Nationale rekeningen en bbp


Gegevens geëxtraheerd in augustus 2019.

Geplande update van het artikel: November 2020.

De versie in het Engels is recenter.

Belangrijkste punten

Het bbp in de EU-28 is in 2018 toegenomen, voor het zesde jaar op rij; de stijging binnen de eurozone was de vijfde opeenvolgende stijging.

Divergerende structurele ontwikkelingen in de EU-28 in de afgelopen tien jaar: aandeel van de bouwnijverheid in de totale toegevoegde waarde is gedaald, dat van zakelijke dienstverlening is gestegen.

In 2018 zijn de economische investeringen in de EU-28 voor het vierde opeenvolgende jaar gestegen.

Reële BBP-groei, 2008-2014

Nationale rekeningen zijn de bron van veel bekende economische indicatoren die in dit artikel aan de orde komen. Het bruto binnenlands product (bbp) is de meest gebruikte maatstaf voor de totale grootte van een economie, terwijl afgeleide indicatoren zoals het bbp per inwoner per hoofd van de bevolking — bijvoorbeeld in euro’s of gecorrigeerd voor verschillen in prijspeil (zoals uitgedrukt in koopkrachtstandaard, KKS) — op grote schaal worden gebruikt voor een vergelijking van de levensstandaard, of om toezicht te houden op de economische convergentie of divergentie in de Europese Unie (EU).

Bovendien kan de ontwikkeling van specifieke bbp-componenten en bijbehorende indicatoren, zoals die voor economische productie, invoer en uitvoer, (private en publieke) binnenlandse consumptie of investeringen, alsmede van de gegevens betreffende de verdeling van inkomen en besparingen, waardevolle inzichten geven in de drijvende krachten achter een economie en aldus de grondslag vormen voor het ontwerp, het toezicht en de evaluatie van specifiek EU-beleid.

Volledig artikel

Ontwikkelingen voor het bbp in de EU-28: groei sinds 2013

De wereldwijde financiële en economische crisis leidde in 2009 tot een ernstige recessie in de EU-28 (zie figuur 1), gevolgd door een herstel in 2010. De crisis begon eerder in Japan en de Verenigde Staten, waar al in 2008 sprake was van negatieve jaarlijkse mutaties (in reële termen) voor het bbp, die in 2009 verder daalden en in 2010 weer stegen. De economische productie in China (inclusief Hongkong) bleef daarentegen tijdens de crisis relatief gestaag groeien (bijna 10 % per jaar), vertraagde enigszins in de daarop volgende jaren, maar bleef aanzienlijk hoger dan in enige andere economie in figuur 1.

In 2008 was het al duidelijk in de EU-28 dat er een crisis aan zat te komen, aangezien de groei van het bbp aanzienlijk was verminderd. In 2009 daalde het reële bbp met 4,3 %. Door het herstel in de EU-28 steeg het indexcijfer van het bbp (op basis van kettingindexcijfers volume) in 2010 met 2,1 % en was er in 2011 sprake van een verdere stijging van 1,7 %. Vervolgens kromp het bbp met 0,4 % in 2012, waarna steeds hogere groeipercentages werden genoteerd in 2013 (0,3 %), 2014 (1,8 %) en 2015 (2,3 %). Van 2015 tot en met 2018 was de groei relatief stabiel, met 2,0 % tot 2,5 % per jaar.

In de eurozone was het overeenkomstige wijzigingspercentage tot en met 2011 vergelijkbaar met dat in de EU-28, terwijl de krimp in 2012 sterker was (-0,9 %) dan in de EU-28. Deze krimp zette zich voort in 2013 (-0,2 %). In de periode 2014-2018 was de reële bbp-groei in de eurozone wat zwakker dan in de EU-28 als geheel.

Figuur 1: Reële bbp-groei, 2008-2018
(% verandering in vergelijking met het vorige jaar)
Bron: Eurostat (naida_10_gdp)

Binnen de EU liep de groei van het reële bbp sterk uiteen, zowel van periode tot periode als tussen de EU-lidstaten (zie tabel 1). Na een krimp in alle lidstaten behalve Polen in 2009 herstelde de economische groei zich in 2010 in 23 lidstaten (en bleef het BBP ongewijzigd in Spanje), terwijl er in 2011 sprake was van groei in 24 lidstaten. In 2012 veranderde deze situatie echter en werd slechts in de helft (14) van de lidstaten economische expansie geregistreerd, terwijl in Bulgarije de economische activiteit gelijk bleef en de productie in de overige lidstaten daalde. Vervolgens werd in de meerderheid van de lidstaten weer groei geregistreerd: in 2013 was de ontwikkeling in 17 lidstaten positief, in 2014 in 25 lidstaten en in 2015 en 2016 in 27 lidstaten. In 2017 was er in alle 28 lidstaten (voor het eerst sinds 2007) sprake van een positieve ontwikkeling, evenals in 2018. De enige lidstaat waar de economie in 2015 en 2016 kromp, was Griekenland, met een daling van respectievelijk 0,4 % en 0,2 %, na een groei van 0,7 % in 2014 en zes opeenvolgende dalingen in de economische productie in de periode van 2008 tot en met 2013.

Tabel 1: Reële bbp-groei, 2008-2018
Bron: Eurostat (naida_10_gdp)

De hoogste jaarlijkse groeicijfers voor het reële bbp werden in 2018 geregistreerd in Ierland (8,2 %) en Malta (6,7 %), terwijl de laagste cijfers werden genoteerd in Finland en Frankrijk (beide 1,7 %), Denemarken (1,5 %), Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en België (alle 1,4 %) en Italië (0,9 %).

Gemiddelde jaarlijkse groei van het bbp gedurende de afgelopen tien jaar 1,0 % in de EU-28 en 0,8 % in de eurozone

Polen boekte voortdurend positieve wijzigingspercentages gedurende de periode die is weergegeven in Tabel 1, evenals Albanië en Kosovo [1] (gegevens van 2008 tot en met 2017) en China (gegevens van 2008 tot en met 2016) wat de niet-lidstaten in de tabel betreft. In België, Denemarken, Duitsland, Estland, Ierland, Frankrijk, Litouwen, Malta, Slowakije en het Verenigd Koninkrijk werd in 2018 voor de negende keer op rij een positieve jaarlijkse groei geregistreerd; dit was ook het geval in Noorwegen, Zwitserland en de Verenigde Staten, terwijl Turkije in 2017 voor de achtste keer op rij een positief groeipercentage registreerde.

Uit analyses van de laatste tien jaar wordt duidelijk dat de mondiale financiële en economische crisis negatieve gevolgen heeft gehad voor de economieën van de EU-lidstaten. De gemiddelde jaarlijkse groei van de EU-28 en van de eurozone (EZ-19) bedroeg tussen 2008 en 2018 respectievelijk 1,0 % en 0,8 % (zie Tabel 1). De hoogste groei van de lidstaten op basis van deze indicator werd geregistreerd voor Ierland (gemiddelde jaarlijkse groei van 5,0 %), gevolgd door Malta (4,8 %) en Polen (3,4 %). In Griekenland, Italië en Kroatië was de algemene ontwikkeling van het reële bbp in de periode van 2008 tot en met 2018 daarentegen negatief.

In 2018 was Duitsland goed voor een vijfde van het bbp van de EU-28 in termen van KKS

Vergelijkingen tussen landen worden vaak gemaakt aan de hand van koopkrachtstandaarden (KKS), zodat de waarden worden gecorrigeerd voor verschillen in prijspeil tussen landen. De gegevens in figuur 2 en figuur 3 en in tabel 2 worden uitgedrukt in actuele prijzen en kunnen als gevolg van de inflatie en wisselkoersschommelingen niet worden gebruikt om wijzigingspercentages te berekenen.

In 2018 bedroeg het bbp in de EU-28 in KKS 15,9 biljoen (15 900 miljard) – voor de EU-28 staat één KKS gelijk aan één euro. Het bbp van de EU-28 in KKS bleef in de periode van 2008 tot en met 2018 derhalve van jaar tot jaar hoger dan dat van de Verenigde Staten (zie figuur 2) [2]. Het is interessant om op te merken dat China in het verleden altijd een lager niveau van economische productie had dan de EU-28 en de Verenigde Staten, maar dat deze situatie is veranderd als gevolg van de snelle transformatie en constante groei van de Chinese economie. In 2013 was het Chinese bbp in KKS voor gelijk aan dat van de Verenigde Staten en in 2015 bereikte de economische productie van China een niveau dat hoger was dan het niveau dat in de EU-28 werd opgetekend (een situatie die zich sindsdien voortzette).

Figuur 2: Bbp tegen actuele marktprijzen, 2008-2018
(miljard KKS)
Bron: Eurostat (prc_ppp_ind)

De eurozone was in 2018 goed voor 70,5 % van het bbp van de EU-28 (gemeten in KKS), hetgeen lager was dan het aandeel van 72,2 % in 2008. In 2018 waren de grootste vijf EU-lidstaten (Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje) samen verantwoordelijk voor iets meer dan twee derde (66,4 %) van het bbp van de EU-28; dit was 1,5 procentpunt minder dan tien jaar eerder (in 2008). Duitsland alleen al was goed voor 19,9 % van het bbp van de EU-28 in 2018, tegenover 18,9 % in 2008.

In 2018 bedroeg het gemiddelde bbp per inwoner 30 900 in de hele EU-28

Om de levensstandaard te evalueren, wordt vaak het bbp per inwoner gebruikt, ofwel het bbp gecorrigeerd voor de omvang van de economie in termen van de bevolkingsomvang. In 2018 was het gemiddelde bbp per inwoner voor de EU-28 (in termen van actuele prijzen) 30,9 duizend EUR. Waarden in KKS zijn gecorrigeerd voor de verschillen in prijspeil in de landen. De relatieve positie van individuele landen kan worden uitgedrukt in de vorm van een vergelijking met het EU-28-gemiddelde, dat is gelijkgesteld aan 100 (zie de rechterhelft van tabel 2). Op basis van deze indicator werd de hoogste waarde van de EU-lidstaten geregistreerd in Luxemburg, waar het bbp per inwoner in KKS in 2018 ongeveer 2,5 maal zo hoog was als het gemiddelde van de EU-28 (deels verklaard door het grote aantal grensoverschrijdende werknemers uit België, Frankrijk en Duitsland). In Bulgarije daarentegen bedroeg het bbp per inwoner de helft van het EU-28-gemiddelde.

Tabel 2: Bbp tegen actuele marktprijzen, 2008 en 2016-2018
Bron: Eurostat (prc_ppp_ind)

De ontwikkeling van de KKS-waarden in het afgelopen decennium wijst op een zekere convergentie in de levensstandaard. De meeste lidstaten die in 2004, 2007 en 2013 lid werden van de EU, hadden in 2008 een bbp dat enigszins lager was dan het EU-28-gemiddelde. In 2018 zaten zij, ondanks enige tegenslagen tijdens de wereldwijde financiële en economische crisis, al dichter bij dit gemiddelde. Kroatië, Slovenië en Cyprus waren uitzonderingen: in deze periode behield Kroatië dezelfde afstand tot het EU-28-gemiddelde; Slovenië zakte verder onder het EU-28-gemiddelde (net als Griekenland en Portugal binnen de EU-15-lidstaten) — zie figuur 3; het bbp van Cyprus laag eerst boven het EU-28-gemiddelde, maar daalde vervolgens tot daaronder. Dit gold ook voor Italië en Spanje binnen de EU-15-lidstaten. Wanneer de situatie van 2018 wordt vergeleken met die van 2008, hebben Ierland, Duitsland, Oostenrijk, Denemarken en België zich verder boven het gemiddelde van de EU-28 gepositioneerd — daarentegen zijn de overige andere EU-15-lidstaten, namelijk Nederland, Finland, Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Frankrijk, tussen 2008 en 2018 van een positie boven het gemiddelde van de EU-28 naar een positie dichter bij (maar nog steeds boven) het EU-28-gemiddelde verschoven.

Figuur 3: Bbp per hoofd van de bevolking tegen actuele marktprijzen, 2008 en 2018
(EU-28 = 100; op basis van KKS per inwoner)
Bron: Eurostat (prc_ppp_ind)

Bruto in de EU toegevoegde waarde per economische activiteit

Ongeveer driekwart van de totale in 2018 toegevoegde waarde van de EU-28 werd gegenereerd binnen de dienstensector

Wat het bbp aan de productiezijde betreft, wordt in tabel 3 een overzicht gegeven van het relatieve belang van tien economische activiteiten (zoals gedefinieerd per NACE Rev. 2) wat betreft hun bijdrage aan de totale bruto toegevoegde waarde tegen huidige basisprijzen. Tussen 2008 en 2018 daalde het aandeel van de industrie in de toegevoegde waarde van de EU-28 met 0,3 procentpunten naar 19,5 %, maar bleef desondanks net iets hoger dan het aandeel van handel en distributie, vervoer, en horeca, dat in 2008 en 2018 gelijk was (19,1 %). Daarentegen steeg het aandeel van openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg in de toegevoegde waarde met 0,4 procentpunten naar 18,5 % in 2018. De daaropvolgende grootste activiteiten in 2018 (op basis van bruto toegevoegde waarde) waren vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten; administratieve en ondersteunende diensten (hierna zakelijke dienstverlening genoemd) (11,2 %; het aandeel steeg tussen 2008 en 2018 met 0,9 procentpunten), vastgoedactiviteiten (11,1 %; een daling van 0,1 punten), gevolgd door de bouwnijverheid (5,6 %; een daling van 0,8 punten), informatie- en communicatiediensten (5,1 %; een stijging met 0,2 punten) en financiële diensten en verzekeringsdiensten (4,8 %; een daling met 0,4 punten). De kleinste bijdragen kwamen uit de kunst, amusement en andere diensten (3,4 %; geen verandering) en landbouw, bosbouw en visserij (1,6 %; een daling met 0,1 punten).

Tabel 3: Bruto toegevoegde waarde tegen huidige basisprijzen, 2008 en 2018
(percentage van de totale bruto toegevoegde waarde)
Bron: Eurostat (nama_10_a10)

De dienstensector droeg in 2018 73,2 % bij aan de totale bruto toegevoegde waarde van de EU-28, tegenover 72,2 % in 2008. Het relatieve belang van de dienstensector in Luxemburg, Malta, Cyprus, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Nederland, België, Portugal en Denemarken was bijzonder hoog; in deze landen waren zij goed voor ten minste driekwart van de totale toegevoegde waarde. Het aandeel van de diensten lag daarentegen dicht bij drie vijfde in Ierland, Slowakije en Tsjechië (die allemaal relatief hoge aandelen voor de industrie registreerden).

Divergerende ontwikkelingen van economische activiteiten in de afgelopen tien jaar

De structurele verandering is, althans ten dele, het gevolg van verschijnselen zoals technologische verandering, ontwikkelingen in relatieve prijzen, outsourcing en globalisering, die er vaak toe leiden dat de productieactiviteiten en bepaalde diensten (die op afstand kunnen worden verleend, bijvoorbeeld online of door middel van callcenters) worden verplaatst naar regio’s met lagere loonkosten, zowel binnen als buiten de EU. Bovendien werd een aantal activiteiten in het bijzonder getroffen door de wereldwijde financiële en economische crisis en de gevolgen daarvan. De industrie kreeg te maken met de sterkste krimp — in volume liet de EU-28 tussen 2008 en 2009 een daling zien van 11,4 % (na een lichte daling tussen 2007 en 2008). Tussen 2011 en 2013 daalde de industriële productie in de EU-28 met nog eens 2,3 % en groeide daarna vier jaar lang weer relatief snel (met stijgingen tussen 2,5 % en 3,1 % per jaar), en iets gematigder (1,8 %) in 2018. De bouwsector kreeg de meest langdurige krimp te verwerken, met een productiedaling van 18,1 % in de hele EU-28 tussen 2008 en 2013 (was ook reeds gekrompen in 2008); in deze periode daalde de productie jaar op jaar: de groei van 1,3 % die in 2014 werd geregistreerd voor de bouwnijverheid was derhalve de eerste jaarlijkse groei in zeven jaar, en deze werd gevolgd door een groei tussen 1,6 % en 4,2 % in 2018. Voor zakelijke dienstverlening en ook handel en distributie, vervoer en horeca daalde de toegevoegde waarde in de EU-28 ook aanzienlijk in 2009, respectievelijk met 7,0 % en 5,8 %, maar deze sectoren lieten daarna weer een positieve groei zien tot en met 2018 (met uitzondering van een bescheiden afname van 0,1 % voor handel en distributie, vervoer en horeca in 2013). Na een periode van relatieve stabiliteit (geen verandering) in 2009, viel in 2010 de productie van de sectoren landbouw, bosbouw en visserij in de EU-28 terug met 3,9 % en nogmaals in 2012 met 5,5 %; na een groei met 3,8 % in 2013 en 6,1 % 2014, daalde de productie van landbouw, bosbouw en visserij met 0,9 % in 2015, en nogmaals in 2016, om vervolgens weer aan te trekken in 2017 (2,1 % groei) en 2018 (0,6 % groei). Twee van de activiteiten in de figuren 4 en 5 vertoonden geen jaarlijkse daling van de toegevoegde waarde in enig jaar tijdens de onderzochte periode: vastgoedactiviteiten; openbaar bestuur, defensie, onderwijs, menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening. Het is interessant te vermelden dat het totale aandeel van de vastgoedactiviteiten in de totale bruto toegevoegde waarde licht daalde, ondanks de toegevoegde waarde voor de vastgoedactiviteiten van de EU-28 gedurende de beoordelingsperiode (zij het in een vrij gematigd tempo).

In 2018 was voor alle activiteiten in de EU-28 sprake van groei in de bruto toegevoegde waarde ten opzichte van 2017. De activiteiten die de sterkste groei vertoonden, waren informatie- en communicatiediensten (4,7 %), de bouwnijverheid (3,6 %) en zakelijke dienstverlening (3,3 %).

Figuur 4: Ontwikkeling van de reële bruto toegevoegde waarde, EU-28, 2008-2018
(2010 = 100)
Bron: Eurostat (nama_10_a10)


Figuur 5: Ontwikkeling van de reële bruto toegevoegde waarde, EU-28, 2008-2018
(2010 = 100)
Bron: Eurostat (nama_10_a10)

Arbeidsproductiviteit

Teneinde de gevolgen van inflatie te neutraliseren, kan de arbeidsproductiviteit per werknemer worden berekend aan de hand van gegevens die zijn gecorrigeerd voor prijsveranderingen. Een analyse van de arbeidsproductiviteit per werknemer in reële termen (gebaseerd op veranderingen in de kettingindexcijfers volume) over de tien jaar van 2008 tot en met 2018 laat een stijging zien voor de meeste economische activiteiten. De grootste stijgingen in productiviteit werden geregistreerd voor landbouw, bosbouw en visserij (over het geheel met 28,0 %), informatie- en communicatiediensten (17,5 %) en industrie (16,3 %) — zie figuur 6. Een exacte vergelijking van de niveaus van arbeidsproductiviteit in reële termen tussen activiteiten kan alleen worden gemaakt voor referentiejaar 2010, als gevolg van de non-additiviteit van de kettingindexcijfers volume.

Figuur 6: Reële arbeidsproductiviteit, EU-28, 2008, 2013 en 2018
(1 000 EUR per werknemer)
Bron: Eurostat (nama_10_a10) en (nama_10_a10e)

Nadere gegevens over de ontwikkeling van de reële arbeidsproductiviteit, gemeten per werknemer of per gewerkt uur, worden weergegeven in tabel 4. De arbeidsproductiviteit per werknemer nam tussen 2008 en 2018 in bijna alle EU-lidstaten toe in reële termen; alleen Finland, Italië, Luxemburg en Griekenland registreerden een daling (geen gegevens beschikbaar voor Malta). In dezelfde periode steeg de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur in alle EU-lidstaten, met uitzondering van Luxemburg en Griekenland (geen gegevens beschikbaar voor Malta). Als de lidstaten met een onderbreking in de gegevensreeks niet worden meegenomen (zie tabel 4), werden de grootste (procentuele) stijgingen voor beide indicatoren van reële arbeidsproductiviteit geregistreerd in Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen, Roemenië en Slowakije.

Tabel 4: Reële arbeidsproductiviteit, 2008, 2013 en 2018
Bron: Eurostat (nama_10_gdp) en (nama_10_a10_e)

Consumptieve bestedingen

Wat een analyse van de ontwikkeling van de bestanddelen van het bbp volgens de bestedingenmethode betreft, kan worden opgemerkt dat de consumptieve bestedingen in de EU-28 tussen 2008 en 2018 qua volume met 8,8 % stegen (zie figuur 7); dit ondanks een lichte daling in 2009 en 2012. Tussen 2008 en 2018 stegen de consumptieve bestedingen van de overheid iets sneller, namelijk met 9,8 %. In diezelfde periode waren de bruto-investeringen relatief instabiel: ze daalden snel in 2009, schommelden tussen 2010 en 2013 en lieten vervolgens tot en met 2018 een opwaartse trend zien. De meeste jaren was de groei van de uitvoer aanzienlijk hoger dan de groei van de invoer. 2009 en 2014-2016 vormden hierop een uitzondering; in de periode 2008-2018 steeg de uitvoer in totaal met 36,3 % terwijl de invoer steeg met 30,1 %.

Figuur 7: Ontwikkelingen van de reële consumptieve bestedingen, bruto-investeringen, uitvoer en invoer, EU-28, 2008-2018
(2010 = 100)
Bron: Eurostat (nama_10_gdp)

Na de inzinking in 2009 zijn de consumptieve bestedingen van de huishoudens en van instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens in 2010 gestegen (0,8 % qua volume); in 2011 zijn ze gelijk gebleven (0,0 %), maar in 2012 (-0,6 %) en 2013 (-0,1 %) weer gedaald. Daarna stegen deze uitgaven gedurende vijf opeenvolgende jaren met een aanvankelijke stijging van 1,2 % tot 2,4 %, alvorens te vertragen tot 1,6 %.

In 2010 stegen de overheidsuitgaven qua volume in de EU-28 langzamer en dit groeipercentage bleef relatief stabiel (tussen -0,1 % en 0,4 %) tussen 2011 en 2013. Vervolgens, van 2014 tot en met 2018, werd de stijging weer wat sterker (tussen 1,0 % en1,7 %).

Investeringen

Ondanks een stijging in 2011 (1,9 %), wisten de bruto-investeringen in vaste activa van de EU-28 zich niet volledig te herstellen van de scherpe daling in 2009 (-11,7 %), waardoor in 2012 en 2013 opnieuw sprake was van een negatieve tendens; in de periode 2014-2018 namen de bruto-investeringen in vaste activa in de EU-28 echter toe, met jaarlijks tussen 2,3 % en 4,9 %.

Figuur 8: Reële jaarlijkse procentuele groei in de uitgavencomponenten van het bbp, EU-28, 2008-2018
(%)
Bron: Eurostat (nama_10_gdp)

Afgezet tegen de actuele prijzen, bedroegen de consumptieve bestedingen door huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens in 2018 55,4 % van het bbp van de EU-28, terwijl het aandeel van de bruto-investeringen 21,1 % en het aandeel van de overheidsuitgaven 20,1 % bedroeg (zie figuur 9); de externe balans van goederen en diensten was 3,4 % (zie figuur 9).

Figuur 9: Uitgavencomponenten van het bbp tegen actuele marktprijzen, EU-28, 2018
(percentage van het bbp)
Bron: Eurostat (nama_10_gdp), (tec00009), (tec00010), (tec00011) en (tec00110)

Tussen de EU-lidstaten was er een grote variatie in de intensiteit van de investeringen (zie figuur 10) en dit kan gedeeltelijk een weerslag zijn van de verschillende fasen van de economische ontwikkeling en van de groeidynamiek gedurende de laatste jaren. In 2018 bedroegen de bruto-investeringen in vaste activa (uitgedrukt in actuele prijzen) als percentage van het bbp 20,5 % in de EU-28 en 20,9 % in de eurozone. Zij waren het hoogst in Tsjechië, Hongarije en Zweden (alle 25,5 %) en het laagst in Griekenland (11,1 %).

Figuur 10: Bruto-investeringen in vaste activa tegen actuele marktprijzen, 2018
(percentage van het bbp)
Bron: Eurostat (nama_10_gdp)

Veruit de meeste investeringen in de EU-28 werden gedaan door de particuliere sector. Dit kan worden afgelezen uit tabel 5: in 2018 waren de investeringen van bedrijfsleven en huishoudens goed voor 18,1 % van het bbp van de EU-28, terwijl het overeenkomstige cijfer voor overheidsinvesteringen 2,9 % bedroeg. Relatief hadden Estland (5,4 %; gegevens over 2017) en Zweden (4,8 %) de hoogste overheidsinvesteringen, terwijl de investeringen door de particuliere zakelijke sector het hoogst waren in Ierland (19,7 %; gegevens over 2017), Zweden (17,4 %) en Tsjechië (16,7 %; gegevens over 2017) en de investeringen door huishoudens het hoogst waren in Cyprus (6,8 %; gegevens over 2017) en Finland (6,7 %). De investeringen door huishoudens (als percentage van het BBP) in 2017 waren aanzienlijk lager dan in 2008 in Griekenland, Ierland, Cyprus, Spanje en Letland, terwijl deze opmerkelijk hoger waren in Bulgarije (2016 in vergelijking met 2008); het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Finland, Zweden en Litouwen waren de enige andere EU-lidstaten van de EU die een toename meldden van het aandeel van investeringen door huishoudens in het bbp tussen 2008 en 2017 (2018 voor Finland en Zweden).

Tabel 5: Investeringen tegen actuele marktprijzen, 2008, 2013 en 2018
(percentage van het bbp)
Bron: Eurostat (nasa_10_ki)

Inkomen

Uit een analyse van het bbp in de EU-28 aan de inkomstenkant blijkt dat de verdeling ervan over de productiefactoren van inkomen uit het productieproces werd gedomineerd door de beloning van werknemers, een bedrag dat goed was voor 47,6 % van het bbp tegen actuele marktprijzen in 2018. Het aandeel van het bruto-exploitatieoverschot en het gemengde inkomen bedroeg 40,5 % van het bbp, terwijl dat van de belastingen op productie en invoer verminderd met de subsidies 11,9 % was (zie figuur 11). In Ierland was het aandeel van de beloning van werknemers in het bbp het laagst (28,8 %), gevolgd door Griekenland (33,4 %), terwijl percentages hoger dan 50,0 % werden geregistreerd in Luxemburg, Duitsland Frankrijk en Denemarken (waar het aandeel 52,4 % bedroeg). Wat Ierland betreft, is het bijzonder lage aandeel een gevolg van globalisering.

Figuur 11: Distributie van inkomen tegen actuele marktprijzen, 2018
(percentage van het bbp)
Bron: Eurostat (nama_10_gdp)

Figuur 12 (die op gegevens in actuele marktprijzen is gebaseerd) laat zien dat de inkomensaggregaten zich in 2011 of 2013 hadden hersteld van de verliezen die zij tijdens de financiële en economische crisis hadden opgelopen. De beloning van werknemers daalde in 2009 in de EU-28 met 2,8 %, maar lag in 2018 23,0 % hoger dan het overeenkomstige niveau van 2008.

Het bruto-exploitatieoverschot en het gemengd inkomen lieten in de EU-28 in 2008 al een zeer beperkte groei zien en daalden in 2009 vervolgens met 8,2 %; in 2013 had dit inkomensaggregaat een niveau bereikt dat vergelijkbaar was met het hoogste punt van voor de crisis (2008); in 2018 steeg het niveau tot 17,6 % boven deze piek.

De daling van de belastingen op productie en invoer verminderd met de subsidies in de EU-28 was al in 2008 aangevangen (3,1 %); de daling versnelde in 2009 (9,2 %); in 2011 waren deze verliezen ruimschoots goedgemaakt en in 2018 stond dit inkomensaggregaat 29,0 % hoger dan het niveau van 2008 (en 25,1 % boven de piek van vóór de crisis in 2007).

Figuur 12: Ontwikkeling van inkomen tegen actuele marktprijzen, EU-28, 2008-2018
(2008 = 100)
Bron: Eurostat (nama_10_gdp)

Consumptie van de huishoudens

De consumptieve bestedingen van de huishoudens waren in 2018 in 17 van de 28 EU-lidstaten goed voor ten minste de helft van het bbp (tegen actuele marktprijzen); dit aandeel was het hoogst in Cyprus (66,5 %) en Griekenland (65,3 %). Dit aandeel was daarentegen het laagst in Luxemburg (28,7 %) terwijl dit land toch veruit de hoogste gemiddelde consumptieve bestedingen van de huishoudens per inwoner had (KKS 22 600) – zie tabel 6 – ook na correctie voor verschillen in prijspeil tussen de lidstaten.

Tabel 6: Consumptieve bestedingen van huishoudens, 2008, 2013 en 2018
Bron: Eurostat (nama_10_gdp) en (nama_10_pc)

Behalve in Luxemburg waren de gemiddelde consumptieve bestedingen van de huishoudens per inwoner in termen van KKS in 2018 ook relatief hoog in het Verenigd Koninkrijk (KKS 20 400), Oostenrijk (KKS 19 500) en Duitsland (KKS 19 300). Daarentegen was Bulgarije de enige EU-lidstaten die gemiddelde consumptieve bestedingen van de huishoudens per inwoner van minder dan 10 000KKS rapporteerden.

Een analyse van de reële ontwikkelingen in de gemiddelde consumptieve bestedingen van de huishoudens per inwoner in euro’s (op basis van kettingindexcijfers volume) voor de periode 2013-2018, toont aan dat de snelste groei werd geregistreerd in Roemenië, Litouwen, Bulgarije en Hongarije. Oostenrijk registreerde de traagste stijging van de consumptieve bestedingen van de huishoudens per inwoner, met een gemiddelde van 0,1 % per jaar in de periode van 2013 tot en met 2018, terwijl stijgingen met een gemiddelde van minder dan 1,0 % per jaar werden geregistreerd in België, Luxemburg, Frankrijk en Griekenland.

Brongegevens voor tabellen en grafieken

Gegevensbronnen

Het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR) verschaft de methodiek voor nationale rekeningen in de EU. De huidige versie, ESA 2010 (in het Engels), is in mei 2013 vastgesteld en wordt sinds september 2014 geïmplementeerd. Deze versie is volledig in overeenstemming met wereldwijde richtlijnen voor nationale rekeningen, 2008 SNA (in het Engels). De meeste EU-lidstaten verrichten in 2019 in augustus-oktober een benchmarkherziening. Zie voor meer details de website van Eurostat en met name dit document.

Bbp en belangrijkste componenten

De belangrijkste aggregaten van de nationale rekeningen worden verzameld bij institutionele eenheden, en met name niet-financiële of financiële instellingen, de overheid, huishoudens, en instellingen zonder winstoogmerk (NPISH).

Gegevens binnen het domein van de nationale rekeningen omvatten informatie over bbp-componenten, werkgelegenheid, consumptieaggregaten en besparingen. Veel van deze variabelen worden berekend op jaarbasis en op kwartaalbasis.

Het bbp is de centrale maatstaf van de nationale rekeningen, waarmee de economische positie van een land (of regio) samenvattend wordt weergegeven. Het kan via verschillende benaderingen worden berekend: de op productie gebaseerde benadering; de op uitgaven gebaseerde benadering; en de op inkomen gebaseerde benadering.

Bij een analyse van het BBP per inwoner blijft de absolute omvang van de bevolking buiten beschouwing, waardoor een vergelijking tussen verschillende landen gemakkelijker wordt. Het BBP per inwoner is een brede economische indicator van de levensstandaard. De in nationale valuta beschikbare BBP-gegevens kunnen worden omgezet in koopkrachtstandaarden (KKS), niet door gebruik te maken van wisselkoersen, maar door gebruik te maken van koopkrachtpariteiten (KKP’s). Deze bieden een betere weergave van de koopkracht van de verschillende valuta’s; op deze manier worden de verschillen in prijspeil tussen de landen geëlimineerd. Het volume-indexcijfer van het bbp per inwoner in KKS wordt uitgedrukt in verhouding tot het gemiddelde van de EU-28 (dat wordt vastgesteld op 100). Indien de index van een land hoger/lager dan 100 is, is van dat land het niveau van het bbp per hoofd van de bevolking boven/onder het EU-28-gemiddelde. Deze index is bedoeld voor vergelijkingen tussen landen, niet voor vergelijkingen op basis van opeenvolgende tijdvakken.

De berekening van de jaarlijkse groei van het bbp met behulp van kettingindexcijfers volume (reële veranderingen), is bedoeld om vergelijkingen van de dynamiek van de economische ontwikkelingen mogelijk te maken, zowel in de loop van de tijd als tussen de economieën van verschillende omvang, ongeacht de prijsniveaus.

Aanvullende gegevens

De economische productiviteit kan ook worden geanalyseerd per activiteit. Op het meest geaggregeerde niveau van de analyse dat wordt gebruikt voor nationale rekeningen zijn tien NACE-rubrieken vastgesteld: landbouw, bosbouw en visserij; industrie; bouwnijverheid; handel en distributie, vervoer, en horeca; informatie- en communicatiediensten; financiële diensten en verzekeringen; vastgoedactiviteiten; vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten; administratieve en ondersteunende diensten; openbaar bestuur, defensie, onderwijs, menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening; kunst, amusement, recreatie, overige diensten, huishoudens, extraterritoriale organisaties en lichamen.

Een analyse van de productie per activiteit in de tijd kan worden vergemakkelijkt door gebruik te maken van een maatstaf voor het volume (reële veranderingen) – met andere woorden, door middel van deflatie van de waarde van de productie om de gevolgen van prijsschommelingen te neutraliseren. Op elke activiteit afzonderlijk wordt een deflatie toegepast ter aanpassing aan de prijsschommelingen van de ermee samenhangende producten.

Er wordt een nieuwe reeks gegevens van nationale rekeningen gebruikt in de context van concurrentiekrachtanalysen, met name indicatoren met betrekking tot de productiviteit van de arbeidskrachten, zoals de arbeidsproductiviteitsmaatstaven. Productiviteitsmaatstaven uitgedrukt in KKS zijn bijzonder nuttig voor vergelijkingen tussen landen. Het bbp per werknemer is bedoeld om een algemene indruk te geven van de productiviteit van de nationale economieën. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat deze maatstaf afhankelijk is van de structuur van de totale werkgelegenheid en bijvoorbeeld kan worden verlaagd door een verschuiving van voltijd- naar deeltijdwerk. Het bbp per gewerkt uur geeft een duidelijker beeld van de productiviteit, aangezien de mate van deeltijdwerk van land tot land en van activiteit tot activiteit sterk varieert.

Jaarlijkse informatie over de huishoudelijke uitgaven kan worden verkregen uit nationale rekeningen die via een macro-economische benadering zijn opgesteld. Een alternatieve bron voor de analyse van de huishoudelijke uitgaven is het budgetonderzoek: de informatie voor dat onderzoek wordt verkregen door de huishoudens te vragen een dagboek van hun aankopen bij te houden. Via deze methode wordt op een veel gedetailleerdere manier de aankopen van goederen en diensten geregistreerd en het zorgt er tevens voor dat van meer soorten sociaal-economische analyse gebruikt kan worden gemaakt. Het budgetonderzoek wordt slechts om de vijf jaar uitgevoerd en gepubliceerd: het meest recente referentiejaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn, is 2015, hoewel op het moment van schrijven nog voor twee van de EU-lidstaten (Denemarken en Frankrijk) geen gegevens beschikbaar zijn.

Context

Europese instellingen, regeringen, centrale banken en andere economische en sociale organen in de publieke en private sector hebben behoefte aan een reeks vergelijkbare en betrouwbare statistieken waarop zij hun besluiten kunnen baseren. Nationale rekeningen kunnen worden gebruikt voor verschillende soorten analyse en evaluatie. Het gebruik van internationaal aanvaarde begrippen en definities maakt een analyse van verschillende economieën mogelijk, zoals de onderlinge afhankelijkheid van de economieën van de EU-lidstaten, dan wel een vergelijking tussen de Europese Unie en derde landen.

Analyse van de conjunctuur en het macro-economisch beleid

Een van de belangrijkste toepassingen van gegevens van de nationale rekeningen is de noodzakelijke ondersteuning van Europese economische beleidsbeslissingen en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Economische en Monetaire Unie (EMU) met kortetermijnstatistieken van hoge kwaliteit die het toezicht op macro-economische ontwikkelingen mogelijk maken en waarop macro-economisch beleidsadvies kan worden gebaseerd. Zo is één van de meest fundamentele en langlopende vormen van gebruik van de nationale rekeningen het kwantificeren van de groei van een economie: eenvoudig gezegd is dit de groei van het bbp. De kerncijfers van de nationale rekeningen worden met name gebruikt voor de ontwikkeling van en het toezicht op macro-economisch beleid, terwijl gedetailleerde gegevens van de nationale rekeningen ook kunnen worden gebruikt voor de uitwerking van sectoraal of industrieel beleid, met name via een analyse van input/outputtabellen.

Sinds het begin van de EMU in 1999 is de Europese Centrale Bank (ECB) een van de belangrijkste gebruikers van de nationale rekeningen. De strategie van de ECB om de risico’s voor de prijsstabiliteit te beoordelen, is gebaseerd op twee analytische perspectieven, waarnaar wordt verwezen als de twee pijlers: economische analyse en monetaire analyse. Een groot aantal monetaire en financiële indicatoren wordt aldus beoordeeld aan de hand van andere relevante gegevens die het mogelijk maken om de monetaire, financiële en economische analyse met elkaar te combineren: bijvoorbeeld de belangrijkste aggregaten van de nationale rekeningen. Op deze wijze kunnen monetaire en financiële indicatoren worden geanalyseerd binnen de context van de rest van de economie.

Het directoraat-generaal Economische en Financiële zaken ziet toe op de economische ontwikkelingen. De EU heeft een jaarlijkse cyclus voor de coördinatie van economisch beleid: het Europees semester. Elk jaar verricht de Europese Commissie een gedetailleerde analyse van de door de EU-lidstaten geplande begrotings-, macro-economische en structurele hervormingen en doet landenspecifieke aanbevelingen voor de 12-18 maanden erna.

Het directoraat-generaal Economische en Financiële zaken stelt ook vier keer per jaar (najaar, winter, voorjaar en zomer), in onderlinge afstemming met de jaarlijkse cyclus van het Europees semester, de macro-economische prognoses op. Deze prognoses bestrijken alle EU-lidstaten om prognoses voor de eurozone en de Europese Unie uit af te leiden, en omvatten vaak ook verwachtingen voor kandidaat-lidstaten en voor sommige derde landen.

De analyse van de overheidsfinanciën door middel van nationale rekeningen is een ander gangbaar gebruik van deze statistieken. Binnen de EU is een specifieke toepassing ontwikkeld met betrekking tot de convergentiecriteria voor de EMU, waarvan er twee rechtstreeks de openbare financiën betreffen. Deze criteria zijn vastgesteld op basis van gegevens uit de nationale rekeningen, te weten het overheidstekort en de overheidsschuld ten opzichte van het BBP. Zie het artikel over statistieken over de financiële posities van overheden voor meer informatie.

Regionaal, structureel en sectoraal beleid

Naast de analyse van de conjunctuurcyclus en het macro-economisch beleid zijn er nog andere beleidsgerelateerde doelen waarvoor de gegevens van nationale en regionale rekeningen in de EU worden gebruikt, vooral wat regionale, structurele en sectorale kwesties betreft.

De toewijzing van uitgaven in het kader van de structuurfondsen is ten dele gebaseerd op de regionale rekeningen. Voorts worden regionale statistieken gebruikt voor de evaluatie achteraf van de resultaten van het regionale beleid en het cohesiebeleid.

Het stimuleren van groei, banen en investeringen is een strategische prioriteit voor zowel de EU als voor de lidstaten. Ter ondersteuning van deze strategische prioriteiten worden de gemeenschappelijke beleidsvormen toegepast in alle sectoren van de economie van de Europese Unie, terwijl de lidstaten hun eigen nationale structurele hervormingen (in het Engels) doorvoeren.

De Europese Commissie verricht economische analyses die bijdragen tot de ontwikkeling van gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) door de doelmatigheid van de verschillende ondersteuningsmechanismen te analyseren en een langetermijnvisie te ontwikkelen. Dit omvat onderzoek, analyse en effectbeoordelingen over onderwerpen die verband houden met landbouw en de plattelandseconomie in de EU en derde landen, deels met gebruikmaking van de landbouwrekeningen.

De vaststelling van streefcijfers, benchmarking en bijdragen

Het beleid binnen de EU stelt in toenemende mate doelen op de middellange en lange termijn vast, die al dan niet bindend zijn. Voor sommige beleidsgebieden wordt het niveau van het bbp gebruikt als noemer van de benchmark, bijvoorbeeld door de doelstelling voor de uitgaven op het gebied van onderzoek en ontwikkeling vast te stellen op 3,00 % van het bbp (wat één van de streefcijfers van Europa 2020 is).

De nationale rekeningen worden ook gebruikt om, aan de hand van de basisvoorschriften die zijn vastgelegd in een besluit van de Raad, de middelen van de EU vast te stellen. Het totale bedrag aan eigen middelen dat nodig is voor de financiering van de begroting van de Europese Unie wordt bepaald door de totale uitgaven verminderd met diverse opbrengsten en de maximale omvang van de eigen middelen is gekoppeld aan het bruto nationaal inkomen (BNI) van de Europese Unie.

De gegevens van de nationale rekeningen worden niet alleen gebruikt om de begrotingsbijdragen binnen de Europese Unie vast te stellen, maar ook voor de bepaling van de bijdragen aan andere internationale organisaties, zoals de Verenigde Naties (VN). De bijdragen aan de VN-begroting zijn gebaseerd op het bruto nationaal inkomen, in combinatie met een aantal aanpassingen en grenswaarden.

Analisten en voorspellers

Nationale rekeningen worden ook op grote schaal gebruikt door analisten en onderzoekers om de economische situatie en de ontwikkelingen te onderzoeken. Sociale partners, zoals vertegenwoordigers van bedrijven (bijvoorbeeld beroepsverenigingen) of vertegenwoordigers van werknemers (bijvoorbeeld vakbonden), hebben zelf ook belang bij de nationale rekeningen voor de analyse van de ontwikkelingen die van invloed zijn op de arbeidsverhoudingen. Daarnaast gebruiken de onderzoekers en analisten de nationale rekeningen voor conjunctuurcyclusanalyse, voor het analyseren van langdurige economische cycli en om deze te relateren aan economische, politieke of technologische ontwikkelingen.

Voetnoten

  1. Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
  2. Er zij echter op gewezen dat de KKS-cijfers bestemd zijn voor vergelijkingen tussen de landen en niet voor vergelijkingen in de tijd, aangezien zij om methodologische redenen niet als tijdreeksen zijn te beschouwen.
Rechtstreekse toegang tot
Andere artikelen
Tabellen
Databank
Speciale sectie
Publicaties
Methodologie
Wetgeving
Visualisaties
Externe links





Main GDP aggregates (t_nama_10_ma)
Auxiliary indicators (population, GDP per capita and productivity) (t_nama_10_aux)
Basic breakdowns of main GDP aggregates and employment (by industry and by assets) (t_nama_10_bbr)
Detailed breakdowns of main GDP aggregates (by industry and consumption purpose) (t_nama_10_dbr)
Regional economic accounts - ESA 2010 (t_nama_10reg)
Main GDP aggregates (nama_10_ma)
Auxiliary indicators (population, GDP per capita and productivity) (nama_10_aux)
Basic breakdowns of main GDP aggregates and employment (by industry and by assets) (nama_10_bbr)
Detailed breakdowns of main GDP aggregates (by industry and consumption purpose) (nama_10_dbr)
Breakdowns of non-financial assets by type, industry and sector (nama_10_nfa)
Regional economic accounts (nama_10reg)