Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Europese universiteiten

In de conclusies van de Europese Raad van 14 december 20171 hebben de staatshoofden en regeringsleiders de lidstaten, de Raad en de Europese Commissie verzocht verder te werken aan “het bevorderen van de ontwikkeling, uiterlijk in 2024, van een twintigtal ‘Europese Universiteiten’, bestaande uit van onderop opgezette netwerken van universiteiten in de hele EU: op die manier kunnen studenten een diploma behalen door studies in verschillende EU-landen te combineren en neemt het internationale concurrentievermogen van de Europese universiteiten toe”.

De conclusies van de Onderwijsraad van 22 mei 20182 benadrukten verder het potentieel van 'Europese universiteiten om "de mobiliteit aanzienlijk te verbeteren en een stimulans te zijn voor topkwaliteit en uitmuntendheid in onderwijs en onderzoek door het versterken van de link tussen onderwijs, onderzoek en innovatie en kennisoverdracht, door het aantonen van de voordelen van meertalig leren en de erkenning van kwalificaties, en door het ontwikkelen van gezamenlijke onderwijs- en onderzoeksprogramma's en projecten". Ze onderstreepten ook dat de Europese Universiteiten "een vooraanstaande rol kunnen spelen in het oprichten van een gezamenlijke Europese onderwijsruimte".

Voor het behalen van deze doelstelling stelt de Europese Commissie een uniek initiatief voor waarvoor een enorme sprong vereist is in samenwerking tussen alle typen instellingen voor hoger onderwijs uit alle regio’s in Europa en op alle niveaus van de organisatie, over alle activiteitsgebieden, van onderwijs en leren tot onderzoek en innovatie.

 

Wat zijn de doelen en prioriteiten van EUROPESE UNIVERSITEITEN?

‘Europese Universiteiten’ hebben een ambitieus mandaat om een ongekend niveau van geïnstitutionaliseerde samenwerking te bereiken en deze systematisch, structureel en duurzaam te maken. In deze zin hebben Europese Universiteiten de volgende twee doelstellingen:

  • Het bevorderen van gemeenschappelijke Europese waarden zoals beschreven in artikel 2 van het Verdrag van Maastricht en een versterkte Europese identiteit door een nieuwe generatie Europeanen samen te brengen, die in staat zijn samen te werken binnen verschillende Europese en mondiale culturen, in verschillende talen en over de grenzen van landen, sectoren en academische disciplines heen.
  • Een aanzienlijke sprong maken in kwaliteit, prestaties, aantrekkingskracht en de internationale concurrentiepositie van Europese instellingen voor hoger onderwijs en bijdragen aan de Europese kenniseconomie, arbeidsmarkt, cultuur, burgerzin en welvaart door optimaal gebruik te maken van innovatieve onderwijsmethoden en door totstandbrenging van de kennisdriehoeke3 na te streven. ‘Europese universiteiten’ zijn belangrijke drijvende krachten om de kwaliteit van het hoger onderwijs een impuls te geven en waar mogelijk zijn band met het onderzoeks- en innovatielandschap in Europa te versterken en zijn bereik richting de maatschappij en de economie te vergroten.

Wat zijn EUROPESE UNIVERSITEITEN?

De term ‘Universiteiten’ moet in de ruimste zin van het woord worden opgevat en omvat alle typen instellingen voor hoger onderwijs. Het Europese Universiteiten-initiatief beantwoordt aan een langetermijnvisie die de potentie heeft de institutionele samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs te transformeren en naar een hoger niveau te tillen.

In dit verband zullen ‘Europese Universiteiten’ de bovenstaande doelstellingen bereiken door geleidelijk de volgende hoofdoelstellingen voor 2025 te verwezenlijken:

  • Totstandbrengen van een gedeelde geïntegreerde, gezamenlijke langetermijnstrategie voor het onderwijs met waar mogelijk connecties met onderzoek en innovatie en de maatschappij als geheel, die verder gaat dan mogelijk bestaande bilaterale en multilaterale samenwerkingen:
    • Gebaseerd op een gemeenschappelijke visie en gedeelde waarden om een hoog niveau van verbeterde, duurzame samenwerking na te streven tussen verschillende niveaus van de organisatie en tussen de verschillende activiteitsgebieden door voort te bouwen op hun complementaire vermogens, en waar studenten en personeel op alle niveaus van de deelnemende organisaties in staat gesteld worden deze visie uit te dragen.
    • Uitgevoerd via gezamenlijke structuren die hun expertise, platforms, gegevens en hulpmiddelen bundelen.
  • Een Europese interuniversitaire ‘campus’ voor hoger onderwijs opzetten waar doorgaans:
    • Studenten, promovendi en personeel zich zonder blokkades kunnen bewegen (fysiek en virtueel) om te studeren, te leren, te onderwijzen, onderzoek te doen, te werken of diensten te delen in een van de partnerinstellingen. Studenten kiezen zelf waar en wat ze studeren binnen de grenzen van educatief solide en logisch gestructureerde studieprogramma’s tussen de verschillende instellingen voor hoger onderwijs en andere leden van de alliantie.
    • Geïntegreerde mobiliteit op alle niveaus, met inbegrip van bachelor-, master- en doctoraatniveau, is een standaardkenmerk. Minstens 50% van de studenten binnen de alliantie moeten van degelijke mobiliteit profiteren, hetzij fysiek, virtueel of gemengd.
    • Nieuwe gezamenlijke en flexibele curricula worden in de drie fasen (bachelor, master, doctoraat) aangeboden, indien relevant, gebaseerd op discipline-overschrijdende/multidisciplinaire en sectoroverschrijdende benaderingen, waarbij innovatieve onderwijsmethoden worden geïntegreerd, waaronder het gebruik van de nieuwste digitale technologieën. De inhoud wordt persoonlijk maar de samenwerking internationaal.
    • Praktijk en/of werkervaring wordt aangeboden door externe mentoren om een ondernemersgeest te promoten en burgerzin te ontwikkelen;
    • De studentenpopulatie weerspiegelt de diversiteit van de bevolking (wat betreft de sociale, economische en culturele aspecten), met inbegrip van levenslanglerenden;
    • Andere creatieve en innovatieve activiteiten die essentieel zijn om de gezamenlijke langetermijnstrategie te bereiken, worden uitgevoerd.  
  • Europese teams voor kenniscreatie (‘probleemgerichte benadering’) van studenten en wetenschappers opbouwen, mogelijk samen met onderzoekers, bedrijven, regionale actoren en maatschappelijke actoren - afhankelijk van de algehele strategie en visie van de alliantie - pakken samen door hen gekozen maatschappelijke problemen aan in een multidisciplinaire benadering door middel van:
    • innovatief leren en opleiden waarmee studenten en onderzoekers hoogwaardige, ondernemers-, open science- en overdraagbare vaardigheden opdoen voor een snel veranderende arbeidsmarkt en kenniseconomie en -maatschappij, waaronder door onderzoeksresultaten weer in het onderwijs op te nemen
    • creatie van innovatieve oplossingen aan te passen aan de verschillende regio’s in Europa

Bovendien moeten 'Europese Universiteiten' hun capaciteit verder uitbouwen en zo fungeren als rolmodel voor goede praktijken om de kwaliteit, internationale concurrentiepositie en aantrekkingskracht van het Europese hoger onderwijs te verbeteren, en moeten ze toonaangevende elementen worden van de Europese onderwijsruimte door uitmuntendheid te stimuleren.  Zoals vastgelegd in de communicatie Bouwen aan een sterker Europa: de rol van het beleid inzake jeugd, onderwijs en cultuur4, "zal het instellen van een Europese onderwijsruimte de EU-lidstaten in staat stellen om meer te doen, sneller te handelen, de kwaliteit, concurrentie en inclusie van hun opleidings- en trainingsystemen te vergroten, en daarbij niet-EU leden ertoe aanzetten te volgen". In dit opzicht moeten 'Europese universiteiten' zich inzetten om, in samenwerking met hun nationale autoriteiten, toe te werken naar relevante beleidsdoelstellingen van de Europese onderwijsruimte, zoals meertaligheid; automatische erkenning5 van academische kwalificaties en leerperioden in het buitenland die worden geleverd door de deelnemende instellingen voor hoger onderwijs in de alliantie; het gebruik van de Europese studentenkaart6,zodra die volledig in werking is; als ook de belangrijke doelstellingen uit de Bolognaverklaring (kwaliteitsborging, erkenning en waar toepasbaar het driefasensysteem7).

 

Wat wordt door deze actie ondersteund?

Deze actie ondersteunt instellingen voor hoger onderwijs bij het overtreffen van de bestaande samenwerkingsmodellen voor hoger onderwijs en langzaamaan de ambitieuze langetermijnvisie voor ‘Europese universiteiten’ bereiken.

  • Deze actie test verschillende innovatieve en structurele modellen om de langetermijnvisie vermeld onder “Wat zijn Europese universiteiten?” uit te voeren en te bereiken. De actie ondersteunt de creatie van allianties, idealiter bestaande uit 5 tot 8 partners, door ofwel het opzetten van nieuwe samenwerkingspartnerschappen ofwel het verbeteren van huidige door verder te gaan dan bestaande bilaterale en multilaterale samenwerkingen, door middel van een stapsgewijze benadering. Ze hebben de mogelijkheid om zich te verbinden met academische en niet-academische partners met arbeidsplekken en om in een latere fase te groeien.
  • Door middel van deze actie voeren instellingen voor hoger onderwijs de activiteiten die nodig zijn voor het bereiken van hun langetermijnvisie geleidelijk uit, waarbij ze beginnen met het verhogen van hun integratieniveau. Om deze doelstelling te bereiken stemmen ze in met een missieverklaring op institutioneel niveau van elk van de alliantieleden. De missieverklaring moet een volledige gezamenlijke strategie bevatten voor het nastreven van een hoge mate van verbeterde en duurzame samenwerking tussen verschillende niveaus van de organisatie (bv. management, wetenschappers, professioneel/ondersteunend personeel en studenten) en tussen verschillende activiteitsgebieden (sterke focus op onderwijs met waar mogelijk connecties met onderzoek en innovatie en maatschappelijke diensten), door voort te bouwen op hun complementaire vermogens..
  • Omdat deze actie een van onderop opgezette benadering volgt, heeft elke alliantie de flexibiliteit om haar gezamenlijke activiteitenwerkplan op te zetten door middel van een stapsgewijze benadering, die het meest relevant is voor het bereiken van haar strategische doelstellingen en die haar uiteindelijk helpt de langetermijnvisie van Europese Universiteiten, zoals hierboven beschreven, te bereiken. Dit gezamenlijke activiteitenwerkplan moet worden ondersteund door het ontwerp van relevante en efficiënte gemeenschappelijke managementstructuren. Voorbeelden voor het bewerkstelligen van een nauwe samenwerking tussen institutionele managementstructuren zijn: het instellen van gezamenlijke raden, het ontwikkelen van een gezamenlijke pool van fysieke en virtuele, intellectuele en administratieve middelen, verdelen van de gedeelde middelen, het gemeenschappelijk aanbieden van infrastructuur, gegevens, diensten, zoals ondersteuning voor studenten, onderzoekers en personeel, administratie en internationale betrekkingen, met gedigitaliseerde gezamenlijke processen waar mogelijk.
  • Het gezamenlijke activiteitenwerkplan moet ook activiteiten omvatten om de grote ambities met betrekking tot mobiliteit, sociale inclusie en probleemgerichte benadering waar te maken. De allianties moeten ook belangrijke belanghebbenden op het gebied van onderwijs en waar mogelijk op het gebied van onderzoek en innovatie benaderen om de maatschappelijke betrokkenheid van studenten en personeel alsook hun kerncompetenties op het gebied van ondernemerschap te bevorderen. Deze actie ondersteunt instellingen voor hoger onderwijs bij het uitvoeren van de eerste stappen van dit gezamenlijke activiteitenwerkplan.

Wie kunnen er deelnemen aan een Europese universiteit?

Aanvrager/coördinator: een deelnemende organisatie die het voorstel indient namens alle partners. De coördinator draagt de eindverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het voorstel in overeenstemming met de overeenkomst wordt uitgevoerd. Zijn coördinerende activiteiten omvatten de volgende taken:

  • de alliantie van de Europese universiteit vertegenwoordigen en in haar naam optreden ten aanzien van de Europese Commissie; 
  • de financiële en juridische verantwoordelijkheid op zich nemen voor de deugdelijke operationele, administratieve en financiële uitvoering van de alliantie van de Europese universiteit;
  • de alliantie van de Europese universiteit coördineren in samenwerking met de partners.

Volwaardige partners zijn de deelnemende organisaties die actief bijdragen aan de voltooiing van de doelstellingen van de Europese universiteit. Elke volwaardige partner moet een volmacht ondertekenen waarbij hij de coördinerende organisatie machtiging verleent om op te treden als de belangrijkste begunstigde en om in zijn naam op te treden tijdens de uitvoering van het voorstel;

Geassocieerde partners (facultatief): Bij Europese universiteiten kunnen geassocieerde partners betrokken zijn die bijdragen tot de uitvoering van specifieke taken/activiteiten en de verspreiding en de duurzaamheid van de alliantie ondersteunen. Wat het contractbeheer betreft, worden geassocieerde partners niet als partners van de Europese universiteit beschouwd en zij krijgen geen financiële steun. Niettemin moeten hun betrokkenheid en rol in de verschillende activiteiten duidelijk worden omschreven.

Gelieerde entiteiten (facultatief): Organisaties die bijdragen tot de voltooiing van de doelstellingen en activiteiten van de Europese universiteit. Gelieerde entiteiten moeten in de subsidieaanvraag worden geïdentificeerd en voldoen aan de eisen van bijlage III (verklarende termenlijst) van deze programmagids. 

 

Welke criteria worden gehanteerd om een voorstel voor een Europese universiteit te beoordelen?

Subsidiabiliteitscriteria​

In aanmerking komende deelnemende organisaties​

Elke instelling voor hoger onderwijs in het bezit van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE), met de gelieerde entiteiten (indien aanwezig) als volwaardige of geassocieerde partners. Elke andere openbare/particuliere organisatie die actief is op het gebied van onderwijs en opleiding, onderzoek en innovatie of in het beroepsleven, gevestigd in een lidstaat van de EU of een ander Erasmus+-programmaland als geassocieerde partner.

Wie kan een aanvraag indienen?​

Elke in aanmerking komende, deelnemende instelling voor hoger onderwijs gevestigd in een EU-lidstaat of ander Erasmus+-programmaland kan een aanvraag indienen. Deze organisatie dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij de Europese universiteit betrokken zijn. 

Aantal deelnemende organisaties en profiel daarvan​

De Europese Universiteit moet bestaan uit minimaal drie instellingen voor hoger onderwijs met een geldig ECHE, uit minstens drie EU-lidstaten of andere Erasmus+-programmalanden (volwaardige partner). Bovendien kan elke openbare/particuliere organisatie gevestigd in een lidstaat van de EU of een ander Erasmus+-programmaland en actief op het gebied van onderwijs en opleiding, onderzoek en innovatie of in het beroepsleven, als geassocieerde partner deelnemen aan de alliantie. 

Duur

3 jaar

Waar aanvragen? ​

Bij het in Brussel gevestigde Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.

Wanneer aanvragen?​

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 26 februari om 17.00 uur (Belgische tijd) voor allianties die van start gaan tussen 1 september en 1 december van datzelfde jaar.    

Hoe aanvragen?​

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

 

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

 

Toekenningscriteria 

Het voorstel wordt beoordeeld op grond van de volgende criteria:

Relevantie van het voorstel

(maximaal 25 punten)

 

  • Ambitieniveau: de mate waarin het voorstel zich richt op en toewerkt naar de langetermijnvisie van de actie en de potentie ervan om geïnstitutionaliseerde samenwerking te hervormen en te verbeteren (zie onder "Wat zijn Europese Universiteiten" hierboven en de relevante conclusies van de Europese Raad van 14 december 20178)  
  • Relevantie van de gezamenlijke langetermijnmissieverklaring ingediend door de alliantie.  De missieverklaring moet expliciet worden goedgekeurd door de relevante besluitvormingsorganen.    
  • Het ambitieniveau en de innovatieve benadering van het voorstel, met inbegrip van de mate waarin de alliantie de samenwerking versterkt en uitbreidt:
    • in het aanbod van onderwijs door het waar mogelijk te koppelen aan onderzoek en innovatie, in vergelijking met wat er al gedaan wordt door de leden van de alliantie.
    • door middel van innovatie en nieuwe structuurmodellen 
  • Europese toegevoegde waarde. De mate waarin:
    • het voorstel bijdraagt aan de ontwikkeling van de Europese onderwijsruimte

    • het voorstel de toegevoegde waarde aantoont van zijn transnationaliteit, met name voor studenten. 
    • het voorstel de bijdrage aantoont aan regionale ontwikkeling, bijvoorbeeld door middel van de betrokkenheid van alliantieleden aan de ontwikkeling en uitvoering van slimme-specialisatiestrategieën
    • andere instellingen voor hoger onderwijs, vooral in de Europese Unie maar ook daarbuiten, zullen profijt halen uit de alliantie door excellentie te stimuleren. 
Geografisch evenwicht (maximaal 15 punten)
  • De mate waarin de alliantie een groot aantal instellingen voor hoger onderwijs uit verschillende geografische gebieden omvat9 als volwaardige partners en een brede geografische dekking garandeert in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad10
  • De mate waarin de aanvrager de geografische samenstelling van de alliantie heeft gemotiveerd en hoe deze zich verhoudt tot de voltooiing van de doelstellingen van de Europese Universiteiten en de Europese onderwijsruimte.

Kwaliteit van het voorstel en de uitvoering
(maximaal 20 punten)

 

  • Consistentie tussen de gezamenlijke langetermijnstrategie en de voorgestelde gezamenlijke structuren en gezamenlijke activiteiten om deze te bereiken
  • Toewijding aan werk naar beleidsdoelen van de Europese onderwijsruimte
  • De mate waarin het voorstel laat zien hoe de ontwikkeling van een gezamenlijke strategie aansluit bij het ambitieniveau van Europese Universiteiten en hoe de gezamenlijke activiteiten op efficiënte wijze bijdragen tot versterking en verbetering van:
    • hoge onderwijskwaliteit, onder meer door middel van innovatieve onderwijsmodellen om toekomstgerichte vaardigheden en competenties te ontwikkelen, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van digitale technologieën, gemengd leren en werkplekleren 
    • de mate van mobiliteit van studenten en personeel
    • waar mogelijk, de banden tussen onderwijs en onderzoek en innovatie, met inbegrip van de wijze waarop onderzoeksresultaten en innovatie in het onderwijs worden teruggekoppeld
    • de mate van het betrekken van belangrijke belanghebbenden om de maatschappelijke betrokkenheid van studenten en personeel en hun kerncompetenties op het gebied van ondernemerschap te bevorderen
    • de betrokkenheid van de lokale gemeenschap 
    • De sociale diversiteit van de studentenpopulatie en ondersteunende maatregelen om de toegang voor en het aantal deelnemers en afgestudeerden uit ondervertegenwoordigde en kansarme groepen te bevorderen
  • Het werkprogramma en de routekaart zijn duidelijk, expliciet en haalbaar. Ze beschrijven goed de verwachte vooruitgang, prestaties en uitkomsten voor elke fase in verband met concrete activiteiten en acties die bijdragen tot de uitvoering van de gezamenlijke langetermijnstrategie. 
  • Kwaliteits- en financiële context: de alliantie heeft een kwaliteitsbeoordeling en -evaluatie opgesteld, die specifieke maatregelen omvatten voor de evaluatie van de voortgang, processen en resultaten (bijvoorbeeld door middel van de ontwikkeling van geschikte kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, met inbegrip van de feedback van studenten en personeel). De kwaliteitscontrole moet er ook voor zorgen dat de uitvoering van de alliantie kostenefficiënt is.

Kwaliteit van de samenwerkingsregelingen van de alliantie

(maximaal 20 punten)

  • Structuur van de regelingen: de verdeling van verantwoordelijkheden en taken is duidelijk en passend, geeft blijk van de financiële, structurele en organisatorische inzet op het hoogste institutionele niveau en geeft alle personeelsleden de gelegenheid deel te nemen aan de cocreatie van de alliantie, zowel door middel van het aanbod van onderwijs en, waar mogelijk, onderzoek en innovatie, als op structureel organisatieniveau door middel van gedeelde managementstructuren, gemeenschappelijke dienstverlening, databanken, personeel en wetenschappelijke infrastructuur. 
  • Rollen en verantwoordelijkheden: het vermogen en de actieve rol van elk lid van de alliantie om gezamenlijk de gemeenschappelijke visie, strategie en activiteiten uit te voeren, worden duidelijk aangetoond.
  • Complementariteit: de mate waarin de partners elkaar aanvullen, ook wat de diversiteit van typen IHO's betreft, of aantonen dat zij met elkaar samenwerken om toegevoegde waarde en kostenefficiëntie te bemachtigen. 
  • De samenwerkingsregelingen zijn goed opgezet om de voordelen van de geïntegreerde samenwerking te maximaliseren door de bestaande administratieve belemmeringen weg te nemen, en om alle vormen van mobiliteit binnen de alliantie te bevorderen, met inbegrip van mobiliteit van en naar andere organisaties dan instellingen voor hoger onderwijs
  • In het voorstel worden duidelijke afspraken gemaakt en verantwoordelijkheden toegewezen met het oog op een transparante en efficiënte besluitvorming, conflictoplossing, rapportage en communicatie tussen de deelnemende organisaties.

Duurzaamheid en verspreiding

(maximaal 20 punten)

  • Langetermijnstrategie voor duurzaamheid van de alliantie: het voorstel bevat een duurzaamheidsvisie waarin wordt uiteengezet hoe elk lid van de alliantie deze al dan niet financieel zal ondersteunen om ook na de door de EU gefinancierde periode duurzaam te zijn.
  • Vermogen van de alliantie om als rolmodel te fungeren: de mate waarin de door de alliantie gegenereerde resultaten en goede praktijken worden gedeeld en de potentie hebben voor integratie in andere instellingen voor hoger onderwijs waarmee zij buiten de alliantie samenwerken, met name binnen de Europese Unie, maar ook daarbuiten.
  • Verspreiding: het voorstel voorziet in een duidelijk plan voor de verspreiding van de resultaten en de ingevoerde goede praktijken en omvat passende personele en financiële middelen, activiteiten, instrumenten en communicatiekanalen, waaronder het gebruik van sociale media, om ervoor te zorgen dat de resultaten en voordelen tijdens en na de financieringsperiode van de alliantie van de Europese universiteit openlijk en doeltreffend aan een groot aantal belanghebbenden worden overgedragen en gedeeld;
  • Open leermiddelen en middelen voor open-science en burgerwetenschap: Indien relevant en binnen de grenzen van de bestaande nationale en Europese rechtskaders wordt in het voorstel beschreven hoe gegevens, materialen, documenten en audiovisuele middelen en activiteiten op het gebied van sociale media beschikbaar worden gesteld om gegevens doorzoekbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar (FAIR) te maken voor andere instellingen voor hoger onderwijs en Europese universiteiten in Europa.

 

De voorstellen moeten een minimumscore van 70 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een minimumscore behalen van 13 punten voor de categorie “Relevantie van het voorstel”, 11 punten voor de categorieën “Kwaliteit van het voorstel en de uitvoering”, “Kwaliteit van de samenwerkingsregelingen van de alliantie” en “Duurzaamheid en verspreiding” en 8 punten voor de categorie “Geografisch evenwicht”.

 

Wat moet u nog weten over deze actie?

Aanvullende informatie over Europese universiteiten wordt op de website van de Commissie gepubliceerd11

Kwaliteitsborging moet een integrerend onderdeel zijn om te waarborgen dat de Europese universiteiten de beoogde resultaten opleveren en effecten bewerkstelligen die veel groter zijn dan de effecten een individuele partnerorganisatie zou kunnen bereiken. Europese universiteiten moeten voorzien in doelgerichte verspreidingsactiviteiten om belanghebbenden, beleidsmakers, beroepsmensen en ondernemingen te bereiken. Als algemene regel geldt dat resultaten beschikbaar moeten worden gesteld als open leermiddelen alsook op relevante platforms van beroepsverenigingen, bedrijfstakverenigingen of bevoegde autoriteiten.

 

WAT ZIJN DE FINANCIERINGSREGELS?

 


Maximale EU-steun voor een drie jaar durende Europese universiteit: 5 000 000 EUR

De begroting van de allianties van de Europese universiteiten wordt gebaseerd op de daadwerkelijk door de activiteiten van de alliantie ontstane kosten. De EU-subsidie is gericht op medefinanciering van deze activiteiten tot een maximum van 80% van de totale subsidiabele kosten.

Het gevraagde budget moet worden gerechtvaardigd ten opzichte van de geplande activiteiten zoals beschreven in het aanvraagformulier. Alle kosten moeten volledig omschreven en gerechtvaardigd zijn.

De kosten moeten corresponderen met de door de deelnemende instellingen gemaakte kosten in overeenstemming met hun gebruikelijke beleid. Met name wat de vergoedingen betreft moeten de kosten in overeenstemming zijn met het gebruikelijke beleid inzake de reële salarissen plus socialezekerheidsbijdragen en andere wettelijke kosten die gewoonlijk in de vergoedingen zijn vervat; de kosten voor reizen en individuele ondersteuning moeten in overeenstemming zijn met de gebruikelijke praktijken van de deelnemende instellingen/organisaties op het gebied van reizen en huisvesting; de uitrustingskosten moeten worden afgeschreven overeenkomstig de gebruikelijke boekhoudpraktijken van de begunstigde.

De kosten (met inbegrip van uitrusting en uitbesteding) moeten redelijk en gerechtvaardigd zijn en rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de alliantie van de Europese universiteit. Bovendien moet uitbesteding voldoen aan de EU-voorschriften inzake overheidsopdrachten.

De verschillende begrotingsposten moeten als volgt worden ingedeeld:

 

 Subsidiabele kosten

Financierings-mechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel 

1. DIRECTE KOSTEN   Daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten    
1.1 Personeelskosten Kosten van het personeel van deelnemende instellingen/organisaties dat werk heeft toegewezen gekregen in verband met de actie (zowel vast als tijdelijk), met inbegrip van reële salarissen plus socialezekerheidsbijdragen en andere wettelijke kosten die deel uitmaken van hun bezoldiging.    

De subsidie moet worden gebruikt de personeelskosten voor alle begunstigden te dekken, wanneer zij taken uitvoeren die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese universiteit.

1.2 Reiskosten

Tegemoetkoming in de kosten die deelnemers maken om te reizen naar de locatie van de activiteit en terug.

    Geldig voor personeel (zowel vast als tijdelijk), studenten en promovendi van de aan de actie deelnemende instellingen/organisaties (bv. voor opleidings- en studieactiviteiten, vergaderingen, workshops en seminars).
1.3 Individuele steundual support Kosten die rechtstreeks verband houden met het verblijf en huisvesting van deelnemers aan de actie tijdens de activiteit.    

Geldig voor personeel (zowel vast als tijdelijk), studenten en promovendi van de deelnemende instellingen/organisaties (bv. voor opleidings- en studieactiviteiten, vergaderingen, workshops en seminars). Met deze kosten worden de kosten voor mobiliteitsactiviteiten van beperkte duur bedoeld.
(max. 3 maanden))12.

1.4 Uitrusting Afschrijvingskosten van (nieuwe of tweedehands) uitrusting of andere activa voor zover deze daadwerkelijk zijn gemaakt door de deelnemende instellingen voor hoger onderwijs.    Maximaal 8% van de totale direct subsidiabele kosten Alleen het gedeelte van de afschrijvings-, huur- en leasekosten van de uitrusting dat overeenstemt met de duur van de financieringsperiode en met het percentage van het werkelijke gebruik voor het doel van de actie, is subsidiabel. Alleen afschrijvingskosten voor uitrusting of andere activa die direct verband houden met de ontwikkeling van innovatieve onderwijsmethoden of activiteiten betreffende gemengd en/of werkplekleren zijn subsidiabel.
1.5 Andere kosten

Kosten die verband houden met:

  • overdracht van beste praktijken naar instellingen voor hoger onderwijs buiten de alliantie
  • verspreiding van kennis en informatie (bv. adverteren in de media, promotiemateriaal en -activiteiten);
  • huren van locaties voor grote evenementen 
  • controles;
  • bankkosten waaronder een bankgarantie indien gevraagd door het Uitvoerend Agentschap;
  • uitbesteding voor specifieke taken; 
  • reis- en verblijfkosten van derden (experts, professoren, sprekers enz.) die bijdragen aan de activiteiten van de Europese universiteit
  Maximaal 5% van de totale direct subsidiabele kosten

Uitbesteding is alleen mogelijk in gerechtvaardigde gevallen voor specifieke, tijdgebonden, projectgerelateerde taken, wanneer deze niet door de leden van het consortium zelf kunnen worden uitgevoerd of wanneer de aard van de activiteit specifiek externe dienstverlening vereist. Uitbesteding van essentiële projectactiviteiten zoals onderwijs en/of projectbeheer (algemeen beheer en coördinatie, toezicht, financieel beheer, verslaglegging aan het EACEA) is niet mogelijk.

Personeelsleden van medebegunstigden mogen niet als contractant werken.

Reis- en verblijfkosten van personen die niet tot een van de partnerorganisaties behoren, kunnen worden medegefinancierd wanneer deze personen door het consortium worden uitgenodigd om deel te nemen aan de kernactiviteiten van de Europese universiteit.

2. INDIRECTE KOSTEN   Maximaal 7% van de totale direct subsidiabele kosten van de actie13   Vast bedrag