Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Jean Monnet-steun aan verenigingen

Deze Jean Monnet-actie ondersteunt verenigingen die specifiek tot doel hebben een bijdrage te leveren aan het bestuderen van het Europese-integratieproces. Dergelijke verenigingen moeten interdisciplinair zijn en openstaan voor alle belangstellende professoren, docenten en onderzoekers die zich specialiseren in EU-kwesties in de betrokken landen of regio's.

Ze moeten representatief zijn voor de academische gemeenschap op het gebied van EU-studies op regionaal, nationaal of supranationaal niveau.

Welke activiteiten worden ondersteund door deze actie?

Tijdens de subsidieperiode kunnen de verenigingen doorgaans een breed scala aan activiteiten ontplooien, zoals:

  • het organiseren en uitvoeren van wettelijk voorgeschreven werkzaamheden van verenigingen die zich bezighouden met EU-studies en EU-kwesties (bijvoorbeeld nieuwsbrieven publiceren, websites opzetten, jaarlijkse bestuursvergaderingen organiseren, specifieke promotie-evenementen op touw zetten met het doel meer bekendheid te geven aan EU-onderwerpen enzovoort);
  • het verrichten van onderzoek naar specifieke Europese vraagstukken om lokale, regionale, nationale en Europese beleidsmakers van advies te voorzien en het verspreiden van de resultaten onder de bij deze vraagstukken betrokken instellingen, met inbegrip van de EU-instellingen en het grote publiek om aldus actief burgerschap te stimuleren.

Wat is de rol van verenigingen?

Jean Monnet-verenigingen moeten fungeren als ijkpunt in de door hen bestreken EU-domeinen.

Er is voor hen een rol weggelegd als multiplicator. Zij verspreiden kennis en dragen ook bij aan het verzamelen en benutten van informatie; verder voeren ze analyses uit en bieden ze een visie op specifieke onderwerpen.

De verenigingen dragen de eindverantwoordelijkheid voor hun voorstellen. Ze zijn verplicht de in hun werkprogramma beschreven activiteiten uit te voeren tijdens de volledige subsidieperiode.

Welke criteria worden gehanteerd om Jean Monnet-steun aan verenigingen te evalueren?

Hieronder worden de formele criteria opgesomd waaraan verenigingen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Erasmus+-programma:

Subsidiabiliteitscriteria

Wie kan een aanvraag indienen?

Elke vereniging van professoren en onderzoekers met een specialisatie in EU-studies en gevestigd in een willekeurig land over de hele wereld.

De vereniging moet specifiek tot doel hebben een bijdrage te leveren aan het bestuderen van het Europese-integratieproces op nationaal of transnationaal niveau.

De vereniging moet interdisciplinair zijn.

Er wordt alleen steun verleend aan officieel geregistreerde verenigingen met een onafhankelijke rechtsstatus.

Natuurlijke personen kunnen niet rechtstreeks een subsidie aanvragen.

Projectduur

Drie jaar

Waar aanvragen?

Bij het in Brussel gevestigde Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 22 februari om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan op 1 september van datzelfde jaar.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

Toekenningscriteria

Projecten worden beoordeeld op grond van de volgende criteria:

Relevantie van het project

(maximaal 25 punten)

  • De mate waarin het voorstel relevant is voor:
  • de doelstellingen en prioriteiten van de actie (zie onder "Wat is het doel van Jean Monnet-acties?" en "Wat is Jean Monnet-steun aan verenigingen?").
  • De mate waarin het voorstel:
  • geschikt is ter ondersteuning van de activiteiten binnen het statutaire werkterrein van de vereniging en ter bevordering van onderzoek over EU-kwesties;
  • advies aan beleidsmakers op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau ten goede komt.
  • De relevantie van het voorstel voor de prioritaire doelen van de actie:
  • verenigingen die nog geen financiële steun krijgen in het kader van de Jean Monnet-activiteiten.

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering

(maximaal 25 punten)

  • De duidelijkheid, volledigheid en kwaliteit van het werkprogramma, met inbegrip van geschikte fasen ter voorbereiding, uitvoering, evaluatie, follow-up en verspreiding.
  • De consistentie tussen de projectdoelstellingen, activiteiten en het voorgestelde budget.
  • De kwaliteit en praktische uitvoerbaarheid van de voorgestelde methode.

Kwaliteit van het projectteam

(maximaal 25 punten)

  • De relevantie van het profiel en de deskundigheid, zowel op wetenschappelijk vlak als daarbuiten, van het vooraanstaande personeel dat betrokken is bij de in het project voorgestelde activiteiten.

Effect en verspreiding

(maximaal 25 punten)

  • De kwaliteit van maatregelen om de resultaten van de activiteiten te evalueren.
  • De potentiële effecten van het project:
  • op de vereniging(en) die deelneemt/deelnemen aan de Jean Monnet-actie;
  • op andere organisaties en beleidsmakers op lokaal, regionaal, nationaal en/of Europees niveau.
  • De geschiktheid en kwaliteit van maatregelen met het oog op de verspreiding van de resultaten van de activiteiten binnen en buiten de vereniging die optreedt als gastorganisatie voor de Jean Monnet-actie.

De voorstellen moeten een minimumscore van 60 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een score van minstens 13 punten behalen in elke categorie van de hierboven vermelde toekenningscriteria.

Wat moet u nog weten over Jean Monnet-steun aan verenigingen?

Verspreiding en effect

De voor deze actie geselecteerde verenigingen dienen de resultaten van hun promotieactiviteiten te verspreiden en te laten benutten buiten het werkterrein van de rechtstreeks betrokken belanghebbenden. Op die manier wordt het effect van de actie gemaximaliseerd en wordt een systemische verandering bewerkstelligd.

Om het effect te vergroten, moeten de verenigingen in hun verspreidingsactiviteiten niet alleen open leermiddelen ontwikkelen en beschikbaar stellen, maar ook open onderwijsactiviteiten ontplooien om gelijke tred te houden met de technologische vooruitgang. Een en ander is bevorderlijk voor flexibelere en creatievere manieren van leren. Bovendien kunnen zo meer studenten, beroepsmensen, beleidsmakers en andere belanghebbende groepen worden bereikt.

Alle verenigingen waaraan een Jean Monnet-subsidie wordt verleend, wordt gevraagd het hen betreffende onderdeel van het specifieke online-instrument voor het Erasmus+-programma te actualiseren. In dit instrument wordt alle informatie over de Jean Monnet-activiteiten bijgehouden. Voorts wordt het ten zeerste aangeraden gebruik te maken van de relevante bestaande platforms en instrumenten (bijvoorbeeld de Jean Monnet-database en de virtuele Jean Monnet-gemeenschap). Deze functies maken deel uit van het overkoepelende IT-instrument voor het Erasmus+-programma en houden het grote publiek geïnformeerd over de verenigingen en de Jean Monnet-activiteiten die zij aanbieden. Bursalen wordt gevraagd dit instrument geregeld te actualiseren met de resultaten van hun werkzaamheden.

Indien het project wordt geselecteerd, gelden de volgende financieringsregels voor de subsidie:

Jean Monnet-Steun Aan Verenigingen

Subsidiabele kosten

Financierings-mechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Activiteitskosten

Subsidiabele directe kosten

  • Personeelskosten
  • Reis- en verblijfkosten
  • Uitbestedingskosten (maximaal 30 % van de subsidiabele directe kosten)
  • Uitrustingskosten (maximaal 10 % van de subsidiabele directe kosten)
  • Overige kosten (met inbegrip van de kosten van verplichte financiële audits/auditcertificaten)

Subsidiabele indirecte kosten
Een vast bedrag van ten hoogste 7 % van de subsidiabele directe projectkosten is subsidiabel als indirecte kosten, zijnde de door de begunstigde gemaakte algemene administratiekosten die niet al worden gedekt door de subsidiabele directe kosten (bv. elektriciteits- of internetkosten, kosten voor lokalen enz.) maar die aan het project kunnen worden toegerekend.

Werkelijke kosten

Maximaal 50 000 EUR

80 % van de totale subsidiabele kosten (tenzij de aanvrager verzoekt om een lager subsidiepercentage).

Voorwaardelijk: de doelstellingen en het werkprogramma moeten duidelijk worden uiteengezet in het aanvraagformulier