Statistieken over hernieuwbare energie


Gegevens geëxtraheerd in januari 2018. Recente gegevens: Meer informatie van Eurostat, Hoofdtabellen en Databank. Geplande update van het artikel: juli 2019.
Figuur 1: Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen, 2004 en 2016
(in % van bruto-eindverbruik van energie)
Bron: Eurostat (t2020_31)
Figuur 2: Aandeel hernieuwbare energiebronnen voor vervoer, 2016
(in % van bruto-eindverbruik van energie)
Bron: Eurostat (nrg_ind_335a)
Figuur 3: Primaire productie van energie uit hernieuwbare bronnen, EU-28, 1990-2016
(Mtoe)
Bron: Eurostat (nrg_110a)
Figuur 4: Bruto binnenlands verbruik van hernieuwbare energie, EU-28, 1990-2016
(Mtoe)
Bron: Eurostat (nrg_110a)
Tabel 1: Aandeel hernieuwbare energie in bruto binnenlands energieverbruik, 2016
(%)
Bron: Eurostat (nrg_100a) en (nrg_107a)
Tabel 2: Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in bruto eindverbruik van energie, 2004-2016
(%)
Bron: Eurostat (nrg_ind_335a)
Figuur 5: Bruto-elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen, EU-28, 1990-2016
(TWh)
Bron: Eurostat (nrg_105a)
Tabel 3: Aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in bruto-elektriciteitsverbruik,2004-2016
(%)
Bron: Eurostat (nrg_ind_335a)
Tabel 4: Aandeel van hernieuwbare energiebronnen voor verwarming en koeling, 2004-2016
(%)
Bron: Eurostat (nrg_ind_335a)
Tabel 5: Aandeel hernieuwbare energiebronnen voor vervoer, 2004-2016
(%)
Bron: Eurostat (nrg_ind_335a)
Figuur 6: Primaire productie van vloeibare biobrandstoffen, EU-28, 1990-2016
(Mtoe)
Bron: Eurostat (nrg_110a)

Dit artikel bevat recente statistieken over hernieuwbare energiebronnen in de Europese Unie (EU). Het gaat om de volgende hernieuwbare energiebronnen: windenergie, (thermische, fotovoltaïsche en geconcentreerde) zonne-energie, waterkracht, getijdenenergie, geothermische energie, biobrandstoffen en herbruikbaar afval.

Het gebruik van hernieuwbare energie heeft vele potentiële voordelen, zoals een lagere uitstoot van broeikasgassen, diversifiëring van de energievoorraad en een verminderde afhankelijkheid van de markt voor fossiele brandstoffen (met name olie en gas). De groei van hernieuwbare energiebronnen kan ook de werkgelegenheid in de EU stimuleren, door het scheppen van banen in verband met nieuwe "groene" technologieën.

Belangrijkste statistische resultaten

Hernieuwbare energie in de EU is in de afgelopen jaren sterk gegroeid. Het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie is in de afgelopen jaren bijna verdubbeld, van ongeveer 8,5 % in 2004 tot maximaal 17,0 % in 2016.

Deze positieve ontwikkeling is een gevolg van de juridisch bindende streefcijfers voor het verhogen van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen die zijn vastgesteld in Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Hoewel de Europese Unie als geheel op koers ligt om aan de streefcijfers voor 2020 te voldoen, zullen sommige lidstaten extra inspanningen moeten leveren om te voldoen aan hun verplichtingen ten aanzien van de twee belangrijkste doelstellingen: het totale aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie (zie figuur 1) en het specifieke aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor vervoer (zie figuur 2).

Primaire productie van energie uit hernieuwbare bronnen

De primaire productie van hernieuwbare energie in de EU-28 bedroeg in 2016 211 miljoen ton olie-equivalent (toe). De hoeveelheid in de EU-28 geproduceerde hernieuwbare energie steeg in totaal met 66,6 % tussen 2006 en 2016. Dit is een gemiddelde stijging van 5,3 % per jaar.

De grootste bron van hernieuwbare energie in de EU-28 was hout en andere vaste biobrandstof, evenals herbruikbaar afval, goed voor 49,4 % van de primaire productie van hernieuwbare energie in 2016 (zie figuur 3). Waterkracht leverde de op een na grootste bijdrage aan de hernieuwbare energie-mix (14,3 % van het totaal), gevolgd door windenergie (12,4 %). Hoewel het productieniveau relatief laag bleef, vond er een snelle groei plaats in de productie van wind- en zonne-energie, waarbij de laatste goed was voor 6,3 % van de energieproductie uit hernieuwbare bronnen in de EU-28 in 2016. Geothermische energie droeg 3,2 % van het totaal bij. De productie van getijde-, golfslag- en oceaanenergie is momenteel zeer gering. Deze technologieën worden voornamelijk in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk toegepast.

Verbruik van energie uit hernieuwbare bronnen

Hernieuwbare energiebronnen waren goed voor 13,2 % van het bruto binnenlands energieverbruik van de EU-28 in 2016. Hout en andere vaste biomassa levert nog steeds de grootste bijdrage aan de mix van hernieuwbare energiebronnen. Waterkracht en hout waren reeds in 1990 goed voor 91,5 %. De stijging is echter sindsdien veel lager dan bij andere bronnen. Bijgevolg daalde het gecombineerde aandeel van deze bronnen in 2016 tot 59,3 %. De evolutie van het bruto binnenlands energieverbruik van hernieuwbare energiebronnen is afgebeeld in figuur 4 (zonder normalisatie van elektriciteitsproductie).

Het aandeel van hernieuwbare energie in het bruto binnenlands verbruik (zie tabel 1) was relatief hoog in Denemarken (28,7 %), Oostenrijk (29,6 %) en Finland (30,7 %) en bedroeg meer dan een derde van het binnenlands verbruik in Letland (37,2 %) en Zweden (37,1 %), net als in IJsland (82,7 %).

Het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het bruto binnenlands verbruik mag niet worden verward met het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het bruto-eindverbruik van energie (de officiële indicator voor het bewaken van de voortgang in het kader van de doelstellingen voor 2020 die zijn vastgesteld in Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen). De exacte definities van bruto binnenlands verbruik en bruto-eindverbruik van energie zijn te vinden in het deel Gegevensbronnen en -beschikbaarheid.

Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie

De EU wil in 2020 20 % van het bruto-eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen halen. Deze doelstelling is verdeeld over de EU-lidstaten. Er zijn nationale actieplannen (in het Engels) opgesteld om voor iedere lidstaat de ontwikkeling van hernieuwbare energie te plannen. Figuur 1 toont de meest recente beschikbare gegevens over het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie, en de doelstellingen voor 2020. In 2016 was het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de EU-28 17,0 %. Ter vergelijking, in 2004 was dit aandeel 8,5 %.

Zweden was in 2016 de lidstaat met verreweg het hoogste aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie: meer dan de helft (53,9 %). Hiermee behield Zweden een voorsprong op Finland (38,7 %), Letland (37,2 %), Oostenrijk (33,5 %) en Denemarken (32,2 %). Aan het andere uiteinde van de schaal werd het laagste aandeel hernieuwbare energie geregistreerd in Luxemburg (5,4 %), Malta en Nederland (beide 6,0 %), België (8,7 %); en het Verenigd Koninkrijk en Cyprus (beide 9,3 %). Uit de meest recente gegevens voor 2016 blijkt dat Frankrijk, Nederland en Ierland hun aandeel van hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie met ten minste 6,0 procentpunten moeten verhogen om aan de doelstelling te voldoen. Elf lidstaten hadden hun doelstelling voor 2020 echter al overschreden. Met name in Kroatië, Zweden en Estland ging het om een ruime overschrijding. Sommige gegevens voor het aandeel van Griekenland in 2016 zijn gebaseerd op schattingen van Eurostat.

Uit een vergelijking van het gemiddelde voor 2015-16 met de indicatieve keten die is vastgesteld in de richtlijn hernieuwbare energie blijkt dat de waarden voor Frankrijk, Luxemburg, Nederland en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië lager waren dan die van de indicatieve keten voor diezelfde periode, terwijl in alle overige landen de waarden daarboven lagen.

In tabel 2 worden de gegevens voor alle lidstaten en de waarden van de indicatieve keten getoond.

Het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen is onderverdeeld in drie verschillende onderdelen (aandeel elektriciteit, aandeel verwarming en koeling en aandeel vervoer).

Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen - elektriciteit

In 2016 droeg de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen meer dan een kwart (29,6 %) bij aan het totale bruto-elektriciteitsverbruik in de EU-28. Waterkracht is de grootste bron, op de voet gevolgd door windenergie (zie figuur 5). Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat Richtlijn 2009/28/EG normaliseringsregels bevat voor de berekening van door water- en windenergie geproduceerde elektriciteit, om de effecten van schommelingen door het weer af te vlakken (waterkracht is de afgelopen 15 jaar genormaliseerd en wind de afgelopen 5 jaar). De groei van uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit tussen 2006 en 2016 is voornamelijk te danken aan de toename van drie hernieuwbare energiebronnen in de EU als geheel: voornamelijk windenergie, maar ook zonne-energie en vaste biobrandstoffen (inclusief herbruikbaar afval). Hoewel waterkracht in 2016 de grootste bron van hernieuwbare elektriciteitsproductie bleef in de EU-28 (36,9 % van het totaal), bleef de hoeveelheid elektriciteit uit deze bron relatief gelijk aan die van tien jaar eerder. De productie nam in totaal met 10,8 % toe. De hoeveelheid elektriciteit die in de EU-28 werd geproduceerd uit zonne-energie en windmolens was in 2016 echter 44,4, respectievelijk 3,7 keer hoger dan in 2006. Als gevolg daarvan steeg het aandeel van windenergie en zonne-energie in de totale hoeveelheid uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde elektriciteit in 2016 naar 31,8 %, respectievelijk 11,6 %%. Zonne-energie is zelfs nog sterker gegroeid, van slechts 2,5 TWh in 2006 naar 110,8 TWh in 2016. In 2008 werd geothermische energie al gepasseerd. Gedurende deze tien jaar nam de bijdrage van zonne-energie aan alle in de EU-28 geproduceerde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen toe van 0,3 % tot 11,6 %. Getijde-, golfslag- en oceaanenergie vormden in 2016 slechts ongeveer 0,05 % van de totale uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit in de EU-28.

Er zijn duidelijke verschillen tussen de EU-lidstaten. In Oostenrijk (72,6 %) en Zweden (64,9 %) werd ten minste drie vijfde van alle verbruikte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerd — grotendeels waterkracht en vaste biobrandstoffen. Hernieuwbare bronnen waren goed voor meer dan de helft van het verbruik in Portugal (54,1 %), Denemarken (53,7 %) en Letland (51,3 %). Anderzijds was het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in Cyprus, Hongarije, Luxemburg en Malta minder dan 10 % (zie tabel 3).

Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen - verwarming en koeling

In 2016 maakte hernieuwbare energie 19,1 % uit van het totale energieverbruik voor verwarming en koeling in de EU-28. Dit is een aanzienlijke toename ten opzichte van de 10,3 % in 2004. De toename in industriële sectoren, dienstverlening en gebruik voor woningen (bouwsector) heeft bijgedragen tot deze groei. Door warmtepompen opgevangen aerothermische, geothermische en hydrothermische warmte-energie wordt hier ook meegerekend, voor zover het door de lidstaten is gemeld. Het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarming en koeling is weergegeven in tabel 4.

Aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor vervoer

De EU is overeengekomen een gemeenschappelijke doelstelling vast te stellen van 10 % voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen (inclusief vloeibare biobrandstoffen, waterstof, biomethaan, "groene" elektriciteit, enz.) in de vervoerssector in 2020.

Het gemiddelde aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor vervoer is toegenomen van 1,4 % in 2004 tot 7,1 % in 2016. Het relatieve aandeel van hernieuwbare energie in het brandstofverbruik voor vervoer ligt in de EU tussen hoge waarden van 30,3 % in Zweden en 10,6 % in Oostenrijk en waarden van minder dan 2,0 % in Kroatië, Griekenland, Slovenië en Estland (zie figuur 2).

In een aantal EU-lidstaten was er een snelle groei van het gebruik van hernieuwbare energie als brandstof voor vervoer. Dit gold met name voor Ierland, Griekenland, Luxemburg en Finland.

Meer informatie over het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen voor vervoer is te vinden in tabel 5.

De hernieuwbare energiebronnen die het meest worden gebruikt zijn vloeibare biobrandstoffen, die gewoonlijk worden vermengd met fossiele brandstoffen. Figuur 6 toont de ontwikkeling van de productie van vloeibare biobrandstoffen in de Europese Unie in de afgelopen jaren.

Als gevolg van de bindende doelstellingen voor 2020 is de productie van vloeibare biobrandstoffen in de EU aanzienlijk toegenomen. De meest geproduceerde biobrandstof is biodiesel, gevolgd door biobenzine en andere vloeibare biobrandstoffen.

Gegevensbronnen en -beschikbaarheid

Methodologie

De in dit artikel gepresenteerde statistieken worden opgesteld aan de hand van gegevens die zijn verzameld overeenkomstig de berekeningsregels vastgelegd in Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen. De grondslag voor de berekening wordt gevormd door de energiestatistieken vermeld in Verordening 1099/2008 betreffende energiestatistieken, laatstelijk gewijzigd in november 2017 bij Verordening 2017/2010.

De meest recente beschikbare gegevens over het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen hebben betrekking op het referentiejaar 2016. Er zijn gegevens beschikbaar voor alle EU-lidstaten (met uitzondering van sommige gegevens voor Griekenland in 2016, die door Eurostat zijn geschat), alsook voor de EER-landen Noorwegen en IJsland en ook voor Albanië, Montenegro en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. In het algemeen zijn de gegevens volledig, recent en goed internationaal vergelijkbaar. Er kunnen nog kleine variaties optreden in de lijst van landen en andere algemene gegevens over hernieuwbare energie die beschikbaar zijn, aangezien de bekendmaking van dit artikel plaatsvindt vóór de publicatie van de officiële energiebalansen van Eurostat voor 2016. De in dit artikel beschikbare informatie zal (indien nodig) worden aangevuld en bijgewerkt na de officiële bekendmaking begin februari van de balansen van Eurostat voor 2016. Bovendien zijn de meest recente gegevens geëxtraheerd uit de interne productiedatabank (uitsluitend toegankelijk binnen Eurostat). Daarom worden de bijgewerkte gegevens pas zichtbaar in de links naar de officiële gegevensbronnen in de openbare databank van Eurostat op het moment dat de databank begin februari officieel wordt bijgewerkt.

Het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie wordt beschouwd als een belangrijke indicator voor vooruitgang in het kader van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Deze indicator kan beschouwd worden als een schatting voor het bewaken van de voortgang in het kader van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. In sommige landen is het statistische systeem op het gebied van bepaalde technologieën voor hernieuwbare energie echter nog onvoldoende ontwikkeld om te kunnen voldoen aan de eisen van deze richtlijn. Energie uit omgevingswarmte voor warmtepompen wordt bijvoorbeeld door veel landen niet gemeld.

In alle berekeningen wordt rekening gehouden met specifieke bepalingen uit Richtlijn 2009/28/EG na de wijziging bij Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

Bij het interpreteren van gegevens is het belangrijk om rekening te houden met statistische herzieningen. De meest recente gegevens over 2005 laten een kleine variatie zien ten opzichte van de gegevens die beschikbaar waren tijdens de voorbereiding en goedkeuring van de richtlijn in 2007-2008. De wijzigingen zijn het gevolg van herzieningen in datasets die lidstaten toezenden in antwoord op jaarlijkse vragenlijsten over energie. Als gevolg van de herziening van gegevens voor het verbruik van biomassa in de woonsector, laten de bijgewerkte gegevens voor Kroatië zien dat het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen sinds 2004 (het eerste jaar waarvoor waarden beschikbaar zijn) hoger is dan haar 2020-doelstelling. Maar Kroatië is niet het enige voorbeeld. Als gevolg van de richtlijn hernieuwbare energie bewaken landen de stromen hernieuwbare energiegrondstoffen in hun economieën veel nauwkeuriger. Een zeer belangrijke zaak is het verbruik van biomassa, waarbij landen nieuwe en meer gedetailleerde vragenlijsten verspreiden zodat ze meer gegevens kunnen verzamelen over het eindverbruik van energie uit biomassa. Als gevolg daarvan herzien sommige landen hun gegevens, hetgeen leidt tot een verhoging van hun aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen (bv. Kroatië, Frankrijk, Litouwen en Hongarije).

Bruto binnenlands energieverbruik staat voor de totale hoeveelheid energiebronnen die gebruikt worden voor alle doeleinden.

Energie beschikbaar voor eindverbruik staat voor de totale hoeveelheid voor de consument beschikbare energiebronnen (particulier, commercieel en industrieel). De energie die wordt gebruikt in omzettingsprocessen (bijvoorbeeld elektriciteitscentrales, brandstofraffinaderijen, hoogovens) valt hier niet onder. Energieproducten die kunnen worden gebruikt voor niet-energetisch gebruik (bijvoorbeeld chemische processen) vallen er wel onder.

Bruto-eindverbruik van energie" wordt in Richtlijn 2009/28/EG inzake hernieuwbare energie gedefinieerd als de energiegrondstoffen die geleverd worden aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector (inclusief de openbare diensten), de land- en bosbouw en de visserij, inclusief het verbruik van elektriciteit en warmte door de energiesector voor het produceren van elektriciteit en warmte en inclusief het verlies aan elektriciteit en warmte tijdens de distributie en de transmissie.

De productie van energie uit niet-hernieuwbaar gemeentelijk afval werd afgetrokken van de bijdrage van biomassa tot de opwekking van verwarming en elektriciteit. Het verbruik voor vervoer via pijpleidingen is opgenomen in het bruto-eindverbruik van energie, in overeenstemming met de sectorale indeling van de verordening betreffende energiestatistieken. Ter verbetering van de nauwkeurigheid en de samenhang met nationale statistieken bij de berekening van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen werden, in plaats van de calorische standaardwaarden, indien beschikbaar nationale calorische bovenwaarden gebruikt voor de omrekening van de hoeveelheden van alle energieproducten in energie-eenheden.

De Commissie heeft slechts recent definitieve richtsnoeren vastgesteld voor de berekening van energie uit warmtepompen. In sommige landen zijn de nationale statistische systemen nog niet zodanig verbeterd dat zij volledig rekening houden met alle hernieuwbare energiebronnen (bijvoorbeeld voor de hernieuwbare energie met betrekking tot warmtepompen). Ondanks het ontbreken van een erkende statistische methodologie ten tijde van de gegevensverzameling, werd de bijdrage van hernieuwbare energie uit warmtepompen voor de volledigheid in aanmerking genomen in gevallen waarin voldoende informatie was ingediend door de lidstaten. Om deze redenen is een aantal kleine verschillen ontstaan tussen de gegevens die voor deze publicatie zijn gebruikt en de in de energiebalansen gepubliceerde gegevens.

In de beschikbare energiestatistieken en energiebalansen van Eurostat wordt geen onderscheid gemaakt tussen duurzame en niet-duurzame hernieuwbare energiebronnen. Dit onderscheid kan wel worden gemaakt in het rekeninstrument (SHARES tool[1]) dat is ontwikkeld door Eurostat, waarbij rapporterende landen hierover aanvullende informatie moeten verstrekken. Derhalve mag niet worden vergeten — tenzij uitdrukkelijk anders vermeld — dat hernieuwbare energie alle hernieuwbare energiebronnen omvat, zowel de bronnen die aan duurzaamheidscriteria voldoen als de bronnen die niet aan dergelijke criteria voldoen.

Gegevens voor de periode 2004-2010: Richtlijn 2009/28/EG bestond nog niet of was nog maar net aangenomen. In de meeste Europese landen was de richtlijn nog niet omgezet in nationale wetgeving. De waarden voor die jaren worden niet gebruikt om de naleving van de wettelijke verplichtingen van de in deel B van bijlage I bij de richtlijn gedefinieerde indicatieve keten te meten. In Richtlijn 2009/28/EG inzake hernieuwbare energie is bepaald dat alleen biobrandstoffen en vloeibare biomassa die voldoen aan duurzaamheidscriteria moeten worden meegeteld voor de doelstellingen. Er werd besloten dat voor de periode 2004-2010 alle biobrandstoffen en vloeibare biomassa zouden worden meegerekend in de teller van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen.

Gegevens vanaf 2011: De naleving van artikel 17 (Duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa) moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 18 (Controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa). Met ingang van referentiejaar 2011 moeten landen alleen biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvan overeenstemming met zowel artikel 17 als artikel 18 volledig kan worden aangetoond opgeven als in overeenstemming met die artikelen. Alleen biobrandstoffen en vloeibare biomassa die als in overeenstemming met de voorschriften zijn gemeld worden meegeteld voor het respectieve aandeel van hernieuwbare energiebronnen. In sommige landen werd het verbruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa in de periode 2011-2015 niet gecertificeerd als in overeenstemming met de voorschriften (duurzaam) vanwege te late tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/28/EG. Hoewel het aandeel van hernieuwbare energie in zijn geheel is toegenomen sinds 2004, nam het aandeel ervan voor vervoer tussen 2010 en 2011 af. Dit is deels te wijten aan de totale afwezigheid van conforme biobrandstoffen gemeld door verscheidene EU-landen (landen meldden wel beperkt gebruik van biobrandstoffen, maar dit gebruik was in 2011 geheel niet of nauwelijks in overeenstemming met de voorschriften). Aangezien een aantal landen nog niet alle bepalingen van de richtlijn inzake hernieuwbare energie volledig heeft uitgevoerd, worden bepaalde biobrandstoffen en vloeibare biomassa in de periode 2011-2015 niet gerekend tot de conforme (duurzame) bronnen.

Het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen wordt gedefinieerd als de verhouding tussen energie uit hernieuwbare energiebronnen en het bruto nationale energieverbruik. Zoals in Richtlijn 2009/28/EG inzake hernieuwbare energie is bepaald, is het bruto-eindverbruik van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen de elektriciteit die wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen. Dit omvat elektriciteitsproductie door waterkrachtcentrales (met uitzondering van elektriciteit uit waterkracht geproduceerd via pompaccumulatiecentrales die water gebruiken dat eerst omhoog is gepompt) en elektriciteit uit vaste biobrandstoffen/vast afval, wind-, zonne- en geothermische installaties. De richtlijn schrijft ook voor dat de productie van elektriciteit uit waterkracht en windenergie wordt genormaliseerd. Gezien de eis dat de productie van waterkracht gedurende 15 jaar wordt genormaliseerd moet worden en het feit dat energiestatistieken voor de EU-28 sinds 1990 beschikbaar zijn, is er geen tijdreeks op lange termijn beschikbaar voor deze indicator.

Voor de berekening van het aandeel van hernieuwbare energie voor verwarming en koeling wordt het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen gedefinieerd als het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen in de industrie, huishoudens, diensten, landbouw, bosbouw en visserij geleverd voor verwarming en koeling, inclusief stadsverwarming geproduceerd uit hernieuwbare bronnen. Het totale eindverbruik voor verwarming en koeling is het totale verbruik van alle energiegrondstoffen, met uitzondering van elektriciteit voor andere doeleinden dan vervoer, plus het verbruik van verwarming voor eigen gebruik door elektriciteits- en verwarmingscentrales en warmteverlies in netwerken. Voor nauwkeurigere definities, zie SHARES tool manual.

Het aandeel hernieuwbare energie in het brandstofverbruik van de vervoerssector wordt berekend op basis van energiestatistieken, volgens de in Richtlijn 2009/28/EG beschreven methode. De bijdrage van alle vloeibare biobrandstoffen is tot 2010 inbegrepen bij de berekening van deze indicator. Vanaf 2011 hebben de gegevens over vloeibare biobrandstoffen voor vervoer uitsluitend betrekking op vloeibare biobrandstoffen die voldoen aan Richtlijn 2009/28/EG (met andere woorden, die voldoen aan de duurzaamheidscriteria).

Context

De Europese Commissie heeft verschillende strategieën ontworpen voor een veiliger, duurzame en koolstofarme economie. Behalve het tegengaan van klimaatverandering door een vermindering van broeikasgasemissies zal het gebruik van hernieuwbare energiebronnen waarschijnlijk leiden tot meer zekere energievoorraden, een grotere diversiteit in de aanvoer van energie, minder luchtvervuiling en mogelijk nieuwe banen in de sectoren milieu en hernieuwbare energie.

Het Klimaat- en energiepakket 2020, vastgesteld in december 2008, bood een verdere stimulans voor intensiever gebruik van hernieuwbare energiebronnen tot 20 % van het totale energieverbruik in 2020, vergezeld van oproepen om het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen met 20 % terug te dringen. Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevat een EU-brede doelstelling van een aandeel van 20 % energieconsumptie uit hernieuwbare bronnen in 2020. Hernieuwbare energie moet tegen die datum ook 10 % van de verbruikte brandstof in de vervoerssector uitmaken. De richtlijn wijzigt het wettelijk kader voor de bevordering van hernieuwbare elektriciteit, eist dat in nationale actieplannen (in het Engels) wordt getoond hoe hernieuwbare energie zal worden ontwikkeld in iedere EU-lidstaat, creëert samenwerkingsmechanismen en stelt duurzaamheidscriteria op voor vloeibare biobrandstoffen (vanwege zorgen over mogelijk negatieve effecten op gewasprijzen, de voedselvoorraad, bosbescherming, biodiversiteit, water en bodemschatten). In juli 2014 is een verslag aangenomen over duurzaamheid van vaste en gasvormige biobrandstoffen voor elektriciteit, verwarming en koeling (SWD(2014) 259, in het Engels).

Op 6 juni 2012 heeft de Europese Commissie een mededeling gepubliceerd getiteld Hernieuwbare energie: een belangrijke speler op de Europese energiemarkt (COM(2012) 271 definitief), met opties voor een beleid betreffende hernieuwbare energie na 2020. In de mededeling werd ook opgeroepen tot een meer gecoördineerde Europese aanpak voor het vaststellen en het hervormen van steunregelingen en tot meer handel in duurzame energie tussen de EU-lidstaten. In januari 2014 heeft de Europese Commissie een aantal energie- en klimaatdoelen voor 2030 (in het Engels) opgesteld, om private investeringen in infrastructuur en koolstofarme technologieën aan te moedigen. Een van de voorgestelde hoofddoelen is het doen stijgen van het aandeel hernieuwbare energie met ten minste 27 % in 2030. Deze doelstellingen worden gezien als een stap in de richting van het voldoen aan de doelstellingen voor broeikasgasemissies voor 2050, in de Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050 (COM (2011) 112 def.).

Een van de 10 prioriteiten van de Europese Commissie uit 2014 is een [energie-unie. Het is de bedoeling dat een Europese energie-unie veilige, duurzame, concurrerende en betaalbare energie waarborgt. In februari 2015 heeft de Commissie haar plannen gepubliceerd voor een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering, in Mededeling (COM(2015) 80 definitief). In deze mededeling worden vijf dimensies van de strategie voorgesteld. Een ervan is het koolstofarm maken van de economie.

Zie ook

Meer informatie van Eurostat

Publicaties

Hoofdtabellen

Energy statistics - main indicators (t_nrg_indic)
Energiestatistieken - hoeveelheden (t_nrg_quant)

Databank

Energy statistics - quantities, annual data (nrg_quant)

Speciale sectie

Methodologie / Metadata

Brongegevens voor tabellen en figuren (MS Excel)

Externe links

Voetnoten

  1. SHARES tool