappelijk verantwoord ondernemen), gezamenlijk uitgevoerd door twee of meer groepen jongeren uit verschillende landen.

 

Strategische partnerschappen kunnen ook transnationale individuele leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten organiseren voor zover die een meerwaarde opleveren voor de verwezenlijking van de projectdoelstellingen.  Sommige activiteiten zijn bijzonder relevant op een of meer gebieden in onderwijs, opleiding en jeugdzaken, zoals in de onderstaande tabel is aangegeven.  Zie bijlage I voor een meer gedetailleerde beschrijving van de ondersteunde activiteiten.

Soort activiteit

In het bijzonder relevant voor

Gemengde mobiliteit van lerenden

Alle gebieden van onderwijs, opleiding en jeugdzaken

Uitwisselingen van korte duur van groepen leerlingen

Schoolonderwijs, beroepsonderwijs en opleiding

Intensieve studieprogramma's

Hoger onderwijs

Langdurige studiemobiliteit van leerlingen

Schoolonderwijs

Langdurige onderwijs- of opleidingsopdrachten

Hoger onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding, schoolonderwijs en volwassenenonderwijs

Langdurige mobiliteit van jeugdwerkers

Jeugdzaken

Gezamenlijke opleidingsevenementen van korte duur voor personeel

Alle gebieden van onderwijs, opleiding en jeugdzaken

 

Wie kan deelnemen aan een strategisch partnerschap?

In het algemeen zijn strategische partnerschappen gericht op de samenwerking tussen in programmalanden gevestigde organisaties. Niettemin kunnen ook organisaties uit partnerlanden als partner (niet als aanvrager) bij een strategisch partnerschap worden betrokken voor zover hun deelname essentiële meerwaarde oplevert voor het project.

Naast de organisaties die formeel deelnemen aan het project en EU-middelen krijgen toegewezen, kunnen bij strategische partnerschappen ook geassocieerde partners uit de publieke of private sector betrokken zijn die bijdragen tot de uitvoering van specifieke taken/activiteiten van het project en de verspreiding en de duurzaamheid van het project ondersteunen. Als het gaat om contractbeheer worden geassocieerde partners niet als projectpartners beschouwd en zij krijgen geen financiële steun. Niettemin moeten hun betrokkenheid en rol in het project en de verschillende activiteiten duidelijk worden omschreven.

 

Welke criteria worden gehanteerd om een strategisch partnerschap te evalueren?

Hieronder worden de formele criteria opgesomd waaraan een strategisch partnerschap moet voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Erasmus+-programma:

 

Algemene subsidiabiliteitscriteria

In aanmerking komende deelnemende organisaties

Een deelnemende organisatie kan elke publieke of particuliere organisatie zijn die gevestigd is in een programmaland of in een willekeurig partnerland over de hele wereld (zie deel A van deze gids onder "begunstigde landen").

Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:

  • instellingen voor hoger onderwijs (IHO's);
  • scholen/instituten/onderwijscentra (op elk niveau, van peuter- en kleuteronderwijs tot hoger secundair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en volwassenenonderwijs);
  • organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, niet-gouvernementele organisaties (ngo's);
  • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
  • lokale, regionale of nationale publieke organen;
  • sociale partners of andere vertegenwoordigers uit het beroepsleven, met inbegrip van kamers van koophandel en industrie, ambachtelijke/beroepsverenigingen en vakbonden;
  • onderzoeksinstellingen;
  • stichtingen;
  • centra voor interbedrijfsopleiding;
  • ondernemingen die gedeelde opleidingen aanbieden (op samenwerking gebaseerde opleiding);
  • culturele organisaties, bibliotheken, musea;
  • verstrekkers van diensten inzake studie- en beroepskeuzevoorlichting;
  • organen die via niet-formeel en informeel leren verworven kennis, vaardigheden en competenties valideren;
  • Europese jeugd-ngo's;
  • groepen jongeren die actief zijn in het jeugdwerk, maar niet noodzakelijkerwijs in het kader van een jeugdorganisatie (d.w.z. informele groepen jongeren)8.

In een programmaland gevestigde IHO's moeten in het bezit zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE). Deelnemende IHO's uit partnerlanden hoeven niet in het bezit te zijn van een ECHE, maar moeten zich wel aansluiten bij de daarin vervatte beginselen.

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke deelnemende organisatie die in een programmaland gevestigd is, kan een subsidie aanvragen. Deze organisatie dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij het project betrokken zijn.

Aantal deelnemende organisaties en profiel daarvan

Een strategisch partnerschap heeft een transnationale opzet, wat betekent dat er minstens drie organisaties uit drie verschillende programmalanden bij betrokken zijn. Er is geen maximumaantal voor deelnemende organisaties vastgesteld. Voor het budget inzake projectbeheer en -uitvoering geldt echter een bovengrens (gelijk aan 10 deelnemende organisaties). Alle deelnemende organisaties moeten worden geïdentificeerd op het ogenblik dat een subsidie wordt aangevraagd.

Bij wijze van uitzondering gelden andere regels voor de volgende strategische partnerschappen:

  • Strategische partnerschappen op het gebied van jeugdzaken moeten minimaal uit twee organisaties uit twee verschillende programmalanden bestaan;
  • Partnerschappen voor schooluitwisseling moeten uit ten minste twee en ten hoogste zes scholen uit ten minste twee verschillende programmalanden bestaan9.

Locatie(s) van de activiteiten

Alle activiteiten van een strategisch partnerschap moeten plaatsvinden in de landen van de organisaties die aan het project deelnemen. Leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten van lerenden en langetermijnactiviteiten voor personeel kunnen alleen in programmalanden worden georganiseerd

Bovendien, indien naar behoren gemotiveerd in verband met de doelstellingen of de uitvoering van het project: 

  • kunnen de activiteiten ook plaatsvinden in een plaats waar een instelling van de Europese Unie is gevestigd, zelfs als aan het project geen organisaties deelnemen uit het land waar de instelling is gevestigd.10,
  • Evenementen met multiplicatoreffect kunnen worden georganiseerd in het land van eender welke geassocieerde partner die bij het strategisch partnerschap is betrokken.

Projectduur

  • Partnerschappen op het gebied van hoger onderwijs: tussen 24 en 36 maanden;
  • Partnerschappen op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, schoolonderwijs en volwassenenonderwijs: tussen 12 en 36 maanden11;
  • Partnerschappen op het gebied van jeugdzaken: tussen 6 en 36 maanden.

De duur moet in de aanvraagfase worden gekozen op basis van de doelstelling van het project en het soort geplande activiteiten.

Wanneer de begunstigde daarom verzoekt en voor zover het nationaal agentschap daarmee instemt, kan de duur van een strategisch partnerschap in uitzonderlijke gevallen worden verlengd met ten hoogste 6 maanden op voorwaarde dat het partnerschap in totaal niet langer dan 3 jaar duurt. In dat geval blijft de totale subsidie ongewijzigd. In elk geval mogen de projecten niet later dan 31 augustus 2022 eindigen.

Waar aanvragen?

Bij het nationaal agentschap in het land waar de verzoekende organisatie is gevestigd.12.

Een en hetzelfde consortium van partners kan per termijn slechts één aanvraag indienen, en slechts bij één nationaal agentschap.

Wanneer aanvragen?

Partnerschappen op het gebied van hoger onderwijs, beroepsonderwijs en opleiding, school- en volwassenenonderwijs:

aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 21 maart om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan tussen 1 september en 31 december van datzelfde jaar.

 

Partnerschappen op het gebied van jeugdzaken:

aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op:

  • 5 februari om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan tussen 1 juni en 30 september van datzelfde jaar;
  • 30 april om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan tussen 1 september en 31 januari van datzelfde jaar;
  • 1 oktober om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan tussen 1 februari en 31 mei van het daaropvolgende jaar.

 

Voor strategische partnerschappen op het gebied van jeugdzaken: voor elk van de drie uiterste termijnen kunnen de nationale agentschappen beslissen of de uiterste termijn geldt voor beide soorten strategische partnerschappen (d.w.z. ter ondersteuning van innovatie en ter ondersteuning van de uitwisseling van goede praktijken) of slechts voor één van beide soorten. Aanvragers wordt verzocht voor meer informatie de website van hun nationaal agentschap te raadplegen.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

 

Aanvullende subsidiabiliteitscriteria

Daarnaast moeten, wanneer het strategisch partnerschap voorziet in een van de volgende transnationale leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten, de relevante aanvullende subsidiabiliteitscriteria in acht worden genomen:

 

Gezamenlijke opleidingsevenementen van korte duur voor personeel.

IN AANMERKING KOMENDE deelnemers

Professoren, leerkrachten, opleiders, onderwijzend en administratief personeel13 dat werkt bij de deelnemende organisaties in programma- en partnerlanden. Jongerenwerkers van programma- en partnerlanden.

Duur van de activiteit 3 dagen tot 2 maanden, exclusief reistijd
Intensieve studieprogramma's

In aanmerking komende deelnemers

  • Lerenden: Hogeronderwijsstudenten die bij een deelnemende IHO in een programmaland zijn ingeschreven.
  • Onderwijzend personeel: onderwijzend personeel van deelnemende IHO's in partner- of programmalanden.
  • Uitgenodigde leerkrachten: leerkrachten uit niet-deelnemende IHO's en deskundigen/specialisten/vakmensen uit bedrijven of andere organisaties uit programma- of partnerlanden. 

Duur van de activiteit

  • Lerenden: 5 dagen tot 2 maanden, exclusief reistijd 
  • Onderwijzend personeel (met inbegrip van uitgenodigde leraren): 1 dag tot 2 maanden; exclusief reistijd
Gemengde mobiliteit van leerlingen, lerenden en jongeren (kortlopende fysieke mobiliteit gecombineerd met virtuele mobiliteit)

IN AANMERKING KOMENDE DEELNEMERS

  • Stagiaires, leerlingen van beroepsonderwijs en -opleiding14Volwassen lerenden en leerlingen van deelnemende organisaties in programmalanden. Jongeren uit programmalanden. 
DUUR VAN DE ACTIVITEIT 5 dagen tot 2 maanden, exclusief reistijd
Uitwisselingen van korte duur van groepen leerlingen (inclusief lerenden in beroepsonderwijs en -opleiding)
IN AANMERKING KOMENDE DEELNEMERS Schoolleerlingen en lerenden in beroepsonderwijs en -opleiding van elke leeftijd ingeschreven bij een deelnemende school (inclusief instellingen voor beroepsonderwijs en -opleiding) in een programmaland en begeleid door schoolpersoneel.
DUUR VAN DE ACTIVITEIT 3 dagen tot 2 maanden, exclusief reistijd
Langdurige onderwijs- of opleidingsopdrachten
IN AANMERKING KOMENDE DEELNEMERS Professoren, leerkrachten, opleiders, onderwijzend en administratief personeel dat werkt bij de deelnemende organisatie in programmalanden.
DUUR VAN DE ACTIVITEIT 2 tot 12 maanden
Langdurige studiemobiliteit van leerlingen
IN AANMERKING KOMENDE DEELNEMERS Leerlingen die ouder zijn dan 14 jaar, ingeschreven bij een deelnemende school in een programmaland. 
DUUR VAN DE ACTIVITEIT 2 tot 12 maanden
Langdurige mobiliteit van jeugdwerkers
IN AANMERKING KOMENDE DEELNEMERS Jongerenwerkers uit programmalanden.
DUUR VAN DE ACTIVITEIT 2 tot 12 maanden

 

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

 

Toekenningscriteria

Naargelang van de projectdoelstellingen, de deelnemende organisaties, de verwachte effecten en andere factoren kunnen strategische partnerschappen variëren in omvang, waarbij de activiteiten dienovereenkomstig worden aangepast. Eenvoudig gesteld biedt deze actie deelnemende organisaties niet alleen de gelegenheid om ervaring op te doen in internationale samenwerking en hun capaciteiten te versterken, maar ook om innovatieve resultaten van hoge kwaliteit te leveren. De kwaliteitsbeoordeling van het project staat in verhouding tot de doelstellingen van de samenwerking en het soort betrokken organisaties.

Projecten worden beoordeeld op grond van de volgende criteria:

Relevantie van het project

(maximaal 30 punten)

 

  • De mate waarin het voorstel relevant is voor:
    • de doelstellingen en prioriteiten van de actie (zie het deel "Wat zijn de doelstellingen en prioriteiten van een strategisch partnerschap?").
    • Als het voorstel betrekking heeft op de horizontale prioriteit met betrekking tot inclusie in onderwijs, opleiding en jeugdzaken, zal het als zeer relevant worden beschouwd.
    • Als het voorstel betrekking heeft op een of meer "Europese prioriteiten in de nationale context", zoals aangekondigd door het nationaal agentschap, zal het als zeer relevant worden beschouwd.
  • De mate waarin:
    • het voorstel berust op een gedegen en adequate behoefteanalyse;
    • de doelstellingen duidelijk worden afgebakend en realistisch van opzet zijn, en kwesties aanpakken die van belang zijn voor de deelnemende organisaties en doelgroepen;
    • het voorstel synergieën tussen onderwijs, opleiding en jeugdzaken tot stand kan brengen;
    • het voorstel gericht is op innovatie en/of een aanvulling vormt op andere initiatieven die de deelnemende organisaties eerder hebben uitgevoerd;
    • het voorstel voor meerwaarde zorgt op EU-niveau in de vorm van resultaten die niet worden bereikt in het geval dat activiteiten in een afzonderlijk land worden uitgevoerd.

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering

(maximaal 20 punten)

 

 

  • De duidelijkheid, volledigheid en kwaliteit van het werkprogramma, met inbegrip van geschikte fasen ter voorbereiding, uitvoering, controle, evaluatie en verspreiding;
  • De consistentie tussen de projectdoelstellingen en de voorgestelde activiteiten;
  • De kwaliteit en praktische uitvoerbaarheid van de voorgestelde methode;
  • Het bestaan en de relevantie van kwaliteitscontrolemaatregelen die ten doel hebben te waarborgen dat het project op kwalitatief hoogstaande wijze, op tijd en binnen het budget wordt voltooid;
  • De mate waarin het project economisch verantwoord (kosteneffectief) is en geschikte middelen toewijst aan elke activiteit.
  • Indien van toepassing, het gebruik van Erasmus+-online-platforms (d.w.z. eTwinning; EPALE; het portaal voor schoolonderwijs) als instrumenten voor de voorbereiding, uitvoering en follow-up van de projectactiviteiten15.
  • Voor partnerschappen voor schooluitwisseling:
    • de mate waarin het project voortbouwt op eerdere of lopende eTwinning-projecten;
    • de mate waarin het project eTwinning gebruikt in combinatie met fysieke mobiliteit om langere, frequentere en rijkere uitwisselingen te creëren tussen leerlingen en leraren in verschillende landen (gemengde mobiliteit).

Wanneer het project voorziet in leer-, onderwijs- of opleidingsactiviteiten:

  • de kwaliteit van praktische regelingen, het beheer en de ondersteunende modaliteiten voor leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten;
  • de mate waarin deze activiteiten afgestemd zijn op de projectdoelstellingen en daarbij een passend aantal deelnemers betrokken is;
  • de kwaliteit van regelingen met het oog op de erkenning en validering van de leerresultaten van deelnemers, in overeenstemming met de Europese instrumenten voor en beginselen inzake transparantie en erkenning.

Kwaliteit van het projectteam en de samenwerkingsregelingen

(maximaal 20 punten)

 

 

  • De mate waarin:
    • het project op passende wijze is samengesteld uit complementaire deelnemende organisaties die over het vereiste profiel, de nodige ervaring en deskundigheid beschikken om het project in elk opzicht met succes te voltooien;
    • de verdeling van verantwoordelijkheden en taken een afspiegeling is van de inzet en actieve bijdrage van alle deelnemende organisaties;
    • aan het project wordt deelgenomen door organisaties uit verschillende gebieden van onderwijs, opleiding en jeugdzaken alsook uit andere sociaaleconomische sectoren, voor zover dat van toepassing is op het projecttype;
  • De mate waarin bij het project ook nieuwe deelnemers aan de actie betrokken zijn;
  • Voor partnerschappen voor schooluitwisseling: de mate waarin het project eTwinning-scholen betrekt en mogelijkheden hiervoor schept om beste praktijken in eTwinning te bevorderen en andere scholen mentorschap te verlenen die minder ervaren zijn in het gebruik van eTwinning;
  • Het bestaan van doeltreffende mechanismen voor coördinatie en communicatie, niet alleen tussen de deelnemende organisaties, maar ook met andere relevante belanghebbenden;
  • Indien van toepassing, de mate waarin de betrokkenheid van een deelnemende organisatie uit een partnerland essentiële meerwaarde oplevert voor het project (indien niet is voldaan aan deze voorwaarde, komt het project niet in aanmerking voor selectie).

Effect en verspreiding (maximaal 30 punten)

 

  • De kwaliteit van maatregelen om de projectresultaten te evalueren.
  • De potentiële effecten van het project:
    • op deelnemers en deelnemende organisaties tijdens en na afloop van het project;
    • buiten de organisaties en personen die rechtstreeks deelnemen aan het project, op lokaal, regionaal, nationaal en/of Europees niveau.
  • De kwaliteit van het verspreidingsplan: de geschiktheid en kwaliteit van maatregelen met het oog op de verspreiding van de projectresultaten binnen de deelnemende organisaties en daarbuiten;
  • Voor zover van toepassing, de mate waarin het voorstel beschrijft hoe geproduceerde documenten, materiaal en media vrij toegankelijk worden gemaakt en gepromoot onder open licenties zonder dat er onevenredige beperkingen worden opgelegd;
  • De kwaliteit van de plannen om het project duurzaam te maken: de mate waarin het project effecten en resultaten kan blijven opleveren nadat de EU-subsidie is opgebruikt.

 

De voorstellen moeten een minimumscore van 60 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een score behalen van minstens de helft van het maximumaantal punten in elke categorie van de hierboven vermelde toekenningscriteria (dat wil zeggen ten minste 15 punten voor de categorieën "Relevantie van het project" en "Effect en verspreiding"; 10 punten voor de categorieën "Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering" en "Kwaliteit van het projectteam en de samenwerkingsregelingen"). Voorstellen die niet gericht zijn op ten minste één van de prioriteiten van de actie komen niet in aanmerking voor financiering.

 

Vormen van specifieke strategische partnerschappen

Strategische partnerschappen ondersteunen een uitgebreid en flexibel scala aan activiteiten met het doel hoogwaardige projecten uit te voeren, de ontwikkeling en modernisering van organisaties te bevorderen, en een impuls te geven aan beleidsontwikkelingen op Europees, nationaal en regionaal niveau.

Naargelang van de projectdoelstellingen, de deelnemende organisaties, de verwachte effecten en andere factoren kunnen strategische partnerschappen variëren in omvang, waarbij de activiteiten dienovereenkomstig worden aangepast.

Binnen dit ruime scala aan activiteiten en projectvormen hebben de volgende strategische partnerschappen specifieke eigenschappen.

 

Partnerschappen voor schooluitwisseling

Het hoofddoel van partnerschappen voor schooluitwisseling is het versterken van de Europese dimensie in de deelnemende scholen, het opbouwen van hun capaciteit voor grensoverschrijdende samenwerking en hun vermogen om nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden. Door het organiseren van mobiliteitsactiviteiten voor leerlingen zullen deze partnerschappen ook de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, inclusie, verdraagzaamheid en non-discriminatie bevorderen, zoals onderstreept in de Verklaring van Parijs van maart 2015. 

Partnerschappen voor schooluitwisseling kunnen verschillende activiteiten voor de uitwisseling van personeel en leerlingen uitvoeren:

  • Uitwisselingen van korte duur van groepen leerlingen (3 dagen tot 2 maanden): leerlingen uit verschillende landen kunnen samenwerken aan activiteiten die verband houden met de doelstellingen van het partnerschap. De kortlopende uitwisselingsactiviteiten zijn bedoeld om de leerlingen internationale leerervaringen te bieden, hun inzicht in de diversiteit van Europese culturen en talen te ontwikkelen en hen te helpen sociale, maatschappelijke en interculturele vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor hun persoonlijke ontwikkeling. 
  • Langdurige studiemobiliteit van scholieren (2 tot 12 maanden): leerlingen van ten minste 14 jaar mogen een periode doorbrengen in een ontvangende school en bij een gastgezin in het buitenland. Van de uitzendende en ontvangende scholen wordt verwacht dat zij kwalitatief hoogwaardige leerresultaten waarborgen, de betrokken leerlingen de nodige erkenning geven en hen tijdens hun mobiliteitsperiode voortdurend ondersteunen. Aanvragers van partnerschappen voor schooluitwisseling kunnen zich volledig richten op de organisatie van langdurige mobiliteit van leerlingen als instrument om het internationale samenwerkingspotentieel van de betrokken scholen te ontwikkelen.
  • Gezamenlijke opleidingsevenementen van korte duur voor personeel (3 dagen tot 2 maanden): onderwijzend en niet-onderwijzend personeel kan samenwerken om ervaring en knowhow uit te wisselen of gezamenlijke een opleiding te volgen.
  • Langdurige onderwijs- of opleidingsopdrachten (2 tot 12 maanden): door een langere detachering in een partnerschool stelt deze activiteit personeel in staat hun kennis en begrip vergaren met betrekking tot de onderwijs- en opleidingssystemen van andere landen, en kunnen zij beroepsvaardigheden, -methoden en -praktijken verwerven.

Deelnemende scholen in alle partnerschappen voor schooluitwisseling worden sterk aangemoedigd om het eTwinning-onlineplatform te gebruiken om vóór, tijdens en na de mobiliteitsactiviteiten samen te werken aan het project. Bovendien zal voorrang worden gegeven aan projecten binnen “eTwinning-partnerschappen” die geleid worden door scholen met het eTwinning-schoollabel, zoals hieronder beschreven.

eTwinning in partnerschappen voor schooluitwisseling

Het combineren van mobiliteit en fysieke uitwisselingen met virtuele samenwerking kan een belangrijk element zijn van partnerschappen voor schooluitwisseling. Scholen in de projecten worden vooral sterk aangemoedigd om eTwinning te gebruiken om vóór, tijdens en na de projectactiviteiten samen te werken.

Om de sterke punten van hun voorstel betreffende het gebruik van eTwinning te laten zien, moeten de aanvragers de relevante elementen in hun projectaanvraag uitleggen. Belangrijke elementen zijn met name:

  • het betrekken van scholen met een eTwinning-schoollabel16 in het project en mogelijkheden hiervoor schept om beste praktijken in eTwinning te bevorderen en om andere scholen mentorschap te verlenen die minder ervaren zijn in het gebruik van eTwinning;
  • het presenteren van concrete plannen om op eerdere of lopende eTwinning-projecten voort te bouwen;
  • het gebruik van eTwinning in combinatie met fysieke mobiliteit om langere, frequentere en rijkere uitwisselingen te creëren tussen leerlingen en leraren in verschillende landen (gemengde mobiliteit).

Specifieke subsidiabiliteitscriteria die gelden voor partnerschappen voor schooluitwisseling

Vergeleken met andere strategische partnerschappen zijn de volgende specifieke regels van toepassing op deze vorm: 

  • Partnerschappen moeten uit ten minste twee en ten hoogste zes scholen bestaan17;
  • Alleen scholen uit programmalanden kunnen deelnemen;
  • Als algemene regel geldt dat de projecten tussen 12 en 24 maanden zullen duren. Alleen projecten die de langdurige mobiliteit van leerlingen organiseren mogen maximaal 36 maanden duren, indien hun werkplan dit rechtvaardigt;
  • Er worden middelen verstrekt voor mobiliteitsactiviteiten van personeel en leerlingen (met inbegrip van begeleidende docenten of andere gekwalificeerde personen), alsook voor algemene projectbeheersings- en uitvoeringskosten. Er is geen specifieke financiering beschikbaar voor intellectuele prestaties, evenementen met multiplicatoreffect en transnationale projectbijeenkomsten. Indien dit gerechtvaardigd is, kunnen extra middelen voor steun aan deelnemers met specifieke behoeften en buitengewone kosten worden aangevraagd. Voor meer informatie zie onder "Wat zijn de financieringsregels?", hieronder;
  • Financiering is beperkt tot maximaal 16 500 EUR per jaar en per deelnemende school. Deze limiet is geldig op projectniveau18. Financiële middelen voor steun aan deelnemers met specifieke behoeften, evenals voor buitengewone kosten voor dure reizen tellen niet mee voor dit plafond.

Succesvolle partnerschappen voor schooluitwisseling zullen gebruikmaken van een specifiek contractmodel in vergelijking met andere strategische partnerschappen. In het aanvraagstadium neemt de aanvragende school de leiding van het project op zich en dient zij een aanvraag in voor alle deelnemende scholen. Zodra het partnerschap echter eenmaal is geselecteerd, zal elke deelnemende school een aparte subsidieovereenkomst ondertekenen met het in haar land gevestigde nationaal agentschap. De aanvragende school blijft gedurende de looptijd van het project een coördinerende rol vervullen en is verantwoordelijk voor de rapportage over de algemene resultaten van het project, terwijl de partnerscholen alleen verslag uitbrengen over hun specifieke uitgaven.

 

Transnationale jongereninitiatieven19

Deze strategische partnerschappen op het gebied van jeugdzaken zijn gericht op de bevordering van maatschappelijk engagement en ondernemersgeest bij jongeren. Deze initiatieven kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op:

  • de totstandbrenging van (netwerken van) sociale ondernemingen, verenigingen, clubhuizen, ngo's;
  • de ontwikkeling en het aanbod van cursussen en opleidingen over onderwijs in ondernemerschap (met name maatschappelijk verantwoord ondernemen en ICT-gebruik);
  • acties gericht op informatie, mediageletterdheid en bewustmaking of acties ter bevordering van burgerzin bij jongeren (bijvoorbeeld debatten, conferenties, evenementen, raadplegingen, initiatieven in verband met Europese onderwerpen enzovoort);
  • acties ten behoeve van plaatselijke gemeenschappen (bijvoorbeeld ter ondersteuning van kwetsbare groepen zoals ouderen, minderheden, migranten, personen met een handicap enzovoort);
  • artistieke en culturele initiatieven (toneelstukken, tentoonstellingen, muziekoptredens, discussiefora enzovoort).

Kenmerkend voor deze vorm van strategische partnerschappen is dat een jongereninitiatief door jongeren zelf wordt ingeleid, opgezet en uitgevoerd.

 

Wat moet u nog weten over deze actie?

Ondersteuning van regionale samenwerking in het onderwijs

In het kader van strategische partnerschappen op het gebied van schoolonderwijs kan een aanvraag worden ingediend voor projecten voor grensoverschrijdende samenwerking tussen regio's of gemeenten uit verschillende landen. Kenmerkend voor deze partnerschappen is de strategische betrokkenheid van lokale en/of regionale onderwijsinstanties. Om een succesvolle aanvraag op te stellen, moeten de lokale of regionale instanties de leiding nemen voor de planning van activiteiten waarmee een gemeenschappelijk probleem wordt aangepakt door maatschappelijke en particuliere organisaties er samen met de scholen in hun gemeenschap bij te betrekken.

BUITENGEWONE KOSTEN VOOR DURE REIZEN
Aanvragers van strategische partnerschappen die leer- onderwijs- en opleidingsactiviteiten organiseren, kunnen financiële steun aanvragen onder de begrotingsrubriek “buitengewone kosten” (tot een maximum van 80% van het totaal aan subsidiabele kosten: zie ook “Wat zijn de financieringsregels?”). Dit zal worden toegestaan op voorwaarde dat de aanvrager kan aantonen dat volgens de standaardfinancieringsregels (gebaseerd op de eenheidskosten per reisafstand) niet minimaal 70% van de reiskosten van de deelnemers is gedekt. Indien deze worden toegekend, vervangen de buitengewone kosten voor dure reizen de standaardreissubsidie.

Andere informatie

Ter aanvulling van de informatie hierboven, zijn meer verplichte criteria alsook aanvullende nuttige gegevens en projectvoorbeelden met betrekking tot deze actie terug te vinden in bijlage I bij deze gids. Belangstellende organisaties wordt verzocht de relevante delen van deze bijlage aandachtig te lezen voordat ze financiële steun aanvragen.

 

Wat zijn de financieringsregels?

Strategische partnerschappen variëren van relatief eenvoudige samenwerkingsprojecten tussen kleinschalige organisaties (zoals scholen of informele groepen jongeren) tot meer geavanceerde projecten op grotere schaal waarin het zwaartepunt ligt op de ontwikkeling en uitwisseling van innovatieve resultaten op alle gebieden van onderwijs, opleiding en jeugdzaken. Bijgevolg kunnen de uitgaven voor de verschillende soorten projecten sterk uiteenlopen.

Daarom is in het voorgestelde financieringsmodel een reeks kostenposten opgenomen waaruit de aanvragers een keuze kunnen maken naargelang van de activiteiten die ze willen ondernemen en de resultaten die ze daarbij nastreven. Voor de eerste kostenpost, "Projectbeheer en -uitvoering" mogen alle strategische partnerschappen een subsidieaanvraag indienen aangezien het gaat om kosten die voor elk soort project worden gemaakt. Met uitzondering van de partnerschappen voor schooluitwisseling kunnen strategische partnerschappen ook specifieke financiering aanvragen voor het organiseren van "transnationale projectbijeenkomsten". De andere kostenposten mogen alleen worden gekozen voor projecten die doelstellingen op ruimere schaal nastreven met betrekking tot intellectuele prestaties/producten, verspreiding of geïntegreerde leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten. Voor zover gerechtvaardigd door de projectactiviteiten/-resultaten kunnen buitengewone kosten en kosten voor deelname van personen met specifieke behoeften ook worden gedekt.

De totale projectsubsidie is een variabel bedrag, dat wordt vastgesteld door 12 500 EUR te vermenigvuldigen met de looptijd van het project (in maanden) en maximaal 450 000 EUR bedraagt voor projecten met een looptijd van 36 maanden. Bij wijze van uitzondering geldt voor partnerschappen voor schooluitwisseling een maximum van 16 500 EUR per jaar en per deelnemende school op projectniveau. Financiering voor steun aan deelnemers met specifieke behoeften en buitengewone kosten ter dekking van hoge reiskosten, worden niet meegerekend voor het financieringsplafond voor partnerschappen voor schooluitwisseling. Het projectbudget wordt opgesteld met inachtneming van de volgende financieringsregels (in euro):

Maximale subsidie:

een variabel bedrag, dat wordt vastgesteld door 12 500 EUR te vermenigvuldigen met de looptijd van het project (in maanden) met een maximum van 450 000 EUR voor projecten met een looptijd van 36 maanden

(Uitzondering: voor partnerschappen voor schooluitwisseling: maximaal 16 500 EUR per jaar en per deelnemende school, toegepast op projectniveau, en met uitzondering van steun voor specifieke behoeften en buitengewone hoge reiskosten)

Een aantal van de maximumbedragen in de bovenstaande tabellen kent een maximum per maand en wordt berekend naar evenredigheid, zodat de toegekende subsidie gedeeld door de looptijd van het project in maanden niet meer bedraagt dan 12 500 EUR per maand. De begunstigden kunnen de gehele voor het project ontvangen EU-subsidie evenwel gedurende de looptijd ervan op de meest flexibele wijze benutten, naargelang de chronologische volgorde waarin activiteiten volgens het werkplan moeten worden uitgevoerd.

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Projectbeheer en -uitvoering

Projectbeheer (dat wil zeggen planning, financiën, coördinatie en communicatie tussen partners enzovoort); leer-, onderwijs- en/of opleidingsmateriaal, instrumenten, benaderingen op kleine schaal enzovoort. Virtuele samenwerking en lokale projectactiviteiten (bijvoorbeeld werkzaamheden in klasverband met lerenden, jeugdwerkactiviteiten, organisatie en mentorschap van geïntegreerde leer- en opleidingsactiviteiten enzovoort); informatie, promotie en verspreiding (bijvoorbeeld brochures, informatiefolders, informatie op internet enzovoort). 

Kosten die verband houden met de uitvoering van transnationale jongereninitiatieven en partnerschappen voor schooluitwisseling.

 

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Tegemoetkoming in de activiteiten van de coördinerende organisatie:

 

500 EUR per maand

Maximaal 2 750 EUR per maand

 

 

 

Op basis van de duur van het strategisch partnerschap en het aantal deelnemende organisaties

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Tegemoetkoming in de activiteiten van de andere deelnemende organisaties:

 

250 EUR per organisatie per maand

Transnationale projectbijeenkomsten

Deelname aan bijeenkomsten tussen projectpartners, waarbij een van de deelnemende organisaties optreedt als gastorganisatie voor uitvoerings- en coördinatiedoeleinden. Tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten.

Dit begrotingsonderdeel is niet beschikbaar voor partnerschappen voor schooluitwisseling.

 

 

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Voor een reisafstand tussen 100 en 1 999 km:

 

575 EUR per deelnemer per bijeenkomst

 

 

Voor een reisafstand van 2 000 km of meer:

 

760 EUR per deelnemer per bijeenkomst

 

 

 

 

Voorwaardelijk: aanvragers moeten het aantal bijeenkomsten en betrokken deelnemers rechtvaardigen. De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening.

Buitengewone kosten

Tegemoetkoming in de werkelijke kosten voor de uitbesteding of de inkoop van goederen en diensten.

Kosten voor een financiële garantie, indien het nationaal agentschap daarom verzoekt.

Werkelijke kosten

75% van de subsidiabele kosten

Maximaal 50 000 EUR per project (met uitzondering van de kosten voor het verstrekken van een financiële zekerheid)

Voorwaardelijk: uitbesteding moet verband houden met diensten die de deelnemende organisaties om deugdelijk gemotiveerde redenen niet zelf kunnen verstrekken. Uitrusting mag geen betrekking hebben op gewone kantooruitrusting, noch op uitrusting die doorgaans wordt gebruikt door de deelnemende organisaties.

Steun voor personen met specifieke behoeften

Extra kosten die rechtstreeks verband houden met deelnemers met een handicap20

Werkelijke kosten

100 % van de subsidiabele kosten

Voorwaardelijk: het verzoek om tegemoetkoming in deze kosten moet met redenen worden omkleed in het aanvraagformulier.

 

Aanvullende financiering voor strategische partnerschappen ter ondersteuning van innovatie op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken

Intellectuele prestaties

Intellectuele prestaties/tastbare resultaten van het project (zoals onderwijsprogramma's, materiaal voor pedagogische doeleinden en jeugdwerk, open leermiddelen, IT-instrumenten, analyses, studies, methoden voor intercollegiaal leren (peer learning) enzovoort)

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

B1.1 per projectleider per dag dat aan het project wordt gewerkt

Voorwaardelijk: personeelskosten voor projectleiders en administratief medewerkers worden normaliter al gedekt door de kostenpost "Projectbeheer en uitvoering". Om mogelijke overlapping te voorkomen, moeten aanvragers het soort personeelskosten en de omvang daarvan rechtvaardigen ten aanzien van elk voorgesteld resultaat.

De resultaten moeten kwalitatief en kwantitatief aanzienlijk zijn om in aanmerking te komen voor subsidieverlening. Uit de resultaten moet blijken dat ze ruimer kunnen worden gebruikt en benut en hun potentiële impact moet aantoonbaar zijn.

B1.2per onderzoeker/leerkracht/opleider/jeugdwerker per dag dat aan het project wordt gewerkt

B1.3 per specialist per dag dat aan het project wordt gewerkt

B1.4 per administratief medewerker per dag dat aan het project wordt gewerkt

Evenementen met multiplicator-effect

Tegemoetkoming in de kosten die verband houden met nationale en transnationale conferenties, seminars, evenementen voor het delen en verspreiden van de intellectuele prestaties van het project (exclusief reis- en verblijfkosten voor vertegenwoordigers van de bij het project betrokken deelnemende organisaties).

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

100 EUR per lokale deelnemer

(dat wil zeggen deelnemers afkomstig uit het land waar het evenement plaatsvindt)

Maximaal 30 000 EUR per project

Voorwaardelijk: er wordt alleen steun verleend aan evenementen met multiplicatoreffect die rechtstreeks verband houden met de intellectuele prestaties van het project. Een project dat geen subsidiesteun krijgt voor intellectuele prestaties ontvangt evenmin steun voor het organiseren van evenementen met multiplicatoreffect.

200 EUR per internationale deelnemer (d.w.z. deelnemers afkomstig uit andere landen)

 

Financieringsregels voor transnationale leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten in het kader van het strategisch partnerschap (facultatieve steun)

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Reiskosten

Tegemoetkoming in de kosten die deelnemers, met inbegrip van begeleiders, maken om van de plaats van oorsprong te reizen naar de locatie van de activiteit en terug

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Voor een reisafstand tussen 10 en 99 km:

20 EUR per deelnemer

Voorwaardelijk: de aanvragers moeten rechtvaardigen dat de mobiliteitsactiviteiten noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen en resultaten van het project.

De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening21. De aanvrager moet de afstand van een enkele reis vermelden voor de berekening van het EU-subsidiebedrag voor de heen- en terugreis22  

Voor een reisafstand tussen 100 en 499 km:

180 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 500 en 1 999 km:

275 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 2 000 en 2 999 km:

360 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 3 000 en 3 999 km:

530 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 4 000 en 7 999 km:

820 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand van 8 000 km of meer:

1 500 EUR per deelnemer

Individuele steun

Eenheidskosten per dag ter dekking van het verblijf van de deelnemers, met inbegrip van de begeleiders, tijdens de activiteit

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Langdurige onderwijs- of opleidingsopdrachten

 

Langdurige mobiliteit van jeugdwerkers

tot en met de 14e dag van de activiteit: B1.5 per dag per deelnemer

+

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: B1.6 per dag per deelnemer

+

tussen de 61e dag van de activiteit tot maximaal 12 maanden: B1.7 per dag per deelnemer

Gezamenlijke opleidingsevenementen van korte duur voor personeel,

 

dat onderwijst of expertise biedt in het kader van intensieve studieprogramma's

 

begeleiders bij alle activiteiten23

tot en met de 14e dag van de activiteit: 106 EUR per dag per deelnemer

+

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: 74 EUR per dag per deelnemer

Langdurige mobiliteit van leerlingen

B1.8 per maand per deelnemer

Activiteiten van korte duur voor lerenden

(gemengde mobiliteit, mobiliteit van korte duur van leerlingen, intensieve studieprogramma's):

tot en met de 14e dag van de activiteit: 58 EUR per dag per deelnemer

+

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: 42 EUR per dag per deelnemer

Taalkundige ondersteuning

Kosten die verband houden met aan deelnemers geboden ondersteuning ter verbetering van de kennis van de instructie- of werktaal 

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Alleen voor activiteiten die 2 tot 12 maanden duren:

150 EUR per deelnemer die taalkundige ondersteuning nodig heeft

Voorwaardelijk: het verzoek om financiële steun moet met redenen worden omkleed in het aanvraagformulier.

Buitengewone kosten

Hoge reiskosten van deelnemers (voor meer informatie, zie het deel "Wat moet u nog weten over deze actie?").

Werkelijke kosten

Hoge reiskosten: ten hoogste 80 % van subsidiabele kosten

Voorwaardelijk: het verzoek om financiële steun ter dekking van buitengewone kosten moet met redenen worden omkleed in het aanvraagformulier

 

Tabel A – Intellectuele prestaties (bedragen in euro per dag)

Deze financiering mag alleen worden gebruikt voor personeelskosten van organisaties die aan het project deelnemen om intellectuele prestaties te leveren24. Het bedrag hangt af van: a) het profiel van het bij het project betrokken personeel, en b) het land van de deelnemende organisatie waarvan het personeel bij het project betrokken is.

 

Projectleider

Leerkracht/opleider/ onderzoeker/

Jeugdwerker

Specialist

Administratief medewerker

 

B1.1

B1.2

B1.3

B1.4

Denemarken, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Zweden, Liechtenstein, Noorwegen

294

241

190

157

 

België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Finland, Verenigd Koninkrijk, IJsland

 

280

214

162

131

 

Tsjechië, Griekenland, Spanje, Cyprus, Malta, Portugal, Slovenië

 

164

137

102

78

 

Bulgarije, Estland, Kroatië, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië, Servië, Slowakije, Republiek Noord-Macedonië, Turkije

 

88

74

55

39

 

Tabel B – Intellectuele prestaties (bedragen in euro per dag)

Deze financiering mag alleen worden gebruikt voor personeelskosten van organisaties die aan het project deelnemen om intellectuele prestaties te leveren25. Het bedrag hangt af van: a) het profiel van het bij het project betrokken personeel, en b) het land van de deelnemende organisatie waarvan het personeel bij het project betrokken is.

 

Projectleider

Leerkracht/opleider/ onderzoeker/

Jeugdwerker

Specialist

Administratief medewerker

 

B1.1

B1.2

B1.3

B1.4

Australië, Canada, Koeweit, Macau, Monaco, Qatar, San Marino, Zwitserland of de Verenigde Staten van Amerika

294

241

190

157

Andorra, Brunei, Japan, Nieuw-Zeeland, Singapore, Vaticaanstad, Verenigde Arabische Emiraten

280

214

162

131

Bahama's, Bahrein, Hongkong, Israël, Zuid-Korea, Oman, Saudi-Arabië, Taiwan

164

137

102

78

Afghanistan, Albanië, Algerije, Angola, Antigua en Barbuda, Argentinië, Armenië, Azerbeidzjan, Bangladesh, Barbados, Belarus, Belize, Benin, Bhutan, Bolivia, Bosnië en Herzegovina, Botswana, Brazilië, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Centraal-Afrikaanse Republiek, Chili, China, Colombia, Comoren, Congo, Cookeilanden, Costa Rica, Cuba, Democratische Republiek Congo, Djibouti, Dominica, Dominicaanse Republiek, Ecuador, Egypte, El Salvador, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Ethiopië, Fiji, Filipijnen, Gabon, Gambia, Georgië, Ghana, Grenada, Guatemala, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Haïti, Honduras, India, Indonesië, Irak, Iran, Ivoorkust, Jamaica, Jemen, Jordanië, Kaapverdië, Kameroen, Kazachstan, Kenia, Kirgizië, Kiribati, Kosovo, Laos, Lesotho, Libanon, Liberia, Libië, Madagaskar, Malawi, Maldiven, Maleisië, Mali, Marokko, Marshalleilanden, Mauritanië, Mauritius, Mexico, Micronesia, Moldavië, Mongolië, Montenegro, Mozambique, Myanmar/Birma, Namibië, Nauru, Nepal, Nicaragua, Niger, Nigeria, Niue, Noord-Korea, het grondgebied van Oekraïne zoals erkend in het internationaal recht, Oezbekistan, Oost-Timor, Pakistan, Palau, Palestina, Panama, Papoea-Nieuw-Guinea, Paraguay, Peru, het grondgebied van Rusland zoals erkend in het internationaal recht,  Rwanda, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Salomonseilanden, Samoa, Sao Tomé en Principe, Senegal, Seychellen, Sierra Leone, Somalië, Sri Lanka, Sudan, Suriname, Swaziland, Syrië, Tadzjikistan, Tanzania, Thailand, Togo, Tonga, Trinidad en Tobago, Tsjaad, Tunesië, Turkmenistan, Tuvalu, Uganda, Uruguay, Vanuatu, Venezuela, Vietnam, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Afrika, Zuid-Sudan

 

88

74

55

39

 

Tabel C - Verblijf van deelnemers aan transnationale leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten (in euro per dag/maand

De schalen van de bijdragen aan de kosten per eenheid variëren afhankelijk van: a) het soort mobiliteit, en b) het land waar de activiteit plaatsvindt:

 

Langdurige onderwijs- of opleidingsopdrachten - mobiliteit van jeugdwerkers

(in euro per dag)

Langdurige activiteiten ten behoeve van leerlingen

(in euro per maand)

 

B1.5

B1.6

B1.7

B1.8

Groep 1:

Noorwegen, Denemarken, Luxemburg, Verenigd Koninkrijk, IJsland, Zweden, Ierland, Finland, Liechtenstein

125

88

63

168

Groep 2:

Nederland, Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Cyprus, Griekenland, Malta, Portugal

110

77

55

147

Groep 3:

Slovenië, Estland, Letland, Kroatië, Slowakije, Tsjechië, Litouwen, Turkije, Hongarije, Polen, Roemenië, Bulgarije, de Republiek Noord-Macedonië, Servië

90

63

45

105

  • 1. Ook in overeenstemming met de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over kerncompetenties voor een leven lang leren. Deze aanbeveling werd opnieuw bekeken in 2016 en 2017, wat leidde tot een voorstel voor een herziene aanbeveling van de Raad. Zie: Voorstel voor een aanbeveling van de Raad inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (COM(2018) 24 final).
  • 2. Zie: https://ec.europa.eu/jrc/en/digcomporg.
  • 3. Zie het ondersteunend document “Go international: Practical Guide on Strategic Internationalisation in VEThttp://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/sites/erasmusplus2/files/eac-a06-go-international_en.pdf.
  • 4. De specifieke regels en informatie met betrekking tot de mobiliteitsactiviteiten van studenten in beroepsonderwijs en -opleiding, zoals beschreven in bijlage I van de programmagids, moeten worden toegepast.
  • 5. Voorstel voor een aanbeveling van de Raad over een Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen (COM(2017) 563 final).
  • 6. PB C 155, 8.7.2009, blz. 1–10
  • 7. Resolutie van de Raad betreffende een Europese agenda voor volwasseneneducatie, PB C 372/1, 20.12.2011.
  • 8. Als het gaat om een informele groep, moet een van de groepsleden de rol van vertegenwoordiger op zich nemen en de verantwoordelijkheid namens de groep aanvaarden.
  • 9. Afhankelijk van het land waarin de school is ingeschreven, geldt voor dit soort partnerschappen een specifieke definitie van in aanmerking komende scholen. De definitie van en/of een lijst van in aanmerking komende scholen wordt gepubliceerd op de website van elk nationaal agentschap. Let op: het contractmodel voor partnerschappen voor schooluitwisseling verschilt van dat voor andere strategische partnerschappen en is gebaseerd op subsidieovereenkomsten met één begunstigde. Zie deel C van deze gids voor meer informatie of neem contact op met uw nationaal agentschap.
  • 10. De zetels van de instellingen van de Europese Unie bevinden zich in Brussel, Frankfurt, Luxemburg, Straatsburg en Den Haag.
  • 11. Voor de specifieke vorm "partnerschappen voor schooluitwisseling" gelden aanvullende criteria. Zie onder "Partnerschappen voor schooluitwisseling".
  • 12. Let op: scholen onder toezicht van nationale autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld het Lycée Français, Duitse scholen, Britse "legerscholen") dienen hun aanvraag in bij het nationaal agentschap van het toezichthoudende land.
  • 13. Op het gebied van schoolonderwijs betreft dit onder andere onderwijspersoneel dat binnen scholen werkt, zoals schoolinspecteurs, schooladviseurs, pedagogische begeleiders, psychologen enzovoort.
  • 14. Hogeronderwijsstudenten moeten ingeschreven zijn bij een deelnemende IHO en een studie volgen die leidt tot een erkende graad of een andere erkende kwalificatie op tertiair niveau, tot en met doctoraatsniveau.
  • 15. Deze criteria zijn niet relevant voor partnerschappen voor schooluitwisseling.
  • 16. U vindt meer informatie over het eTwinning-schoolkeurmerk op: https://www.etwinning.net/en/pub/highlights/the-etwinning-school-label---.htm.
  • 17. Afhankelijk van het land waarin de school is ingeschreven, geldt voor dit soort partnerschappen een specifieke definitie van in aanmerking komende scholen. De definitie van en/of een lijst van in aanmerking komende scholen wordt gepubliceerd op de website van elk nationaal agentschap. Zie deel C van deze gids voor meer informatie of neem contact op met uw nationaal agentschap.
  • 18. Bijvoorbeeld, drie scholen die een partnerschap aangaan voor twee jaar kunnen maximaal 99.000 EUR voor het gehele project ontvangen. Deze subsidies mogen op elke mogelijke manier worden verdeeld tussen de drie scholen.
  • 19. Initiatiefnemers van de projecten die een aanvraag indienen voor transnationale jongereninitiatieven dienen dit te doen in het kader van strategische partnerschappen ter ondersteuning van de uitwisseling van goede praktijken.
  • 20. Met inbegrip van kosten die rechtstreeks verband houden met deelnemers met specifieke behoeften en begeleiders die deelnemen aan transnationale leer-, onderwijs- en opleidingsactiviteiten. Dit kan ook reis- en verblijfkosten omvatten, indien gerechtvaardigd en voor zover voor deze deelnemers geen subsidie is aangevraagd in het kader van de rubrieken "reiskosten" of "individuele steun").
  • 21. https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/distance-calculator_nl
  • 22. Indien iemand uit Madrid (Spanje) bijvoorbeeld meedoet aan een activiteit in Rome (Italië), moet de aanvrager a) de afstand van Madrid naar Rome berekenen (1 365,28 km); b) de toepasselijke reisafstandcategorie selecteren (bv. tussen 500 en 1 999 km) en c) de EU-subsidie die een bijdrage zal leveren aan de reiskosten van de deelnemer van Madrid naar Rome en terug berekenen (275 EUR).
  • 23. .Begeleiders hebben recht op hetzelfde tarief, ongeacht of de activiteiten waaraan zij deelnemen van korte of lange duur zijn. In uitzonderlijke gevallen, wanneer de begeleider gedurende meer dan 60 dagen in het buitenland moet verblijven, worden extra verblijfkosten vanaf de 61e dag ondersteund uit de begrotingsrubriek "Steun voor specifieke behoeften".
  • 24. In het geval van HE, komen de kosten voor personeel dat in dienst is van door het ECHE erkende begunstigde universiteiten in aanmerking voor de kostencategorie "intellectuele prestaties"
  • 25. In het geval van HE, komen de kosten voor personeel dat in dienst is van door het ECHE erkende begunstigde universiteiten in aanmerking voor de kostencategorie "intellectuele prestaties"