Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Mobiliteitsproject voor schoolmedewerkers

Dit mobiliteitsproject kan uit een of meer van de volgende activiteiten bestaan:

Personeelsmobiliteit:

  • onderwijsopdrachten: deze activiteit stelt leerkrachten of andere schoolmedewerkers in staat onderwijs te geven in een partnerschool in het buitenland;
  • gestructureerde cursussen of opleidingsevenementen in het buitenland: ondersteunen de beroepsontwikkeling van leerkrachten, schoolleiders of ander onderwijspersoneel;
  • job shadowing: biedt de mogelijkheid voor leerkrachten, schoolleiders of ander onderwijspersoneel om een periode in het buitenland door te brengen bij een partnerschool of andere relevante organisatie die werkzaam is op het gebied van schoolonderwijs.

Deze activiteiten bieden leerkrachten ook de kans competentie te verwerven om in te spelen op de behoeften van leerlingen uit kansarme milieus. Gezien de huidige context met betrekking tot jonge migranten, vluchtelingen en asielzoekers zal ook bijzondere aandacht uitgaan naar de ondersteuning van opleidingsprojecten voor leerkrachten op gebieden zoals de opleiding van vluchtelingenkinderen, interculturele lesomgevingen, onderwijs aan jongeren in hun tweede taal en verdraagzaamheid en verscheidenheid in de klas.

 

Wat is de rol van de organisaties die aan dit project deelnemen?

De organisaties die deelnemen aan het mobiliteitsproject vervullen de volgende rollen en taken:

  • Aanvragende organisatie: vraagt het mobiliteitsproject aan, ondertekent en beheert de subsidieovereenkomst en brengt verslag uit. Indien de aanvragende organisatie een school is, functioneert deze ook als uitzendende organisatie. De aanvrager kan een consortiumcoördinator zijn die aan het hoofd staat van een nationaal mobiliteitsconsortium van partnerorganisaties in hetzelfde land met het doel schoolmedewerkers uit te zenden zodat ze kunnen deelnemen aan activiteiten in het buitenland.
  • Uitzendende organisatie: selecteert leerkrachten en andere schoolmedewerkers en zendt ze uit naar het buitenland.
  • Ontvangende organisatie: ontvangt leerkrachten en andere schoolmedewerkers en biedt hun een activiteitenprogramma, of geniet een door hen gegeven onderwijsactiviteit.

De specifieke rol van de ontvangende organisatie hangt af van het soort activiteit en van de relatie met de uitzendende organisatie. Als ontvangende organisatie kan optreden:

  • een cursusorganisator (bij deelname aan een gestructureerde cursus of opleidingsevenement);
  • een partnerschool of andere relevante organisatie (bijvoorbeeld voor job shadowing of onderwijsopdrachten). In dit geval moeten de uitzendende en ontvangende organisaties met de deelnemers een overeenkomst opstellen voordat de activiteit van start gaat. In die overeenkomst worden de doelstellingen en activiteiten tijdens de periode in het buitenland vastgesteld en worden de rechten en verplichtingen van elke partij opgesomd.

De leermobiliteit van personeel die door Erasmus+ wordt ondersteund, moet:

  • aansluiten op een Europees ontwikkelingsplan voor de uitzendende organisatie (met het oog op de modernisering en internationalisering van hun missie);
  • tegemoetkomen aan duidelijk onderkende behoeften inzake personeelsontwikkeling;
  • worden geflankeerd door passende selectie-, voorbereidings- en follow-upmaatregelen;
  • waarborgen dat de leerresultaten van deelnemende personeelsleden naar behoren worden erkend;
  • ervoor zorgen dat de leerresultaten worden verspreid en algemeen zullen worden toegepast binnen de organisatie.

 

Welke criteria worden gehanteerd om dit project te evalueren?

Hieronder worden de formele criteria opgesomd waaraan een mobiliteitsproject voor schoolonderwijs moet voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Erasmus+-programma:

 

Subsidiabiliteitscriteria

Subsidiabele activiteiten

Een mobiliteitsproject voor schoolonderwijs moet uit een of meer van de volgende activiteiten bestaan:

  • onderwijsopdrachten;
  • gestructureerde cursussen of opleidingsevenementen in het buitenland;
  • job shadowing

In aanmerking komende deelnemende organisaties

Onderwijsopdrachten:

De verzendende en ontvangende organisaties moeten scholen zijn (dat wil zeggen instellingen die algemeen, beroeps- of technisch onderwijs verzorgen op eender welk niveau van peuter- en kleuteronderwijs tot hoger secundair onderwijs).1

 

Gestructureerde cursussen, opleidingsevenementen en job shadowing:

De uitzendende organisatie moet een school zijn of de coördinator van een nationaal mobiliteitsconsortium.

De ontvangende organisatie kan:

  • een school zijn; of
  • publieke of particuliere organisaties die actief zijn op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:
    • scholen/instituten/onderwijscentra voor beroepsonderwijs en -opleiding of volwassenenonderwijs;
    • instellingen voor hoger onderwijs (IHO's);
    • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
    • sociale partners of andere vertegenwoordigers uit het beroepsleven, met inbegrip van kamers van koophandel, ambachtelijke/beroepsverenigingen en vakbonden;
    • lokale, regionale of nationale publieke organen;
    • organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, niet-gouvernementele organisaties (ngo's);
    • onderzoeksinstellingen;
    • stichtingen;
    • verstrekkers van diensten inzake studie- en beroepskeuzevoorlichting;
    • organisaties die cursussen of opleiding aanbieden.

Voor aanvragen die zijn ingediend door een nationaal mobiliteitsconsortium worden in aanmerking komende coördinerende organisaties gedefinieerd door de nationale autoriteit in het land2 en hiertoe behoren onder andere:

  • lokale of regionale onderwijsinstanties;
  • instanties voor schoolcoördinatie;
  • scholen

Alle andere organisaties die bij het nationaal mobiliteitsconsortium betrokken zijn, moeten scholen zijn.

Als de coördinator van het nationaal mobiliteitsconsortium een onderwijsinstantie of instantie voor schoolcoördinatie is, moeten de scholen in het consortium organisatorisch verbonden zijn aan de consortiumcoördinator. Als de coördinator een school is, wordt de formatie van het consortium gerechtvaardigd in de projectaanvraag: de redenen voor de formatie van het consortium en het vermogen van de coördinator om het project te leiden worden hierin uiteengezet.

 

Alle deelnemende organisaties moeten gevestigd zijn in een programmaland.

Wie kan een aanvraag indienen?

  • Een school die haar personeel naar het buitenland uitzendt (individuele aanvraag);
  • de coördinator van een nationaal mobiliteitsconsortium (consortiumaanvraag)

Natuurlijke personen kunnen niet rechtstreeks een subsidie aanvragen.

Aantal deelnemende organisaties

Een mobiliteitsactiviteit heeft een transnationale opzet, wat betekent dat er minstens twee deelnemende organisaties (ten minste een uitzendende en ten minste een ontvangende organisatie) uit verschillende landen bij betrokken zijn. Uitzendende organisaties hoeven niet te worden geïdentificeerd op het ogenblik dat een subsidie wordt aangevraagd.

Worden de projecten voorgesteld door een nationaal mobiliteitsconsortium, dan moeten alle leden van het consortium uit hetzelfde programmaland afkomstig zijn en dienen ze te worden geïdentificeerd op het ogenblik dat een subsidie wordt aangevraagd. Een consortium moet bestaan uit ten minste drie organisaties (de coördinator en ten minste twee scholen).

Projectduur

1 tot 2 jaar. De aanvrager moet in de aanvraagfase de duur kiezen op basis van de doelstelling van het project en het soort geplande activiteiten.

Duur van de activiteit

2 dagen tot 2 maanden, exclusief reistijd.

In geval van twee dagen moeten dit opeenvolgende dagen zijn.

Locatie(s) van de activiteit

Mobiliteitsactiviteiten moeten in het buitenland worden uitgevoerd, in een ander programmaland.

In aanmerking komende deelnemers

Personeel dat verantwoordelijk is voor schoolonderwijs (onderwijzend en niet-onderwijzend, met inbegrip van directieleden, schoolhoofden enzovoort), alsmede ander onderwijspersoneel (schoolinspecteurs, schooladviseurs, pedagogische begeleiders, psychologen enzovoort) dat betrokken is bij de strategische ontwikkeling van de uitzendende scho(o)l(en).

Personeelsleden van lokale of regionale onderwijsinstanties of instanties voor schoolcoördinatie die een nationaal mobiliteitsconsortium aanvoeren, die betrokken zijn bij het beleid of de ontwikkeling van scholen of andere activiteiten die van strategisch belang zijn voor de schoolonderwijssector.

Alle deelnemers moeten werkzaam zijn voor de uitzendende organisatie.

Waar aanvragen?

Bij het nationaal agentschap in het land waar de aanvragende organisatie gevestigd is.3.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 5 februari om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan tussen 1 juni en 31 december van datzelfde jaar.

Mogelijke aanvullende termijn:

Nationale agentschappen mogen een tweede aanvraagronde organiseren indien er ongebruikte middelen zijn, met inachtneming van de regels in deze gids. In voorkomend geval maken de nationale agentschappen deze mogelijkheid bekend via hun website.

Indien een tweede ronde wordt georganiseerd, moeten aanvragers hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 1 oktober om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan tussen 1 januari en 31 mei van het volgende jaar.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

Overige criteria

Een organisatie of nationaal mobiliteitsconsortium kan slechts één aanvraag indienen per selectieronde. Niettemin mag een organisatie behoren tot of de coördinatie verzorgen van verschillende nationale mobiliteitsconsortia die tegelijkertijd een aanvraag indienen.

 

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

 

Toekenningscriteria

Projecten worden beoordeeld op grond van de volgende criteria:

Relevantie van het project

(maximaal 30 punten)

 

  • De mate waarin het voorstel relevant is voor:
    • de doelstellingen van de actie (zie "Wat zijn de doelstellingen van een mobiliteitsproject?");
    • de behoeften en doelstellingen van de deelnemende organisaties en de individuele deelnemers, zoals omschreven in het Europees ontwikkelingsplan.
  • De mate waarin het voorstel:
    • deelnemers in staat stelt hoogwaardige leerresultaten te behalen;
    • de capaciteiten en de internationale werkingssfeer van de deelnemende organisaties verruimt.

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering

(maximaal 40 punten)

 

 

  • De duidelijkheid, volledigheid en kwaliteit van alle fasen van het projectvoorstel (voorbereiding, uitvoering van mobiliteitsactiviteiten en follow-up);
  • De consistentie tussen de projectdoelstellingen en de voorgestelde activiteiten;
  • De kwaliteit van het Europees ontwikkelingsplan van de aanvragende organisatie;
  • De geschiktheid van maatregelen om deelnemers te selecteren voor en/of te betrekken bij de mobiliteitsactiviteiten;
  • De kwaliteit van de praktische regelingen, beheersvoorschriften en vormen van ondersteuning;
  • In het geval van nationale mobiliteitsconsortia: geschiktheid van de samenstelling van het consortium, potentie van synergieën binnen het consortium en vermogen van de coördinator om het project te leiden;
  • De kwaliteit van het voorbereidingsproces ten behoeve van de deelnemers;
  • De kwaliteit van regelingen met het oog op de erkenning en validering van leerresultaten van de deelnemers, alsook het consistente gebruik van de Europese instrumenten voor transparantie en erkenning.

Effect en verspreiding

(maximaal 30 punten)

 

  • De kwaliteit van maatregelen om de projectresultaten te evalueren.
  • De potentiële effecten van het project:
    • op individuele deelnemers en op de deelnemende organisaties tijdens en na afloop van het project;
    • buiten de organisaties en personen die rechtstreeks deelnemen aan het project, op lokaal, regionaal, nationaal en/of Europees niveau.
  • De geschiktheid en kwaliteit van maatregelen met het oog op de verspreiding van de projectresultaten binnen de deelnemende organisaties en daarbuiten.

 

De voorstellen moeten een minimumscore van 60 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een score behalen van minstens de helft van het maximumaantal punten in elke categorie van de hierboven vermelde toekenningscriteria (dat wil zeggen ten minste 15 punten voor de categorieën "Relevantie van het project" en "Effect en verspreiding"; 20 punten voor de categorie "Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering").

 

Wat moet u nog weten over deze actie?

Buitengewone kosten voor dure reizen

Aanvragers van mobiliteitsprojecten kunnen financiële steun aanvragen voor hoge reiskosten van deelnemers onder de begrotingsrubriek “buitengewone kosten” (tot een maximum van 80% van het totaal aan subsidiabele kosten: zie ook “Wat zijn de financieringsregels?”). Dit zal worden toegestaan op voorwaarde dat de aanvrager kan aantonen dat volgens de standaardfinancieringsregels (gebaseerd op de eenheidskosten per reisafstand) niet minimaal 70% van de reiskosten van de deelnemers is gedekt. Indien deze worden toegekend, vervangen de buitengewone kosten voor dure reizen de standaardreissubsidie.

 

Andere informatie

Meer verplichte criteria en aanvullende nuttige gegevens over deze actie zijn terug te vinden in bijlage I bij deze gids. Belangstellende organisaties wordt verzocht de relevante delen van deze bijlage aandachtig te lezen voordat ze financiële steun aanvragen.

 

Wat zijn de financieringsregels?

Het budget voor het mobiliteitsproject wordt opgesteld met inachtneming van de volgende financieringsregels (in euro):

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Reiskosten

Tegemoetkoming in de kosten die deelnemers, met inbegrip van begeleiders, maken om van de plaats van oorsprong te reizen naar de locatie van de activiteit en terug

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Voor een reisafstand tussen 10 en 99 km:

20 EUR per deelnemer

Op basis van de reisafstand per deelnemer. De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening4. De aanvrager moet de afstand van een enkele reis vermelden voor de berekening van het EU-subsidiebedrag voor de heen- en terugreis5.

 

Voor een reisafstand tussen 100 en 499 km:

180 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 500 en 1 999 km:

275 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 2 000 en 2 999 km:

360 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 3 000 en 3 999 km:

530 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 4 000 en 7 999 km:

820 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand van 8 000 km of meer:

1 500 EUR per deelnemer

Organisatorische steun

Kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van mobiliteitsactiviteiten (exclusief verblijfkosten voor deelnemers), met inbegrip van (didactische, interculturele, taalkundige) voorbereiding, monitoring en ondersteuning van deelnemers tijdens de mobiliteitsperiode, validering van leerresultaten, verspreidingsactiviteiten.

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Tot en met de 100e deelnemer: 350 EUR per deelnemer

+

vanaf de 100e deelnemer: 200 EUR per extra deelnemer

Op basis van het aantal deelnemers

Individuele steun

Kosten die rechtstreeks verband houden met het verblijf van de deelnemers, met inbegrip van begeleiders, tijdens de activiteit

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Tot en met de 14e dag van de activiteit: A3.1 per dag per deelnemer

+

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: 70 % van A3.1 per dag per deelnemer

Op basis van de verblijfsduur per deelnemer (indien nodig, met inbegrip van één reisdag vóór de activiteit en één reisdag na de activiteit).

Cursusgelden

Kosten die rechtstreeks verband houden met de betaling van inschrijvingsgelden voor cursussen

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

70 EUR per deelnemer per dag

Maximaal 700 EUR per deelnemer aan het mobiliteitsproject

Voorwaardelijk: het verzoek om financiële steun ter dekking van de cursusgelden, specifieke behoeften en buitengewone kosten moeten met redenen worden omkleed in het aanvraagformulier

Steun voor personen met specifieke behoeften

Extra kosten die rechtstreeks verband houden met deelnemers met een handicap en begeleiders (met inbegrip van reis- en verblijfkosten, indien gerechtvaardigd en voor zover voor deze deelnemers geen subsidie is aangevraagd in het kader van de rubrieken "reiskosten" of "individuele steun").

Werkelijke kosten

100 % van de subsidiabele kosten

Buitengewone kosten

 

 

Kosten voor een financiële garantie, indien het nationaal agentschap daarom verzoekt.

 

 

 

Hoge reiskosten van deelnemers (voor meer informatie, zie onder "Wat moet u nog weten over deze actie?").

 

Werkelijke kosten

75% van de subsidiabele kosten

 

 

 

 

Hoge reiskosten: maximaal 80% van de subsidiabele kosten

 

Tabel 1 – Individuele steun (bedragen in euro per dag)

De steunbedragen hangen af van het land waar de activiteit plaatsvindt. Elk nationaal agentschap bepaalt op basis van objectieve en transparante criteria welke bedragen gelden voor de in zijn land ingediende projecten. Deze bedragen worden vastgesteld binnen de in de onderstaande tabel aangegeven boven- en ondergrens. De exacte bedragen worden gepubliceerd op de website van elk nationaal agentschap.

 

Ontvangend land

 

 

Personeelsmobiliteit

Boven-/ondergrens (per dag)

A3.1

Groep 1:
Noorwegen, Denemarken, Luxemburg, Verenigd Koninkrijk, IJsland, Zweden, Ierland, Finland, Liechtenstein

80-180

Groep 2:
Nederland, Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Cyprus, Griekenland, Malta, Portugal

70-160

Groep 3:
Slovenië, Estland, Letland, Kroatië, Slowakije, Tsjechië, Litouwen, Turkije, Hongarije, Polen, Roemenië, Roemenië, Bulgarije, de Republiek Noord-Macedonië, Servië

60-140

  • 1. Raadpleeg de lijst met in aanmerking komende scholen van elk land. Neem voor meer informatie contact op met het nationale agentschap in het betrokken land.
  • 2. Raadpleeg de lijst met in aanmerking komende organisaties van elk land. Neem voor meer informatie contact op met het nationale agentschap in het betrokken land.
  • 3. Let op: scholen onder toezicht van nationale autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld het Lycée Français, Duitse scholen, Britse "legerscholen") dienen hun aanvraag in bij het nationaal agentschap van het toezichthoudende land.
  • 4. http://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/distance-calculator_nl
  • 5. Indien iemand uit Madrid (Spanje) bijvoorbeeld meedoet aan een activiteit in Rome (Italië), moet de aanvrager a) de afstand van Madrid naar Rome berekenen (1 365,28 km); b) de toepasselijke reisafstandcategorie selecteren (bv. tussen 500 en 1 999 km) en c) de EU-subsidie die een bijdrage zal leveren aan de reiskosten van de deelnemer van Madrid naar Rome en terug berekenen (275 EUR).