Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Jean Monnet-expertisecentra

Wat is een Jean Monnet-expertisecentrum?

Een Jean Monnet-expertisecentrum is een competentie- en kenniscentrum met betrekking tot EU-onderwerpen.

Een Jean Monnet-expertisecentrum bundelt de deskundigheid en competenties van deskundigen op hoog niveau en beoogt synergieën tot stand te brengen tussen de diverse disciplines en hulpbronnen die bestaan voor Europese studies. Verder ontplooit dit centrum gezamenlijke transnationale activiteiten en brengt het structurele banden tot stand met academische instellingen in andere landen. Het maakt ook laagdrempelige toegang mogelijk voor het maatschappelijk middenveld.

Voor Jean Monnet-expertisecentra is een sleutelrol weggelegd bij het bereiken van studenten uit faculteiten die zich doorgaans niet bezighouden met EU-kwesties; ze smeden ook nauwere banden met beleidsmakers, ambtenaren, maatschappelijke organisaties en met het brede publiek.

Welke activiteiten worden ondersteund door deze actie?

Een Jean Monnet-expertisecentrum moet een strategisch driejarenplan ontwikkelen waarin een breed scala aan activiteiten is opgenomen, waaronder:

  • organiseren en coördineren van menselijke hulpbronnen en documentatiehulpmiddelen met betrekking tot EU-studies;
  • leiden van onderzoeksactiviteiten in verband met specifieke EU-onderwerpen;
  • stelselmatig publiceren van resultaten van onderzoeksactiviteiten;
  • ontwikkelen van cursusmateriaal en instrumenten over EU-onderwerpen met het doel de bestaande cursussen en studieprogramma's te actualiseren en aan te vullen (onderwijsfunctie);
  • stimuleren van debatten en uitwisseling van ervaringen over de EU, waar mogelijk in samenwerking met lokale belanghebbenden en/of vertegenwoordigingen van de EU in de lidstaten en EU-delegaties in derde landen (functie als denktank).

Wat is de rol van de organisaties die deelnemen aan een Jean Monnet-expertisecentrum?

Van instellingen voor hoger onderwijs (IHO's) die van plan zijn een Jean Monnet-expertisecentrum op te zetten, wordt verwacht dat zij zich bezinnen over de strategische ontwikkeling daarvan. De IHO's moeten niet alleen begeleiding, maar ook een visie bieden voor de beste experts onder hun onderwijs- en onderzoekspersoneel met het doel synergieën tot stand te brengen die ruimte bieden voor samenwerking op hoog niveau met betrekking tot specifieke EU-onderwerpen. De IHO's moeten de initiatieven van het centrum ondersteunen en promoten, en bijstand verlenen bij de ontwikkeling daarvan.

Instellingen voor hoger onderwijs dienen de activiteiten van een Jean Monnet-expertisecentrum tijdens de gehele looptijd van het project in stand te houden. Indien dat nodig blijkt, moeten ze de academische coördinator vervangen. Indien de instelling verplicht is de oorspronkelijke academische coördinator te vervangen, moet een schriftelijk verzoek om goedkeuring worden toegezonden aan het Uitvoerend Agentschap.

Aan een expertisecentrum kan worden meegewerkt door diverse instellingen en organisaties die in dezelfde stad of regio gevestigd zijn. Het moet hoe dan ook gaan om een duidelijk geprofileerde instelling of organisatie die gespecialiseerd is in EU-studies. Een instelling voor hoger onderwijs moet als gastorganisatie optreden.

Welke criteria worden gehanteerd om een Jean Monnet-expertisecentrum te evalueren?

Hieronder worden de formele criteria opgesomd waaraan een Jean Monnet-expertisecentrum moet voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie uit het Erasmus+-programma:

Subsidiabiliteitscriteria

Wie kan een aanvraag indienen?

Instellingen voor hoger onderwijs (IHO's) die gevestigd zijn in een willekeurig land over de hele wereld. In programmalanden gevestigde IHO's moeten in het bezit zijn van een geldig Erasmus-handvest voor hoger onderwijs (ECHE). Deelnemende IHO's uit partnerlanden hoeven niet in het bezit te zijn van een ECHE.

Natuurlijke personen kunnen niet rechtstreeks een subsidie aanvragen.

Projectduur

Drie jaar.

Waar aanvragen?

Bij het in Brussel gevestigde Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur.

Wanneer aanvragen?

Aanvragers moeten hun subsidieaanvraag uiterlijk indienen op 22 februari om 12 uur 's middags (Belgische tijd) voor projecten die van start gaan op 1 september van datzelfde jaar.

Hoe aanvragen?

In deel C van deze gids wordt uiteengezet hoe de aanvraag wordt ingediend.

Overige criteria

Er kan tegelijkertijd slechts steun worden verleend aan één Jean Monnet-expertisecentrum per instelling voor hoger onderwijs.

Aanvragende organisaties worden getoetst aan de uitsluitings- en selectiecriteria. Zie deel C van deze gids voor meer informatie.

Toekenningscriteria

Projecten worden beoordeeld op grond van de volgende criteria:

Relevantie van het project

(maximaal 25 punten)

  • De mate waarin het voorstel relevant is voor:
  • de doelstellingen en prioriteiten van de actie (zie onder "Wat zijn de doelstellingen van Jean Monnet-acties?" en "Wat is een Jean Monnet-expertisecentrum?").
  • De mate waarin het voorstel:
  • de ontwikkeling van nieuwe onderwijs-, onderzoeks- of debatactiviteiten bevordert;
  • aantoont dat het academische meerwaarde oplevert;
  • Europese studies en EU-kwesties promoot en de zichtbaarheid daarvan vergroot, zowel binnen de instelling die optreedt als gastorganisatie voor de Jean Monnet-activiteiten, als daarbuiten.
  • De relevantie van het voorstel voor de prioritaire doelen van de actie:
  • instellingen of wetenschappers die nog geen financiële steun krijgen in het kader van de Jean Monnet-activiteiten.

Kwaliteit van projectontwerp en -uitvoering

(maximaal 25 punten)

  • De duidelijkheid, volledigheid en kwaliteit van het werkprogramma, met inbegrip van geschikte fasen ter voorbereiding, uitvoering, evaluatie, follow-up en verspreiding;
  • De consistentie tussen de projectdoelstellingen, activiteiten en het voorgestelde budget;
  • De kwaliteit en praktische uitvoerbaarheid van de voorgestelde methode.

Kwaliteit van het projectteam

(maximaal 25 punten)

  • De relevantie van het profiel en de deskundigheid, zowel op wetenschappelijk vlak als daarbuiten, van het vooraanstaande personeel dat betrokken is bij de in het project voorgestelde activiteiten.

Effect en verspreiding

(maximaal 25 punten)

  • De kwaliteit van maatregelen om de resultaten van de onderwijsactiviteiten te evalueren;
  • De potentiële effecten van het project:
  • op de instelling(en) die deelneemt/deelnemen aan de Jean Monnet-actie;
  • op de studenten en lerenden aan wie de Jean Monnet-actie ten goede komt;
  • op andere organisaties en personen die betrokken zijn op lokaal, regionaal, nationaal en/of Europees niveau.
  • De geschiktheid en kwaliteit van maatregelen met het oog op de verspreiding van de resultaten van de activiteiten binnen en buiten de instelling die optreedt als gastorganisatie voor de Jean Monnet-actie;
  • Voor zover van toepassing, de mate waarin het voorstel beschrijft hoe geproduceerde documenten, materiaal en media vrij toegankelijk worden gemaakt en gepromoot onder open licenties zonder dat er onevenredige beperkingen worden opgelegd.

De voorstellen moeten een minimumscore van 60 punten behalen om voor financiële steun in aanmerking te komen. Bovendien moeten de voorstellen een score van minstens 13 punten behalen in elke categorie van de hierboven vermelde toekenningscriteria.

Wat moet u nog weten over een Jean Monnet-expertisecentrum?

Verspreiding en effect

Jean Monnet-expertisecentra dienen de resultaten van de georganiseerde onderwijs- en onderzoeksactiviteiten te verspreiden en te laten benutten buiten het werkterrein van de rechtstreeks betrokken belanghebbenden. Op die manier wordt het effect van de actie gemaximaliseerd en wordt er een systemische verandering bewerkstelligd.

Om het effect te vergroten, moeten de verenigingen in hun verspreidingsactiviteiten niet alleen open leermiddelen ontwikkelen en beschikbaar stellen, maar ook open onderwijsactiviteiten ontplooien om gelijke tred te houden met de technologische vooruitgang. Een en ander is bevorderlijk voor flexibelere en creatievere manieren van leren. Bovendien kunnen zo meer studenten, beroepsmensen, beleidsmakers en andere belanghebbende groepen worden bereikt.

Alle Jean Monnet-expertisecentra wordt gevraagd het hen betreffende onderdeel van het specifieke online-instrument voor het Erasmus+-programma te actualiseren. In dit instrument wordt alle informatie over de Jean Monnet-activiteiten bijgehouden. Voorts wordt het ten zeerste aangeraden gebruik te maken van de relevante bestaande platforms en instrumenten (bijvoorbeeld de Jean Monnet-database en de virtuele Jean Monnet-gemeenschap). Deze functies maken deel uit van het overkoepelende IT-instrument voor het Erasmus+-programma en houden het grote publiek geïnformeerd over de instellingen en de Jean Monnet-cursussen die zij aanbieden. Ontvangers van een subsidie wordt gevraagd dit instrument geregeld te actualiseren met de resultaten van hun werkzaamheden.

Expertisecentra worden aangemoedigd:

  • deel te nemen aan verspreidings- en informatie-evenementen op Europees en nationaal niveau;
  • evenementen te organiseren (lezingen, seminars, workshops enzovoort) met beleidsmakers op lokaal (bijvoorbeeld burgemeesters en raadsleden), regionaal en nationaal niveau, alsook met maatschappelijke organisaties en scholen;
  • de resultaten van hun activiteiten te verspreiden door seminars of colleges te organiseren die zich richten tot en afgestemd zijn op het grote publiek en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;
  • netwerken te vormen met andere expertisecentra, houders van Jean Monnet-leerstoelen, coördinatoren van modules enzovoort;
  • open leermiddelen toe te passen en niet alleen de samenvattingen, de inhoudelijke opzet en het tijdschema van hun activiteiten, maar ook de verwachte resultaten te publiceren.

Wat zijn de financieringsregels?

Indien het project wordt geselecteerd, gelden de volgende financieringsregels voor de subsidie:

Subsidiabele kosten

Financieringsmechanisme

Bedrag

Toewijzingsregel

Activiteitskosten

Subsidiabele directe kosten

  • Personeelskosten
  • Reis- en verblijfkosten
  • Uitbestedingskosten (maximaal 30 % van de subsidiabele directe kosten)
  • Uitrustingskosten (maximaal 10 % van de subsidiabele directe kosten)
  • Onderwijskosten
  • Overige kosten (met inbegrip van de kosten van een verplichte financiële audit/auditcertificaat).

Subsidiabele indirecte kosten

Een vast bedrag van ten hoogste 7 % van de subsidiabele directe projectkosten is subsidiabel als indirecte kosten, zijnde de door de begunstigde gemaakte algemene administratiekosten die niet al worden gedekt door de subsidiabele directe kosten (bv. elektriciteits- of internetkosten, kosten voor lokalen enz.) maar die aan het project kunnen worden toegerekend.

Werkelijke kosten

80 % van de totale subsidiabele kosten

(tenzij de aanvrager verzoekt om een lager subsidiepercentage)

Maximaal 100 000 EUR

Voorwaardelijk: er worden kosten gemaakt die betrekking hebben op de activiteit en noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan.