Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Kennisallianties

Wat zijn de doelstellingen en prioriteiten van een kennisalliantie?

Kennisallianties hebben ten doel het innovatievermogen van Europa te versterken en innovatie te bevorderen in het hoger onderwijs, het bedrijfsleven en in de bredere sociaaleconomische context. Daarbij wordt ernaar gestreefd een of meer van de volgende doelstellingen te verwezenlijken:

  • nieuwe, innovatieve en multidisciplinaire onderwijs- en leerbenaderingen ontwikkelen;
  • ondernemerschap en ondernemersvaardigheden stimuleren bij onderwijzend personeel in het hoger onderwijs en bedrijfspersoneel;
  • uitwisseling, overdracht en cocreatie van kennis vergemakkelijken.

De meeste aandacht gaat uit naar projecten die bijdragen aan de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen, zoals geschetst in de EU-mededeling uit 2017 “Een nieuwe EU-agenda voor het hoger onderwijs”1, dat wil zeggen:

  • het aanpakken van toekomstige mismatches in vaardigheden en het bevorderen van excellentie in ontwikkeling van vaardigheden;
  • het opbouwen van inclusieve en verbonden hogeronderwijssystemen;
  • het waarborgen dat instellingen voor hoger onderwijs bijdragen aan innovatie;
  • het ondersteunen van effectieve en efficiënte hogeronderwijssystemen.

Verder ligt de nadruk op het gebruikmaken van bestaande initiatieven en op het intelligent benutten van digitale instrumenten, zoals wordt aanbevolen in de EU-mededeling uit 2013 "Naar een opener onderwijs"2.

Wat is een kennisalliantie?

Kennisallianties zijn transnationale, gestructureerde en resultaatgerichte projecten, voornamelijk tussen het hoger onderwijs en het bedrijfsleven. Kennisallianties staan open voor elke discipline en bedrijfstak alsook voor sectoroverstijgende samenwerking. De partners delen gemeenschappelijke doelen en werken samen om wederzijds nuttige resultaten te bereiken. De resultaten en verwachte uitkomsten zijn duidelijk omschreven, realistisch en hebben betrekking op de aandachtspunten die uit de behoefteanalyse naar voren zijn gekomen.

Kennisallianties zijn bedoeld om op korte en lange termijn een effect te hebben op het brede scala aan belanghebbenden, zowel individueel als op het niveau van organisaties en stelsels.

In het algemeen zijn kennisallianties gericht op de samenwerking tussen in programmalanden gevestigde organisaties. Niettemin kunnen ook organisaties uit partnerlanden als partner (niet als aanvrager) bij een kennisalliantie worden betrokken voor zover hun deelname essentiële meerwaarde oplevert voor het project.

Welke activiteiten worden ondersteund door deze actie?

Via kennisallianties wordt een samenhangend en alomvattend geheel van onderling verbonden activiteiten uitgevoerd om flexibel in te kunnen spelen op de uiteenlopende situaties en ontwikkelingen waar Europa zich vandaag en morgen mee geconfronteerd ziet. In de volgende lijst staan voorbeelden van activiteiten:

  • Bevordering van innovatie in het hoger onderwijs, het bedrijfsleven en in de bredere sociaaleconomische context:
    • gezamenlijk ontwikkelen en toepassen van nieuwe leer- en onderwijsmethoden (zoals nieuwe multidisciplinaire studieprogramma's, onderwijs- en leermethoden waarin de lerende centraal staat en waarin de nadruk wordt gelegd op vaardigheden om reële problemen op te lossen);
    • organiseren van programma's en activiteiten voor nascholing samen met en in ondernemingen;
    • gezamenlijk ontwikkelen van oplossingen voor belangrijke vraagstukken, product- en procesinnovatie (studenten, professoren en praktijkmensen tezamen).

  • Ontwikkeling van ondernemersgeest en -vaardigheden:
    • uitwerken van regelingen om transversale vaardigheden te verwerven en toe te passen via hogeronderwijsprogramma's die worden ontwikkeld met de hulp van ondernemingen teneinde de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te verbeteren, creativiteit te bevorderen en nieuwe beroepstrajecten uit te stippelen;
    • invoeren van onderwijs in ondernemerschap op elk vakgebied met het doel studenten, onderzoekers, personeel en lesgevers de nodige kennis en vaardigheden bij te brengen en ze te motiveren om ondernemersactiviteiten aan te vangen in een veelheid van omgevingen;
    • ontsluiten van nieuwe leermogelijkheden door ondernemersvaardigheden in de praktijk toe te passen, wat gepaard kan gaan met en/of de aanzet kan geven tot het in de handel brengen van nieuwe diensten, producten en prototypen, de oprichting van start-ups en spin-offs.
  • Stimulering van de overdracht en uitwisseling van kennis tussen hoger onderwijs en bedrijfsleven:
    • studiegebiedgerelateerde activiteiten in ondernemingen die volledig geïntegreerd zijn in het studieprogramma, die worden erkend en waarvoor studiepunten worden toegekend;
    • opzetten van structuren om innovatieve maatregelen uit te proberen en uit te testen;
    • uitwisseling van studenten, onderzoekers, onderwijzend personeel en bedrijfspersoneel gedurende een beperkte periode;
    • betrokkenheid van bedrijfspersoneel bij onderwijs en onderzoek.

Kennisallianties kunnen ertoe strekken leermobiliteitsactiviteiten te organiseren voor studenten, onderzoekers en personeel voor zover die ondersteuning verlenen aan of een aanvulling vormen op de andere activiteiten van de alliantie en meerwaarde opleveren voor de verwezenlijking van de projectdoelstellingen. Mobiliteitsactiviteiten staan niet centraal in een kennisalliantie; aan de uitbreiding van die activiteiten moet steun worden verleend via kernactie 1 van dit programma of met andere financieringsinstrumenten.

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van een kennisalliantie?

Kennisallianties kenmerken zich voornamelijk door:

  • Innovatie in hoger onderwijs en innovatie via hoger onderwijs in ondernemingen en in hun sociaaleconomisch milieu: innovatie wordt aangemerkt als projectspecifiek, aangepast aan de modernste technieken en gerelateerd aan de bredere samenhang van het partnerschap en de onderkende behoeften.
  • Duurzaamheid van de samenwerking tussen universiteiten en het bedrijfsleven. Het succes van kennisallianties staat of valt met een sterk en geëngageerd partnerschap waaraan op evenwichtige wijze wordt deelgenomen door ondernemingen en instellingen voor hoger onderwijs. De rol en bijdrage van elke deelnemende organisatie en geassocieerde partner moeten specifiek zijn en een complementair karakter hebben.
  • Effecten die zich uitstrekken tot na de beëindiging van het project en tot buiten de bij de kennisalliantie betrokken organisaties. Verwacht wordt dat het partnerschap en de activiteiten blijven duren. Daartoe is het mogelijk dat resultaten/prestaties niet op zichzelf staan, maar worden gekoppeld aan/geïntegreerd in bestaande verbintenissen, regelingen, projecten, platforms, ondernemingen enzovoort. Veranderingen in instellingen voor hoger onderwijs en ondernemingen moeten meetbaar zijn. De resultaten en oplossingen moeten overdraagbaar zijn en toegankelijk zijn voor een breder publiek.

Kennisallianties vormen een uiterst concurrerend onderdeel van Erasmus+. Succesvolle voorstellen hebben doorgaans de volgende gemeenschappelijke kenmerken:

  • betrouwbare relaties tussen instellingen voor hoger onderwijs en ondernemingen: kennisallianties moeten concreet gestalte geven aan de inzet en meerwaarde van alle partners, waarbij het zwaartepunt ligt bij een sterke en evenwichtige betrokkenheid van zowel het bedrijfsleven als de hogeronderwijssector. Een doordacht voorstel is het resultaat van de nauwe samenwerking tussen de toekomstige partners en gebaseerd op een gedegen behoefteanalyse;
  • innovatief en transnationaal karakter dat blijkt uit alle criteria.

Een gedegen behoefteanalyse maakt de grondgedachte inzichtelijk, beïnvloedt de selectie van partners, maakt het voorstel specifieker, verruimt de mogelijke effecten en waarborgt dat de eindgebruikers en doelgroepen nauw worden betrokken bij de projectactiviteiten.

Wat is de rol van de organisaties die deelnemen aan een kennisalliantie?

Aanvrager/coördinator: een deelnemende organisatie die het projectvoorstel indient namens alle partners. De coördinator draagt de eindverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het project in overeenstemming met de overeenkomst wordt uitgevoerd. Zijn coördinerende rol omvat de volgende taken:

  • de alliantie vertegenwoordigen en in haar naam optreden ten aanzien van de Europese Commissie;
  • de financiële en juridische verantwoordelijkheid op zich nemen voor de deugdelijke operationele, administratieve en financiële uitvoering van het hele project;
  • de alliantie coördineren in samenwerking met de projectpartners.

Volwaardige partners zijn de deelnemende organisaties die actief bijdragen aan de voltooiing van de doelstellingen van de kennisalliantie. Elke volwaardige partner moet een volmacht ondertekenen waarbij hij de coördinerende organisatie machtiging verleent om op te treden als de belangrijkste begunstigde en om in zijn naam op te treden tijdens de uitvoering van het project. Indien van toepassing, geldt deze vereiste ook voor partners uit partnerlanden.

Geassocieerde partners (facultatief): bij kennisallianties kunnen geassocieerde partners betrokken zijn die bijdragen tot de uitvoering van specifieke taken/activiteiten van het project en de verspreiding en de duurzaamheid van de alliantie ondersteunen. Wat het contractbeheer betreft, worden geassocieerde partners niet als projectpartners beschouwd en zij krijgen geen financiële steun. Niettemin moeten hun betrokkenheid en rol in het project en de verschillende activiteiten duidelijk worden omschreven.

Gelieerde entiteiten (facultatief): Organisaties die bijdragen tot de verwezenlijking van projectdoelstellingen en -activiteiten. Gelieerde entiteiten moeten in de subsidieaanvraag worden geïdentificeerd en voldoen aan de eisen van bijlage III (verklarende termenlijst) van deze programmagids.

Welke criteria worden gehanteerd om een kennisalliantie te evalueren?

Hieronder worden de formele criteria opgesomd waaraan een voorgestelde kennisalliantie moet voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Erasmus+-programma:

Subsidiabiliteitscriteria

In aanmerking komende deelnemende organisaties

Een deelnemende organisatie kan elke publieke of particuliere organisatie zijn, met haar gelieerde entiteiten (indien van toepassing), die gevestigd is in een programmaland of in een willekeurig partnerland over de hele wereld (zie deel A van deze gids onder "Begunstigde landen").

Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:

  • instellingen voor hoger onderwijs (IHO's);
  • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
  • onderzoeksinstellingen;
  • lokale, regionale of nationale publieke organen;
  • een organisatie die werkzaam is op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken;
  • een intermediaire organisatie of vereniging die onderwijs-, opleidings- of jeugdorganisaties vertegenwoordigt;
  • een intermediaire organisatie of vereniging die ondernemingen vertegenwoordigt;
  • een instantie voor accreditatie, certificering of kwalificatie.

In een programmaland gevestigde IHO's moeten in het bezit zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE). Deelnemende IHO's uit partnerlanden hoeven niet in het bezit te zijn van een ECHE.

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke deelnemende organisatie die in een programmaland gevestigd is, kan een subsidie aanvragen. Deze organisatie dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij het project betrokken zijn.

Aantal deelnemende organisaties

Kennisallianties hebben een transnationale opzet, wat betekent dat minstens zes onafhankelijke organisaties uit minimaal drie programmalanden betrokken zijn, waaronder ten minste twee instellingen voor hoger onderwijs en ten minste twee ondernemingen.

Projectduur

2 of 3 jaar. De duur moet in de aanvraagfase worden gekozen op basis van de doelstelling van het project en het soort geplande activiteiten.

Wanneer de begunstigde daarom verzoekt en voor zover het Uitvoerend Agentschap daarmee instemt, kan de duur van een kennisalliantie in uitzonderlijke gevallen worden verlengd met ten hoogste 6 maanden. In dat geval blijft de totale subsidie ongewijzigd.

Waar aanvragen?

Bij het in Brussel gevestigde Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 28 februari om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die op 1 november van datzelfde jaar of 1 januari van het daaropvolgende jaar van start gaan.  

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

Toekenningscriteria

Het project wordt beoordeeld op grond van de volgende criteria:

Relevantie van het voorstel

(maximaal 25 punten)

  • Doel: het voorstel is relevant ter verwezenlijking van de doelstellingen van de actie (zie het deel "Wat zijn de doelstellingen en prioriteiten van een kennisalliantie?");
  • Consistentie: het voorstel berust op een gedegen behoefteanalyse; de doelstellingen en resultaten zijn duidelijk afgebakend en realistisch van opzet, en pakken kwesties aan die van belang zijn voor de deelnemende organisaties en voor de actie;
  • Innovatie: het voorstel houdt rekening met de modernste methoden en technieken, en leidt tot projectspecifieke innovatieve resultaten en oplossingen;
  • Europese meerwaarde: uit het voorstel blijkt duidelijk voor welke meerwaarde het transnationale karakter en de potentiële overdraagbaarheid kunnen zorgen;

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering
(maximaal 25 punten)

  • Samenhang: het voorstel vormt een samenhangend en alomvattend geheel van passende activiteiten om te voorzien in de onderkende behoeften en de verwachte resultaten te bewerkstelligen;
  • Structuur: het werkprogramma is duidelijk en inzichtelijk, en bestrijkt alle fasen;
  • Beheer: tijdschema's, organisatie, taken en verantwoordelijkheden zijn nauwkeurig omschreven en realistisch. Het voorstel wijst geschikte middelen toe aan elke activiteit;
  • Kwaliteit en financiële controle: specifieke maatregelen ter beoordeling van processen en resultaten waarborgen dat het project op een kwalitatief hoogstaande en economisch verantwoorde manier wordt uitgevoerd.

Kwaliteit van het projectteam en de samenwerkingsregelingen

(maximaal 30 punten)

  • Samenstelling: aan de voorgestelde kennisalliantie wordt uitvoering gegeven door een geschikte combinatie van partners uit het hoger onderwijs en het bedrijfsleven; die partners beschikken over de vereiste profielen, vaardigheden, ervaring, deskundigheid alsook over de nodige managementondersteuning met het oog op een succesvolle uitvoering;
  • Inzet: elke deelnemende organisatie bewijst zich volledig in te zetten volgens haar capaciteiten en deskundigheid;
  • Partnerschap: de partners uit het hoger onderwijs en het bedrijfsleven leveren een wezenlijke, ter zake dienende en complementaire bijdrage;
  • Samenwerking/teamgeest: in het voorstel worden duidelijke afspraken gemaakt en verantwoordelijkheden toegewezen met het oog op een transparante en efficiënte besluitvorming, conflictoplossing, rapportage en communicatie tussen de deelnemende organisaties;
  • Rendement: het project levert duidelijk meerwaarde en voordelen op voor elke partnerorganisatie
  • Betrokkenheid van partnerlanden: voor zover van toepassing, levert de betrokkenheid van een deelnemende organisatie uit een partnerland essentiële meerwaarde op voor het project).

Effect en verspreiding

(maximaal 20 punten)

  • Benutting: het voorstel maakt duidelijk hoe de materiële resultaten door de partners en andere belanghebbenden zullen worden benut en hoe deze zullen leiden tot de verwachte immateriële resultaten. Er wordt voorzien in passende maatregelen om de resultaten van het project te evalueren. Het voorstel voorziet in middelen om de benutting te meten tijdens en na afloop van het project.
  • Verspreiding: het voorstel bevat een duidelijk plan voor de verspreiding van resultaten, en voorziet in passende activiteiten, instrumenten en communicatiekanalen om ervoor te zorgen dat de resultaten en voordelen efficiënt worden verspreid onder de belanghebbenden en niet-deelnemende partijen, niet alleen gedurende de looptijd van het project, maar ook daarna;
  • Impact: het voorstel geeft blijk van maatschappelijk en economisch bereik en relevantie. Er wordt gezorgd voor ter zake dienende maatregelen om de vorderingen bij te houden en de verwachte effecten (op korte en lange termijn) te beoordelen;
  • Open toegang: Voor zover van toepassing, beschrijft het voorstel hoe geproduceerde documenten, materiaal en media vrij toegankelijk worden gemaakt en gepromoot onder open licenties, en legt het geen onevenredige beperkingen op;
  • Duurzaamheid: het voorstel voorziet in passende maatregelen en middelen om ervoor te zorgen dat het partnerschap, de resultaten en voordelen van het project blijven duren na afloop van het project.

De voorstellen moeten een minimumscore van 70 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een minimumscore behalen van 13 punten voor de categorieën "Relevantie van het project" en "Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering", 16 punten voor de categorie "Kwaliteit van het projectteam en de samenwerkingsregelingen" en 11 punten voor de categorie "Effect en verspreiding".

Wat moet u nog weten over deze actie?

Kwaliteitsborging moet een integrerend onderdeel zijn van het project om te waarborgen dat de kennisallianties de beoogde resultaten opleveren en effecten bewerkstelligen die zich ver buiten de partnerorganisaties zelf uitstrekken. Kennisallianties moeten voorzien in doelgerichte verspreidingsactiviteiten om belanghebbenden, beleidsmakers, beroepsmensen en ondernemingen te bereiken. Gaandeweg moeten kennisallianties gestalte krijgen via publicaties, zoals verslagen, handboeken, richtsnoeren enzovoort. Als algemene regel geldt dat resultaten beschikbaar moeten worden gesteld als open leermiddelen alsook op relevante platforms van beroepsverenigingen, bedrijfstakverenigingen of bevoegde autoriteiten. Kennisallianties moeten aanzet geven tot de ontwikkeling van nieuwe manieren en instrumenten om de samenwerking te bevorderen en ervoor te zorgen dat het partnerschap tussen hoger onderwijs en bedrijfsleven in stand wordt gehouden.

Kennisallianties vormen een recente en ambitieuze actie waarop nauwlettend wordt toegezien en waarvoor de actieve inzet van alle deelnemers en belanghebbenden nodig is. Kennisallianties moeten hun deelname vormgeven in themaclusters die bevorderlijk zijn voor kruisbestuiving, uitwisseling van goede praktijken en wederzijdse leerprocessen. Verder moeten in kennisallianties middelen worden uitgetrokken om het project en de resultaten voor te stellen op het EU-forum voor dialoog tussen universiteiten en bedrijven en/of andere relevante evenementen (maximaal vijf tijdens de projectduur).

Wat zijn de financieringsregels?

Het projectbudget wordt opgesteld op basis van het systeem van eenheidskosten. Het systeem van "kosten per eenheid" is een vereenvoudigde vorm om het bedrag van de subsidie te bepalen. Dergelijke vereenvoudigde vormen van subsidies zijn, gezien hun aard, bijdragen aan de belangrijkste kosten van een project die geen vergoeding zijn van de werkelijke uitgaven in verband met specifieke activiteiten van het project. In het geval van de alliantieprojecten worden de vastgestelde kosten per eenheid toegepast op het personeelsbestanddeel van een project. Dit zijn vooraf vastgestelde bijdragen per werkdag en per categorie werknemers.

Het projectbudget wordt opgesteld met inachtneming van de volgende financieringsregels (in euro):

Maximale EU-steun voor een twee jaar durende kennisalliantie:   700 000 EUR
Maximale EU-steun voor een drie jaar durende kennisalliantie: 1 000 000 EUR

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Uitvoeringssteun

Financiële steun aan elke activiteit die rechtstreeks verband houdt met de projectuitvoering (met uitzondering van eventuele mobiliteit in het kader van het project) met inbegrip van: projectbeheer, projectbijeenkomsten, intellectuele prestaties (zoals studieprogramma's, didactisch materiaal, open leermiddelen, IT-instrumenten, analyses, studies enzovoort), verspreiding, deelname aan evenementen, conferenties, reizen enzovoort.

De EU-steun wordt berekend op basis van het aantal dagen en het profiel van het betrokken personeel per land.

Tegemoetkoming in de kosten per eenheid

B2.1 per projectleider per dag dat aan het project wordt gewerkt

Voorwaardelijk: aanvragers moeten het soort benodigde middelen en de omvang daarvan rechtvaardigen vanuit het oogpunt van de uitvoering van de voorgestelde activiteiten en de resultaten.

De resultaten moeten kwalitatief en kwantitatief aanzienlijk zijn om in aanmerking te komen voor subsidieverlening.

B2.2 per onderzoeker/leerkracht/opleider per dag dat aan het project wordt gewerkt

B2.3 per specialist per dag dat aan het project wordt gewerkt

B2.4 per administratief medewerker per dag dat aan het project wordt gewerkt

* Zie de internationale standaardclassificatie van beroepen - ISCO – ISCO (http://www.ilo.org/public/english/bureau/stat/isco/isco08/index.htm)

Aanvullende financieringsregels voor in het kader van een kennisalliantie uitgevoerde mobiliteitsactiviteiten (facultatieve steun)

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Reiskosten

Tegemoetkoming in de kosten die deelnemers maken om van de plaats van oorsprong te reizen naar de locatie van de activiteit en terug

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Voor een reisafstand tussen 100 en 1 999 km:

275 EUR per deelnemer

Voorwaardelijk: de aanvragers moeten rechtvaardigen dat de mobiliteitsactiviteiten noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen en resultaten van het project. De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening3. De aanvrager moet de afstand van een enkele reis vermelden voor de berekening van het EU-subsidiebedrag voor de heen- en terugreis4  

Voor een reisafstand van 2 000 km of meer:

360 EUR per deelnemer

Verblijfkosten

Tegemoetkoming in de verblijfkosten van deelnemers tijdens de activiteit

Tegemoetkoming in de kosten per eenheid

Op personeel gerichte activiteiten

tot en met de 14e dag van de activiteit: 100 EUR per dag per deelnemer

+

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: 70 EUR per dag per deelnemer

Op lerenden gerichte activiteiten:

tot en met de 14e dag van de activiteit: 55 EUR per dag per deelnemer

+

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: 40 EUR per dag per deelnemer

Tabel A - Projectuitvoering (bedragen in euro per dag): programmalanden

Het bedrag hangt af van: a) het profiel van het bij het project betrokken personeel, en b) het land van de deelnemende organisatie waarvan het personeel bij het project betrokken is.

Projectleider

Leerkracht/opleider/ onderzoeker/

Jeugdwerker

Specialist

Administratief medewerker

B2.1

B2.2

B2.3

B2.4

Denemarken, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Zweden, Liechtenstein, Noorwegen

353

289

228

189

België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Finland, Verenigd Koninkrijk, IJsland

336

257

194

157

Tsjechië, Griekenland, Spanje, Cyprus, Malta, Portugal, Slovenië

197

164

122

93

Bulgarije, Estland, Kroatië, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië, Servië, Slowakije, Republiek Noord-Macedonië, Turkije

106

88

66

47

Tabel B - Projectuitvoering (bedragen in euro per dag): partnerlanden

Het bedrag hangt af van: a) het profiel van het bij het project betrokken personeel, en b) het land van de deelnemende organisatie waarvan het personeel bij het project betrokken is.

Projectleider

Leerkracht/opleider/onderzoeker

Specialist

Administratief medewerker

B2.1

B2.2

B2.3

B2.4

Australië, Canada, Koeweit, Macau, Monaco, Qatar, San Marino, Zwitserland, Verenigde Staten van Amerika

353

289

228

189

Andorra, Brunei, Japan, Nieuw-Zeeland, Singapore, Vaticaanstad, Verenigde Arabische Emiraten

336

257

194

157

Bahama's, Bahrein, Hongkong, Israël, Zuid-Korea, Oman, Saudi-Arabië, Taiwan

197

164

122

93

Afghanistan, Albanië, Algerije, Angola, Antigua en Barbuda, Argentinië, Armenië, Azerbeidzjan, Bangladesh, Barbados, Belarus, Belize, Benin, Bhutan, Bolivia, Bosnië en Herzegovina, Botswana, Brazilië, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Centraal-Afrikaanse Republiek, Chili, China, Colombia, Comoren, Congo, Cookeilanden, Costa Rica, Cuba, Democratische Republiek Congo, Djibouti, Dominica, Dominicaanse Republiek, Ecuador, Egypte, El Salvador, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Ethiopië, Fiji, Filipijnen, Gabon, Gambia, Georgië, Ghana, Grenada, Guatemala, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Haïti, Honduras, India, Indonesië, Irak, Iran, Ivoorkust, Jamaica, Jemen, Jordanië, Kaapverdië, Kameroen, Kazachstan, Kenia, Kirgizië, Kiribati, Kosovo, Laos, Lesotho, Libanon, Liberia, Libië, Madagaskar, Malawi, Maldiven, Maleisië, Mali, Marokko, Marshalleilanden, Mauritanië, Mauritius, Mexico, Micronesia, Moldavië, Mongolië, Montenegro, Mozambique, Myanmar/Birma, Namibië, Nauru, Nepal, Nicaragua, Niger, Nigeria, Niue, Noord-Korea, het grondgebied van Oekraïne zoals erkend in het internationaal recht, Oezbekistan, Oost-Timor, Pakistan, Palau, Palestina, Panama, Papoea-Nieuw-Guinea, Paraguay, Peru, het grondgebied van Rusland zoals erkend in het internationaal recht,  Rwanda, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Salomonseilanden, Samoa, Sao Tomé en Principe, Senegal, Seychellen, Sierra Leone, Somalië, Sri Lanka, Sudan, Suriname, Swaziland, Syrië, Tadzjikistan, Tanzania, Thailand, Togo, Tonga, Trinidad en Tobago, Tsjaad, Tunesië, Turkmenistan, Tuvalu, Uganda, Uruguay, Vanuatu, Venezuela, Vietnam, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Afrika, Zuid-Sudan

 

106

88

66

47