Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs

Deze actie die de modernisering, de toegankelijkheid en de internationalisering van het hoger onderwijs in de partnerlanden wil ondersteunen moet worden uitgevoerd in het kader van de prioriteiten die zijn vastgesteld in de mededelingen “De nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling”1 en “Het Europese hoger onderwijs in de wereld”2.

Het wordt uitgevoerd in het kader van het externe beleid van de Europese Unie, zoals vastgesteld bij de financieringsinstrumenten van de Europese Unie die deze actie ondersteunen, te weten:

  • Europees nabuurschapsinstrument (ENI)3
  • Financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking4
  • Instrument voor pretoetredingssteun (IPA)5
  • het Europees ontwikkelingsfonds

Deze actie draagt bij tot de ontwikkeling van duurzame en inclusieve sociaaleconomische groei in de partnerlanden en moet de ontwikkeling en doelstellingen en beginselen van het externe optreden van de EU, met inbegrip van nationale verantwoordelijkheid, sociale samenhang, kansengelijkheid, goed geografisch evenwicht en diversiteit bevorderen. Speciale aandacht zal worden besteed aan de minst ontwikkelde landen, universiteiten in afgelegen gebieden, evenals aan kansarme studenten met een zwakke sociaaleconomische achtergrond en aan studenten met specifieke behoeften.

Het volgende deel moet worden gelezen in samenhang met bijlage I bij deze gids (Specifieke voorschriften en informatie over capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs).

Wat is een capaciteitsopbouwproject?

Capaciteitsopbouwprojecten zijn transnationale samenwerkingsprojecten die berusten op multilaterale partnerschappen, voornamelijk tussen hogeronderwijsinstellingen uit programmalanden en begunstigde partnerlanden die door bovengenoemde instrumenten gefinancierd worden. Daarbij kunnen ook partners van buiten de academische wereld betrokken zijn om de banden met de maatschappij en het bedrijfsleven te verstevigen en het systeemeffect van de projecten te versterken. Via gestructureerde samenwerking, uitwisseling van ervaringen en goede praktijken en individuele mobiliteit, zijn capaciteitsopbouwprojecten erop gericht:

  • de modernisering, de toegankelijkheid en de internationalisering van het hoger onderwijs in de begunstigde partnerlanden te ondersteunen;
  • begunstigde partnerlanden te ondersteunen bij het aanpakken van de uitdagingen van hun instellingen en systemen voor hoger onderwijs, onder meer met betrekking tot kwaliteit, relevantie, gelijke toegang, planning, aanbod, management en beheer;
  • bij te dragen aan de samenwerking tussen de EU en de begunstigde partnerlanden (en tussen de begunstigde partnerlanden onderling);
  • vrijwillige convergentie met de ontwikkelingen in het hoger onderwijs van de EU te stimuleren;
  • contacten tussen mensen, intercultureel bewustzijn en begrip te stimuleren.

Deze doelstellingen worden in de begunstigde partnerlanden nagestreefd via acties die:

  • de kwaliteit van het hoger onderwijs verhogen en de relevantie ervan voor de arbeidsmarkt en de maatschappij verbeteren;
  • het competentie- en vaardigheidsniveau in instellingen voor hoger onderwijs verhogen door het ontwikkelen van nieuwe en innovatieve onderwijsprogramma's;
  • de capaciteiten op het gebied van management, beheer en innovatie alsook de internationalisering van IHO's versterken;
  • het vermogen van nationale autoriteiten versterken om hun hogeronderwijssystemen te moderniseren, door de vaststelling en de uitvoering van en het toezicht op het hervormingsbeleid te ondersteunen
  • regionale integratie en samenwerking tussen verschillende regio's6 in de wereld bevorderen door gezamenlijke initiatieven, uitwisseling van goede praktijken en samenwerking.

Twee categorieën van capaciteitsopbouwprojecten worden ondersteund:

Gezamenlijke projecten: gericht op resultaten die voornamelijk en rechtstreeks ten goede komen aan de bij het project betrokken organisaties uit de begunstigde partnerlanden. Bij deze projecten ligt de klemtoon doorgaans op drie verschillende soorten activiteiten:

  • ontwikkeling van studieprogramma's;
  • modernisering inzake beheer, management en werking van IHO's;
  • versterken van de relaties tussen IHO's en de bredere economische en sociale omgeving.

Structurele projecten: erop gericht invloed te hebben op hogeronderwijssystemen en hervormingen op nationaal en/of regionaal niveau in de begunstigde partnerlanden te stimuleren. Bij deze projecten ligt de klemtoon doorgaans op twee verschillende categorieën van activiteiten:

  • modernisering inzake beleid, beheer en management van hogeronderwijssystemen;
  • versterken van de relaties tussen hogeronderwijssystemen en de bredere economische en sociale omgeving.

Capaciteitsopbouwprojecten kunnen ten uitvoer worden gelegd als:

  • nationale projecten, dat wil zeggen projecten waarbij instellingen uit slechts één begunstigd partnerland betrokken zijn;
  • meerlandenprojecten binnen één regio waarbij ten minste twee landen uit deze regio betrokken zijn;
  • meerlandenprojecten binnen meer dan één regio waaraan ten minste één land uit elke betrokken regio deelneemt.

Welke activiteiten worden ondersteund door deze actie?

Erasmus+ biedt een ruime flexibiliteit met betrekking tot de activiteiten die in het kader van een capaciteitsopbouwproject kunnen worden ontplooid, zolang uit het voorstel blijkt dat deze activiteiten het meest geschikt zijn om de voor het project vastgelegde doelstellingen te bereiken.

Met gezamenlijke projecten kan doorgaans een breed scala aan activiteiten worden uitgevoerd, zoals:

  • het ontwikkelen, uittesten en aanpassen van:
    • studieprogramma's, cursussen, leermaterialen en -instrumenten;
    • leer- en onderwijsmethoden en didactische benaderingen, met name wanneer die gericht zijn op het bijbrengen van kerncompetenties en basisvaardigheden en op het bevorderen van taalvaardigheden of ondernemerschapsonderwijs, of die met bijzondere aandacht voor ICT-gebruik;
    • nieuwe vormen van praktische opleiding en bestudering van reële levenssituaties in bedrijfsleven en industrie;
    • samenwerking tussen universiteiten en ondernemingen, met inbegrip van het opstarten van ondernemingen;
    • nieuwe leervormen, onderwijs- en opleidingsvoorzieningen, met name door het strategische gebruik van open en flexibel leren, virtuele mobiliteit, open leermiddelen en een betere benutting van de mogelijkheden van ICT;
    • methoden en instrumenten voor begeleiding en advisering;
    • instrumenten en methoden met het oog op de professionalisering en beroepsontwikkeling van academisch en administratief personeel;
    • kwaliteitsborging op het niveau van de programma's en instellingen;
    • nieuwe systemen en structuren voor beheer en management;
    • moderne universiteitsdiensten, bijvoorbeeld voor financieel beheer, internationale betrekkingen, studiebegeleiding en -advies, academische zaken en onderzoek;
  • het versterken van de internationalisering van IHO's en het vermogen tot effectieve netwerkvorming op het gebied van onderzoek, wetenschappelijke en technologische innovatie (internationale openheid met betrekking tot studieprogramma's, studentenvoorzieningen, interinstitutionele mobiliteitsprogramma's, wetenschappelijke samenwerking en kennisoverdracht enzovoort);
  • het verbeteren van faciliteiten die vereist zijn voor de uitvoering van innovatieve praktijken (bijvoorbeeld voor nieuwe studieprogramma's en onderwijsmethoden, voor de ontwikkeling van nieuwe diensten enzovoort);
  • het organiseren van opleidingen voor academisch en ondersteunend personeel, technici, bestuurders van universiteiten en beheerders.

Met name projecten voor de hervorming van studieprogramma's worden geacht ook de opleiding van het academisch personeel mee te nemen en aanverwante kwesties aan te pakken zoals kwaliteitsborging en inzetbaarheid van afgestudeerden via relaties met de arbeidsmarkt. De studieprogramma's moeten officieel geaccrediteerd zijn voor het einde van de looptijd van het project. Gedurende de looptijd van het project moet worden gestart met het doceren van nieuwe of herziene cursussen; bijgeschoold personeel moet deze cursussen aan een toereikend aantal studenten doceren gedurende ten minste een derde van de looptijd van het project. Opleidingen die plaatsvinden tijdens hervormingsprojecten kunnen ook gericht zijn op administratief personeel zoals bibliotheek-, laboratorium- en IT-medewerkers.

In het kader van structurele projecten kan doorgaans een breed scala aan activiteiten worden verricht, zoals:

  • het versterken van de internationalisering van hogeronderwijssystemen;
  • het introduceren van hervormingen zoals die van het Bolognaproces (structuur met drie cycli, kwaliteitsborging, evaluatie enzovoort);
  • het toepassen van transparantie-instrumenten zoals studiepuntensystemen, accreditatieprocedures, richtsnoeren voor de erkenning van eerdere en niet-formele leerresultaten enzovoort;
  • het vaststellen van nationale kwalificatiekaders;
  • het ontwikkelen en toepassen van systemen/richtsnoeren voor interne en externe kwaliteitsborging;
  • het ontwikkelen en toepassen van nieuwe benaderingen en instrumenten voor beleidsvorming en toezicht, met inbegrip van het vaststellen van vertegenwoordigende organen, organisaties of verenigingen;
  • het versterken van de integratie van onderwijs, onderzoek en innovatie.

Meer concreet kunnen deze activiteiten het volgende omvatten:

  • enquêtes en onderzoeken over specifieke hervormingskwesties;
  • beleids- en deskundigenadvies;
  • het organiseren van conferenties, seminars, workshops, rondetafelgesprekken (die tot operationele conclusies en aanbevelingen zouden moeten leiden);
  • het organiseren van personeelsopleidingen over beleidskwesties;
  • het organiseren van personeelsopleidingen (bijvoorbeeld het opstellen van handleidingen voor opleidingen en richtsnoeren) voor academisch en ondersteunend personeel, technici alsook bestuurders van universiteiten en beheerders;
  • het organiseren van bewustmakingscampagnes.

Wat is de rol van de organisaties die deelnemen aan een capaciteitsopbouwproject?

Afhankelijk van de doelstellingen komt het erop aan de meest geschikte en uiteenlopende partners te betrekken bij capaciteitsopbouwprojecten met het doel de verschillende ervaringen, profielen en specifieke deskundigheid optimaal te benutten en ter zake dienende en kwalitatief hoogstaande projectresultaten te boeken. Het is van belang de actieve en billijke deelname van de verschillende partners op basis van een geschikte taakverdeling te garanderen en het vermogen tot netwerkvorming duidelijk aan te tonen; voor een maximaal effect is het belangrijk dat niet alleen individuele bijdragen, maar alle verschillende niveaus van het partnerschap worden benut.

De partners moeten een volmacht overleggen7overleggen die door de coördinator en elke partner is ondertekend, waarin wordt bevestigd dat zij de coördinator machtigen om in hun naam en voor hun rekening op te treden bij de ondertekening van een eventueel akkoord en de eventuele aanhangsels ervan met het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.

In overeenstemming met de reikwijdte en de doelstellingen van de actie worden capaciteitsopbouwprojecten geacht op de deelnemende organisaties uit begunstigde partnerlanden gericht te zijn. De in het voorstel beschreven activiteiten en resultaten moeten erop gericht zijn ten goede te komen aan de begunstigde partnerlanden en hun instellingen en systemen voor hoger onderwijs.

IHO's uit de begunstigde partnerlanden worden aangemoedigd op te treden als aanvragers, op voorwaarde dat zij over voldoende financiële draagkracht en operationele capaciteit beschikken.

De deelnemende organisaties uit programmalanden dragen bij aan de doelstellingen van het project door middel van hun deskundigheid en ervaring. Hun taak is bij te dragen aan de verwezenlijking van de projectdoelstellingen; derhalve hoeft in het projectontwerp geen specifieke aandacht te worden besteed aan de behoeften van deze instellingen. Deze organisaties komen in aanmerking voor een deel van het budget in verhouding tot de kosten die hun taak met zich brengt.

Voorts kan de betrokkenheid van geassocieerde partners (op facultatieve basis) nuttig zijn voor capaciteitsopbouwprojecten op het gebied van hoger onderwijs. Deze organisaties (bijvoorbeeld partners van buiten de academische wereld) dragen indirect bij tot de uitvoering van specifieke taken/activiteiten en/of ondersteunen de verspreiding en de duurzaamheid van het project. Deze bijdrage kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van overdracht van kennis en vaardigheden, het verzorgen van aanvullende cursussen of mogelijkheden in het kader van detacheringen of stages. In het minimumaantal hogeronderwijsinstellingen of ministeries dat vereist is voor de samenstelling van het partnerschap worden geassocieerde partners niet meegerekend. Aks het gaat om contractbeheer worden „geassocieerde partners“ niet als lid van het consortium beschouwd en zij worden derhalve niet beschouwd als begunstigden. Hun kosten worden dan ook niet in aanmerking genomen bij de berekening van de EU-subsidie.

Wat is de rol van de organisaties die deelnemen aan een capaciteitsopbouwproject op het gebied van hoger onderwijs?

Aanvrager/coördinator: een deelnemende organisatie die het projectvoorstel indient namens alle partners. De coördinator draagt de eindverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het project in overeenstemming met de overeenkomst wordt uitgevoerd. Zijn coördinerende rol omvat de volgende taken:

  • de projectpartners vertegenwoordigen en in hun naam optreden ten aanzien van de Europese Commissie;
  • de financiële en juridische verantwoordelijkheid op zich nemen voor de deugdelijke operationele, administratieve en financiële uitvoering van het hele project;
  • het project coördineren in samenwerking met de projectpartners.

Volwaardige partners: deelnemende organisaties uit programma- of partnerlanden die actief bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het capaciteitsopbouwproject. Elke volwaardige partner moet een volmacht ondertekenen waarbij hij de coördinerende organisatie machtiging verleent om op te treden als hoofdbegunstigde en in zijn naam op te treden tijdens de uitvoering van het project

Geassocieerde partners (facultatief): bij capaciteitsopbouwprojecten kunnen geassocieerde partners betrokken zijn die bijdragen aan specifieke taken/activiteiten van het project en de verspreiding en duurzaamheid van het project ondersteunen. Als het gaat om contractbeheer worden "geassocieerde partners" niet als leden van het partnerschap beschouwd en zij krijgen geen financiële steun, noch worden zij meegerekend wat de minimumvereisten voor de consortiumsamenstelling betreft. Niettemin moeten hun betrokkenheid en rol in het project en de verschillende activiteiten duidelijk worden omschreven.

Gelieerde entiteiten (facultatief): Organisaties die bijdragen tot de verwezenlijking van projectdoelstellingen en -activiteiten. Gelieerde entiteiten moeten in de subsidieaanvraag worden geïdentificeerd en voldoen aan de eisen van bijlage III (verklarende termenlijst) van deze programmagids.

Welke criteria worden gehanteerd om een capaciteitsopbouwproject te evalueren?

Hieronder worden de formele criteria opgesomd waaraan een capaciteitsopbouwproject op het gebied van hoger onderwijs moet voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Erasmus+-programma:

Subsidiabiliteitscriteria

Begunstigde partnerlanden

Partnerlanden die behoren tot de regio's 1 tot en met 4 en 6 tot en met 11 (zie deel A van deze gids onder "Begunstigde landen").

In aanmerking komende deelnemende organisaties8

Deelnemende organisaties kunnen zijn:

  • publieke of particuliere organisatie, met aan hen gelieerde entiteiten (indien van toepassing), die complete studieprogramma's aanbieden die worden bekroond met hogeronderwijsgraden en erkende diploma's op tertiair niveau.9 (gedefinieerd als instelling voor hoger onderwijs en als zodanig erkend door de bevoegde autoriteiten);

of

  • publieke of particuliere organisaties, met aan hen gelieerde entiteiten (indien van toepassing), die actief zijn op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:
    • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
    • lokale, regionale of nationale publieke organen (met inbegrip van ministeries);
    • sociale partners of andere vertegenwoordigers uit het beroepsleven, met inbegrip van kamers van koophandel, ambachtelijke/beroepsverenigingen en vakbonden;
    • onderzoeksinstellingen;
    • stichtingen;
    • scholen/instituten (op elk niveau, van peuter- en kleuteronderwijs tot hoger secundair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en volwassenenonderwijs);
    • organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, niet-gouvernementele organisaties (met inbegrip van nationale of internationale verenigingen of netwerken van instellingen voor hoger onderwijs, studenten- of docentenverenigingen enzovoort);
    • culturele organisaties, bibliotheken, musea;
    • verstrekkers van diensten inzake studie- en beroepskeuzevoorlichting.

Elke deelnemende organisaties moet gevestigd zijn in een programmaland of in een begunstigd partnerland.

In een programmaland gevestigde IHO's moeten in het bezit zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE). Deelnemende IHO's uit partnerlanden hoeven niet in het bezit te zijn van een ECHE.

Verenigingen of organisaties van instellingen voor hoger onderwijs die erop gericht zijn het hoger onderwijs te promoten, verbeteren en hervormen en die samenwerking nastreven in Europa en tussen Europa en andere delen van de wereld, komen in aanmerking. Als ook andere onderwijs- en opleidingssectoren deel uitmaken van dergelijke verenigingen, organisaties of netwerken, moeten de activiteiten ervan in eerste instantie op het hoger onderwijs zijn gericht; dit moet duidelijk tot uiting komen in de organisatorische statuten en beheersstructuren. Een vereniging, organisatie of netwerk van instellingen voor hoger onderwijs geldt als één juridische entiteit/partnerinstelling; dit houdt in dat de vereniging, de organisatie of het netwerk wordt beschouwd als één entiteit uit het land waarin het hoofdkantoor is gevestigd. Deze organisaties worden niet beschouwd als IHO's. De subsidie kan alleen worden verleend aan de leden die in programmalanden of begunstigde partnerlanden zijn gevestigd.

Internationale gouvernementele organisaties mogen op basis van zelffinanciering als partners deelnemen aan capaciteitsontwikkelingsprojecten.

Specifieke bepaling voor Oekraïne: in het geval van Oekraïne komen uitsluitend door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschap van Oekraïne erkende IHO's in aanmerking (neem voor meer informatie contact op met het nationale Erasmus+-bureau in Oekraïne).

Wie kan een aanvraag indienen?

De volgende soorten deelnemende organisaties kunnen een subsidie aanvragen: 

  • instellingen voor hoger onderwijs (IHO's);
  • verenigingen of organisaties van hogeronderwijsinstellingen;
  • alleen voor structurele projecten: wettelijk erkende nationale of internationale rectoren-, docenten- of studentenorganisatie.

gevestigd in een programmaland of in een begunstigd partnerland.

Deze organisatie dient de aanvraag in namens alle deelnemende organisaties die bij het project betrokken zijn.

Uitzondering: deelnemende organisaties uit Libië en Syrië (regio 3) en uit de Russische Federatie (regio 4) kunnen geen aanvraag indienen.

Aantal deelnemende organisaties en profiel daarvan

Capaciteitsopbouwprojecten moeten voldoen aan de volgende criteria:

Voor projecten waarbij slechts één partnerland is betrokken (nationale projecten):

Eén begunstigd partnerland en ten minste twee programmalanden moeten bij het project zijn betrokken.

Aan deze projecten moet een minimumaantal IHO's deelnemen als volwaardige partner, als volgt:

  • minstens één IHO uit ten minste twee programmalanden die aan het project deelnemen;
  • minstens drie IHO's uit het partnerland dat aan het project deelneemt.
  • aan de projecten moeten ten minste evenveel IHO's uit partnerlanden als IHO's uit programmalanden deelnemen.

Uitzondering: in het geval van een partnerland dat in zijn geheel over minder dan vijf IHO's beschikt, of ingeval één enkele instelling meer dan 50 % van de totale studentenpopulatie van het land vertegenwoordigt, worden aanvragen met slechts één IHO uit dat land aanvaard.

Voor projecten waarbij twee of meer partnerlanden zijn betrokken (meerlandenprojecten):

Ten minste twee begunstigde partnerlanden en ten minste twee programmalanden moeten bij het project zijn betrokken. De partnerlanden kunnen uit dezelfde regio afkomstig zijn10 of tot verschillende onder de actie vallende regio's.

Aan deze projecten moet een minimumaantal IHO's deelnemen als volwaardige partner, als volgt:

  • minstens één IHO uit ten minste twee programmalanden die aan het project deelnemen;
  • minstens twee IHO's uit elk partnerland dat aan het project deelneemt;
  • aan de projecten moeten ten minste evenveel IHO's uit partnerlanden als IHO's uit programmalanden deelnemen.

Uitzondering: in het geval van een partnerland dat in zijn geheel over minder dan vijf IHO's beschikt, of ingeval één enkele instelling meer dan 50 % van de totale studentenpopulatie van het land vertegenwoordigt, worden aanvragen met slechts één IHO uit dat land aanvaard, op voorwaarde dat aan de projecten ten minste evenveel IHO's uit partnerlanden als IHO's uit programmalanden deelnemen.

Aanvullende specifieke criteria voor:

  • Structurele projecten:  ook de ministeries die verantwoordelijk zijn voor hoger onderwijs in elk van de begunstigde partnerlanden waarop het project is gericht, moeten als volwaardige partner aan het project deelnemen.
  • Bij projecten waaraan partners uit regio 4 (Russische Federatie) deelnemen, moet ten minste één ander partnerland zijn betrokken.
  • Bij projecten waaraan partners uit regio 8 (Latijns-Amerika) deelnemen, moeten ten minste twee partnerlanden uit die regio zijn betrokken.

Overige criteria

Indien een vereniging, organisatie of netwerk van instellingen voor hoger onderwijs bij het project betrokken is, moet aan bovengenoemde vereisten inzake het minimumaantal deelnemende organisaties zijn voldaan, waarbij de vereniging, de organisatie of het netwerk geldt als slechts één enkele partner uit het land waarin het hoofdkantoor is gevestigd. Let op: deze organisaties kunnen niet als IHO's worden beschouwd.

Projectduur

Capaciteitsopbouwprojecten kunnen 2 of 3 jaar duren. De duur moet in de aanvraagfase worden gekozen op basis van de doelstelling van het project en het soort geplande activiteiten.

Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan een verlenging van de subsidiabiliteitsperiode (met maximaal 12 maanden) worden toegekend, indien het voor de coördinator onmogelijk wordt om het project binnen de geplande termijn af te ronden.

Waar aanvragen?

Bij het in Brussel gevestigde Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 7 februari om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die op 15 november van datzelfde jaar of 15 januari van het daaropvolgende jaar van start gaan.

Hoe aanvragen?

De aanvraag moet worden ingediend met inachtneming van de in deel C van deze gids beschreven bepalingen.

 

Aanvragende organisaties kunnen ook getoetst worden aan uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

 

Toekenningscriteria

Het project wordt beoordeeld in een tweestapsprocedure op grond van de volgende criteria:

Stap 1

Relevantie van het project

(maximaal 30 punten)

  • Het voorstel en de beoogde resultaten zijn in overeenstemming met de doelstellingen van de actie voor capaciteitsopbouw in het/de doelland(en);
  • Het voorstel behandelt duidelijk de door het programma voor het beoogde land/de beoogde landen of de beoogde regio('s) vastgestelde thematische nationale of regionale prioriteiten;
  • In het voorstel wordt uitgelegd waarom de geplande activiteiten en verwachte resultaten het best voldoen aan de behoeften van de doelgroepen;
  • Het voorstel past in de moderniserings-, ontwikkelings- en internationaliseringsstrategie van de beoogde instellingen voor hoger onderwijs en sluit aan bij de ontwikkelingsstrategieën voor het hoger onderwijs in de in aanmerking komende partnerlanden, met inbegrip van meer aandacht voor inclusie, diversiteit en sociaaleconomisch kansarme deelnemers waar dat relevant is;
  • De doelstellingen van het voorstel zijn duidelijk, realistisch en geschikt en berusten op een gedegen en adequate behoefteanalyse;
  • Het voorstel is innovatief en/of vormt een aanvulling op andere initiatieven of projecten die eerder zijn uitgevoerd in het kader van de huidige of eerdere acties;
  • Uit het voorstel blijkt dat gelijksoortige resultaten niet kunnen worden behaald via nationale, regionale of lokale financiering.

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering

(maximaal 30 punten)

  • De activiteiten die gedurende de looptijd van het project worden voorgesteld, zijn van hoge kwaliteit, relevant en geschikt voor de verwezenlijking van de doelstellingen en beoogde resultaten;
  • De voorgestelde methodologie is innovatief, haalbaar en geschikt om de beoogde resultaten te behalen;
  • Het voorstel is economisch verantwoord (kosteneffectief) en wijst geschikte middelen toe aan elke activiteit;
  • Het ontwerp van het gehele project garandeert de consistentie tussen de projectdoelstellingen, methodologie, activiteiten en het voorgestelde budget;
  • Het werkprogramma is duidelijk en realistisch en bevat welbepaalde activiteiten, realistische tijdschema's, duidelijke doelstellingen en mijlpalen. Het getuigt van een logische en weloverwogen planningscapaciteit en omvat geschikte fasen ter voorbereiding, uitvoering, evaluatie, voor vervolgacties en verspreiding van resultaten;
  • Voorstelgerelateerde uitdagingen/risico's worden duidelijk in kaart gebracht en waar nodig wordt gezorgd voor risicobeperkende maatregelen. Er wordt voorzien in kwaliteitscontrolemaatregelen, met inbegrip van indicatoren en benchmarks, om te waarborgen dat het project op kwalitatief hoogstaande wijze, op tijd en binnen het budget wordt voltooid. Er worden betrouwbare bronnen gegeven ter verificatie van de indicatoren voor het meten van de resultaten van de actie.

Kwaliteit van het projectteam en de samenwerkingsregelingen

(maximaal 20 punten)

  • Bij het voorstel is een sterk en complementair partnerschap van instellingen voor hoger onderwijs betrokken;
  • Het projectteam beschikt over de noodzakelijke vaardigheden, ervaring, deskundigheid en ondersteuning van het management om het voorstel in elk opzicht met succes te voltooien;
  • In voorkomend geval omvat het voorstel ook de meest uiteenlopende geschikte partners van buiten de academische wereld om de grote verscheidenheid aan ervaringen, profielen en specifieke deskundigheid optimaal te benutten;
  • De verantwoordelijkheden en taken zijn ondubbelzinnig en oordeelkundig verdeeld; daarbij wordt duidelijk aangetoond dat de inzet en actieve bijdrage van alle deelnemende organisaties perfect aansluiten op hun specifieke deskundigheid en capaciteit;
  • Er wordt een doeltreffend mechanisme voorgesteld om een goede coördinatie, besluitvorming en communicatie te waarborgen tussen de deelnemende organisaties, deelnemers en alle andere belanghebbenden;
  • De deelnemende organisaties uit de begunstigde partnerlanden worden voldoende betrokken bij de uitvoering van de actie en bij de besluitvorming (met inbegrip van maatregelen voor conflictoplossing);
  • Bij het voorstel zijn instellingen voor hoger onderwijs betrokken die niet eerder ondersteuning hebben gekregen voor capaciteitsopbouw.

Effect en duurzaamheid

(maximaal 20 punten)

  • Het voorstel zal waarschijnlijk een aanzienlijk effect hebben op de capaciteiten van de deelnemende organisaties (met name instellingen voor hoger onderwijs) in de begunstigde partnerlanden, in het bijzonder op de ontwikkeling en modernisering van het hoger onderwijs, om bij te dragen aan een onderwijs dat meer openstaat voor de maatschappij als geheel, de arbeidsmarkt en de rest van de wereld en om hun capaciteit voor internationale samenwerking te ondersteunen;
  • Het voorstel zal buiten de deelnemende organisaties op lokaal/regionaal/nationaal of internationaal niveau zorgen voor een multiplicatoreffect. Er zal worden voorzien in maatregelen om het daadwerkelijke effect van het project te beoordelen;
  • Het verspreidingsplan met betrekking tot de looptijd van het project en de periode nadien is duidelijk en efficiënt; voor elk van de deelnemende organisaties worden de gepaste middelen vastgesteld om de projectresultaten en -ervaringen naar behoren te verspreiden onder relevante belanghebbenden;
  • Het voorstel waarborgt echte duurzaamheid van de voorgestelde activiteiten en resultaten na afloop van het project, in het bijzonder door het aantrekken van medefinanciering of andere vormen van ondersteuning. Het zorgt tevens voor integratie en effectief gebruik/uitvoering van de projectresultaten.

 

In de eerste stap van de beoordelingsfase worden de aanvragen beoordeeld op een totaal van 100 punten. De voorstellen moeten een minimumscore van 60 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen, waarvan ten minste 15 punten voor de categorie "Relevantie van het project".

Na stap 1 van de beoordeling worden voorstellen die aan de bovengenoemde kwaliteitsvereisten voldoen, gerangschikt in dalende volgorde op basis van hun totale score. Om door te gaan naar stap 2, wordt er een lijst van aanvragen per regio vastgesteld die twee keer zo groot is als het geschatte aantal gefinancierde projecten (op basis van het beschikbare regionale budget11).

Stap 2

Bij stap 2 worden de projecten beoordeeld op grond van nog één ander criterium:

Uitvoerbaarheid van het project in de specifieke regio('s)

J/N

  • Het voorstel is uitvoerbaar in de lokale context van de/het in de aanvraag beoogde partnerland(en). Voor de beoordeling van dit criterium wordt de evaluatiecommissie bijgestaan door de EU-delegaties in de betrokken landen.

Als gevolg van stap 2 zal een aantal voorstellen die in de doelregio's uitvoerbaar worden geacht, formeel voor financiering worden aanbevolen, volgens de rangorde in dalende volgorde binnen de grenzen van het beschikbare budget per regionale portefeuille en met een maximum van in totaal drie projectvoorstellen per aanvragende organisatie. Bovendien zal aandacht worden besteed aan het waarborgen van een voldoende geografische vertegenwoordiging binnen een regio wat betreft het aantal projecten per land.

De aanvaarding van een aanvraag houdt geen verbintenis in tot toekenning van financiële steun ter hoogte van het aangevraagde bedrag. De aangevraagde financiële steun kan worden verlaagd op basis van de financiële regels die van toepassing zijn op de actie en de resultaten van de evaluatie.

 

Prioriteiten

Afhankelijk van de landen die bij het project betrokken zijn, kunnen voor beide projectcategorieën (gezamenlijke projecten en structurele projecten) nationale, regionale of grensoverschrijdende prioriteiten worden vastgesteld. In dit geval moet uit de projecten blijken hoe en in welke mate zij deze prioriteiten verwezenlijken.

Voorstellen die niet in overeenstemming zijn met de nationale en/of regionale prioriteiten, komen niet voor financiering in aanmerking. Tijdens de selectiefase zal bij het beslissen over voorstellen van vergelijkbare kwaliteit rekening worden gehouden met de grensoverschrijdende prioriteiten.

Drie categorieën van nationale/regionale prioriteiten worden voorgesteld, op de volgende gebieden:

Nationale projecten in de landen waarvoor nationale prioriteiten zijn vastgesteld, moeten in overeenstemming zijn met de nationale prioriteiten. In de overige landen moeten projecten in overeenstemming zijn met de regionale prioriteiten.

Meerlandenprojecten, dat wil zeggen projecten waarbij instellingen uit tenminste twee begunstigde partnerlanden betrokken zijn, moeten in overeenstemming zijn met de regionale of (in voorkomend geval) nationale prioriteiten van de deelnemende begunstigde partnerlanden. Dit wil zeggen dat het onderwerp van het project moet zijn opgenomen als regionale prioriteit voor elk van de deelnemende partnerlanden of dat het onderwerp van het project moet zijn opgenomen als nationale prioriteit voor elk van de deelnemende partnerlanden in kwestie. Voorrang zal worden gegeven aan projecten die gericht zijn op vakgebieden die in de huidige of vroegere projecten onvoldoende aan bod zijn gekomen en waaraan hogeronderwijsinstellingen deelnemen uit partnerlanden die niet of in beperkte mate hebben deelgenomen aan het programma en/of de vroegere generatie programma's.

De gedetailleerde prioriteitenlijst met betrekking tot capaciteitsopbouwprojecten zal op de websites van het Uitvoerend Agentschap worden gepubliceerd.

 

Wat moet u nog weten over een capaciteitsopbouwproject?

De actie capaciteitsopbouw op het gebied van hoger onderwijs wordt uitgevoerd in het kader van de prioriteiten van “Nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling”12.

Regionale samenwerking

Regionale samenwerking (van landen binnen dezelfde regio) en interregionale samenwerking (samenwerking tussen verschillende regio's in de wereld) moet relevant zijn en worden gerechtvaardigd op basis van een gedetailleerde analyse van gemeenschappelijke behoeften en doelstellingen. De keuze van de landen moet gepast zijn en in overeenstemming zijn met de voorgestelde doelstellingen, met name in het geval van landen uit meer dan één regio. Interregionale samenwerking is mogelijk in het kader van meerlandenprojecten mits het onderwerp van het voorstel is opgenomen als regionale of (in voorkomend geval) nationale prioriteit voor elk van de begunstigde partnerlanden in kwestie.

Effect en verspreiding

Capaciteitsopbouwprojecten worden geacht een structureel effect op lange termijn te hebben op de systemen, organisaties/instellingen en personen in de begunstigde partnerlanden. Het innovatieve karakter van de projecten, hun effect en de duurzaamheid van de resultaten ervan moet worden aangetoond; aanvragers moeten verduidelijken hoe zij de resultaten na afloop van het projecten in stand willen houden of willen ontwikkelen. In voorkomend geval moet worden aangetoond dat de projecten voortbouwen op de resultaten van eerdere door de EU gesubsidieerde projecten, zoals de resultaten die in het kader van de vroegere programma's Alfa, Edulink, Erasmus Mundus en Tempus behaald zijn. Uit elk voorstel moet blijken hoe de projectresultaten onder de relevante doelgroepen zullen worden verspreid. Voorstellen voor structurele projecten die voornamelijk gericht zijn op een effect op institutioneel niveau, kunnen enkel worden geselecteerd indien wordt aangetoond dat het project ook op nationaal niveau effect zal sorteren.

 

Wat zijn de financieringsregels voor (gezamenlijke en structurele) capaciteitsopbouwprojecten?

De financiële steun voor Erasmus+-capaciteitsopbouwprojecten is gebaseerd op een geraamd budget waarin de tegemoetkoming in de eenheidskosten en de werkelijke kosten zijn samengebracht.

In het kader van capaciteitsopbouwprojecten op het gebied van hoger onderwijs wordt een grote verscheidenheid aan kosten gemaakt, waaronder personeelskosten, reiskosten en verblijfkosten, uitrustingskosten, uitbestedingskosten, kosten voor de verspreiding van informatie, publicaties, vertaling, algemene kosten enzovoort.

Het woord "subsidie" verwijst naar het bedrag van de financiering die in het kader van het programma wordt aangevraagd. Dat bedrag vertegenwoordigt de financiële bijdrage van de Europese Unie aan het project en mag niet worden verward met de totale projectkosten, waaronder ook de medefinanciering door partnerinstellingen en externe belanghebbenden valt.

De EU-subsidie voor projecten moet worden gezien als een bijdrage om een deel van de werkelijke kosten te dekken die de partnerinstellingen maken om de in de aanvraag/het project geplande activiteiten uit te voeren. Voor deelname aan een capaciteitsopbouwproject is medefinanciering door de begunstigde instellingen vereist. Deze medefinanciering moet dan ook bij aanvang, tijdens de voorbereiding van de aanvraag, door de projectpartners worden geraamd.

Met het beginsel van medefinanciering is rekening gehouden bij de vaststelling van de financieringsaanpak en met name bij het vaststellen van het niveau van de tegemoetkoming in de eenheidskosten op basis waarvan het budget/de subsidie van het project wordt berekend. Bijgevolg moeten de deelnemers en de begunstigden voor informatiedoeleinden en met het oog op transparantie gedetailleerde gegevens over de beschikbare medefinanciering aangeven. Bewijzen inzake de uitgaven of bewijsstukken zijn niet vereist.

Hoewel voor de projectuitvoering andere soorten uitgaven (zoals kosten voor de verspreiding, publicaties, vertaling indien niet uitbesteed, algemene kosten) nodig kunnen zijn, wordt met deze uitgaven geen rekening gehouden bij de berekening van de voorgestelde subsidie. Bijgevolg moeten deze kosten door medefinanciering worden gedekt.

De financiële verslaglegging voor posten op basis van de tegemoetkoming in de eenheidskosten (bijdrage aan personeelskosten, reiskosten en verblijfkosten) vindt plaats op basis van het beginsel van de aanleiding gevende gebeurtenis ("triggering event"). De begunstigden zullen moeten bewijzen dat de activiteiten daadwerkelijk en naar behoren zijn uitgevoerd en dat de resultaten zijn behaald, maar hoeven geen verslag uit te brengen over het gebruik van de subsidie. Bijgevolg zullen de begunstigden de verleende subsidie flexibel kunnen beheren om de voor de projectuitvoering vereiste kosten te dekken, zodra voldaan is aan de voorwaarden inzake activiteiten en prestaties.

De financiële verslaglegging voor posten op basis van werkelijke kosten (uitrusting en uitbesteding) moet gebaseerd zijn op de daadwerkelijk gemaakte kosten, die naar behoren gedocumenteerd moeten worden (zie hieronder).

De voorgestelde subsidie zal nooit meer bedragen dan het aangevraagde subsidiebedrag en is afhankelijk van:

De partners moeten het eens worden over de gedetailleerde financiële uitvoeringsvoorwaarden van het project; deze moeten formeel worden gemaakt door middel van een partnerschapsovereenkomst, die bij aanvang van het project moet worden ondertekend.

 

Wat moet u nog weten over deze actie?

Buitengewone kosten voor dure reizen

Aanvragers kunnen financiële steun aanvragen voor hoge reiskosten onder de begrotingsrubriek “buitengewone kosten” (tot een maximum van 80% van het totaal aan subsidiabele kosten: zie ook “Wat zijn de financieringsregels?”). Dit zal worden toegestaan op voorwaarde dat de aanvrager kan aantonen dat volgens de standaardfinancieringsregels (gebaseerd op de eenheidskosten per reisafstand) niet minimaal 65% van de reiskosten van de deelnemers is gedekt. Indien deze worden toegekend, vervangen de buitengewone kosten voor dure reizen de standaardreissubsidie.

Het projectbudget wordt opgesteld met inachtneming van de volgende financieringsregels (in euro):

Minimumsubsidie van de EU voor gezamenlijke en structurele projecten: 500 000 EUR

Maximumsubsidie van de EU voor gezamenlijke en structurele projecten: 1 000 000 EUR

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag/Maximumplafond

Toewijzingsregel

Personeelskosten

Tegemoetkoming in de kosten van personeel dat taken verricht die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het project  

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

B4.1 per manager per dag dat aan het project wordt gewerkt

Max. 40 % van de totale subsidie

Voorwaardelijk: aanvragers moeten het soort benodigde middelen en de omvang daarvan rechtvaardigen vanuit het oogpunt van de uitvoering van de voorgestelde activiteiten en de verwezenlijking van de beoogde resultaten. De bijdrage wordt verstrekt mits het salaris voor dezelfde taken slechts één keer wordt vergoed.

B4.2 per onderzoeker/leerkracht/opleider per dag dat aan het project wordt gewerkt

B4.3 per specialist per dag dat aan het project wordt gewerkt

B4.4 per administratief medewerker per dag dat aan het project wordt gewerkt

Reiskosten

Tegemoetkoming in kosten die bij het project betrokken studenten en personeel maken om van de plaats van oorsprong te naar de locatie van de activiteit en terug te reizen (met inbegrip van visumkosten en desbetreffende verplichte verzekering, reisverzekering en annuleringskosten, indien gerechtvaardigd).

De activiteiten en bijbehorende reizen moeten worden uitgevoerd in de landen die betrokken zijn bij het project. Elke uitzondering op deze regel moet worden goedgekeurd door het Agentschap. Zie bijlage I bij deze gids voor de gedetailleerde lijst van subsidiabele activiteiten.

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Voor een reisafstand tussen 10 en 99 km:

20 EUR per deelnemer

Op basis van de reisafstand per deelnemer. De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening.13. De aanvrager moet de afstand van een enkele reis vermelden voor de berekening van het EU-subsidiebedrag voor de heen- en terugreis14.  Er wordt alleen financiële ondersteuning verstrekt voor reizen die rechtstreeks in verband staan met de verwezenlijking van de doelstellingen van het project.

Voor een reisafstand tussen 100 en 499 km:

180 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 500 en 1 999 km:

 275 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 2 000 en 2 999 km:

360 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 3 000 en 3 999 km: 530 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 4 000 en 7 999 km:

820 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand van 8 000 km of meer:

1 500 EUR per deelnemer

Verblijfkosten

Kosten voor verblijf, accommodatie, plaatselijk en openbaar vervoer zoals bussen en taxi's, persoonlijke of facultatieve ziekteverzekering.

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Personeel

tot en met de 14e dag van de activiteit: 120 EUR per dag per deelnemer

+

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: 70 EUR per dag per deelnemer

+

tussen de 61e dag van de activiteit tot maximaal 3 maanden: 50 EUR per dag per deelnemer

Op basis van de verblijfsduur (inclusief reistijd) van de deelnemers.

Studenten

tot en met de 14e dag van de activiteit: 55 EUR per dag per deelnemer

+

tussen de 15e en 90e dag van de activiteit: 40 EUR per dag per deelnemer

Uitrusting

De bijdrage voor de aankoop van uitrusting die vereist is voor de uitvoering van het project. Alleen de aankoop van uitrusting ten bate van de IHO's in de partnerlanden wordt ondersteund

Werkelijke kosten

100 % van de subsidiabele kosten

Maximaal 30 % van de totale subsidie

Voorwaardelijk: het verzoek om financiële steun ter dekking van deze kosten moet met redenen worden omkleed in het aanvraagformulier

Uitbesteding

Steun voor uitbestedingskosten die vereist zijn voor de uitvoering van het project, waaronder met name de kosten voor de verplichte financiële audits (bewijs van financiële controle) en eventuele externe kwaliteitsborgingsprocedures.

Uitbesteding van taken inzake projectbeheer komt niet in aanmerking.

Werkelijke kosten

100 % van de subsidiabele kosten

Maximaal 10 % van de totale subsidie

Uitbesteding aan externe organen mag slechts zeer incidenteel plaatsvinden. De specifieke competenties en bijzondere deskundigheid die vereist zijn om de doelstellingen van het project te behalen, moeten in het consortium aanwezig zijn en de samenstelling ervan bepalen.

Buitengewone kosten Hoge reiskosten van deelnemers (voor meer informatie, zie het deel "Wat moet u nog weten over deze actie?"). Werkelijke kosten Hoge reiskosten: ten hoogste 80 % van subsidiabele kosten

 

Tabel A – Personeelskosten (bedragen in euro per dag): programmalanden

De toe te passen personeelscategorie hangt af van de in het project uit te voeren werkzaamheden en is niet gebaseerd op de status of titel van de persoon in kwestie. Met andere woorden, personeelskosten die bijvoorbeeld gerelateerd zijn aan een administratieve taak die is uitgevoerd door een wetenschapper vallen onder de categorie "Administratief medewerker". Bepalingen inzake daadwerkelijke vergoeding van personeel dat betrokken is bij het project moeten gezamenlijk worden vastgesteld door de organisaties die betrokken zijn bij het project en goedgekeurd door de managers die verantwoordelijk zijn voor hun tewerkstelling en zullen deel uitmaken van de door de partners bij aanvang van het project te ondertekenen partnerschapsovereenkomst.

De eenheidskosten die van toepassing zijn bij het berekenen van de subsidie, zijn die van het land waar het personeelslid werknemer is, ongeacht waar de taken worden uitgevoerd (dat wil zeggen dat voor een personeelslid van een organisatie uit land A dat (gedeeltelijk) in land B werkt, de eenheidskosten van land A van toepassing zijn).

Projectleider

Leerkracht/opleider/ onderzoeker/

Jeugdwerker

Specialist

Administratief personeel15

B4.1

B4.2

B4.3

B4.4

Denemarken, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Zweden, Liechtenstein, Noorwegen

294

241

190

157

België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Finland, Verenigd Koninkrijk, IJsland

280

214

162

131

Tsjechië, Griekenland, Spanje, Cyprus, Malta, Portugal, Slovenië

164

137

102

78

Bulgarije, Estland, Kroatië, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië, Servië, Slowakije, Republiek Noord-Macedonië, Turkije

88

74

55

39


Tabel B – Personeelskosten (bedragen in euro per dag): partnerlanden

De toe te passen personeelscategorie hangt af van de in het project uit te voeren werkzaamheden en is niet gebaseerd op de status of titel van de persoon in kwestie. Met andere woorden, personeelskosten die bijvoorbeeld gerelateerd zijn aan een administratieve taak die is uitgevoerd door een wetenschapper vallen onder de categorie "Administratief medewerker". Bepalingen inzake daadwerkelijke vergoeding van personeel dat betrokken is bij het project moeten gezamenlijk worden vastgesteld door de organisaties die betrokken zijn bij het project en goedgekeurd door de managers die verantwoordelijk zijn voor hun tewerkstelling en zullen deel uitmaken van de door de partners bij aanvang van het project te ondertekenen partnerschapsovereenkomst.

De eenheidskosten die van toepassing zijn bij het berekenen van de subsidie, zijn die van het land waar het personeelslid werknemer is, ongeacht waar de taken worden uitgevoerd (dat wil zeggen dat voor een personeelslid van een organisatie uit land A dat (gedeeltelijk) in land B werkt, de eenheidskosten van land A van toepassing zijn).

Projectleider

Leerkracht/opleider/onderzoeker

Specialist

Administratief personeel16

B4.1

B4.2

B4.3

B4.4

Israël

166

132

102

92

Albanië, Angola, Antigua en Barbuda, Argentinië, Barbados, Bosnië en Herzegovina, Brazilië, Colombia, Comoren, Cookeilanden, Dominica, Gabon, Grenada, Ivoorkust, Kosovo17, Libanon, Libië, Mexico, Montenegro, Nigeria, het grondgebied van Oekraïne zoals erkend in het internationaal recht, Peru, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Sao Tomé en Principe, Seychellen, Thailand, Venezuela, Zambia, Zimbabwe

108

80

57

45

Afghanistan, Azerbeidzjan, Bahama's, Bolivia, Burkina Faso, Kameroen, China, Congo, Costa Rica, Djibouti, Dominicaanse Republiek, Ecuador, El Salvador, Georgië, de Republiek Guatemala, de Republiek Guinee-Bissau, Haïti, Iran, Irak, Jamaica Jordanië, Kazachstan, Kenia, Micronesia, Marokko, Mozambique, Namibië, Palestina18, Panama, Papoea-Nieuw-Guinea, Paraguay, Senegal, Zuid-Afrika, Suriname, Swaziland, het grondgebied van Rusland zoals erkend door het internationaal recht, Trinidad en Tobago, Vanuatu

77

57

40

32

Algerije, Armenië, Bangladesh, Belarus, Belize, Benin, Bhutan, Botswana, Burundi, Cambodja, Centraal-Afrikaanse Republiek, Cuba, Democratische Republiek Congo, Egypte, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Ethiopië, Fiji, Filipijnen, Gambia, Ghana, Guinee, Guyana, Honduras, India, Indonesië, Jemen, Kaapverdië, Kirgizië, Kiribati, Laos, Lesotho, Liberia, Madagaskar, Malawi, Maldiven, Maleisië, Mali, Marshalleilanden, Mauritanië, Mauritius, Moldavië, Mongolië, Myanmar/Birma, Nauru, Nepal, Nicaragua, Niger, Niue, Noord-Korea, Oezbekistan, Oost-Timor, Pakistan, Palau, Rwanda, Salomonseilanden, Samoa, Sierra Leone, Somalië, Sri Lanka, Sudan, Syrië, Tadzjikistan, Tanzania, Togo, Tonga, Tsjaad, Tunesië, Turkmenistan, Tuvalu, Uganda, Vietnam, Zuid-Sudan

47

33

22

17

 

  • 1. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1534424693118&uri=CELEX:42017Y0630(01)
  • 2.European Higher Education in the World”, Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions, Brussels, 11.07.2013 COM(2013) 499 final
  • 3. VERORDENING (EU) nr. 232/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2014:077:0027:0043:NL:PDF
  • 4.

    VERORDENING (EU) nr. 233/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020
    http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2014:077:0044:0076:NL:PDF

  • 5.

    VERORDENING (EU) nr. 231/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN VAN DE RAAD van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II):
    http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2014:077:0011:0026:NL:PDF

  • 6.  In het kader van deze actie is regio te verstaan als een groepering van landen die behoren tot een bepaald macrogeografisch gebied. De classificatie van regio's die in het kader van Erasmus+ wordt toegepast, is in overeenstemming met de indelingen in de verschillende instrumenten voor het externe optreden van de EU.
  • 7. De volmacht die naar behoren door de wettelijke vertegenwoordiger van de partnerorganisatie is ondertekend, vormt een bijlage bij de subsidieovereenkomst en is derhalve rechtsgeldig. Het model dat door het agentschap ter beschikking wordt gesteld, moet in alle gevallen zonder enige wijziging of aanpassing worden gebruikt. Volmachten moeten worden verschaft door gebruik te maken van het model dat samen met de officiële documenten voor de oproep tot het indienen van voorstellen wordt gepubliceerd.
  • 8.

    De volgende soorten organisaties komen niet in aanmerking:

    • EU-instellingen en andere EU-organen, waaronder gespecialiseerde agentschappen (een volledige lijst hiervan is te vinden op de website ec.europa.eu/institutions/index_nl.htm);
    • nationale Erasmus+-bureaus in de begunstigde partnerlanden (om mogelijke belangenconflicten en/of dubbele financiering te voorkomen);
    • organisaties die EU-programma's beheren, zoals nationale agentschappen in de programmalanden, zie deel C van deze gids
  • 9. Internationale standaardclassificatie van het onderwijs (ISCED 2011), tertiair onderwijs, ten minste niveau 5. Postsecundair niet-tertiair onderwijs ISCED 2013 niveau 4 wordt niet aanvaard.
  • 10. In het kader van deze actie is regio te verstaan als een groepering van landen die behoren tot een bepaald macrogeografisch gebied. De indeling van regio's die in het kader van Erasmus+ wordt toegepast, is in overeenstemming met de indelingen in de verschillende instrumenten voor het externe optreden van de EU.
  • 11. Indicatieve bedragen die beschikbaar zijn per regio worden gepubliceerd op de volgende website: https://eacea.ec.europa.eu/erasmus-plus/funding_en
  • 12. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:2017:210:FU...
  • 13. instrument voor afstandsberekening: http://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/tools/distance_nl.htm
  • 14. Indien iemand uit Madrid (Spanje) bijvoorbeeld meedoet aan een activiteit in Rome (Italië), moet de aanvrager a) de afstand van Madrid naar Rome berekenen (1 365,28 km); b) de toepasselijke reisafstandcategorie selecteren (bv. tussen 500 en 1 999 km) en c) de EU-subsidie die een bijdrage zal leveren aan de reiskosten van de deelnemer van Madrid naar Rome en terug berekenen (275 EUR).   
  • 15. Voor het project kunnen studenten werken en hun salaris mag worden betaald in het kader van de personeelskosten (administratief medewerker), mits zij een arbeidscontract hebben ondertekend met een instelling die lid is van het consortium.
  • 16. Voor het project kunnen studenten werken en hun salaris mag worden betaald in het kader van de personeelskosten (administratief medewerker), mits zij een arbeidscontract hebben ondertekend met een instelling die lid is van het consortium.
  • 17. Deze aanwijzing laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo
  • 18. deze benaming mag niet aldus worden uitgelegd als de erkenning van een Palestijnse staat, en doet geen afbreuk aan de individuele standpunten van de lidstaten over dit onderwerp