Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Belangrijkste elementen van het Erasmus+-programma

De volgende elementen van het programma verdienen bijzondere aandacht. Bepaalde elementen worden nader toegelicht op de website van de Commissie.

Erkenning en validering van vaardigheden en kwalificaties

Erasmus+ verleent steun aan de instrumenten van de Europese Unie voor transparantie en erkenning van vaardigheden en kwalificaties, meer in het bijzonder

  • Europass
  • Youthpass
  • het Europees kwalificatiekader (EQF),
  • het Europees studiepuntenoverdrachtsysteem (ECTS),
  • het Europees studiepuntensysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET)
  • het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding (EQAVET),
  • het Europees register voor kwaliteitsborging in het hoger onderwijs (EQAR),
  • de Europese Vereniging voor kwaliteitszorg in het hoger onderwijs (ENQA), 

alsook EU-brede onderwijs- en opleidingsnetwerken die deze instrumenten ondersteunen, met name de netwerken van de nationale informatiecentra voor academische erkenning (NARIC’s), de Euroguidance-netwerken, de nationale Europass-centra en de nationale coördinatiepunten van het Europees kwalificatiekader.

Deze instrumenten hebben een gemeenschappelijk doel, namelijk het vergemakkelijken van de erkenning en het begrip van vaardigheden en kwalificaties, zowel binnen de landsgrenzen als daarbuiten, niet alleen in alle subsystemen van onderwijs en opleiding, maar ook op de arbeidsmarkt, ongeacht of deze verkregen zijn via formeel onderwijs of via formele opleiding of door middel van andere leerervaringen (bijvoorbeeld werkervaring, vrijwilligerswerk of onlineleren). De instrumenten zijn er ook op gericht dat de beleidsmaatregelen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken de doelstellingen van Europa 2020 inzake slimme, duurzame en inclusieve groei en de kerndoelstellingen inzake onderwijs en werkgelegenheid dichterbij brengen door een meer succesvolle integratie op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen en de mobiliteit te vergroten.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken, moeten de beschikbare instrumenten berekend zijn op nieuwe verschijnselen, zoals de internationalisering van het onderwijs en het toenemende gebruik van digitaal leren. Voorts moeten ze bijdragen tot het opzetten van flexibele leertrajecten die afgestemd zijn op de leerbehoeften en -doelen. Daarom kan het in de toekomst nodig blijken de instrumenten aan te passen. Deze aanpassing moet meer samenhang en vereenvoudiging tot stand brengen, zodat lerenden en werknemers zich vrij kunnen verplaatsen om te werken of verder te leren.

Meer informatie is beschikbaar op: http://ec.europa.eu/education/policy/strategic-framework/skills-qualifications_nl.htm  

Verspreiding en benutting van projectresultaten

Een van de essentiële activiteiten in de Erasmus+-projectcyclus betreft de verspreiding en benutting van resultaten. Deze activiteiten stellen deelnemende organisaties in staat de resultaten van hun project kenbaar te maken en te delen, en zo de effecten van dergelijke projecten uit te breiden, de duurzaamheid ervan te verhogen en tegelijk de Europese meerwaarde van Erasmus+ te beklemtonen.

Met het oog op een geslaagde verspreiding en benutting van projectresultaten wordt de bij Erasmus+-projecten betrokken organisaties gevraagd bij het opzetten en uitvoeren van hun project de nodige aandacht te besteden aan deze activiteiten. Qua omvang en intensiteit moeten deze activiteiten in verhouding staan tot de doelstellingen, het toepassingsgebied en de streefdoelen van de verschillende door Erasmus+ bestreken acties.

De met een specifiek project bereikte resultaten kunnen ook uitermate relevant en interessant zijn voor niet onder het project vallende terreinen. Daarom moeten op individueel projectniveau strategieën en methoden worden uitgewerkt teneinde ervoor te zorgen dat anderen eenvoudig toegang kunnen krijgen tot wat is ontwikkeld en geproduceerd. Specifieke richtsnoeren ter zake worden verstrekt in bijlage II bij deze programmagids.

Verplicht open toegang tot door Erasmus+ geproduceerd leermateriaal

Erasmus+ bevordert open toegang tot projectresultaten ter ondersteuning van leren, onderwijs, opleiding en jeugdwerk. Begunstigden van Erasmus+ verbinden zich er met name toe alle onderwijsmiddelen en -instrumenten die in het kader van door het programma gesteunde projecten worden geproduceerd - documenten, media, software of ander materiaal - onder een open licentie vrij toegankelijk te maken voor het publiek. Het materiaal moet gemakkelijk toegankelijk en opvraagbaar zijn zonder kosten of beperkingen en de open licentie moet het publiek in staat stellen de middelen te gebruiken, te hergebruiken, aan te passen en te delen. Dergelijke materialen staan bekend als 'Open Educational Resources' (OER). Om dit doel te bereiken, moeten de middelen in een bewerkbare digitale vorm worden geüpload op een geschikt en vrij toegankelijk platform. Hoewel Erasmus+ begunstigden aanmoedigt om zoveel mogelijk open licenties te gebruiken,1 mogen begunstigden licenties kiezen die bepaalde beperkingen opleggen, bijvoorbeeld een beperking op gebruik voor handelsdoeleinden door derden of de verplichting voor derden om dezelfde licentie toe te passen op afgeleide werken, indien dit passend is voor de aard van het project en het soort materiaal, en indien het publiek daardoor nog steeds de middelen kan gebruiken, hergebruiken, aanpassen en delen. Het vereiste inzake open toegang is verplicht en doet geen afbreuk aan de intellectuele-eigendomsrechten van de begunstigden.

Erasmus+ Open toegang voor onderzoek en gegevens

Erasmus+ moedigt begunstigden aan om onderzoeksresultaten te publiceren via open-toegangsroutes, d.w.z. op een wijze die vrij is van kosten of andere toegangsbeperkingen. Begunstigden worden ook aangemoedigd open licenties toe te passen op deze onderzoeksresultaten. Waar mogelijk moeten de door de projecten verzamelde gegevens worden gepubliceerd als 'open data', d. w. z. met een open licentie, in een geschikt formaat en op een geschikt open dataplatform.

Internationale dimensie

Erasmus+ omvat door de samenwerking met partnerlanden een sterke internationale dimensie, meer bepaald op het gebied van hoger onderwijs en jeugdzaken.

Op het gebied van hoger onderwijs verleent Erasmus+ steun aan de volgende belangrijke acties ten behoeve van de samenwerking met partnerlanden:

  • Internationale studiepuntenmobiliteit van personen en gezamenlijke masteropleidingen van Erasmus Mundus (in het kader van kernactie 1) ter bevordering van de mobiliteit van lerenden en personeel van en naar partnerlanden;
  • Projecten inzake capaciteitsopbouw in het hoger onderwijs (in het kader van kernactie 2) ter bevordering van samenwerking en partnerschappen die van invloed zijn op de modernisering en internationalisering van de instellingen en systemen voor hoger onderwijs in partnerlanden, met bijzondere aandacht voor partner-buurlanden van de Europese Unie;
  • Ondersteuning van de beleidsdialoog (in het kader van kernactie 3) via het netwerk van deskundigen voor de hervorming van het hoger onderwijs in partner-buurlanden van de Europese Unie, de internationale alumnivereniging, de beleidsdialoog met partnerlanden en internationale evenementen om het hoger onderwijs te promoten en aantrekkelijker te maken;
  • Jean Monnet-activiteiten met het doel onderwijs, onderzoek en denkprocessen op het gebied van EU-studies wereldwijd te stimuleren.

Op het gebied van jeugdzaken wordt met Erasmus+ steun verleend aan de volgende belangrijke acties:

  • Mobiliteit voor jongeren en jeugdwerkers (in het kader van kernactie 1) ter bevordering van uitwisseling van jongeren en mobiliteit van jeugdwerkers in samenwerking met partner-buurlanden van de Europese Unie;
  • Projecten inzake capaciteitsopbouw op het gebied van jeugdzaken (in het kader van kernactie 2) ter bevordering van samenwerkings- en mobiliteitsactiviteiten die een positieve invloed hebben op de kwalitatieve ontwikkeling van jeugdwerk, jeugdbeleid en jeugdwerkstelsels alsook op de erkenning van niet-formeel onderwijs in partnerlanden, met name landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen), Azië en Latijns-Amerika;
  • Betrokkenheid van jongeren en jeugdorganisaties uit partner-buurlanden van de Europese Unie bij de dialoogprojecten met jongeren (in het kader van kernactie 3) door ze te laten deelnemen aan internationale vergaderingen, conferenties en evenementen ter bevordering van de dialoog tussen jongeren en beleidsmakers.

Ook andere programma-acties (strategische partnerschappen, kennisallianties, allianties voor bedrijfstakspecifieke vaardigheden, samenwerkingspartnerschappen) staan open voor organisaties uit partnerlanden voor zover hun deelname een meerwaarde biedt voor het project (zie deel B van deze gids voor meer informatie).

Meertaligheid

Meertaligheid is een van de hoekstenen van het Europese project en tevens een krachtig symbool van het streven van de Europese Unie naar eenheid in verscheidenheid. Voor vreemde talen is een belangrijke rol weggelegd in het kader van de vaardigheden die burgers de nodige bagage meegeven om deel te nemen aan de arbeidsmarkt en de geboden kansen optimaal te benutten. De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld elke burger de kans te geven vanaf jonge leeftijd ten minste twee vreemde talen te leren.

De bevordering van taalonderwijs en taalverscheidenheid is een van de specifieke doelstellingen van het programma. Het gebrek aan taalvaardigheden is een van de belangrijkste hindernissen die burgers ervan weerhouden deel te nemen aan Europese programma's op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken. De geboden mogelijkheden voor taalkundige ondersteuning beogen mobiliteit efficiënter en effectiever te maken, leerprestaties te verbeteren en zodoende bij te dragen tot het verwezenlijken van de specifieke programmadoelstelling.

Taalkundige ondersteuning is beschikbaar voor de taal waarin de deelnemers studeren of een stage volgen in het buitenland in het kader van langdurige mobiliteitsactiviteiten die worden ondersteund in het kader van kernactie 1. Taalkundige ondersteuning zal voornamelijk worden geboden via de taalkundige onlineondersteuning van Erasmus+, aangezien e-learning wat toegang en flexibiliteit betreft voordelen biedt om talen te leren.

De taalkundige onlineondersteuning van Erasmus+ (http://erasmusplusols.eu/nl/) voorziet in een verplichte toetsing van taalvaardigheden en in op vrijwillige basis te volgen taalcursussen. De toetsing van talenkennis vormt een fundamenteel aspect van het initiatief om elke deelnemer goed voor te bereiden en gegevens te verzamelen over de taalvaardigheden van deelnemers aan EU-mobiliteitsprojecten. Daarom worden de deelnemers voorafgaand aan de mobiliteit getoetst op hun talenkennis. Aan het eind van de mobiliteitsperiode worden ze opnieuw getoetst om hun vorderingen op het vlak van taalvaardigheid te evalueren. De resultaten van de taaltoets die de deelnemers afleggen vóór het vertrek naar het buitenland, staan hun deelname aan de mobiliteitsactiviteit hoe dan ook niet in de weg.

De onlinetaaltoets zal dus niet worden gebruikt om deelnemers aan Erasmus+-mobiliteit te selecteren, maar om hun de kans te bieden hun niveau op te krikken waar nodig. Het aanbieden van taalondersteuning is gebaseerd op wederzijds vertrouwen tussen uitzendende en ontvangende instellingen: het is de verantwoordelijkheid van de uitzendende instelling om deelnemers de meest geschikte taalondersteuning aan te bieden, zodat ze bij aanvang van de mobiliteit het aanbevolen niveau behalen dat is overeengekomen met de ontvangende instelling.

Alvorens de mogelijkheden van de online-instrumenten uit te breiden om alle talen te bestrijken, wordt financiële steun verleend aan begunstigden van mobiliteitsprojecten om taalkundige ondersteuning te verstrekken in de talen die niet zijn opgenomen in de door de Commissie aangeboden onlinedienst.

In het kader van kernactie 2 worden strategische partnerschappen voor het onderwijzen en leren van talen aangemoedigd. Innovatie en goede praktijken ter bevordering van taalvaardigheden kunnen bijvoorbeeld voorzien in onderwijs- en toetsingsmethoden, de ontwikkeling van didactisch materiaal, onderzoek, computerondersteund leren van talen en ondernemingsprojecten met gebruikmaking van vreemde talen. Bovendien kan waar nodig financiële steun voor taalkundige ondersteuning worden verleend ten behoeve van begunstigden van strategische partnerschappen die langdurige opleidings- en onderwijsactiviteiten organiseren voor personeel, jeugdwerkers en lerenden.

Wat de toekenning van het Europees Talenlabel (ELL) betreft, worden nationale agentschappen aangemoedigd op vrijwillige basis periodiek (jaarlijks of tweejaarlijks) nationale wedstrijden in de programmalanden te organiseren. De toekenning van het ELL is bedoeld als stimulans, niet alleen om de resultaten van excellentie op het gebied van meertaligheid te benutten en te verspreiden, maar ook om meer publieke belangstelling te wekken voor taalonderwijs.

In het kader van kernactie 3 wordt de taalkundige onlineondersteuning van Erasmus+ (OLS) die wordt aangeboden aan Erasmus+-deelnemers uitgebreid ten behoeve van ongeveer 100 000 vluchtelingen. Dit zal gebeuren in de context van de oproepen tot het indienen van voorstellen voor 2016, 2017, 2018 en 2019 en kosteloos voor hen zijn zolang er budget beschikbaar is.

De deelname van nationale agentschappen Erasmus+ en begunstigde instellingen/organisaties is volledig vrijwillig. In het kader van deze oproep ontvangen de begunstigden van het Erasmus+-programma die wensen deel te nemen een aantal extra OLS-licenties die specifiek moeten worden toegekend aan vluchtelingen die een in OLS beschikbare taal willen leren. De begunstigde instellingen/organisaties zijn verantwoordelijk voor het toekennen van de licenties aan de vluchtelingen en voor de rapportage over het gebruik van deze licenties.

Rechtvaardigheid en inclusie

Het Erasmus+-programma beoogt rechtvaardigheid en inclusie te bevorderen door de toegang te vergemakkelijken voor lerenden die zich in een achterstandssituatie bevinden en die kansarm zijn vergeleken met hun leeftijdgenoten, indien hun deelname aan transnationale projecten door achterstand wordt beperkt of uitgesloten, bijvoorbeeld door:

  • een handicap of functiebeperking (d.w.z. deelnemers met speciale onderwijsbehoeften); mensen met een verstandelijke (intellectuele, cognitieve of leerstoornis), lichamelijke, zintuiglijke of andere handicap;
  • onderwijsmoeilijkheden: jongeren met leerproblemen; voortijdige schoolverlaters; laagopgeleide volwassenen; jongeren met slechte schoolprestaties;
  • economische belemmeringen: mensen met een lage levensstandaard, laag inkomen, die afhankelijk zijn van sociale bijstand of dakloos zijn; langdurig werkloze jongeren of jongeren die in een situatie van duurzame armoede verkeren; mensen met schulden of met financiële problemen;
  • cultuurverschillen: migranten, vluchtelingen of nakomelingen van migranten- of vluchtelingenfamilies; leden van nationale of etnische minderheden; mensen voor wie de taalaanpassing of de culturele integratie een probleem vormt;
  • gezondheidsproblemen: mensen met chronische gezondheidsproblemen, ernstige ziekten of psychiatrische aandoeningen;
  • sociale belemmeringen: mensen die te maken hebben met discriminatie op grond van geslacht, leeftijd, etnische afkomst, godsdienst, seksuele geaardheid, handicap enzovoort; mensen met beperkte sociale vaardigheden, antisociaal of risicogedrag; mensen in een onzekere situatie; mensen met een strafblad, (voormalige) drugs- of alcoholverslaafden; jonge en/of alleenstaande ouders; wezen;
  • geografische belemmeringen: mensen uit afgelegen of landelijke gebieden; mensen die wonen op kleine eilanden of in perifere gebieden; mensen uit stedelijke probleemwijken; mensen uit gebieden met minder voorzieningen (beperkt openbaar vervoer, weinig faciliteiten).

Op het gebied van jeugdzaken is een strategie inzake inclusie en diversiteit opgezet als gemeenschappelijk kader ter ondersteuning van de deelname en inclusie van kansarme jongeren in Erasmus+. De strategie is beschikbaar op de website2 van de Europese Commissie.

Bescherming en veiligheid van deelnemers

De bescherming en veiligheid van bij Erasmus+-projecten betrokken deelnemers zijn belangrijke uitgangspunten van het programma. Iedereen die deelneemt aan het Erasmus+-programma verdient de mogelijkheid het potentieel daarvan met betrekking tot persoonlijke ontplooiing, beroepsontwikkeling en leren ten volle te benutten. Een en ander kan alleen zeker worden gesteld in een veilige omgeving die eenieders rechten respecteert en beschermt.

Daartoe moet elke aan het Erasmus+-programma deelnemende organisatie beschikken over doeltreffende procedures en maatregelen die de veiligheid en bescherming van de deelnemers aan hun activiteit bevorderen en waarborgen. Dit betekent dat alle studenten, stagiairs, leerlingen, scholieren, lerende volwassenen, jongeren, personeelsleden en vrijwilligers die betrokken zijn bij een door alle kernacties van het Erasmus+-programma bestreken mobiliteitsactiviteit, verzekerd moeten zijn tegen de aan hun deelname verbonden risico's. Met uitzondering van vrijwilligersactiviteiten, die voorzien in een speciale verzekering, schrijft het Erasmus+-programma geen eenduidig type verzekering voor. Het raadt evenmin specifieke verzekeringsmaatschappijen aan. Het programma laat het zoeken van de meest geschikte verzekering (afhankelijk van het soort project en van de op nationaal niveau beschikbare verzekeringen) over aan de projectorganisatoren. Verder is het niet noodzakelijk om een aparte projectverzekering af te sluiten als de deelnemers al gedekt zijn door een verzekering die al eerder door de projectorganisator is afgesloten.

De volgende zaken moeten hoe dan ook worden gedekt:

  • indien toepassing, reisverzekering (inclusief schade of verlies van bagage);
  • schade aan derden (waar nodig inclusief beroepsaansprakelijkheid of wettelijke aansprakelijkheid);
  • ongevallen en ernstige ziekte (inclusief permanente of tijdelijke arbeidsongeschiktheid);
  • overlijden (inclusief repatriëring in het geval van projecten in het buitenland).

Voor zover van toepassing wordt deelnemers aan transnationale activiteiten ten zeerste aangeraden in het bezit te zijn van een Europese ziekteverzekeringskaart. Dit is een gratis kaart die de houder gedurende een tijdelijk verblijf in een van de 28 EU-landen, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen toegang biedt tot medisch noodzakelijke zorg binnen het openbare zorgstelsel. De houder krijgt de zorg onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde kosten (in sommige landen gratis) als de mensen die in dat land verzekerd zijn. Meer informatie over de kaart en de wijze waarop burgers die kunnen verkrijgen, is te vinden op: http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=559&langId=nl.

Tot slot moeten de deelnemende organisaties voor projecten waarbij jongeren onder 18 jaar betrokken zijn, vooraf toestemming krijgen van hun ouders of van de personen die namens hen optreden.