Doel van vergroening

Ongeveer de helft van de oppervlakte van de Europese Unie is landbouwgrond. Boeren beheren het platteland, ze geven het landschap vorm en hun werk is in ons aller belang. Maar voor hun werk zijn de boeren ook afhankelijk van de natuur, onder andere de bodem en water. De landbouw wordt beïnvloed door de klimatologische omstandigheden, de milieukwaliteit, de biodiversiteit en de waterkwaliteit.

De “groene rechtstreekse betaling” (of “vergroening”) is bestemd voor boeren die methoden hanteren of invoeren waarmee ze de milieu- en klimaatdoelstellingen dichterbij brengen. Met die vergroening beloont de EU boeren voor het in stand houden van de natuurlijke rijkdommen en het leveren van collectieve voorzieningen van algemeen belang die niet tot uiting komen in de marktprijzen.

De EU-landen moeten 30% van hun inkomenssteun gebruiken voor vergroening.

Groene betalingen in de praktijk

Boeren ontvangen groene rechtstreekse betalingen als zij drie verplichte praktijken toepassen die gunstig zijn voor het milieu (met name de bodem en de biodiversiteit).

Dat zijn:

  • gewasdiversificatie: een grotere verscheidenheid aan gewassen maakt de bodem en de ecosystemen veerkrachtiger
  • instandhouding van blijvend grasland: grasland bevordert de opslag van koolstof en beschermt de biodiversiteit (habitats)
  • minstens 5% van het bouwland als ecologisch aandachtsgebied: gebied dat gunstig is voor de biodiversiteit, bijvoorbeeld met bomen en hagen, of braakland, waar speciale habitats kunnen ontstaan

Gewasdiversificatie

Boeren met meer dan 10 ha bouwland moeten ten minste twee gewassen telen, en bedrijven met meer dan 30 ha ten minste drie gewassen. Het hoofdgewas mag niet meer dan 75% van de grond in beslag nemen. Er zijn wel individuele uitzonderingen mogelijk. Een voorbeeld is een boerderij met veel weiden, want grasland is op zich al gunstiger voor het milieu.

Instandhouding van blijvend grasland

Elk EU-land bepaalt op nationaal of regionaal niveau (met een marge van 5%) zelf hoe de verhouding tussen blijvend grasland en landbouwgrond moet liggen. Bovendien wijzen de EU-landen gebieden van milieugevoelig blijvend grasland aan. In die gebieden mogen boeren blijvend grasland niet omploegen of inzetten voor andere doeleinden.

Ecologische aandachtsgebieden

Boeren met meer dan 15 ha moeten ervoor zorgen dat ten minste 5% van hun grond ecologisch aandachtsgebied is om de biodiversiteit op hun bedrijf te beschermen en te bevorderen.

Uitzonderingen

De vergroeningsregels gelden vanwege de administratieve overlast en de proportionaliteit niet voor boeren die hebben gekozen voor de regeling voor kleine landbouwers.

Biologische boeren krijgen automatisch de groene betaling, omdat hun werk per definitie gunstiger voor het milieu wordt geacht.

Afhankelijk van de individuele situatie van de boer zijn er nog meer uitzonderingen mogelijk.

Alternatieven voor vergroening

EU-landen mogen boeren toestaan om op andere, equivalente manieren aan een of meer vergroeningscriteria te voldoen. Zulke equivalente praktijken moeten gebaseerd zijn op agromilieuregelingen in het kader van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s van de EU-landen of nationale dan wel regionale certificeringsregelingen.

Elk EU-land moet garanderen dat bedrijven die zulke alternatieve methoden gebruiken, alleen steun voor vergroening of voor plattelandsontwikkeling krijgen, maar niet allebei.

Meer informatie

Plattelandsontwikkeling

Sancties wegens niet-naleving

Boeren die de vergroeningsregels niet naleven, krijgen minder geld. De verlaging staat in verhouding tot het aantal hectaren dat niet aan de regels voldoet, rekening houdend met de aard van de vergroeningscriteria.

Sinds 2017 kunnen de lidstaten zelf extra boetes opleggen, bovenop de verlaging van de vergroeningsbetalingen. Zulke boetes moeten proportioneel zijn, gelet op de ernst en omvang van de niet-naleving.

Regels

Voor de vergroening gelden de volgende

Nieuws