Biocides

Goedkeuring van werkzame stoffen

Voordat een werkzame stof in biociden mag worden gebruikt, moet deze eerst door een van de EU-landen worden beoordeeld. Daarna volgt er een collegiale toetsing waarbij ook de overige EU-landen zijn betrokken. De procedure wordt gecoördineerd door het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA). De collegiale toetsing gebeurt door het Comité voor biociden (BPC). ECHA brengt advies uit aan de Commissie over de vraag of een werkzame stof al dan niet moet worden goedgekeurd.

Op basis van de ECHA-conclusies besluit de Commissie al dan niet goedkeuring te verlenen voor het gebruik van de werkzame stof in biociden. Als dat noodzakelijk is voor de bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu, kunnen aan die goedkeuring voorwaarden worden gekoppeld om ervoor te zorgen dat bij de vergunning van producten wordt nagegaan of de geconstateerde risico´s afdoende zijn ondervangen.

Zorgwekkende stoffen

De verordening bevat criteria voor het uitfaseren van zorgwekkende stoffen en voor de geleidelijke vervanging ervan door betere alternatieven.

Het gaat om stoffen die zijn ingedeeld als:

  • kankerverwekkend, categorie 1A of 1B
  • mutageen, categorie 1A of 1B
  • giftig voor de voortplanting, categorie 1A of 1B
  • persistente, bioaccumulerend en toxisch
  • die zeer persistent en sterk bioaccumulerend zijn
  • hormoonontregelaars

Er is beoordelingsprogramma opgezet voor het onderzoeken van werkzame stoffen die in 1998, bij de invoering van de eerste EU-biocidenregeling, al in de handel waren.

Besluiten tot niet-goedkeuring

Wordt een werkzame stof in het kader van dit beoordelingsprogramma niet goedgekeurd, dan moeten producten die deze werkzame stof bevatten, doorgaans binnen twaalf maanden uit de handel worden genomen, tenzij de nationale autoriteiten anders beslissen.

Zie ook: