Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Mobiliteitsproject voor hogeronderwijsstudenten en -personeel

Dit mobiliteitsproject kan uit een of meer van de volgende activiteiten bestaan:

 

Studentenmobiliteit:

Studentenmobiliteit is mogelijk in elk studiegebied en elke academische discipline. Om zeker te stellen dat de mobiliteitsactiviteiten van hoge kwaliteit zijn en een maximaal effect sorteren op de studenten, moet de mobiliteitsactiviteit in overeenstemming zijn met de leerdoelen van de student in de te behalen graad en met diens persoonlijke ontwikkelingsbehoeften.

Studenten kunnen één activiteit of een combinatie van de hieronder beschreven activiteiten uitvoeren:

  • een studieperiode in het buitenland bij een partnerinstelling voor hoger onderwijs (IHO);

Een studieperiode in het buitenland kan ook een stageperiode omvatten. Een dergelijke combinatie creëert synergieën tussen de academische en professionele ervaring in het buitenland en kan op verschillende manieren georganiseerd worden, afhankelijk van de context: ofwel de ene activiteit na de andere, ofwel beide tegelijkertijd. Bij een combinatie worden de financieringsregels en de minimale duur van de studiemobiliteit in acht genomen.

  • een stage in het buitenland in een onderneming of een andere relevante werkplek1. Stages op de werkplek in het buitenland worden ondersteund voor studies in de korte cyclus, in de eerste, tweede en derde cyclus en, in het geval van mobiliteit binnen de programmalanden, ten hoogste één jaar na het afstuderen. Dat omvat ook "assistentschappen" voor docenten in opleiding

Om studenten beter te kunnen ondersteunen bij het verwerven van de vaardigheden voor de toekomst, is een samenwerking tussen de Erasmus+- en Horizon 2020-programma's vastgesteld. Dit partnerschap biedt en bevordert verdere stagemogelijkheden voor studenten en pas afgestudeerden die digitale vaardigheden willen verwerven2 en competenties die nodig zijn om taken uit te voeren en te gedijen in een economie en samenleving die een voortdurende digitale transformatie ondergaan. Studenten en pas afgestudeerden uit alle disciplines worden uitgenodigd een aanvraag in te dienen voor een stage in deze gebieden. Deze stages vinden naar verwachting plaats in de EU-lidstaten en aan Horizon 2020 geassocieerde landen.

Waar mogelijk moeten de stages een geïntegreerd onderdeel uitmaken van het studieprogramma van de student.

 

Personeelsmobiliteit:

  • onderwijsperioden: deze activiteit stelt onderwijzend personeel van instellingen voor hoger onderwijs (IHO's) of bedrijfspersoneel in staat onderwijs te geven bij een partner-IHO in het buitenland. Personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden is mogelijk in elk studiegebied en elke academische discipline.
  • opleidingsperioden: deze activiteit ondersteunt de professionele ontwikkeling van onderwijzend en niet-onderwijzend personeel van IHO's, evenals de ontwikkeling van de betrokken instellingen. Dit kan in de vorm van opleidingsevenementen in het buitenland (exclusief conferenties) en job shadowing/observatieperioden/opleidingen bij een partner-IHO of een andere relevante organisatie in het buitenland.

Een periode in het buitenland kan zowel onderwijs- als opleidingsactiviteiten omvatten.

Bij de toewijzing van subsidies voor personeelsmobiliteit tussen programmalanden zal de nadruk worden gelegd op opleidingsperioden voor onderwijzend personeel van IHO's om hen in staat te stellen pedagogische vaardigheden en curriculumontwerpvaardigheden te ontwikkelen

 

 

Het grootste deel van het budget van deze actie is bestemd voor ondersteuning van activiteiten met betrekking tot mobiliteit tussen programmalanden. Met een beperkt deel van het voor deze actie beschikbare budget kunnen internationale activiteiten tussen programmalanden en alle partnerlanden in de hele wereld met uitzondering van de regio's 5 en 12 worden gefinancierd (zie deel A van deze gids onder "begunstigde landen").

Financiële steun voor mobiliteit tussen programma- en partnerlanden is afkomstig van verscheidene financiële instrumenten voor externe samenwerking van de Europese Unie. Om te verzekeren dat deze actie in overeenstemming is met de externe prioriteiten van de EU, heeft de Commissie een aantal doelen en regels voor samenwerking met partnerlanden vastgesteld. 

Aanvragers van mobiliteitsprojecten tussen programma- en partnerlanden moeten rekening houden met het beschikbare budget voor mobiliteit met verschillende regio's in de wereld en met de prioriteiten die verderop worden toegelicht onder "aanvullende informatie voor mobiliteit tussen programma- en partnerlanden".

 

Wat is de rol van de organisaties die aan dit project deelnemen?

De organisaties die deelnemen aan het mobiliteitsproject vervullen de volgende rollen en taken:

  • Aanvragende organisatie uit een programmaland: vraagt het mobiliteitsproject aan, ondertekent en beheert de subsidieovereenkomst en brengt verslag uit. De aanvrager kan een consortiumcoördinator zijn die aan het hoofd staat van een mobiliteitsconsortium van partnerorganisaties in hetzelfde land met het doel om het even welk type studenten- en personeelsmobiliteit te organiseren.
  • Uitzendende organisatie: selecteert studenten/personeelsleden en zendt ze uit naar het buitenland. Dit omvat ook subsidiebetalingen (voor organisaties uit programmalanden), voorbereiding, toezicht en erkenning met betrekking tot de mobiliteitsperiode.
  • Ontvangende organisatie: ontvangt studenten/personeelsleden uit het buitenland en biedt ze een studie-/stageprogramma of een programma met opleidingsactiviteiten, of laat ze onderwijs geven.
  • Intermediaire organisatie: een organisatie die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdwerk in een programmaland. Deze organisatie kan een partner van een nationaal mobiliteitsconsortium zijn, maar is geen uitzendende organisatie. Haar rol kan erin bestaan de administratieve procedures van de uitzendende instellingen voor hoger onderwijs te delen en te vereenvoudigen, in het geval van stages de studentenprofielen beter af te stemmen op de behoeften van ondernemingen, en deelnemers gezamenlijk voor te bereiden.

Voor mobiliteit tussen programma- en partnerlanden kunnen alleen organisaties uit programmalanden een aanvraag indienen en de betalingen voor inkomende en uitgaande mobiliteit beheren.

De uitzendende en ontvangende organisaties moeten vóór het begin van de mobiliteitsperiode overeenstemming bereiken met de studenten/personeelsleden over de uit te voeren activiteiten, respectievelijk in een studieovereenkomst wat de studenten betreft en in een mobiliteitsovereenkomst wat de personeelsleden betreft. In deze overeenkomsten worden de nagestreefde leerresultaten voor de leerperiode in het buitenland vastgesteld, worden de vormvoorschriften inzake erkenning gespecificeerd en worden de rechten en verplichtingen van elke partij opgesomd. Vindt de activiteit plaats tussen twee instellingen voor hoger onderwijs (studentenmobiliteit voor studiedoeleinden en personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden), dan moeten de uitzendende en ontvangende instelling een interinstitutioneel akkoord sluiten voordat de uitwisseling kan beginnen.

Door het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE) te ondertekenen, verbinden instellingen voor hoger onderwijs zich ertoe deelnemers aan mobiliteit alle nodige steun te verlenen, inclusief taalkundige voorbereiding. Daartoe wordt gedurende de looptijd van het programma geleidelijk een onlinedienst voor taalkundige ondersteuning ingevoerd voor alle langdurige mobiliteitsactiviteiten tussen programmalanden van twee maanden en meer. De Europese Commissie maakt deze dienst toegankelijk voor in aanmerking komende deelnemers zodat zij hun kennis van vreemde talen kunnen toetsen en, waar nodig, de meest geschikte methode voor taalonderwijs kunnen kiezen vóór en/of tijdens de mobiliteitsperiode (zie bijlage I bij deze gids voor meer bijzonderheden). Instellingen voor hoger onderwijs uit een partnerland komen niet in aanmerking om het ECHE te ondertekenen; daarom moeten specifieke gegevens over de taalkundige ondersteuning die aan deelnemers aan mobiliteit wordt aangeboden uitdrukkelijk in het interinstitutioneel akkoord worden vermeld.

 

Welke criteria worden gehanteerd om dit project te evalueren?

Hieronder worden de formele criteria opgesomd waaraan een mobiliteitsproject voor hoger onderwijs moet voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Erasmus+-programma:

 

Algemene subsidiabiliteitscriteria

Wie kan een aanvraag indienen?

  • Voor een aanvraag als individuele IHO: instellingen voor hoger onderwijs gevestigd in een programmaland en waaraan een Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE) is toegekend. (zie het deel "Erasmus-handvest voor hoger onderwijs" hieronder en bijlage I bij deze gids voor meer informatie over het handvest).       
  • Voor een aanvraag als nationaal mobiliteitsconsortium: coördinerende organisaties die gevestigd zijn in een programmaland en die een consortium coördineren waaraan een consortiumaccreditatie voor hoger onderwijs is toegekend. Organisaties die niet in het bezit zijn van een geldige consortiumaccreditatie kunnen namens een mobiliteitsconsortium daarom verzoeken wanneer ze een subsidie voor een mobiliteitsproject aanvragen. Alle betrokken instellingen voor hoger onderwijs uit begunstigde programmalanden moeten in het bezit zijn van een Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE). Deze organisaties komen alleen in aanmerking voor een mobiliteitsproject als gunstig gevolg wordt gegeven aan hun verzoek om een consortiumaccreditatie.

Hogeronderwijsstudenten en -personeel kunnen niet rechtstreeks een subsidie aanvragen: de selectiecriteria voor deelname aan de mobiliteitsactiviteiten worden vastgesteld door de instelling voor hoger onderwijs waar ze studeren of werken, overeenkomstig de bepalingen van bijlage I bij deze gids.

Subsidiabele activiteiten

Een mobiliteitsproject voor hoger onderwijs moet uit een of meer van de volgende activiteiten bestaan:

  • studentenmobiliteit voor studiedoeleinden;
  • studentenmobiliteit voor stagedoeleinden;
  • personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden;
  • personeelsmobiliteit voor opleidingsdoeleinden.

Begunstigde landen

Mobiliteit tussen programmalanden:

  • alle programmalanden

Mobiliteit tussen programma- en partnerlanden:

  • een programmaland;
  • een partnerland, waar ook ter wereld met uitzondering van de regio's 5 en 12 (zie deel A van deze gids onder "begunstigde landen")

Aantal deelnemende organisaties

In het aanvraagformulier wordt één organisatie vermeld (de aanvrager). Dit is één IHO dan wel een coördinator van een nationaal mobiliteitsconsortium dat in een programmaland is gevestigd.

Bij de uitvoering van het mobiliteitsproject moeten minimaal twee organisaties (minstens één uitzendende en één ontvangende organisatie) uit verschillende programmalanden betrokken zijn. Bij mobiliteitsprojecten waarbij partnerlanden betrokken zijn, moet minimaal één organisatie uit een programmaland en één organisatie uit een begunstigd partnerland betrokken zijn.

Projectduur

De aanvrager moet in de aanvraagfase de duur kiezen op basis van de omvang van het project en het soort geplande activiteiten.

Mobiliteit tussen programmalanden: 16 of 24 maanden.

Mobiliteit tussen programma- en partnerlanden: 24 of 36 maanden.

Waar aanvragen?

Bij het nationaal agentschap van het land waar de aanvragende organisatie gevestigd is.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 5 februari om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan op:

  • 1 juni van hetzelfde jaar voor mobiliteitsprojecten tussen programmalanden,
  • 1 augustus van hetzelfde jaar voor mobiliteitsprojecten tussen programma- en partnerlanden.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

Overige criteria

Een IHO kan bij haar nationaal agentschap subsidies aanvragen via twee verschillende kanalen:

  • rechtstreeks als individuele IHO,
  • via een consortium waarvan de IHO lid is.  

Een IHO kan slechts eenmaal per selectieronde een aanvraag indienen voor een mobiliteitsproject tussen programmalanden als individuele IHO en/of als lid van een bepaald consortium. Niettemin mag een IHO behoren tot, of instaan voor de coördinatie van verschillende nationale mobiliteitsconsortia die tegelijkertijd een aanvraag indienen. Hetzelfde geldt voor mobiliteitsprojecten tussen programma- en partnerlanden.

Beide kanalen (individuele aanvraag en consortiumaanvraag) mogen gelijktijdig worden gebruikt. Worden in eenzelfde academiejaar subsidies aangevraagd via beide kanalen, dan blijft de IHO/het departement niettemin de verantwoordelijkheid dragen om dubbele financiering van deelnemers te vermijden.

 

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de relevante uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

 

Aanvullende subsidiabiliteitscriteria tijdens de uitvoering met het oog op studentenmobiliteit

In aanmerking komende deelnemende organisaties

  • Studentenmobiliteit voor studiedoeleinden:

Alle deelnemende organisaties (zowel uitzendende als ontvangende) uit programmalanden moeten IHO's zijn waaraan een ECHE is toegekend.  Alle organisaties uit partnerlanden moeten IHO's zijn, die erkend zijn door de bevoegde autoriteiten, en zij moeten interinstitutionele akkoorden met hun partners uit programmalanden hebben ondertekend voordat de mobiliteit plaatsvindt.

 

  • Studentenmobiliteit voor stagedoeleinden:

In het geval van mobiliteit tussen programmalanden moet de uitzendende organisatie een IHO zijn waaraan een ECHE is toegekend.
In het geval van mobiliteit tussen programma- en partnerlanden moet de uitzendende organisatie een IHO uit een programmaland zijn waaraan een ECHE is toegekend of een IHO, erkend door de bevoegde autoriteiten, uit een partnerland die interinstitutionele akkoorden met de partners uit de programmalanden heeft ondertekend voordat de mobiliteit plaatsvindt.

Mogelijke ontvangende organisaties zijn3:

  • publieke of particuliere organisaties die actief zijn op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:
    • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
    • lokale, regionale of nationale publieke organen;
    • sociale partners of andere vertegenwoordigers uit het beroepsleven, met inbegrip van kamers van koophandel, ambachtelijke/beroepsverenigingen en vakbonden;
    • onderzoeksinstellingen;
    • stichtingen;
    • scholen/instituten/onderwijscentra (op elk niveau, van peuter- en kleuteronderwijs tot hoger secundair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en volwassenenonderwijs);
  • organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, niet-gouvernementele organisaties (ngo's);
  • verstrekkers van diensten inzake studie- en beroepskeuzevoorlichting;
  • een IHO uit een programmaland waaraan een ECHE is toegekend.

Duur van de activiteit

Studieperioden: van 34 tot 12 maanden (inclusief een aanvullende stageperiode, indien gepland).

Stages: van 2 tot 12 maanden.

Dezelfde student kan deelnemen aan mobiliteitsperioden tot maximaal 12 maanden in totaal5 voor elke studiecyclus6, ongeacht het aantal en type mobiliteitsactiviteiten. Voor de maximale duur wordt ook rekening gehouden met deelname waarbij de EU-subsidie op nihil is vastgesteld:

  • tijdens de eerste studiecyclus (bachelorgraad of gelijkwaardig) inclusief de korte cyclus (niveau 5 en 6 van het Europees kwalificatiekader);
  • tijdens de tweede studiecyclus (mastergraad of gelijkwaardig - niveau 7 van het Europees kwalificatiekader); en
  • tijdens de derde cyclus als "doctoraatskandidaat" (doctoraatsniveau of niveau 8 van het Europees kwalificatiekader).

De duur van een door pas afgestudeerden gevolgde stage telt mee voor de maximale duur van 12 maanden van de studiecyclus waarin ze de stage aanvragen.

Locatie(s) van de activiteit

De studenten moeten hun mobiliteitsactiviteiten uitvoeren in een ander programma- of partnerland dan het land van de uitzendende organisatie en het land waar de student tijdens zijn/haar studie verblijft7.

In aanmerking komende deelnemers

Studenten die zijn ingeschreven in een IHO voor een studieprogramma dat wordt bekroond met een erkende graad of een andere erkende kwalificatie op tertiair niveau (tot en met doctoraatsniveau). In het geval van mobiliteit voor studiedoeleinden moet de student minstens in het tweede jaar van het hoger onderwijs ingeschreven zijn. Deze voorwaarde is niet van toepassing op stages. 

Pas afgestudeerden in het hoger onderwijs mogen deelnemen aan een stage tussen programmalanden. Pas afgestudeerden moeten worden geselecteerd door hun IHO tijdens het laatste studiejaar en moeten hun stage in het buitenland voltooien binnen één jaar na het afstuderen.

 

Aanvullende subsidiabiliteitscriteria tijdens de uitvoering met het oog op personeelsmobiliteit

In aanmerking komende deelnemende organisaties

  • Personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden:

De ontvangende organisatie moet een IHO uit een programmaland zijn waaraan een ECHE is toegekend, of een IHO, erkend door de bevoegde autoriteiten, uit een partnerland die een interinstitutioneel akkoord met de uitzendende partner uit het programmaland heeft ondertekend voordat de mobiliteit plaatsvindt.

De uitzendende organisatie moet:

  • een IHO uit een programmaland zijn waaraan een ECHE is toegekend, of een IHO, erkend door de bevoegde autoriteiten, uit een partnerland die een interinstitutioneel akkoord met de ontvangende partner uit het programmaland heeft ondertekend; of
  • in het geval van het personeel dat is uitgenodigd om te doceren aan een IHO; een publieke of particuliere organisatie (waaraan geen ECHE is toegekend) die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken. Voorbeelden van dergelijke organisaties zijn:
    • kleine, middelgrote of grote ondernemingen uit de publieke of particuliere sector (met inbegrip van sociale ondernemingen);
    • lokale, regionale of nationale publieke organen;
    • sociale partners of andere vertegenwoordigers uit het beroepsleven, met inbegrip van kamers van koophandel, ambachtelijke/beroepsverenigingen en vakbonden;
    • onderzoeksinstellingen;
    • stichtingen;
    • scholen/instituten/onderwijscentra (op elk niveau, van peuter- en kleuteronderwijs tot hoger secundair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs en volwassenenonderwijs);
    • organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, niet-gouvernementele organisaties (ngo's);
    • verstrekkers van diensten inzake studie- en beroepskeuzevoorlichting.
  • Personeelsmobiliteit voor opleidingsdoeleinden:

De uitzendende organisatie moet een IHO uit een programmaland zijn waaraan een ECHE is toegekend, of een IHO, erkend door de bevoegde autoriteiten, uit een partnerland die een interinstitutioneel akkoord met de ontvangende partner uit het programmaland heeft ondertekend voordat de mobiliteit plaatsvindt.  

De ontvangende organisatie moet:

  • een IHO uit een programmaland zijn waaraan een ECHE is toegekend, of een IHO, erkend door de bevoegde autoriteiten, uit een partnerland die een interinstitutioneel akkoord met de ontvangende partner uit het programmaland heeft ondertekend; of
  • een publieke of particuliere organisatie uit een programmaland zijn die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken. Zie de voorbeelden op de vorige pagina.

Duur van de activiteit

Van 2 dagen (5 dagen van en naar partnerlanden) tot 2 maanden, exclusief reistijd. Bij mobiliteit tussen programmalanden moeten dit in geval van 2 dagen opeenvolgende dagen zijn. Wanneer er personeel in dienst van bedrijven is uitgenodigd, geldt een minimale duur voor mobiliteit tussen programmalanden van 1 dag.

Een onderwijsactiviteit moet bestaan uit minstens 8 lesuren per week (of elke kortere verblijfsperiode). Indien de mobiliteit langer dan één week duurt, moet het minimumaantal lesuren in een onvolledige week evenredig zijn met de duur van de desbetreffende periode. De volgende uitzonderingen zijn van toepassing:    

  • Er is geen minimumaantal lesuren voor uitgenodigd personeel in dienst van bedrijven.
  • Indien de activiteit wordt gecombineerd met een opleidingsactiviteit gedurende één enkele periode in het buitenland, wordt het minimumaantal lesuren per week (of elke kortere verblijfsperiode) verlaagd tot 4 uur.

Locatie(s) van de activiteit

De personeelsleden moeten hun mobiliteitsactiviteit uitvoeren in een ander programmaland of partnerland dan het land van de uitzendende organisatie en het land van verblijf van het personeel.

In aanmerking komende deelnemers

Personeelsmobiliteit voor onderwijsdoeleinden:

  • personeel in dienst van een IHO uit een programma- of partnerland.
  • personeel in dienst van bedrijven uit een programma- of partnerland dat is uitgenodigd om te doceren aan een IHO in een programma- of partnerland, personeel in dienst van een publieke of particuliere organisatie (waaraan geen ECHE is toegekend) die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken (met inbegrip van "doctoraatskandidaten" die daar werken).

Personeelsmobiliteit voor opleidingsdoeleinden: personeel in dienst van een IHO uit een programma- of partnerland.

 

Aanvullende informatie voor mobiliteit tussen programma- en partnerlanden  

Het beschikbare budget voor mobiliteit tussen programma- en partnerlanden is in 12 begrotingsportefeuilles opgesplitst tussen verschillende regio's in de wereld. De omvang van elke begrotingsportefeuille is verschillend. Meer informatie over de beschikbare bedragen per begrotingsportefeuille wordt gepubliceerd op de websites van de nationale agentschappen.

Algemeen moeten de middelen worden gebruikt overeenkomstig een evenwichtige geografische verdeling. De EU heeft een reeks doelstellingen vastgesteld met betrekking tot het geografische evenwicht en de prioriteiten die op Europees niveau moeten worden behaald gedurende de volledige looptijd van het programma (2014-2020).  De doelstellingen moeten niet worden behaald door individuele IHO's, maar de nationale agentschappen houden rekening met deze doelstellingen bij de toewijzing van het beschikbare budget. Bovendien worden IHO's aangemoedigd om samen te werken met partners in de armste en minst ontwikkelde partnerlanden.

De volgende geografische doelstellingen zijn vastgesteld voor mobiliteit tussen programma- en partnerlanden en moeten uiterlijk in 2020 op EU-niveau zijn behaald:

  • 25 % van de financiering voor mobiliteitsactiviteiten met de ontwikkelingslanden in Azië en Latijns-Amerika moet worden gebruikt voor mobiliteit met de minst ontwikkelde landen uit de regio. Deze landen zijn:
    • voor Azië: Afghanistan, Bangladesh, Cambodja, Laos, Nepal, Bhutan en Myanmar;
    • voor Latijns-Amerika: Bolivia, El Salvador, Guatemala, Honduras en Nicaragua;
  • maximaal 30 % van het beschikbare budget voor Azië mag worden besteed aan mobiliteit met China en India;
  • en niet meer dan 35 % van het beschikbare budget voor Latijns-Amerika mag worden besteed aan mobiliteit met Brazilië en Mexico.

Gezien de vereiste dat de uitgevoerde mobiliteitsactiviteiten met landen in de regio's 6, 7, 8, 9, 10 en 118 moeten bijdragen aan ontwikkelingshulp, is de mobiliteit voor studenten van de korte cyclus en de eerste en tweede cyclus beperkt tot inkomende mobiliteit van partner- naar programmalanden9. Uitgaande mobiliteit naar deze regio's staat uitsluitend ter beschikking van doctoraatsstudenten en personeel.

Niettemin zijn er enkele uitzonderingen voor bepaalde programmalanden. Meer informatie daarover vindt u op de website van het nationaal agentschap. 

Ten slotte hebben IHO's de vrijheid om aanvragen in te dienen voor 100 % personeelsmobiliteit, 100 % studentenmobiliteit, of eender welke combinatie van beide, op voorwaarde dat dit in overeenstemming is met de secundaire criteria zoals bepaald door het nationaal agentschap (zie volgend deel).

 

Secundaire criteria voor mobiliteit tussen programma- en partnerlanden zoals bepaald door de nationale agentschappen

Wanneer het budget voor een bepaalde partnerregio of een bepaald partnerland beperkt is, kan een nationaal agentschap één of meerdere aanvullende secundaire criteria uit onderstaande lijst hanteren. Ingeval een nationaal agentschap ervoor kiest aanvullende criteria in aanmerking te nemen, moet deze beslissing vóór het verstrijken van de uiterste termijn worden meegedeeld, met name op de website van het nationaal agentschap.

  • Het niveau van de opleiding (bijvoorbeeld een beperking van de aanvragen tot slechts één of twee cycli – bachelorgraad, mastergraad of doctoraatsniveau);
  • Uitsluitend personeelsmobiliteit toestaan, of uitsluitend studentenmobiliteit;
  • De duur van de mobiliteitsperioden beperken (bijvoorbeeld studentenmobiliteit beperken tot 6 maanden, of personeelsmobiliteit beperken tot 10 dagen).

 

Toekenningscriteria voor een mobiliteitsproject tussen programmalanden10

Er vindt geen kwaliteitstoetsing plaats (de kwaliteit is reeds getoetst bij het indienen van de aanvraag van het ECHE of bij het selecteren van een nationaal mobiliteitsconsortium). Bijgevolg zijn er geen toekenningscriteria.

Aan elke in aanmerking komende subsidieaanvraag wordt (na toetsing aan de subsidiabiliteitscriteria) financiële steun toegekend.

Het maximale subsidiebedrag hangt af van een aantal elementen:

  • het aantal mobiliteitsperioden en maanden/dagen waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • de prestaties in het verleden van de aanvrager qua aantal mobiliteitsperioden, kwalitatief hoogwaardige uitvoering van de activiteiten en goed financieel beheer indien de aanvrager in voorgaande jaren een soortgelijke subsidie heeft gekregen;
  • het totale nationale budget dat voor de mobiliteitsactie werd uitgetrokken.

 

Toekenningscriteria voor een mobiliteitsproject tussen programma- en partnerlanden

In aanmerking komende subsidieaanvragen worden (na toetsing aan de subsidiabiliteitscriteria) getoetst aan de volgende criteria:

Relevantie van de strategie

(maximaal 30 punten)

De mate waarin het geplande mobiliteitsproject relevant is voor de internationaliseringsstrategie van de betrokken instellingen voor hoger onderwijs (zowel in het programma- als in het partnerland) en de redenen waarom er gekozen is voor personeels- en/of studentenmobiliteit.

Kwaliteit van de samenwerkingsregelingen

(maximaal 30 punten)

De mate waarin de aanvragende organisatie ervaring heeft opgedaan met gelijksoortige projecten met IHO’s uit het partnerland en de mate waarin de verantwoordelijkheden, rollen en taken van de partners duidelijk verdeeld zijn.

Kwaliteit met betrekking tot ontwerp en uitvoering van activiteiten

(maximaal 20 punten)

De volledigheid en kwaliteit van de regelingen voor de selectie van deelnemers, de hun geboden ondersteuning en de erkenning van hun mobiliteitsperiode (met name in het partnerland).

Effect en verspreiding

(maximaal 20 punten)

De potentiële effecten van het project op deelnemers, begunstigden en partnerorganisaties op lokaal, regionaal en nationaal niveau en de kwaliteit van de maatregelen om de resultaten van het mobiliteitsproject te verspreiden op het niveau van faculteiten en instellingen, en in voorkomend geval daarbuiten, in zowel programma- als partnerlanden.

 

De aanvrager legt uit hoe het project tegemoetkomt aan deze vier criteria vanuit het standpunt van de eigen instelling (of instellingen, in het geval van aanvragen die door consortia zijn ingediend) en de instellingen uit de partnerlanden.

De voorstellen moeten een minimumscore van in totaal 60 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een minimumscore behalen van 15 punten voor de categorie "Relevantie van de strategie".

Voor de verdeling van het voor elke regio beschikbare budget zullen de geplande mobiliteitsactiviteiten met elk partnerland worden gerangschikt naar verdienste in een regionale rangschikking.

Het subsidiebedrag dat aan een instelling voor hoger onderwijs wordt toegekend, hangt af van een aantal elementen:

  • het aantal mobiliteitsperioden en maanden/dagen waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • het budget dat voor de mobiliteitsacties is toegewezen in het respectievelijke partnerland of de partnerregio;
  • het geografisch evenwicht binnen een bepaalde regio of subregio.

Het nationaal agentschap kan mobiliteitsprojecten met een partnerland financieren die lager staan in de regionale rangschikking, wanneer dit noodzakelijk is om het geografisch evenwicht binnen die regio te bewaren, zoals vastgesteld in bovenvermelde geografische doelstellingen.

Het nationaal agentschap is niet verplicht om alle mobiliteitsaanvragen voor een bepaald partnerland te financieren als het verzoek om financiële steun ten opzichte van het beschikbare budget als buitensporig wordt beschouwd.

Waar mogelijk zal het nationaal agentschap, in aanvulling op de overkoepelende criteria van verdienste en geografisch evenwicht, het beschikbare budget ruim proberen te spreiden om dominantie van een klein aantal IHO's te vermijden. Het nationaal agentschap zal streven naar een zo groot mogelijke integratie en de deelname van belanghebbenden maximaliseren zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit, het geografisch evenwicht of de minimale kritische omvang per mobiliteitsproject om de haalbaarheid te verzekeren.

 

Welke accreditatie hebben aanvragers nodig voor dit mobiliteitsproject?

Erasmus-handvest voor hoger onderwijs

De toekenning van een Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE) is een eerste vereiste voor alle in een programmaland gevestigde instellingen voor hoger onderwijs die hetzij als afzonderlijke IHO, hetzij als lid van een nationaal mobiliteitsconsortium aan een mobiliteitsproject voor hoger onderwijs willen deelnemen. Elk jaar publiceert de Europese Commissie via het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur een specifieke oproep tot het indienen van voorstellen waarin de gedetailleerde voorwaarden en kwalitatieve criteria zijn vastgesteld waaraan de instelling moet voldoen om een ECHE toegekend te krijgen. Deze oproep kan worden geraadpleegd op de website van het Uitvoerend Agentschap.

IHO's die in een partnerland zijn gevestigd, moeten worden geaccrediteerd door de relevante nationale instantie voor accreditatie.  Aangezien zij niet voor het ECHE in aanmerking komen, moeten zij bovendien een interinstitutioneel akkoord met hun partner(s) uit een programmaland hebben ondertekend waarin de beginselen van het ECHE zijn samengevat.

 

Consortiumaccreditatie voor hoger onderwijs

Een organisatie uit een programmaland die een aanvraag indient namens een nationaal mobiliteitsconsortium, moet in het bezit zijn van een geldige consortiumaccreditatie. Deze accreditatie wordt toegekend door hetzelfde nationale agentschap dat het verzoek om financiering van een mobiliteitsproject voor hoger onderwijs evalueert. De verzoeken om accreditatie mogen tegelijkertijd met de subsidieaanvragen voor mobiliteitsprojecten worden ingediend. De subsidie voor mobiliteitsprojecten wordt echter alleen toegekend aan de IHO's en organisaties die het accreditatieproces met goed gevolg hebben voltooid. Om een consortiumaccreditatie te verkrijgen, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

 

Subsidiabiliteitscriteria

In aanmerking komende deelnemende organisaties

Een nationaal mobiliteitsconsortium in het hoger onderwijs kan uit de volgende deelnemende organisaties bestaan:

  • instellingen voor hoger onderwijs die in het bezit zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (zie hierboven het deel "Erasmus-handvest voor hoger onderwijs" en bijlage I bij deze gids voor meer informatie over dit handvest); en
  • elke publieke of particuliere organisatie die actief is op de arbeidsmarkt of op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken (zie voorbeelden van in aanmerking komende deelnemende organisaties op de vorige pagina).

Elke deelnemende organisatie moet gevestigd zijn in hetzelfde programmaland.

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke in aanmerking komende deelnemende organisatie kan optreden als coördinator en kan namens alle bij het consortium betrokken organisaties een aanvraag indienen.

Aantal deelnemende organisaties

Een nationaal mobiliteitsconsortium moet uit minstens drie in aanmerking komende deelnemende organisaties bestaan, waaronder twee uitzendende IHO's.

Alle organisaties die lid zijn van het nationale mobiliteitsconsortium moeten worden geïdentificeerd op het ogenblik dat de aanvraag voor de consortiumaccreditatie wordt ingediend.

Geldigheidsduur van de consortiumaccreditatie

Alle opeenvolgende jaarlijkse oproepen en uiterlijk tot de oproep van 2020.

Waar aanvragen?

Bij het nationaal agentschap van het land waar de aanvragende organisatie gevestigd is.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun accreditatieaanvraag uiterlijk indienen op 5 februari om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan in datzelfde jaar.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

 

Toekenningscriteria

De aanvraag voor accreditatie wordt getoetst aan de volgende criteria:

Relevantie van het consortium

(maximaal 30 punten)

 

De mate waarin het voorstel relevant is voor:

  • de doelstellingen van de actie (zie "Wat zijn de doelstellingen van een mobiliteitsproject?");
  • de behoeften en doelstellingen van de organisaties die deelnemen aan de activiteiten van het consortium, en van de individuele deelnemers.

De mate waarin het voorstel:

  • deelnemers in staat stelt hoogwaardige leerresultaten te behalen;
  • de capaciteiten en de internationale werkingssfeer van de deelnemende organisaties verruimt;
  • meerwaarde oplevert op EU-niveau in de vorm van resultaten die niet worden bereikt in het geval dat activiteiten door een elke IHO afzonderlijk worden uitgevoerd.

Kwaliteit van de consortiumsamenstelling en samenwerkingsregelingen

(maximaal 20 punten)

 

De mate waarin:

  • het consortium beschikt over een passende samenstelling met uitzendende instellingen voor hoger onderwijs en, waar nodig, aanvullende deelnemende organisaties uit andere sociaaleconomische sectoren die beschikken over het vereiste profiel, de nodige ervaring en deskundigheid om het project in elk opzicht met succes te voltooien;
  • de consortiumcoördinator ervaringen heeft opgedaan met het beheer van een consortium of een soortgelijk project;
  • de rollen, verantwoordelijkheden en taken/middelen duidelijk verdeeld zijn, en die verdeling wijst op de inzet en actieve bijdrage van alle deelnemende organisaties;
  • de taken/middelen worden gebundeld en gedeeld;
  • de verantwoordelijkheden voor contractuele kwesties en kwesties van financieel beheer duidelijk omschreven zijn;
  • bij het consortium ook nieuwe deelnemers aan de actie betrokken zijn.

Kwaliteit met betrekking tot ontwerp en uitvoering van consortiumactiviteiten

(maximaal 20 punten)

 

  • De duidelijkheid, volledigheid en kwaliteit van alle fasen in een mobiliteitsproject (voorbereiding, uitvoering van mobiliteitsactiviteiten en follow-up);
  • De kwaliteit van de praktische regelingen, wijze van beheer en ondersteuning (bijvoorbeeld ontvangende organisaties zoeken, onderlinge afstemming, informatie, taalkundige en interculturele ondersteuning, toezicht);
  • De kwaliteit van samenwerking, coördinatie en communicatie, niet alleen tussen de deelnemende organisaties, maar ook met andere relevante belanghebbenden;
  • Voor zover van toepassing, de kwaliteit van regelingen met het oog op de erkenning en validering van leerresultaten van de deelnemers, alsook het consistente gebruik van Europese instrumenten voor transparantie en erkenning;
  • Indien van toepassing, de geschiktheid van maatregelen om deelnemers aan de mobiliteitsactiviteiten te selecteren en om kansarmen aan te zetten tot deelname aan mobiliteitsactiviteiten.

Effect en verspreiding

(maximaal 30 punten)

 

  • De kwaliteit van de maatregelen om de resultaten van de door het consortium geleide activiteiten te evalueren;
  • De potentiële effecten van het project:
    • op deelnemers en deelnemende organisaties tijdens en na afloop van het project;
    • buiten de organisaties en personen die rechtstreeks deelnemen aan het project, op institutioneel, lokaal, regionaal, nationaal en/of internationaal niveau.
  • De geschiktheid en kwaliteit van maatregelen met het oog op de verspreiding van de resultaten van de door het consortium geleide activiteiten, zowel binnen de deelnemende organisaties en bij partners, als elders.

 

Om voor accreditatie in aanmerking te komen, moeten de voorstellen een minimumscore van in totaal 60 punten behalen. Bovendien moeten de voorstellen een score behalen van minstens de helft van het maximumaantal punten voor elk toekenningscriterium.

 

Wat moet u nog weten over deze actie?

Meer specifieke regels en criteria alsook aanvullende nuttige informatie over deze actie zijn terug te vinden in bijlage I bij deze gids. Belangstellende organisaties wordt verzocht de relevante delen van deze bijlage aandachtig te lezen voordat ze financiële steun aanvragen.

 

Wat zijn de financieringsregels?

De aanvragers van mobiliteitsprojecten voor hogeronderwijsstudenten en -personeel moeten de volgende gegevens vermelden in het aanvraagformulier:

  • het aantal studenten en personeelsleden dat naar verwachting aan mobiliteitsactiviteiten zal deelnemen;
  • de totale duur van de geplande mobiliteitsactiviteiten.

Op basis daarvan kennen de nationale agentschappen van de programmalanden de aanvragers een subsidie toe ter ondersteuning van een bepaald aantal mobiliteitsactiviteiten, tot het maximumaantal dat de aanvrager heeft opgegeven in zijn aanvraag.

Om een aanvraag in te dienen voor mobiliteitsprojecten met partnerlanden, vult de aanvrager een afzonderlijk formulier in met betrekking tot mobiliteit van en naar partnerlanden.

Voor mobiliteit met partnerlanden wordt een afzonderlijke subsidie toegekend.

Wat de financiële steun voor deze activiteiten betreft, zijn de volgende regels van toepassing:

 

A) Financieringsregels die gelden voor alle mobiliteitsactiviteiten

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Organisatorische steun

Kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van mobiliteitsactiviteiten (exclusief verblijf- en reiskosten voor deelnemers)

Tegemoetkoming in de kosten per eenheid

In geval van mobiliteit tussen programmalanden: tot en met de 100ste deelnemer: 350 EUR per deelnemer, en na de 100ste deelnemer: 200 EUR per extra deelnemer

In geval van mobiliteit tussen programma- en partnerlanden: 350 EUR per deelnemer

Op basis van het aantal deelnemers aan mobiliteitsprojecten

Steun voor personen met specifieke behoeften

Extra kosten die rechtstreeks verband houden met deelnemers met specifieke behoeften

Werkelijke kosten

Maximaal 100 % van de subsidiabele kosten, zoals goedgekeurd door het nationaal agentschap.  

Voorwaardelijk: na het selecteren van deelnemers moet het verzoek om financiële steun gemotiveerd en naar behoren gerechtvaardigd worden in een specifiek aanvraagformulier

Buitengewone kosten

Kosten voor een financiële garantie, indien het nationaal agentschap daarom verzoekt.

In geval van mobiliteit tussen programmalanden: Hoge reiskosten van deelnemers.

Werkelijke kosten

Kosten voor financiële garantie: 75% van de subsidiabele kosten

Hoge reiskosten: maximaal 80 % van de subsidiabele reiskosten

Voorwaardelijk: na het selecteren van deelnemers moet het verzoek om financiële steun gemotiveerd en naar behoren gerechtvaardigd worden

 

Organisatorische subsidiesteun voor de begunstigde (instellingen voor hoger onderwijs of consortia):

De organisatorische subsidiesteun is een tegemoetkoming in door de instellingen gemaakte kosten voor activiteiten ter ondersteuning van inkomende en uitgaande studenten- en personeelsmobiliteit, teneinde te voldoen aan het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs, in het geval van programmalanden, en aan de beginselen van het ECHE zoals die in de interinstitutionele akkoorden zijn weergegeven, in het geval van instellingen uit partnerlanden. Bijvoorbeeld:

  • organisatorische regelingen met partnerinstellingen, inclusief bezoeken aan potentiële partners, teneinde overeenstemming te bereiken over de voorwaarden van de interinstitutionele regelingen inzake selectie, voorbereiding, opvang en integratie van deelnemers aan mobiliteit; en die interinstitutionele regelingen up-to-date te houden;
  • geactualiseerde studiegidsen verstrekken voor internationale studenten;
  • studenten en personeel voorlichten en bijstaan;
  • studenten en personeel selecteren;
  • studieovereenkomsten voorbereiden met het oog op de volledige erkenning van de onderwijscomponenten van studenten; voorbereiding en erkenning van mobiliteitsovereenkomsten voor personeel;
  • taalkundige en interculturele voorbereiding ten behoeve van inkomende en uitgaande studenten en personeelsleden, aanvullend op de taalkundige onlineondersteuning van Erasmus+;
  • de integratie van inkomende deelnemers aan mobiliteit in de IHO vergemakkelijken;
  • zorgen voor efficiënte regelingen inzake mentorschap en supervisie van deelnemers aan mobiliteit;
  • specifieke regelingen treffen om de kwaliteit van bedrijfsstages voor studenten te waarborgen;
  • zorgen voor de erkenning van onderwijscomponenten en bijbehorende studiepunten, uitreiken van officiële verklaringen en diplomasupplementen;
  • ondersteunen van de re-integratie van deelnemers aan mobiliteit en voortbouwen op nieuw verworven competenties ten behoeve van de IHO's en gelijkwaardige instellingen.

Zowel instellingen voor hoger onderwijs uit programmalanden als die uit partnerlanden verbinden zich ertoe alle in het handvest vervatte beginselen na te leven teneinde een hoogwaardige mobiliteit te waarborgen, onder meer door ervoor te zorgen dat: "uitgaande deelnemers aan mobiliteit terdege voorbereid zijn op de mobiliteit en tevens beschikken over het vereiste taalvaardigheidsniveau beschikken" en "geschikte taalkundige ondersteuning te verstrekken aan inkomende deelnemers aan mobiliteit". Daarbij kan nuttig gebruik worden gemaakt van bestaande voorzieningen in instellingen voor taalopleiding. IHO's die kunnen instaan voor hoogwaardige studenten- en personeelsmobiliteit, met inbegrip van taalkundige ondersteuning, tegen een lagere prijs (of omdat er financiële steun beschikbaar is uit andere financieringsbronnen dan die van de Europese Unie), zouden de mogelijkheid hebben een deel van de organisatorische subsidiesteun over te dragen om meer mobiliteitsactiviteiten te financieren. In de subsidieovereenkomst wordt aangegeven welke flexibiliteit in dit verband wordt geboden.

De begunstigden zijn hoe dan ook contractueel verplicht dergelijke hoogwaardige diensten te verstrekken. De nationale agentschappen oefenen toezicht en controle uit op hun prestaties. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de feedback die studenten en personeelsleden geven via het mobiliteitsinstrument Mobility Tool+ en die rechtstreeks kan worden geraadpleegd door de nationale agentschappen en de Commissie.

In geval van mobiliteit tussen programmalanden wordt de organisatorische subsidiesteun berekend op basis van het totale aantal ondersteunde uitgaande deelnemers aan mobiliteit (inclusief deelnemers aan mobiliteit van wie de EU-subsidie voor de gehele mobiliteitsperiode op nihil is vastgesteld - zie hieronder) en inkomende personeelsleden van ondernemingen die lesgeven in een IHO, die de begunstigde of een lid van het nationale mobiliteitsconsortium is. Deelnemers aan mobiliteit van wie de EU-subsidie voor de gehele mobiliteitsperiode op nihil is vastgesteld, worden gerekend als ondersteunde deelnemers aan mobiliteit omdat zij profiteren van het mobiliteitskader en de organisatorische activiteiten. Bijgevolg wordt organisatorische steun ook voor deze deelnemers betaald.

In geval van mobiliteit tussen programma- en partnerlanden, wordt de organisatorische subsidiesteun berekend op basis van het totale aantal toegekende mobiliteitsactiviteiten, waaronder het totale aantal ondersteunde uitgaande deelnemers aan mobiliteit uit programmalanden en het totale aantal inkomende deelnemers aan mobiliteit uit partnerlanden. Deelnemers aan mobiliteit waarvan de EU-subsidie voor de gehele mobiliteitsperiode op nihil is vastgesteld, kunnen worden gerekend als ondersteunde deelnemers aan mobiliteit omdat zij profiteren van het mobiliteitskader en de organisatorische activiteiten.  Dit geldt niet voor personen die deelnemers begeleiden tijdens hun activiteiten in het buitenland en de extra mobiliteitsactiviteiten die kunnen worden georganiseerd door de overdracht van middelen tussen de begrotingscategorieën.

Voor nationale mobiliteitsconsortia kan deze subsidie worden verdeeld onder alle nationale leden volgens de regels die zij in onderling overleg hebben vastgesteld. In geval van mobiliteit tussen partner- en programmalanden wordt de organisatorische subsidiesteun verdeeld door de betrokken partners op een door de deelnemende instellingen onderling overeengekomen wijze.

Deelnemers aan mobiliteit van wie de EU-subsidie op nihil is vastgesteld

Studenten en personeelsleden van wie de EU-subsidie op nihil is vastgesteld, zijn deelnemers aan mobiliteit die weliswaar geen EU-subsidie krijgen voor reis- en verblijfkosten, maar niettemin voldoen aan alle criteria inzake studenten- en personeelsmobiliteit en alle voordelen voor studenten en personeelsleden genieten op grond van het Erasmus+-programma. Zij kunnen regionale, nationale of andere subsidies ontvangen als tegemoetkoming in hun mobiliteitskosten. Het aantal deelnemers aan mobiliteit van wie de EU-subsidie voor de gehele mobiliteitsperiode op nihil is vastgesteld, wordt meegerekend in de statistieken voor de prestatie-indicator waarop de toewijzing van EU-begrotingsmiddelen aan de landen wordt gebaseerd, en dit zowel voor mobiliteit tussen programmalanden als voor mobiliteit tussen programma- en partnerlanden.

Steun voor personen met specifieke behoeften

Een persoon met specifieke behoeften is een mogelijke deelnemer die in een zodanige lichamelijke, geestelijke of gezondheidstoestand verkeert dat hij/zij zonder extra financiële steun niet aan het project of de mobiliteitsactie kan deelnemen. Instellingen voor hoger onderwijs die studenten en/of personeelsleden met specifieke behoeften hebben geselecteerd, kunnen bij het nationaal agentschap aanvullende subsidiesteun aanvragen om de extra uitgaven voor hun deelname aan de mobiliteitsactiviteiten te dekken. Aan personen met specifieke behoeften kan bijgevolg meer subsidiesteun worden verleend dan de hieronder vermelde maximumwaarden van de individuele subsidiebedragen. Op hun website leggen de instellingen voor hoger onderwijs uit hoe studenten en personeelsleden met specifieke behoeften deze aanvullende subsidiesteun kunnen aanvragen.

Voor extra financiële steun ten behoeve van studenten en personeelsleden met specifieke behoeften kan ook worden geput uit andere lokale, regionale en/of nationale financieringsbronnen.

Begeleiders van studenten en van personeelsleden met specifieke behoeften hebben recht op een vergoeding gebaseerd op de reële kosten.

Door het Erasmus-handvest voor hoger onderwijs te ondertekenen, verbinden de instellingen voor hoger onderwijs zich ertoe te zorgen voor gelijke toegang en kansengelijkheid voor alle deelnemers, ongeacht hun achtergrond. Daarom kunnen studenten en personeel met specifieke behoeften ook gebruikmaken van de ondersteunende diensten die de ontvangende instelling de plaatselijke studenten en personeelsleden aanbiedt.

Buitengewone kosten voor dure reizen

Alleen de deelnemers die in aanmerking komen voor een standaardreissubsidie komen in aanmerking voor buitengewone kosten voor hoge reiskosten:

Begunstigden van mobiliteitsprojecten kunnen financiële steun aanvragen voor hoge reiskosten van deelnemers onder de begrotingsrubriek “buitengewone kosten” (tot een maximum van 80% van het totaal aan subsidiabele kosten: zie ook “Wat zijn de financieringsregels?”). Dit zal worden toegestaan op voorwaarde dat de begunstigde kan aantonen dat volgens de standaardfinancieringsregels (gebaseerd op de eenheidskosten per reisafstand) niet minimaal 70% van de reiskosten van de deelnemers is gedekt. Indien deze worden toegekend, vervangen de buitengewone kosten voor dure reizen de standaardreissubsidie.

Andere financieringsbronnen

Studenten en personeelsleden kunnen in aanvulling op de EU-subsidie of ter vervanging van de EU-subsidie (deelnemers aan mobiliteit van wie de EU-subsidie op nihil is vastgesteld) regionale, nationale of andere steun krijgen die wordt beheerd door een andere organisatie dan het nationaal agentschap (bijvoorbeeld ministeries of regionale overheden). De in deze gids vermelde bedragen en boven- en ondergrenzen zijn niet van toepassing op dergelijke subsidies uit andere financieringsbronnen dan de EU-begroting.

 

B) Subsidie ter ondersteuning van studentenmobiliteit

Studenten kunnen een EU-subsidie ontvangen als tegemoetkoming in hun reis- en verblijfkosten tijdens de studie- of stageperiode in het buitenland. Deze bedragen worden vastgesteld door de nationale agentschappen in overleg met de nationale autoriteiten en/of de instellingen voor hoger onderwijs op basis van objectieve en transparante criteria die hieronder worden uiteengezet. De exacte bedragen worden gepubliceerd op de websites van de nationale agentschappen en/of de instellingen voor hoger onderwijs.

De programmalanden worden onderverdeeld in de volgende drie groepen:

Groep 1

Programmalanden met hoge kosten voor levensonderhoud

Denemarken, Finland, IJsland, Ierland, Luxemburg, Zweden, Verenigd Koninkrijk, Liechtenstein, Noorwegen

Groep 2

Programmalanden met middelhoge kosten voor levensonderhoud

Oostenrijk, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Griekenland, Spanje, Cyprus, Nederland, Malta, Portugal

Groep 3

Programmalanden met lage kosten voor levensonderhoud

Bulgarije, Kroatië, Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië, Servië, Slowakije, Slovenië, Republiek Noord-Macedonië, Turkije

 

Mobiliteit tussen programmalanden – Criterium 1 – Uitzendend en ontvangend land van de student

De aan studenten toegekende EU-subsidie hangt af van de mobiliteitsstroom, te weten:

  • mobiliteit naar een land met vergelijkbare kosten voor levensonderhoud: de studenten krijgen de EU-subsidie in het middensegment;
  • mobiliteit naar een land met een hogere kosten voor levensonderhoud: de studenten krijgen de EU-subsidie in het bovensegment;
  • mobiliteit naar een land met lagere kosten voor levensonderhoud: de studenten krijgen de EU-subsidie in het ondersegment.

De door de nationale agentschappen bepaalde bedragen worden vastgesteld binnen de volgende boven- en ondergrenzen:

  • EU-subsidie in het middensegment: het middensegment, met subsidies tussen 220 en 470 EUR per maand, is van toepassing op activiteiten voor mobiliteit naar een land met vergelijkbare kosten voor levensonderhoud: a) van landen uit groep 1 naar landen uit groep 1, b) van landen uit groep 2 naar landen uit groep 2 en c) van landen uit groep 3 naar landen uit groep 3.
  • EU-subsidie in het bovensegment: komt overeen met het door het nationale agentschap toegepaste middensegment, vermeerderd met minstens 50 EUR, en ligt tussen 270 en 520 EUR per maand. Dit is van toepassing op activiteiten voor mobiliteit naar een land met hogere kosten voor levensonderhoud: a) van landen uit groep 2 naar landen uit groep 1 en b) van landen uit groep 3 naar landen uit groep 1 en 2.
  • EU-subsidie in het ondersegment: komt overeen met het door het nationale agentschap toegepaste middensegment, verminderd met minstens 50 EUR, en ligt tussen 170 en 420 EUR per maand. Dit is van toepassing op activiteiten voor mobiliteit naar een land met lagere kosten voor levensonderhoud: a) van landen uit groep 1 naar landen uit groep 2 en 3 en b) van landen uit groep 2 naar landen uit groep 3.

De nationale agentschappen houden rekening met twee specifieke criteria om te bepalen welke bedragen van toepassing zijn op de begunstigden in hun land:

  • de beschikbaarheid en omvang van andere medefinancieringsbronnen van publieke of particuliere organen op lokaal, regionaal of nationaal niveau ter aanvulling van de EU-subsidie;
  • de algemene vraag bij studenten die van plan zijn in het buitenland te studeren of een opleiding te volgen.

De nationale agentschappen mogen hun instellingen voor hoger onderwijs meer armslag geven door grenzen vast te stellen in plaats van bedragen op nationaal niveau. Dit besluit moet berusten op gerechtvaardigde gronden, bijvoorbeeld in landen waar op regionaal of institutioneel niveau medefinanciering beschikbaar is.

 

Mobiliteit tussen programmalanden – Criterium 2 - Extra steun voor specifieke doelgroepen, activiteiten en uitzendende landen/gebieden

Studenten uit kansarme milieus (niet zijnde studenten met specifieke behoeften)

Samen met de nationale agentschappen die verantwoordelijk zijn voor uitvoering van Erasmus+ in een bepaald programmaland kunnen de nationale autoriteiten beslissen (waarbij zij, afhankelijk van de steun die al op nationaal niveau wordt verstrekt, kunnen kiezen of al dan niet aanvullende steun wordt verleend) dat alle IHO's in hun land de individuele EU-subsidiesteun ten behoeve van studenten uit kansarme milieus (waaronder vluchtelingen, asielzoekers en migranten) moeten aanvullen met een afzonderlijk bedrag tussen 100 en 200 EUR per maand. De exacte omvang van het afzonderlijke maandelijkse bedrag en de toe te passen criteria worden op nationaal niveau vastgesteld door de nationale autoriteiten.

Studenten die een stage volgen

Studenten die een stage volgen ontvangen in aanvulling op de EU-subsidie een bedrag tussen 100 en 200 EUR per maand. De exacte omvang wordt bepaald door de nationale agentschappen en/of instellingen voor hoger onderwijs afhankelijk van de vraag naar en het medefinancieringsniveau voor dit soort mobiliteit. Alle studenten in dezelfde instelling voor hoger onderwijs moeten hoe dan ook steun van gelijke omvang krijgen, ongeacht eventuele aanvullingen en/of bijdragen in natura die de student van het gastbedrijf ontvangt. Studenten uit kansarme milieus die stage lopen, komen in aanmerking voor de aanvullende steun voor studenten uit kansarme milieus in plaats van voor de aanvullende steun voor stages, als deze laatste lager is.

Studenten uit de ultraperifere programmalanden en regio's en LGO
Gezien de problemen in verband met de grote afstand van andere programmalanden ontvangen de studenten uit ultraperifere gebieden, Cyprus, IJsland, Malta en landen of gebieden overzee (LGO) de volgende hogere bedragen als individuele steun:

Van

Naar

Bedrag

Ultraperifere regio's, Cyprus, IJsland en Malta, landen of gebieden overzee

Landen uit groep 1

770 EUR per maand

Landen uit groep 2

720 EUR per maand

Landen uit groep 3

670 EUR per maand

 

Behalve de hierboven genoemde bedragen voor individuele steun ontvangen studenten van deze landen de volgende aanvullende bedragen om hen te helpen hun reiskosten te dekken:

Reisafstanden11

Bedrag

Tussen 10 en 99 km:

20 EUR per deelnemer

Tussen 100 en 499 km:

180 EUR per deelnemer

Tussen 500 en 1 999 km:

275 EUR per deelnemer

Tussen 2 000 en 2 999 km:

360 EUR per deelnemer

Tussen 3 000 en 3 999 km:

530 EUR per deelnemer

Tussen 4 000 en 7 999 km:

820 EUR per deelnemer

8 000 km of meer:

1 500 EUR per deelnemer

 

In dit geval is de aanvulling voor stages of studenten uit kansarme milieus niet van toepassing.

Door de instellingen voor hoger onderwijs bepaalde omvang van de financiële steun

De instellingen voor hoger onderwijs moeten hoe dan ook de volgende beginselen en criteria in acht nemen bij het bepalen en/of toepassen van de EU-steunbedragen in hun instelling:

  • Eens de bedragen zijn vastgelegd, mogen die niet veranderen tijdens de duur van het mobiliteitsproject. Het is niet mogelijk om de hoogte van de beurzen binnen hetzelfde project te verhogen of te verlagen. 
  • De steunbedragen moeten op objectieve en transparante wijze worden bepaald en/of toegepast met inachtneming van alle hierboven toegelichte beginselen en methoden (dat wil zeggen rekening houdend met de mobiliteitsstroom en aanvullende specifieke financiering);
  • Met uitzondering van de studenten uit kansarme milieus of studenten met specifieke behoeften moet de toegekende subsidie gelijk zijn in omvang voor alle studenten die zich naar dezelfde groep landen verplaatsen voor hetzelfde soort mobiliteit, dat wil zeggen om te studeren of om een stage te volgen.

Mobiliteit tussen programma- en partnerlanden 

De bedragen voor individuele steun worden als volgt vastgesteld:

Van

Naar

Bedrag

Begunstigde partnerlanden

Programmalanden uit groep 1

900 EUR per maand

Programmalanden uit groep 2

850 EUR per maand

Programmalanden uit groep 3

800 EUR per maand

Programmalanden

Partnerlanden

700 EUR per maand

 

 

Daarnaast worden de volgende aanvullende bedragen toegekend aan studenten die naar partnerlanden gaan of uit partnerlanden komen om hen te helpen hun reiskosten te dekken:

Reisafstanden12

Bedrag

Tussen 10 en 99 km: 20 EUR per deelnemer

Tussen 100 en 499 km:

180 EUR per deelnemer

Tussen 500 en 1 999 km:

275 EUR per deelnemer

Tussen 2 000 en 2 999 km:

360 EUR per deelnemer

Tussen 3 000 en 3 999 km:

530 EUR per deelnemer

Tussen 4 000 en 7 999 km:

820 EUR per deelnemer

8 000 km of meer:

1 500 EUR per deelnemer

Extra steun voor specifieke doelgroepen, activiteiten en uitzendende landen/gebieden

Studenten uit kansarme milieus (niet zijnde studenten met specifieke behoeften)

Samen met de nationale agentschappen die verantwoordelijk zijn voor uitvoering van Erasmus+ in een bepaald programmaland kunnen de nationale autoriteiten beslissen (waarbij zij, afhankelijk van de steun die al op nationaal niveau wordt verstrekt, kunnen kiezen of al dan niet aanvullende steun wordt verleend) dat alle IHO's in hun land de individuele EU-subsidiesteun ten behoeve van studenten uit kansarme milieus (waaronder vluchtelingen, asielzoekers en migranten) moeten aanvullen met een afzonderlijk bedrag tussen 100 en 200 EUR per maand. De exacte omvang van het afzonderlijke maandelijkse bedrag en de toe te passen criteria worden op nationaal niveau vastgesteld door de nationale autoriteiten.

C) Subsidie ter ondersteuning van personeelsmobiliteit

De volgende EU-subsidie wordt toegekend aan personeelsleden als tegemoetkoming in hun reis- en verblijfkosten tijdens de in het buitenland doorgebrachte periode:

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Reiskosten

Tegemoetkoming in de kosten die deelnemers maken om van de plaats van oorsprong te reizen naar de locatie van de activiteit en terug

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Voor een reisafstand tussen 10 en 99 km: 
20 EUR per deelnemer

Op basis van de reisafstand per deelnemer. De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening13. De aanvrager moet de afstand van een enkele reis vermelden voor de berekening van het EU-subsidiebedrag voor de heen- en terugreis14

 

Voor een reisafstand tussen 100 en 499 km:

180 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 500 en 1 999 km:

275 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 2 000 en 2 999 km:

360 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 3 000 en 3 999 km:

530 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand tussen 4 000 en 7 999 km:

820 EUR per deelnemer

Voor een reisafstand van 8 000 km of meer:

1 500 EUR per deelnemer

Individuele

steun

Kosten die rechtstreeks verband houden met het verblijf van de deelnemers tijdens de activiteit

Tegemoetkoming in de eenheidskosten

Tot en met de 14e dag van de activiteit: A1.1 per dag per deelnemer, indien het gaat om mobiliteit tussen programmalanden, of A1.2 indien het gaat om mobiliteit tussen programma- en partnerlanden

+

tussen de 15e en 60e dag van de activiteit: 70 % van A1.1 per dag per deelnemer, indien het gaat om mobiliteit tussen programmalanden, of A1.2 indien het gaat om mobiliteit tussen programma- en partnerlanden

Op basis van de verblijfsduur per deelnemer (indien nodig, met inbegrip van één reisdag vóór de activiteit en één reisdag na de activiteit).

Tabel A – Individuele steun (bedragen in euro per dag)

De bedragen hangen af van het ontvangende land. Deze bedragen worden vastgesteld binnen de in de onderstaande tabel aangegeven boven- en ondergrens. De nationale agentschappen houden in overleg met de nationale autoriteiten rekening met twee specifieke criteria om te bepalen welke bedragen van toepassing zijn op de begunstigden in hun land:

  • de beschikbaarheid en omvang van andere medefinancieringsbronnen van publieke of particuliere organen op lokaal, regionaal of nationaal niveau ter aanvulling van de EU-subsidie;
  • de algemene vraag bij personeelsleden die van plan zijn in het buitenland les te geven of een opleiding te volgen.

Op alle landen van bestemming moet hetzelfde percentage binnen de boven- en ondergrens worden toegepast. Het is niet mogelijk om voor alle landen van bestemming hetzelfde bedrag te geven.

 

Personeel uit programmalanden

Personeel uit partnerlanden

Ontvangend land

 

Boven-/ondergrens (per dag)

Bedrag (per dag)

 

A1.1

A1.2

Noorwegen, Denemarken, Luxemburg, Verenigd Koninkrijk, IJsland, Zweden, Ierland, Finland, Liechtenstein

80-180

180

 Nederland, Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Cyprus, Griekenland, Malta, Portugal

70-160

160

Slovenië, Estland, Letland, Kroatië, Slowakije, Tsjechië, Litouwen, Turkije, Hongarije, Polen, Roemenië, Bulgarije, de Republiek Noord-Macedonië, Servië

60-140

140

Partnerlanden

180

Niet subsidiabel

 

De nationale agentschappen mogen hun instellingen voor hoger onderwijs meer armslag geven voor mobiliteitsactiviteiten tussen programmalanden door grenzen vast te stellen in plaats van bedragen op nationaal niveau. Dit besluit moet berusten op gerechtvaardigde gronden, bijvoorbeeld in landen waar op regionaal of institutioneel niveau medefinanciering beschikbaar is. De exacte bedragen worden gepubliceerd op de websites van elk nationaal agentschap en de instellingen voor hoger onderwijs.

  • 1. Het volgen van cursussen in een instelling voor hoger onderwijs (IHO) wordt niet beschouwd als een stage.
  • 2. Een stage wordt beschouwd als een "stage in digitale vaardigheden" wanneer een of meer van de volgende activiteiten wordt uitgeoefend door de stagiair: digitale marketing (bijvoorbeeld beheer van sociale media, website analytics); digitaal grafisch, mechanisch of bouwkundig ontwerp; ontwikkeling van apps, software, scenario's of websites; installatie, onderhoud en beheer van IT-systemen en -netwerken; cyberveiligheid; data-analyse, gegevensexploitatie en -weergave; programmering en training van robots en toepassingen binnen de artificiële intelligentie. Algemene klantenondersteuning, orderverwerking, gegevensinvoer of kantoortaken zijn niet in aanmerking genomen in deze categorie.
  • 3. De volgende soorten organisaties komen niet in aanmerking als ontvangende organisaties in het kader van studentenstages: EU-instellingen en andere EU-organen, waaronder gespecialiseerde agentschappen (een volledige lijst is te vinden op de website https://europa.eu/european-union/about-eu/institutions-bodies_nl); organisaties die EU-programma's beheren, zoals Nationale Erasmus+-agentschappen (om mogelijke belangenconflicten en/of dubbele financiering te voorkomen)
  • 4. Minimale duur van een studie is 3 maanden, of 1 academische termijn of kwartaal.
  • 5. Eerder opgedane ervaring in het kader van het Erasmus-programma Een leven lang leren en/of als Erasmus Mundus-beursstudent telt mee voor de 12 maanden per studiecyclus.
  • 6. In studieprogramma's bestaande uit één cyclus, zoals geneeskunde, kunnen de studenten maximaal 24 maanden mobiel zijn.
  • 7. In het geval van campussen die afhankelijk zijn van de moederinstelling en onder hetzelfde ECHE vallen, is het land waar de moederinstelling is gelegen het uitzendende land. Daarom is het niet mogelijk Erasmus+-mobiliteitsactiviteiten te organiseren tussen campussen en de moederinstelling die onder hetzelfde ECHE vallen.
  • 8. Uitsluitend indicatief. Met inachtneming van de bepalingen van de herziene partnerschapsovereenkomst van Cotonou en het meerjarig financieel kader 2014-2020.
  • 9. Zie deel A van deze gids onder "Begunstigde landen".
  • 10. Mobiliteit in beide richtingen
  • 11. Op basis van de reisafstand per deelnemer. De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening (https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/distance-calculator_nl). De afstand van een enkele reis moet worden gebruikt om het bedrag van de EU-subsidie voor de heen- en terugreis te berekenen.
  • 12. Op basis van de reisafstand per deelnemer. De reisafstand moet worden berekend met behulp van het door de Europese Commissie ondersteunde instrument voor afstandsberekening (https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/distance-calculator_nl). De afstand van een enkele reis moet worden gebruikt om het bedrag van de EU-subsidie voor de heen- en terugreis te berekenen.
  • 13. https://ec.europa.eu/programmes/erasmus-plus/resources/distance-calculator_nl
  • 14. Indien iemand uit Madrid (Spanje) bijvoorbeeld meedoet aan een activiteit in Rome (Italië), moet de aanvrager a) de afstand van Madrid naar Rome berekenen (1 365,28 km); b) de toepasselijke reisafstandcategorie selecteren (bv. tussen 500 en 1 999 km) en c) de EU-subsidie die een bijdrage zal leveren aan de reiskosten van de deelnemer van Madrid naar Rome en terug berekenen (275 EUR).