Lonen en loonkosten

Gegevens geëxtraheerd in april 2017. Recente gegevens: Meer informatie van Eurostat, Hoofdtabellen en Databank. Geplande update van het artikel: december 2018.
Loonkostencomponenten
Figuur 1: Schatting van de loonkosten per uur, 2016
(EUR)
Bron: Eurostat (lc_lci_lev)
Figuur 2: Mediaan van het gemiddelde bruto-uurloon, alle werknemers
(zonder leerlingen), 2014
Bron: Eurostat (earn_ses_pub2s)
Figuur 3: Laagbetaalde werknemers
(uitgezonderd leerlingen) die minder dan twee derde van het mediane bruto-uurloon verdienen, 2014
(in % medewerkers)
Bron: Eurostat (earn_ses_pub1s)
Figuur 4: Loonkloof tussen mannen en vrouwen, 2015
(% verschil tussen gemiddeld bruto-uurloon van mannelijke en vrouwelijke werknemers, in % van brutoloon van mannen, niet gecorrigeerd)
Bron: Eurostat (earn_gr_gpgr2)
Figuur 5: Netto jaarloon, 2015
(EUR)
Bron: Eurostat (earn_nt_net)
Tabel 1: Indicatoren voor belastingtarief voor laagbetaalden, 2015
(%)
Bron: Eurostat (earn_nt_taxwedge), (earn_nt_unemtrp) en (earn_nt_lowwtrp)

Dit artikel vergelijkt de cijfers over lonen en loonkosten (de uitgaven van werkgevers aan personeel) in de lidstaten van de Europese Unie (EU), in de kandidaat-lidstaten en in de landen van de Europese Vrijhandelsorganisatie (EVA).

Arbeid speelt een belangrijke rol in de werking van de economie. Het bedrijfsleven ziet arbeid als kosten (loonkosten) die niet alleen bestaan uit lonen en salarissen van werknemers, maar ook uit indirecte loonkosten: hoofdzakelijk de door de werkgever af te dragen sociale premies. Deze kosten vormen daarmee een van de belangrijkste bepalende factoren voor het concurrentievermogen van bedrijven. Het concurrentievermogen wordt echter ook beïnvloed door kapitaalkosten (bijvoorbeeld rente op leningen en dividend op aandelen) en door elementen die niet op de prijs betrekking hebben, zoals ondernemerschap, vaardigheden en arbeidsproductiviteit, innovatie en het in de markt positioneren van het merk of de producten.

Voor werknemers betekent de ontvangen compensatie voor hun arbeid (meestal loon of salaris genoemd) over het algemeen hun belangrijkste bron van inkomen. Deze bepaalt dus in belangrijke mate de mogelijkheden die zij hebben om geld uit te geven of te sparen. Aangezien het brutoloon of bruto-inkomen ook de sociale premies ten laste van de werknemer inhoudt, wordt het netto-inkomen berekend door deze premies, en andere door de overheid opgelegde bedragen (zoals inkomstenbelasting) van het bruto-inkomen af te trekken. Over het algemeen is het belastingbedrag afhankelijk van de huishoudsituatie, met name van het inkomen en de samenstelling van het huishouden. Voor een aantal kenmerkende huishoudsituaties worden de netto-inkomsten berekend. In de afbeelding wordt een samenvatting gegeven van de verhouding tussen nettoloon, brutoloon / salaris en loonkosten.

Belangrijkste statistische resultaten

Loonkosten

Voor 2016 werden de gemiddelde loonkosten per uur in de EU-28 geraamd op 25,40 EUR en op 29,80 EUR in de eurozone (EA-19). Dit gemiddelde maskeert echter aanzienlijke verschillen tussen de EU-lidstaten. De loonkosten per uur lagen tussen 4,40 EUR in Bulgarije en 42,00 EUR in Denemarken (zie Figuur 1); In Noorwegen lag het gemiddelde zelfs nog hoger (50,20 EUR).

Loonkosten zijn samengesteld uit loon- en salariskosten, vermeerderd met de indirecte loonkosten, zoals de door de werkgever af te dragen sociale premies. In 2016 bedroeg het aandeel van de indirecte loonkosten 23,9 % van de totale loonkosten in de EU-28, tegen 26,0 % in de eurozone. Het aandeel van de indirecte loonkosten in de EU-lidstaten vertoonde ook aanzienlijke verschillen: Het grootste aandeel van indirecte loonkosten werd waargenomen in Frankrijk (33,2 %), Zweden (32,5 %), België (27,5 %), Litouwen (27,8 %) en Italië (27,4 %), terwijl het kleinste aandeel werd waargenomen op Malta (6,6 %), in Luxemburg (13,4 %), Ierland (13,8 %), Denemarken (13,9 %) en Kroatië (14,9 %).

Brutosalaris/brutoloon

Mediaan inkomen

Het grootste deel van de loonkosten wordt gevormd door het brutoloon. In 2014 werd het hoogste mediane bruto-uurloon in euro's, gemeten in Denemarken (25,52 EUR), gevolgd door Ierland (20,16 EUR), Zweden (18,46 EUR), Luxemburg (18,38 EUR), België (17,32 EUR) en Finland (17,24 EUR). Het laagste mediane bruto-inkomen in euro's werd daarentegen gemeten in Bulgarije (1,67 EUR) en Roemenië (2,03 EUR), gevolgd door Litouwen (3,11 EUR), Letland (3,35 EUR) en Hongarije (3,59 EUR). Met andere woorden: In de EU waren de hoogste nationale mediane bruto-uurloon in euro's 15 keer hoger dan de laagste. Gecorrigeerd voor prijsniveaus (door om te rekenen naar koopkrachtstandaarden) was het hoogste gemiddelde vijf keer hoger dan het laagste gemiddelde, met Denemarken en Bulgarije opnieuw aan de uiteinden van het spectrum.

Laagbetaalde werknemers

Laagbetaalde werknemers worden gedefinieerd als die werknemers die twee derde of minder van het nationale mediane bruto-uurloon verdienen. In 2014 behoorden 17,2 % van de werknemers in de EU-28 tot de laagbetaalden, terwijl hun aandeel in de eurozone 15,9 % bedroeg. Er was in 2014 een aanzienlijk verschil tussen de lidstaten wat betreft het aandeel laagbetaalde werknemers: Het hoogste percentage was in Letland (25,5 %), Roemenië (24,4 %), Litouwen (24,0 %) en Polen (23,6 %), gevolgd door Estland (22,8 %), Duitsland (22,5 %), Ierland (21,6 %) en het Verenigd Koninkrijk (21,3 %). Minder dan 10 % van de werknemers waren daarentegen laagbetaald in Zweden (2,6 %), België (3,8 %), Finland (5,3 %), Denemarken (8,6 %), Frankrijk (8,8 %) en Italië (9,4 %).

Loonkloof tussen mannen en vrouwen

De ongecorrigeerde loonkloof tussen mannen en vrouwen is een belangrijke indicator voor het meten van de verschillen tussen het gemiddelde loon van mannen en dat van vrouwen in de EU. In 2015 ontvingen vrouwen in de EU-28 als geheel gemiddeld, 16,3 % minder loon dan mannen. In de eurozone was het verschil 16,8 %. De kleinste verschillen tussen mannen en vrouwen in gemiddeld loon waren te vinden in Luxemburg, Italië, Roemenië, België, Polen en Slovenië (in elk van deze landen was het verschil minder dan 10,0 %). De grootste loonkloof tussen mannen en vrouwen zijn aangetroffen in Estland (26,9 %), Tsjechië (22,5 %), Duitsland (22,0 %), Oostenrijk (21,7 %) en het Verenigd Koninkrijk (20,8 %) — zie figuur 4.

Verschillende factoren kunnen bijdragen aan deze loonverschillen tussen mannen en vrouwen, zoals: verschillen in participatiegraad van de arbeidskrachten, verschillen in de beroepen en activiteiten die vaak worden gedomineerd door mannen of door vrouwen, verschillen in de mate waarin mannen en vrouwen in deeltijd werken, en de houding van de HR-afdelingen van particuliere en openbare organisaties ten aanzien van loopbaanontwikkeling en onbetaald verlof en/of zwangerschapsverlof. Bepaalde onderliggende factoren die de loonkloof tussen mannen en vrouwen in elk geval voor een deel kunnen verklaren, zijn sectorale en beroepssegregatie, onderwijs en opleiding, bewustmaking en transparantie, alsmede directe discriminatie. De loonkloof tussen mannen en vrouwen hangt ook samen met andere ongelijkheden, met name het feit dat vrouwen een onevenredig groot aandeel van de gezinstaken op zich nemen en de daarmee samenhangende problemen om werk en privéleven te combineren. Veel vrouwen werken in deeltijd of met atypische contracten: hoewel zij hierdoor in staat zijn op de arbeidsmarkt te blijven en tegelijkertijd hun gezinstaken uit te voeren, kan dit negatieve gevolgen hebben voor hun loon, loopbaanontwikkeling, promotiekansen en pensioenopbouw.

Nettoloon en belastingdruk

Nettoloon

Informatie over het nettoloon vormt een aanvulling op de gegevens over het brutoloon met betrekking tot het besteedbare loon. Het besteedbare loon wordt verkregen door het brutoloon te verminderen met inkomstenbelasting en sociale premies ten laste van de werknemer en daarbij de gezinstoelagen (geldbedragen die worden uitgekeerd op basis van ten laste komende kinderen) voor huishoudens met kinderen op te tellen.

Het nettoloon van een alleenstaande die 100 % van het gemiddelde inkomen van een werknemer in het bedrijfsleven zonder kinderen verdient, varieerde in 2015 van 4 300 EUR in Bulgarije tot 38 500 EUR in Luxemburg. Dezelfde twee EU-lidstaten hadden het laagste (4 900 EUR en het hoogste 52 500 EUR gemiddelde nettoloon voor een echtpaar met één kostwinner en twee kinderen (zie figuur 5).

Voor een echtpaar waarvan beide partners werken (beiden verdienen evenveel als het inkomen van een gemiddelde werknemer), werd in Luxemburg het hoogste nettojaarloon geregistreerd, namelijk 86 400 EUR voor een echtpaar met twee kinderen, en 78 800 EUR voor een echtpaar zonder kinderen; In Bulgarije werd het laagste nettoloon geregistreerd, namelijk8 700 EUR, ongeacht of het echtpaar twee kinderen had of niet.

Belastingwig

De informatie in verband met de belastingwig meet de druk van belastingen en sociale premies ten opzichte van de loonkosten. Deze informatie wordt verstrekt met betrekking tot laagbetaalde werknemers. De belastingwig voor de EU-28 bedroeg 38,4 % in 2015 (zie tabel 1). In 2015 werd de hoogste belastingdruk op de lonen van laagbetaalde werknemers geregistreerd in België, Hongarije, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Italië, Letland en Zweden (alle boven de 40,0 %). De laagste belastingdruk op de lonen van laagbetaalde werknemers werd daarentegen geregistreerd in Malta, Ierland en het Verenigd Koninkrijk (alle minder dan 30,0 %).

De andere drie indicatoren die zijn vermeld in tabel 1 geven informatie over het deel van het brutoloon dat wordt "wegbelast" (hogere belastingtarieven en sociale premies en/of vermindering of verlies van voordelen) wanneer mensen weer aan het werk te gaan of meer gaan verdienen. In 2015 bedroeg het totale inkomensdeel dat werd "wegbelast" wanneer een werkloze weer aan het werk ging 74,0 % in de EU-28 (76,5 % in de eurozone). Het hoogste percentage werd geregistreerd in België (92,0 %) en het laagste in Slowakije (44,7 %).

Voor laagbetaalden die meer proberen te verdienen, zou een groter deel van hun inkomen worden "wegbelast". In het geval van een echtpaar met één kostwinner en twee kinderen werd een lage-inkomensval van 59,8 % geregistreerd in de EU-28 in 2015 (58,0 % in de eurozone). Het laagste waargenomen percentage was in Italië (5,2 %) en het hoogste in Luxemburg (105,8 %). In het geval van een alleenstaande zonder kinderen in de EU-28 in 2015 bedroeg de lage-inkomensval daarentegen 44,6 % (44,9 % in de eurozone); Het hoogste percentage werd waargenomen in Nederland (75,2 %) en het laagste in Bulgarije (21,6 %) en Griekenland (21,7 %).

Gegevensbronnen en -beschikbaarheid

Loonkosten

De loonkosten omvatten de beloning van werknemers (waaronder salaris, loon in geld en in natura, en sociale premies ten laste van de werkgever), kosten voor beroepsopleiding en andere uitgaven (zoals wervingskosten, uitgaven voor werkkleding en de als loonkosten beschouwde werkgelegenheidsbelasting, verminderd met eventueel ontvangen subsidies). Deze componenten van de loonkosten en de elementen daarvan worden gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1737/2005 van 21 oktober 2005.

De statistieken van de loonkosten vormen een hiërarchisch systeem van meerjarige, jaarlijkse en driemaandelijkse statistieken, ontworpen om een omvattend en gedetailleerd beeld te presenteren van het niveau, de structuur en de kortetermijnontwikkeling van de loonkosten in de verschillende economische sectoren van de lidstaten van de Europese Unie en bepaalde andere landen. Alle statistische gegevens zijn gebaseerd op een geharmoniseerde definitie van de loonkosten. De niveaus van de loonkosten zijn gebaseerd op de meest recente loonkostenenquête (momenteel 2012) en een extrapolatie op basis van de kwartaalloonkostenindex. De loonkostenenquête is een vierjaarlijkse enquête waarmee heel gedetailleerd informatie over loonkostenniveaus wordt verzameld. Om extrapolatie met de loonkostenindex mogelijk te maken, worden alleen gegevens op geaggregeerd niveau gebruikt. De kwartaalloonkostenindex (een Euro-indicator) meet de kostendruk die voortvloeit uit de productiefactor "arbeid". De gegevens in de loonkostenindex-verzameling hebben betrekking op de totale gemiddelde uurloonkosten en op twee loonkostencategorieën: Lonen en salarissen. Sociale premies ten laste van de werkgever, vermeerderd met betaalde belastingen en verminderd met door de werkgever ontvangen subsidies. Er zijn gegevens beschikbaar voor EU-aggregaten (EU en eurozone) en EU-lidstaten voor een aggregaat dat de industrie, de bouw en de dienstensector bestrijkt (met uitzondering van openbaar bestuur, defensie, verplichte sociale zekerheid) zoals bedoeld in de secties B tot en met N en P tot en met S van NACE Rev. 2 (de gegevens worden ook opgesplitst naar economische activiteit), gecorrigeerd voor verschillen in aantallen werkdagen en seizoensinvloeden.

Brutosalaris/brutoloon

De belangrijkste definities van loon worden gegeven in Verordening (EG) nr. 1738/2005 van 21 oktober 2005. De gegevens zijn afkomstig van de vierjaarlijkse loonstructuurenquêtes (SES). De meest recente gegevens dateren van oktober 2014. Het brutoloon omvat de geldelijke beloning die rechtstreeks door de werkgever wordt betaald vóór belastingen en vóór sociale premies ten laste van de werknemer die door de werkgever worden ingehouden. De gegevens omvatten alle bonussen, ongeacht of deze regelmatig worden betaald (zoals een dertiende of veertiende maand, vakantiegeld, winstdelingen, vergoedingen voor niet-opgenomen verlof, incidentele provisies enz.)

Gegevens over de mediaanlonen zijn gebaseerd op de bruto-uurlonen van alle werknemers (in voltijd en in deeltijd, met uitzondering van leerlingen) in ondernemingen met tien of meer werknemers, en in alle sectoren van de economie, met uitzondering van de landbouw, visserij, openbaar bestuur en de extraterritoriale organisaties, particuliere huishoudens. Het mediaanloon wordt zodanig berekend, dat de ene helft van de populatie minder en de andere helft meer dan het mediaanloon verdient.

Loonkloof tussen mannen en vrouwen

De loonkloof tussen mannen en vrouwen, in niet-gecorrigeerde vorm, wordt gedefinieerd als het verschil tussen de gemiddelde bruto-uurlonen van mannelijke en vrouwelijke werknemers in loondienst, uitgedrukt als percentage van de gemiddelde bruto-uurlonen van mannelijke werknemers in loondienst. De methode voor het opstellen van deze indicator wordt getoetst aan de hand van gegevens van de loonstructuurenquête (SES), die elke vier jaar wordt herzien op het moment dat er nieuwe SES-gegevens beschikbaar komen.

Volgens de gebruikte methode omvat de indicator voor de niet-gecorrigeerde loonkloof tussen mannen en vrouwen alle werknemers (zonder beperkingen voor leeftijd en gewerkte uren) van ondernemingen (met ten minste tien werknemers) in de industrie, de bouwsector en de dienstensector (zoals vervat in de secties B tot en met S, met uitzondering van O, van NACE Rev 2). Sommige landen verstrekken ook informatie over NACE Rev. 2, sectie O (openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen), maar dit is niet verplicht. Er is ook informatie beschikbaar met een analyse van de werktijd (fulltime werk of deeltijdwerk) tussen de publieke en private sector op basis van leeftijd van werknemers.

Nettoloon en belastingdruk

Het nettoloon wordt afgeleid van het brutoloon en bestaat uit dat deel van de beloning dat werknemers daadwerkelijk kunnen behouden om uit te geven of te sparen. In vergelijking met het brutoloon omvat het nettoloon geen sociale premies en belastingen, maar wel kinderbijslag en andere gezinsbijslagen.

Indicatoren voor belastingtarieven (belastingwig op loonkosten, werkloosheidsval, lagelonenval) zijn bedoeld om de aantrekkelijkheid van werk in de gaten te houden. De belastingwig op loonkosten wordt gedefinieerd als de inkomstenbelasting op het brutoloon plus de sociale premies ten laste van de werknemer en de werkgever, uitgedrukt als een percentage van de totale loonkosten. Deze indicator wordt opgesteld voor alleenstaanden zonder kinderen die 67 % van het gemiddelde loon van een werknemer in het bedrijfsleven verdienen (NACE Rev. 2, secties B tot en met N).

De werkloosheidsval meet welk aandeel van het brutoloon wordt "wegbelast" door hogere belastingen en socialezekerheidsbijdragen, en door het wegvallen van de werkloosheidsuitkering en andere uitkeringen wanneer een werkloze weer aan het werk gaat. De werkloosheidsval wordt gedefinieerd als het verschil tussen het brutoloon en de stijging van het netto-inkomen bij de overgang van werkloosheid naar werk, uitgedrukt als een percentage van het brutoloon. Deze indicator wordt opgesteld voor alleenstaanden zonder kinderen die 67 % van het gemiddelde loon van een werknemer in het bedrijfsleven verdienen (NACE Rev. 2, secties B tot en met N).

De lagelonenval meet het aandeel (in procenten) van het brutoloon dat wordt wegbelast door het gecombineerde effect van inkomstenbelasting, sociale premies en het wegvallen van voordelen wanneer het brutoloon stijgt van 33 % naar 67 % van het gemiddelde loon van een werknemer in het bedrijfsleven (NACE Rev. 2, secties B tot en met N). Deze indicator wordt opgesteld voor alleenstaanden zonder kinderen en voor gezinnen met één kostwinner en twee kinderen tussen zes en elf jaar oud.

Context

De structuur en de ontwikkeling van de loonkosten en de lonen zijn belangrijke kenmerken van elke arbeidsmarkt en geven het arbeidsaanbod van personen en de arbeidsvraag van ondernemingen weer.

De EU streeft naar bevordering van gelijke kansen door de loonkloof tussen mannen en vrouwen geleidelijk te verkleinen. In artikel 157, lid 1, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) is het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid vastgelegd, en artikel 157, lid 3, verschaft de rechtsgrondslag voor wetgeving op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de werkgelegenheid. In december 2015 heeft de Europese Commissie een Strategic engagement for gender equality 2016–2019 (in het Engels) vastgesteld. In dit werkprogramma heeft de Europese Commissie zich opnieuw verbonden om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen verder te bevorderen. Een van de thematische prioriteiten is het verminderen van de loonkloof en de pensioengaten tussen mannen en vrouwen om zo de armoede onder vrouwen te bestrijding. De Commissie heeft de kernactiviteiten vastgesteld die op dit prioritaire gebied dienen te worden uitgevoerd. Een daarvan is het jaarlijks organiseren van de Europese Equal Pay Day (in het Engels) om de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de onderliggende oorzaken onder de aandacht te brengen.

Zie ook

Meer informatie van Eurostat

Publicaties

Hoofdtabellen

  • Lonen (t_earn), zie (in het Engels):
Loonkloof tussen mannen en vrouwen, in niet-gecorrigeerde vorm (tsdsc340)
Loonkostenindex in NACE Rev. 2 (teilm100)
Loonkostenindex in NACE Rev. 2 - procentuele wijziging Q/Q-1 (teilm120)
Loonkostenindex in NACE Rev. 2 - procentuele wijziging Q/Q-4 (teilm130)
Loonkostenindex in NACE Rev. 2 - Index (2012=100) (teilm140)

Databank

Speciale sectie

Methodologie / Metadata

Brongegevens voor de tabellen en figuren (MS Excel)

Externe links