Inhoudstafel
Zoeken in de gids

Mobiliteitsproject voor lerenden en personeel van beroepsonderwijs en ‑opleiding

1. Organisatorische steun

De subsidie voor organisatorische steun is een tegemoetkoming in door de organisaties gemaakte kosten voor activiteiten ter ondersteuning van kwalitatief hoogstaande studenten- en personeelsmobiliteit. Bijvoorbeeld:

  • studenten en personeel informeren en bijstaan;
  • studenten en personeel selecteren;
  • studieovereenkomsten voorbereiden met het oog op de volledige erkenning van de onderwijscomponenten van studenten; voorbereiding en erkenning van mobiliteitsovereenkomsten voor personeel;
  • taalkundig en intercultureel voorbereiden van studenten en personeel, met name via bedrijfstakspecifieke taalcursussen voor beroepsonderwijs en –opleiding;
  • alle aspecten van opzet en verloop van het mobiliteitsproject beheren;
  • zorgen voor efficiënte regelingen inzake mentorschap en supervisie van deelnemers aan mobiliteit;
  • specifieke regelingen treffen om de kwaliteit van bedrijfsstages te waarborgen.

Bij het vaststellen van de definitieve subsidie wordt rekening gehouden met de kwaliteit in uitvoering en follow-up van het project door de instelling. De uitvoeringskwaliteit van het mobiliteitsproject moet voldoen aan de richtsnoeren in deze bijlage met betrekking tot mobiliteit voor lerenden en personeel van beroepsonderwijs en  opleiding.

2. Vóór de mobiliteit

A: Accreditatie van de deelnemende organisaties - Het Erasmus+-mobiliteitshandvest voor beroepsonderwijs en -opleiding

Vanaf 2015 kunnen niet-geaccrediteerde organisaties een aanvraag indienen voor het Erasmus+-mobiliteitshandvest voor beroepsonderwijs en -opleiding via afzonderlijke, jaarlijkse oproepen die door de nationale agentschappen worden gedaan. Voorwaarde is echter dat deze organisaties voldoen aan de noodzakelijke selectiecriteria en de kwaliteit en duurzaamheid van hun internationaliseringsstrategieën aantonen. Een organisatie die in een bepaald jaar een nieuw Erasmus+-mobiliteitshandvest voor beroepsonderwijs en  opleiding heeft gekregen, kan daar uitsluitend gebruik van maken voor mobiliteit in het kader van beroepsonderwijs en  opleiding vanaf de volgende algemene oproep. Als een organisatie bijvoorbeeld in het kader van een specifieke oproep een aanvraag voor een handvest indient en dit handvest in 2016 wordt toegekend, zal zij tegelijkertijd nog een aanvraag voor een mobiliteitsproject voor beroepsonderwijs en  opleiding zonder handvest moeten indienen voor de uitvoering van mobiliteitsactiviteiten in het kader van de algemene oproep van 2016. Het handvest zou zij dan pas kunnen gebruiken in het jaar van de volgende oproep (in dit voorbeeld 2017).

Nadere bijzonderheden zijn beschikbaar op de websites van de Europese Commissie en de nationale agentschappen

B: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit

Organisaties voor beroepsonderwijs en -opleiding die van plan zijn mobiliteitsactiviteiten te organiseren voor lerenden en personeel van beroepsonderwijs en -opleiding moeten daarbij de beginselen en criteria in acht nemen die zijn vastgesteld in het Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit1

Het Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit vormt het referentiedocument inzake de kwaliteit van het verblijf in het buitenland voor onderwijs- en opleidingsdoeleinden. In het handvest krijgen lerende jongeren en personeel richtsnoeren aangereikt met betrekking tot mobiliteitsregelingen voor leer- of andere doeleinden, waaronder verbetering in het arbeidsleven. De naleving van de in het handvest vervatte beginselen moet ertoe bijdragen dat deelnemers aan mobiliteit zowel in het gastland als na de terugkeer in hun land van oorsprong positieve ervaringen opdoen, en dat de uitwisselingen voor onderwijs- en opleidingsdoeleinden in kwantitatief en kwalitatief opzicht groeien. Het handvest is te vinden op:

http://europa.eu/legislation_summaries/education_training_youth/lifelong_learning/c11085_en.htm

C: ECVET - Memoranda van overeenstemming

Organisaties voor beroepsonderwijs en -opleiding kunnen beslissen het Europees puntenoverdrachtsysteem voor beroepsonderwijs en -opleiding (Ecvet) toe te passen in het kader van hun mobiliteitsactiviteiten (zie hieronder voor meer informatie). In dat geval is de totstandbrenging van een Ecvet-partnerschap een noodzakelijke voorwaarde om gebruik te maken van het Ecvet. Dit partnerschap moet de bevoegde organisaties samenbrengen die: 1) passende leerresultaten tijdens mobiliteitsactiviteiten in kaart brengen; 2) programma's voor beroepsonderwijs en -opleiding aanbieden die geschikt zijn om in deze behoeften te voorzien; 3) beoordelen in hoeverre de lerenden de beoogde leerresultaten hebben behaald; en 4) de studiepunten van lerenden valideren en erkennen wanneer ze terugkeren naar de instelling in het thuisland.

Het partnerschap voor mobiliteitsactiviteiten in het kader van het Ecvet kan worden geformaliseerd door een memorandum van overeenstemming.
Een memorandum van overeenstemming is een overeenkomst tussen bevoegde organisaties die een kader tot stand brengt voor studiepuntenoverdracht. Hiermee wordt het Ecvet-partnerschap geformaliseerd door te stellen dat de daarbij betrokken bevoegde organisaties en instellingen elkaars status en procedures onderling aanvaarden. Verder worden daarin de procedures voor samenwerking in partnerschapsverband vastgesteld.
Naargelang van de behoeften en ambities van het partnerschap kunnen memoranda van overeenstemming niet alleen worden ontwikkeld door netwerken van bevoegde organisaties/instellingen uit diverse landen/onderwijsstelsels, maar ook bilateraal zijn. Nadere bijzonderheden en richtsnoeren over de opstelling van een memorandum van overeenstemming zijn te vinden in de handleiding voor Ecvet-gebruikers op de website van de Europese Commissie of via de volgende links: http://ec.europa.eu/education/policy/vocational-policy/ecvet_en.htm en http://www.ecvet-secretariat.eu

D: Mobiliteitsconsortium

Naast aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding die als afzonderlijke organisatie steun aanvragen, kan een nationaal mobiliteitsconsortium ook een aanvraag indienen voor een mobiliteitsproject voor beroepsonderwijs en -opleiding.

Een mobiliteitsconsortium heeft ten doel de opzet van mobiliteitsactiviteiten te faciliteren en, wat de kwaliteit van activiteiten betreft, meerwaarde te bieden vergeleken met wat elke uitzendende instelling (bv. school) voor beroepsonderwijs en -opleiding afzonderlijk kan presteren. Van de organisaties die lid zijn van een nationaal mobiliteitsconsortium wordt verwacht dat ze diensten met betrekking tot de opzet van mobiliteit bundelen of delen, en dat ze zich samen inzetten voor hun internationalisering door onderling samen te werken en contacten te delen. Tot de gezamenlijke activiteiten behoren doorgaans onder meer een gezamenlijk administratief, contractueel en financieel beheer van mobiliteit, gezamenlijke selectie en/of voorbereiding en regelingen voor mentorschap ten behoeve van deelnemers alsmede, waar nodig, het bieden van een centraal aanspreekpunt om ondernemingen te zoeken en om ondernemingen en deelnemers nader bij elkaar te brengen. Het nationaal mobiliteitsconsortium kan ook een faciliterende rol vervullen voor inkomende stagiairs en personeelsleden. Dit behelst onder meer het zoeken van een ontvangende organisatie in de regio waar de partners van het nationale mobiliteitsconsortium gevestigd zijn alsmede het verlenen van bijstand waar nodig.

De consortiumcoördinator dient zich, eventueel met de hulp van andere/intermediaire organisaties, actief in te zetten met het doel contacten met ondernemingen te bevorderen en mogelijke stages en opleidingsplaatsen voor personeelsleden te zoeken, deze activiteiten te stimuleren en informatie te verstrekken enzovoort.

Elke uitzendende organisatie voor beroepsonderwijs en -opleiding blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit, inhoud en erkenning van de mobiliteitsperioden. Elk lid van het consortium dient met de consortiumcoördinator een overeenkomst te sluiten waarin de taken en verantwoordelijkheden alsook de administratieve en financiële regelingen nauwkeurig worden vastgesteld; in de samenwerkingsvoorwaarden worden diverse zaken geregeld, zoals de mechanismen met het oog op voorbereiding, kwaliteitsborging en follow-up van mobiliteitsperioden.

E: Europees ontwikkelingsplan

Het Europees ontwikkelingsplan heeft alleen betrekking op aanvragen van aanvragers die niet over het Erasmus+-mobiliteitshandvest voor beroepsonderwijs en  opleiding beschikken. Van een organisatie die geen houder is van het handvest wordt weliswaar niet verwacht dat zij in dezelfde mate naar internationalisering of duurzaamheid streeft als organisaties die wel geaccrediteerd zijn met het handvest, maar zij wordt niettemin geacht er al over na te denken welk effect mobiliteit in bredere zin op de organisatie heeft. Alvorens steun aan te vragen, moet een aanbieder van beroepsonderwijs of -opleiding of coördinator van een nationaal mobiliteitsconsortium een Europees ontwikkelingsplan uitwerken en opnemen in het aanvraagformulier. Hierin wordt uiteengezet hoe de geplande mobiliteitsactiviteiten worden ingepast in een ruimere langetermijnstrategie met het oog op de ontwikkeling en modernisering van de bij het project betrokken aanbieders van beroepsonderwijs en -opleiding.

Voor dit Europese ontwikkelingsplan is een belangrijke rol weggelegd in het evaluatieproces van subsidieaanvragen. In dit plan moet informatie worden verstrekt over:

  • de behoeften van de aanbieders van beroepsonderwijs en  opleiding inzake kwaliteitsontwikkeling en internationalisering (bijvoorbeeld wat betreft managementvaardigheden, competenties van het personeel, nieuwe onderwijsmethoden of -instrumenten, Europese dimensie, taalvaardigheden, studieprogramma, organisatie van onderwijs-, opleidings- en leeractiviteiten, nauwere banden met partnerinstellingen) en hoe de geplande activiteiten ertoe bijdragen dat in deze behoeften wordt voorzien;
  • het verwachte effect op lerenden, leerkrachten, opleiders en andere personeelsleden alsook op de aanbieder van beroepsonderwijs en -opleiding als geheel;
  • de manier waarop scholen voor beroepsonderwijs en  opleiding en ondernemingen de door hun personeel verworven competenties en opgedane ervaringen integreren in hun studieprogramma en/of ontwikkelingsplan;
  • de manier waarop werkplekleren duurzaam kan worden versterkt door middel van transnationale samenwerking.

F: Mobility Tool+

Ten vroegste op het ogenblik dat de deelnemers worden geselecteerd, moet de begunstigde organisatie in Mobility Tool+ algemene informatie invoeren over de deelnemer en het soort uitgevoerde mobiliteitsactiviteiten (bijvoorbeeld naam van de deelnemer, bestemming, duur van de mobiliteitsperiode enzovoort). De begunstigde organisatie dient Mobility Tool+ ook te actualiseren door daarin elke verandering op te nemen die de deelnemers of activiteiten ondergaan gedurende de looptijd van het mobiliteitsproject. Met Mobility Tool+ kunnen de begunstigden vooraf ingevulde verslagen aanmaken op basis van de door hen verstrekte informatie. Ook kunnen met Mobility Tool+ verslagen worden aangemaakt die de deelnemers aan mobiliteitsactiviteiten moeten invullen.

In de subsidieovereenkomst tussen het nationaal agentschap en de begunstigde staan nadere bijzonderheden over Mobility Tool+ en over de manier om toegang daartoe te krijgen.

G: Voorwaarden voor deelname van lerenden van beroepsonderwijs en ‑opleiding

SELECTIE

De uitzendende organisatie selecteert de deelnemers aan de mobiliteitsactiviteit. De procedure om lerenden te selecteren en een beurs aan hen toe te kennen moet op eerlijke, transparante en samenhangende wijze verlopen en goed worden gedocumenteerd. Alle bij het selectieproces betrokken partijen moeten toegang daartoe hebben.

De uitzendende organisatie moet de nodige maatregelen nemen ter voorkoming van belangenconflicten met personen die op verzoek een rol kunnen spelen in de met de selectie belaste instanties of bij het selectieproces van individuele deelnemers.

 

BEGELEIDERS

Lerenden van beroepsonderwijs en -opleiding met specifieke behoeften of uit kansarme milieus kunnen worden vergezeld door een persoon die ze begeleidt tijdens de mobiliteitsperiode. Het aantal begeleiders moet in verhouding staan tot het aantal betrokken lerenden (doorgaans één begeleider per groep van lerenden die stage lopen in dezelfde ontvangende organisatie).

Ook de verblijfsduur in het buitenland van begeleiders moet in verhouding staan tot de behoeften van de lerenden (doorgaans wordt een verblijf gedurende de volledige looptijd van de activiteit alleen aanvaard wanneer de lerenden niet zelfredzaam of nog minderjarig zijn).

 

OVEREENKOMST MET DE LERENDE

Voorafgaand aan hun vertrek moeten de lerenden van beroepsonderwijs en -opleiding met de uitzendende en ontvangende organisatie een overeenkomst ondertekenen die onder meer bestaat uit:

  • een studieovereenkomst met het te volgen opleidingsprogramma dat in onderlinge overeenstemming werd vastgesteld door de lerende, de uitzendende en ontvangende organisatie. In deze studieovereenkomst staan niet alleen de voor de leerperiode in het buitenland beoogde leerresultaten, maar ook bepalingen inzake de formele erkenning (bijvoorbeeld het Ecvet);
  • een kwaliteitsverbintenis als bijlage bij de studieovereenkomst, waarin de rechten en verplichtingen zijn vastgesteld van de stagiairs, de uitzendende en ontvangende organisatie en, voor zover van toepassing, de intermediaire organisaties.

Wanneer de lerenden van beroepsonderwijs en -opleiding de studieovereenkomst ondertekenen, komen ze in aanmerking voor een beurs om hen te steunen tijdens de in het buitenland doorgebrachte stageperiode. Deze beurs kan onder meer bestaan uit:

  • een EU-subsidie die per dag activiteit wordt berekend (zie deel B van deze gids onder "Financieringsregels"); en/of
  • een lokale, regionale en nationale beurs die wordt verstrekt door een publieke of particuliere donor, of een leenregeling.

Lerenden van beroepsonderwijs en -opleiding van wie de subsidie op nihil is vastgesteld, mogen aan mobiliteit deelnemen; dit zijn lerenden die stage lopen en weliswaar geen mobiliteitssubsidie uit hoofde van het Erasmus+-programma krijgen, maar niettemin voldoen aan de daarin vastgestelde criteria voor mobiliteit in het kader van beroepsonderwijs en -opleiding en alle voordelen van Erasmus+-lerenden genieten. Behoudens de voorschriften in verband met de subsidieverlening zijn de in deze programmagids vastgestelde regels ook van toepassing op lerenden van beroepsonderwijs en -opleiding van wie de subsidie op nihil is vastgesteld.

 

TAALKUNDIGE ONLINEONDERSTEUNING (OLS)

Lerenden van beroepsonderwijs en -opleiding die deelnemen aan een mobiliteitsactiviteit van ten minste 19 dagen komen in aanmerking voor taalkundige ondersteuning voorafgaand aan hun vertrek of tijdens de mobiliteitsactiviteit. Wat dat betreft, stelt de Commissie ten behoeve van geselecteerde lerenden van beroepsonderwijs en -opleiding een onlinedienst beschikbaar teneinde hun kennis te peilen van de taal waarin ze in het buitenland stage zullen lopen.

Deze dienst biedt de lerenden zo nodig ook de mogelijkheid om hun taalkennis vóór en/of tijdens de mobiliteitsperiode te verbeteren. Deelnemers met een niveau van minimaal B2 in de hoofdtaal waarin wordt gewerkt, hebben de keuze om een OLS-cursus in de taal van het ontvangende land te volgen, indien deze beschikbaar is. Daartoe wordt gedurende de looptijd van het programma geleidelijk een onlinedienst voor taalkundige ondersteuning ingevoerd. De taalkundige ondersteuning wordt als volgt beschikbaar gestel

  • op het ogenblik dat steun voor een mobiliteitsproject voor beroepsonderwijs en -opleiding wordt aangevraagd, gaat de aanvragende organisatie na in hoeverre de lerenden die stage lopen in het kader van dat mobiliteitsproject behoefte hebben aan taalkundige ondersteuning in de belangrijkste instructie- of werktaal;
  • de nationale agentschappen kennen onlinelicenties toe aan de begunstigde organisaties op basis van de algemene criteria die de Commissie heeft vastgesteld;
  • zodra ze door hun uitzendende organisatie werden geselecteerd en voordat ze hun studieovereenkomst ondertekenen, voeren alle lerenden (behalve moedertaalsprekers) die de onlinedienst benutten een onlinetoets uit om hun vaardigheden te peilen voor de geselecteerde taal. De resultaten van deze toets worden ter kennis gebracht van de lerende en, desgevraagd, van de uitzendende organisatie. De resultaten hebben geen invloed op de mogelijkheid van de lerende om naar het buitenland te gaan;
  • op basis van het aantal beschikbare onlinelicenties voor taalcursussen krijgen de deelnemers die taalkundige ondersteuning nodig hebben de mogelijkheid om een onlinetaalcursus te volgen;
  • na afloop van hun stage voeren de lerenden van beroepsonderwijs en -opleiding een tweede taaltoets uit om de gemaakte vorderingen met betrekking tot de taal te meten. De resultaten worden ter kennis gebracht van de lerende en, desgevraagd, van de uitzendende organisatie.

In de beginfasen van het programma worden de onlinetoetsen en -taalcursussen niet in alle EU-talen aangeboden en is de beschikbaarheid van de taalcursussen niet voor alle deelnemers die hierom verzoeken, gegarandeerd. Nadere bijzonderheden zijn beschikbaar op de websites van de Commissie en de nationale agentschappen.

Voor niet in de onlinedienst van de Europese Commissie opgenomen talen moeten de organisaties die deelnemen aan het mobiliteitsproject voor beroepsonderwijs en -opleiding zelf zorgen voor taalkundige ondersteuning; daartoe kan een specifieke subsidie voor taalkundige ondersteuning worden toegekend. Bovendien kunnen de organisaties die bij een mobiliteitsproject voor beroepsonderwijs en -opleiding betrokken zijn, de subsidie voor organisatorische steun gebruiken om te voorzien in de behoeften van deelnemers aan didactische, interculturele of specifieke taalkundige voorbereiding (zie deel B van deze gids onder "Financieringsregels").

H: Voorwaarden voor deelname van personeel

SELECTIE

Het personeel wordt geselecteerd door de uitzendende organisatie. De procedure voor selectie en subsidietoekenning moet op eerlijke, transparante en samenhangende wijze verlopen en goed worden gedocumenteerd. Alle bij het selectieproces betrokken partijen moeten toegang daartoe hebben.

De uitzendende organisatie moet de nodige maatregelen nemen ter voorkoming van belangenconflicten met personen die op verzoek een rol kunnen spelen in de met de selectie belaste instanties of bij het selectieproces van individuele begunstigden.

De selectiecriteria (zoals het feit dat voorrang wordt verleend aan personeel dat voor het eerst naar het buitenland vertrekt, de beperking van het mogelijke aantal mobiliteitsactiviteiten per personeelslid tijdens een bepaalde periode enzovoort) worden openbaar gemaakt.

 

MOBILITEITSOVEREENKOMST

De uitzendende instelling selecteert het personeel op basis van een ontwerpmobiliteitsprogramma dat het personeelslid bezorgt na overleg met de ontvangende instelling of onderneming/organisatie. Voorafgaand aan het vertrek moeten de uitzendende en de ontvangende organisatie formeel instemming bereiken over het definitieve mobiliteitsprogramma (per briefwisseling of per e-mail).

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de in het buitenland doorgebrachte mobiliteitsperiode rust zowel op de uitzendende als op de ontvangende organisatie.

3. Tijdens de mobiliteit

Onderbreking van mobiliteit van lerenden

Voor bedrijfsstages kan de in het buitenland doorgebrachte mobiliteitsperiode worden onderbroken tijdens vakantieperioden wanneer de onderneming gesloten is. Tijdens deze periode blijft de subsidie gehandhaafd. De sluitingsperiode telt niet mee voor de berekening van de minimumduur van een stageperiode.

 

Verlenging van mobiliteit van lerenden

De uitzendende en ontvangende organisaties mogen overeenkomen een lopende mobiliteitsperiode te verlengen met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • de subsidieovereenkomst moet vóór het einde van de aanvankelijk geplande mobiliteitsperiode worden gewijzigd en alle formaliteiten met het oog op de verlenging van de duur moeten vervuld zijn. Deze wijziging is van bijzonder belang in de gevallen dat de verlenging gepaard gaat met een verzoek om de maandelijkse EU-subsidie uit te breiden. Ook al wordt de duur van de mobiliteitsperiode immers vastgesteld in het bewijs van aanwezigheid van de student (dat wil zeggen de periode die de begunstigde organisaties in hun eindverslag vermelden), toch is het maximumaantal door de EU-subsidie te bestrijken maanden gelijk aan het aantal dat in de mobiliteitsovereenkomst of daarmee samenhangende wijziging(en) vermeld staat. Dat is ook het geval wanneer de in de studieovereenkomst vermelde duur korter is dan die welke in het bewijs van aanwezigheid opgegeven is;
  • de anvullende periode moet direct aansluiten op de lopende mobiliteitsperiode. Er mogen geen onderbrekingen zijn (vakantie- en sluitingsperioden van de school voor beroepsonderwijs en  opleiding/onderneming worden niet met onderbrekingen gelijkgesteld), tenzij in naar behoren gemotiveerde gevallen en met goedkeuring van het nationaal agentschap.

4. Na de mobiliteit

A: Erkenning van de leerresultaten

De betrokken uitzendende en ontvangende organisaties moeten bereid zijn aan het einde van de mobiliteit een Europass-mobiliteitscertificaat uit te reiken. De daarbij te volgen werkwijze wordt uiteengezet op de Europass-website::

http://europass.cedefop.europa.eu/en/home.

Over de resultaten van de taaltoets en onlinetaalcursussen wordt centraal verslag uitgebracht. Daaraan is echter geen formele kwalificatie verbonden.

 

ECVET

Organisaties voor beroepsonderwijs en -opleiding mogen beslissen het Ecvet toe te passen in het kader van hun mobiliteitsactiviteiten. Het Ecvet is een gemeenschappelijk methodologisch kader dat het verzamelen en overdragen van studiepunten voor leerresultaten van het ene kwalificatiesysteem naar het andere vergemakkelijkt. Het doel is de transnationale mobiliteit en de toegang tot een leven lang leren te bevorderen. Het Ecvet beoogt niet de nationale kwalificatiesystemen te vervangen, maar wel de onderlinge vergelijkbaarheid en compatibiliteit daarvan te verbeteren. Het Ecvet geldt voor alle leerresultaten die een persoon behaalt via tal van onderwijs- en opleidingstrajecten die dan worden overgedragen, erkend en verzameld met het oog op het verwerven van een kwalificatie. Dit initiatief biedt Europese burgers de mogelijkheid hun opleiding, vaardigheden en kennis gemakkelijker in een ander programmaland te laten erkennen. Meer informatie over het Ecvet is te vinden op de website van de Commissie:

Wanneer het Ecvet wordt toegepast, moeten de verworven studiepunten voor de behaalde leerresultaten transparant worden gemaakt en nader worden toegelicht in het memorandum van overeenstemming tussen de deelnemende organisaties.

B: Rapportage

Na afloop van hun verblijf in het buitenland moeten alle lerenden en personeelsleden van beroepsonderwijs en  opleiding die aan een mobiliteitsactiviteit hebben deelgenomen, een eindverslag opmaken en indienen. Voor mobiliteitsactiviteiten die ten minste 19 dagen duren, wordt in dat verslag ook de kwaliteit beoordeeld van de tijdens de mobiliteitsperiode ontvangen taalkundige ondersteuning.

Lerenden en personeelsleden die dit verslag niet indienen, kunnen worden verplicht de ontvangen EU-subsidie geheel of gedeeltelijk terug te betalen. Terugbetaling is niet vereist wanneer een lerende of personeelslid de geplande activiteiten in het buitenland niet heeft kunnen voltooien ten gevolge van overmacht. De uitzendende organisatie moet dergelijke gevallen van overmacht melden en het nationaal agentschap moet schriftelijk daarmee instemmen.

  • 1. Aanbeveling 2006/961/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit (Publicatieblad L 394 van 30.12.2006).