Alle lidstaten van de Europese Unie maken deel uit van de Economische en Monetaire Unie (EMU) en coördineren hun economisch beleid onderling om de economische doelstellingen van de EU te ondersteunen. Verschillende lidstaten hebben echter een stap verder gezet en hebben hun nationale munt vervangen door de eenheidsmunt: de euro. Samen vormen deze landen de eurozone.

Toen de euro geïntroduceerd werd in 1999, toen alleen nog als giraal geld, bestond de eurozone uit 11 van de 15 toenmalige EU-lidstaten. Griekenland trad toe in 2001, één jaar voor de invoering van de euromuntstukken en -biljetten, gevolgd door Slovenië in 2007, Cyprus en Malta in 2008, Slowakije in 2009, Estland in 2011, Letland in 2014 en Litouwen in 2015. De eurozone telt vandaag 19 EU-lidstaten.

Van de EU-landen buiten de eurozone, hebben Denemarken en het Verenigd Koninkrijk bedongen dat ze de euro niet hoeven in te voeren, tenzij zij dat in de toekomst zelf wensen. Deze zogenaamde opt-outs zijn vastgelegd in protocollen bij het Verdrag. Zweden komt nog niet in aanmerking om lid te worden van de eurozone.

De andere niet tot de eurozone behorende lidstaten zijn tot de EU toegetreden in 2004, 2007 en 2013, na de invoering van de euro. Bij hun toetreding voldeden zij niet aan de noodzakelijke voorwaarden om lid van de eurozone te worden, maar zij hebben zich ertoe verbonden de euro in te voeren zodra dat wel het geval is. Het zijn dus lidstaten met een “derogatie”, zoals Zweden.

Andorra, Monaco, San Marino en Vaticaanstad hebben de euro aangenomen als hun nationale munteenheid op grond van specifieke monetaire overeenkomsten met de EU, en kunnen zelf een bepaalde hoeveelheid euromunten uitgeven. Maar omdat zij geen EU-lidstaat zijn, maken zij geen deel uit van de eurozone.

Bestuur van de eurozone

Door de invoering van de euro raken de economieën van de eurozonelanden steeds meer met elkaar verweven. Deze economische integratie moet goed worden geleid om de voordelen van de gemeenschappelijke munt te optimaliseren. Daarom onderscheidt de eurozone zich ook van andere delen van de EU door haar economisch beheer, met name het monetair en economisch beleid.

  • Het monetair beleid in de eurozone is in handen van het onafhankelijke Eurosysteem, dat bestaat uit de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt, Duitsland, en de nationale centrale banken van de lidstaten van de eurozone. Via haar Raad van bestuur bepaalt de ECB het monetair beleid voor de gehele eurozone: één monetaire autoriteit met één monetair beleid, dat als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit heeft.
  • Binnen de eurozone blijft het economisch beleid grotendeels de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar de nationale regeringen moeten hun economische beleid onderling coördineren met het oog op de gezamenlijke doelstellingen van stabiliteit, groei en werkgelegenheid. Die coördinatie wordt gewaarborgd door een aantal structuren en instrumenten, waarin het stabiliteits- en groeipact (SGP) een centrale rol speelt. Het stabiliteits- en groeipact (SGP) bevat afspraken over begrotingsdiscipline, zoals beperking van het overheidstekort en de staatsschuld, die weliswaar door alle EU-lidstaten moeten worden nagekomen, maar alleen de eurolanden zijn onderworpen aan financiële of andere sancties in geval van niet-naleving.
  • De afstemming van het nationaal economisch beleid op de regels van de EU gebeurt in een jaarlijkse cyclus die bekendstaat als het "Europees semester".

Welke landen zitten erin?