Minimumloonstatistieken


Gegevens van februari 2020.

Geplande update van het artikel: mei 2021.

Belangrijkste punten

In januari 2020 varieerden de minimumlonen in de EU-lidstaten tussen 312 EUR en 2 142 EUR per maand.

Minimumlonen, januari 2010 en januari 2020 (EUR per maand en %)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur)


Dit artikel laat zien hoezeer het niveau van het minimumloon verschilt per lidstaat van de Europese Unie (EU); ook wordt een vergelijking gemaakt met de situatie in het Verenigd Koninkrijk, de kandidaat-lidstaten en de Verenigde Staten.

Volledig artikel

Algemeen overzicht

De door Eurostat gepubliceerde statistieken met betrekking tot de minimumlonen betreffen nationale minimumlonen. Het nationale minimumloon geldt over het algemeen voor alle werknemers of ten minste een grote meerderheid van de werknemers in het land. Het nationaal minimumloon wordt gehandhaafd bij de wet, vaak na raadpleging van de sociale partners, of rechtstreeks via een nationale intersectorale overeenkomst.

Minimumlonen zijn over het algemeen brutobedragen, dat wil zeggen vóór aftrek van inkomstenbelasting en sociale premies. Deze aftrek komt ten laste van de werknemer en kan van land tot land verschillen. Eurostat publiceert de nationale minimumlonen elk half jaar. Hierbij wordt de situatie op 1 januari en 1 juli van elk jaar weergegeven. Bijgevolg worden wijzigingen van het minimumloon die tussen die twee data worden ingevoerd, pas bij de volgende halfjaarlijkse publicatie vermeld.

Verschillen in de nationale minimumlonen

In januari 2020 varieerden de minimumlonen in de EU-lidstaten tussen 312 EUR en 2 142 EUR per maand.

In januari 2020 hadden 21 van de 27 EU-lidstaten (uitzonderingen hierop vormden Denemarken, Italië, Cyprus, Oostenrijk, Finland en Zweden) een nationaal minimumloon, evenals het Verenigd Koninkrijk en alle kandidaat-lidstaten van de EU (Montenegro, Noord-Macedonië, Albanië, Servië en Turkije). Vanaf 1 januari 2020 liepen de maandelijkse minimumlonen sterk uiteen tussen de lidstaten, van 312 EUR in Bulgarije tot 2 142 EUR in Luxemburg (zie figuur 1).

Figuur 1: Minimumlonen, januari 2010 en januari 2020 (EUR per maand en %)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur)


In vergelijking met januari 2010 lag het minimumloon (uitgedrukt in euro) in januari 2020 in elke EU-lidstaat met een nationaal minimumloon hoger, behalve in Griekenland, waar het 12 % lager lag (gecumuleerd over deze periode van tien jaar, met een gemiddelde jaarlijkse procentuele verandering van -1,3 %). Tussen januari 2010 en januari 2020 was de gemiddelde jaarlijkse procentuele verandering van het minimumloon het grootst in Roemenië (12,5 %) en in Litouwen (10,1 %). Daarnaast zijn ook in Bulgarije (9,8 %), Estland (7,7 %), Tsjechië (6,7 %), Polen (6,6 %) en Slowakije (6,5 %) aanzienlijke stijgingen geregistreerd.

De EU-lidstaten die onder deze gegevensverzameling vallen, worden onderverdeeld in drie groepen op basis van het niveau van de nationale bruto minimummaandlonen uitgedrukt in euro. Niet-lidstaten worden als een aparte groep getoond in figuur 1.

  • Groep 1, met nationale minimumlonen lager dan 500 EUR per maand in januari 2020. De EU-lidstaten in deze groep waren: Bulgarije, Letland, Roemenië en Hongarije. De nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 312 EUR in Bulgarije en 487 EUR in Hongarije.
  • Groep 2, met nationale minimumlonen van ten minste 500 EUR, maar lager dan 1 000 EUR per maand in januari 2020. De EU-lidstaten in deze groep waren: Kroatië, Tsjechië, Slowakije, Estland, Litouwen, Polen, Portugal, Griekenland, Malta en Slovenië. De nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 546 EUR in Kroatië en 941 EUR in Slovenië.
  • Groep 3, met nationale minimumlonen van ten minste 1 000 EUR per maand in januari 2020. De EU-lidstaten in deze groep waren: Spanje, Frankrijk, Duitsland, België, Nederland, Ierland en Luxemburg. De nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 1 050 EUR in Spanje en 2 142 EUR in Luxemburg.
  • Het nationale minimumloon in het Verenigd Koninkrijk was in januari 2020 1 599 EUR.
  • In alle kandidaat-lidstaten van de EU waren de minimumlonen vergelijkbaar met die in groep 1, variërend van 213 EUR in Albanië tot 440 EUR in Turkije. Het niveau in de Verenigde Staten (met een nationaal minimumloon van 1 119 EUR per maand) viel binnen het bereik van groep 3.

Voor de EU-lidstaten met nationale minimumlonen die niet tot de eurozone behoren (Bulgarije, Tsjechië, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië), voor het Verenigd Koninkrijk alsmede voor de kandidaat-lidstaten van de EU en de Verenigde Staten worden de niveaus en rangschikking van de minimumlonen uitgedrukt in euro beïnvloed door de wisselkoersen die worden gebruikt voor het omrekenen van de nationale valuta’s naar de euro.

Minimumlonen uitgedrukt in koopkrachtstandaarden

Het verschil in het niveau van de minimumlonen tussen de landen was aanzienlijk kleiner wanneer de verschillen in prijspeil in aanmerking werden genomen

In figuur 2 wordt een vergelijking gemaakt tussen de bruto minimumlonen, waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in prijspeil door de toepassing van koopkrachtpariteiten (KKP’s) voor consumptieve bestedingen van huishoudens; zoals verwacht, leidt de correctie voor verschillen in prijspeil tot kleinere verschillen tussen de landen. De EU-lidstaten die onder deze gegevensverzameling vallen, worden onderverdeeld in twee groepen op basis van het niveau van de nationale bruto minimummaandlonen uitgedrukt in KKS; niet-lidstaten worden opnieuw als een aparte groep getoond in figuur 2.

  • Groep 1, met nationale minimumlonen lager dan 1 000 KKS in januari 2020. De EU-lidstaten in deze groep waren: Letland, Bulgarije, Estland, Slowakije, Tsjechië, Kroatië, Hongarije, Portugal, Griekenland, Roemenië, Litouwen en Malta. De nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 579 KKS in Letland en 941 KKS in Malta.
  • Groep 2, met nationale minimumlonen van ten minste 1 000 KKS in januari 2020. De EU-lidstaten in deze groep waren: Polen, Slovenië, Spanje, Ierland, Frankrijk, België, Nederland, Duitsland en Luxemburg. De nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 1 056 KKS in Slovenië en 1 705 KKS in Luxemburg.
  • Het nationale minimumloon in het Verenigd Koninkrijk was in januari 2020 1 320 KKS.
  • Met uitzondering van Turkije waren de minimumlonen (uitgedrukt in KKS) in de vier resterende kandidaat-lidstaten van de EU vergelijkbaar met die in groep 1, variërend van 388 KKS in Albanië tot 634 KKS in Servië. In Turkije (met een nationaal minimumloon van1 157 KKS) waren de minimumlonen (uitgedrukt in KKS) vergelijkbaar met die in groep 3, terwijl de Verenigde Staten (964 KKS) een minimumloon (uitgedrukt in KKS) hadden dat het hoogste was van groep 1.

De EU-lidstaten van groep 1, met relatief lage minimumlonen in euro, hebben meestal een lager prijspeil en daardoor relatief hogere minimumlonen wanneer deze in koopkrachtstandaard (KKS) worden uitgedrukt. De EU-lidstaten van groep 2 daarentegen, met relatief hoge minimumlonen in euro, hebben meestal een hoger prijspeil en de minimumlonen, uitgedrukt in KKS, zijn daarom over het algemeen lager. Deze correctie voor prijspeil zorgt ervoor dat de grote verschillen tussen de drie verschillende groepen EU-lidstaten volgens een rangschikking (van minimumlonen) in euro voor een deel worden weggewerkt.

Figuur 2: Minimumlonen, januari 2020
(KKS per maand)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur)

De verschillen in minimumloon tussen de EU-lidstaten werden teruggebracht van een verhouding van 1:6,9 (uitgedrukt in euro) (wat betekent dat het hoogste minimumloon 6,9 keer zo hoog was als het laagste, uitgedrukt in euro) naar een verhouding van 1:2,9 (uitgedrukt in KKS) (wat betekent dat het hoogste minimumloon 2,9 zo hoog was als het laagste, uitgedrukt in KKS).

Minimumloon ten opzichte van het gemiddelde brutomaandloon

Figuur 3 geeft informatie met betrekking tot het aandeel van het nationale minimumloon in het gemiddelde brutoloon.

Er werd uitgegaan van de nationale minimumlonen (uitgedrukt in euro) vanaf 1 juli 2014, gedeeld door het gemiddelde brutoloon zoals gemeten in de loonstructuurenquête (SES) van 2014. In juli 2014 varieerde het aandeel van de minimumlonen in de gemiddelde lonen in de EU-lidstaten van 40 % tot 66 %. Voor deze analyse zijn vergoedingen voor overuren en ploegendienst uitgesloten van de berekening van het gemiddelde brutomaandloon. Voor Duitsland, Frankrijk en Ierland, waar de minimumlonen per uur worden vastgesteld, is de verhouding berekend als aandeel van het gemiddelde uurloon. Voor de andere 16 EU-lidstaten met nationale maandelijkse minimumlonen waarvoor gegevens beschikbaar zijn, is de verhouding berekend als aandeel van het gemiddelde maandloon.

Figuur 3: Minimumlonen als aandeel van het gemiddelde brutomaandloon, 2014
(%)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur) en loonstructuurenquête 2014; speciale berekening gemaakt voor deze publicatie; deze speciale berekeningen zijn niet beschikbaar in de onlinedatabank van Eurostat

Aandeel van de minimumloners

Het percentage werknemers dat het minimumloon verdient, kan van land tot land aanzienlijk verschillen. Door de microgegevens uit de twee meest recente vierjaarlijkse loonstructuurenquêtes te koppelen aan het op dat moment geldende niveau van minimumlonen (de laatste loonstructuurenquêtes dateren van oktober 2010 en 2014), is het mogelijk om een schatting van deze aandelen te maken (als weergegeven in figuur 4). Omwille van de vergelijkbaarheid beperkt het toepassingsgebied zich tot voltijdse werknemers van 21 jaar of ouder die werkzaam zijn in ondernemingen met tien of meer werknemers. Niet meegeteld zijn de werknemers bij het openbaar bestuur, bij defensie en bij verplichte sociale verzekeringen (NACE Rev. 2 sectie O). Bovendien worden inkomsten in verband met overwerk en ploegendienst niet meegerekend in het op basis van de loonstructuurenquête bepaalde maandloon.

Het percentage werknemers dat minder dan 105 % van het nationale minimumloon verdient, bedroeg in oktober 2014 meer dan 7,0 % in de volgende tien EU-lidstaten die een minimumloon handhaven: Slovenië (19,1 %), Roemenië (15,7 %), Portugal (13,0 %), Polen (11,7 %), Bulgarije (8,8 %); Frankrijk (8,4 %), Litouwen (8,1 %), Letland (7,9 %), Griekenland (7,7 %) en Kroatië (7,1 %). België (0,4 %) registreert het laagste percentage werknemers dat minder dan 105 % van het nationale minimumloon verdient, terwijl het percentage werknemers dat minder dan dat bedrag verdient, in de overige tien lidstaten tussen de 1,0 % (Spanje) en 5,8 % (Luxemburg) ligt.

Figuur 4: Percentage werknemers dat minder dan 105 % van het minimumloon verdient, oktober 2010 en 2014
(%)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur) en loonstructuurenquête 2014; speciale berekening gemaakt voor deze publicatie; deze speciale berekeningen zijn niet beschikbaar in de onlinedatabank van Eurostat

Evolutie van het aandeel van de minimumloners

Tussen 2010 en 2014 is het percentage werknemers dat minder dan 105 % van het nationale minimumloon verdient, met meer dan 2,0 procentpunten gestegen in Roemenië (11,7 punten), Bulgarije (5,4 punten), Polen (3,6 punten) en Hongarije (2,3 punten), terwijl het met meer dan 2,0 punten is gedaald in Litouwen (– 5,6 punten), Ierland (– 5,1 punten), Luxemburg (– 4,1 punten), Letland (– 4,0 punten), Portugal (– 3,8 punten), Kroatië (– 2,6 punten) en Slowakije (– 2,2 punten).

Brongegevens voor tabellen en grafieken

Gegevensbronnen

Maandelijkse nationale minimumlonen

De door Eurostat gepubliceerde minimumloonstatistieken hebben betrekking op de nationale minimummaandlonen. De gegevens over de minimumlonen worden per 1 januari en 1 juli van elk jaar gepubliceerd. Het nationaal minimumloon is vastgesteld als een uur-, week- of maandtarief en wordt gehandhaafd bij de wet (door de overheid), vaak na raadpleging van de sociale partners, of rechtstreeks door een nationale intersectorale overeenkomst. Het nationale minimumloon geldt over het algemeen voor alle werknemers of ten minste voor een grote meerderheid van de werknemers in het land. De informatie wordt uitgedrukt in brutoloon. Een volledige set landspecifieke gegevens over de nationale minimumlonen is beschikbaar als onderdeel van de metadata (in het Engels).

Voor landen waar geen vast nationaal bruto minimumloon geldt, wordt de brutowaarde van het bedrag berekend om de van toepassing zijnde belastingen te berekenen. Dit is het geval bij Montenegro en Servië.

Voor landen waar het nationaal minimumloon niet per maand wordt vastgesteld (maar bv. per uur of per week), wordt het omgerekend in maandlonen volgens omrekeningsfactoren die rechtstreeks door de landen worden aangeleverd:

Duitsland: (uurloon x 39,1 uur x 52 weken) / 12 maanden (de waarde van 39,1 uur betreft het gemiddelde basisaantal uren per week voor voltijdse werknemers in NACE Rev. 2 secties B tot en met S: deze waarde blijkt uit de kwartaalloonenquête);

Ierland: (uurloon × 39 uur x 52 weken) / 12 maanden;

Frankrijk: gegevens van januari 1999 tot juli 2005: (uurloon × 39 uur x 52 weken) / 12 maanden; gegevens vanaf januari 2005: (uurloon × 35 uur x 52 weken) / 12 maanden;

Malta: (weekloon x 52 weken) / 12 maanden;

Verenigd Koninkrijk: (uurloon x gemiddelde basisaantal betaalde uren per week voor voltijdse werknemers in alle sectoren x 52,18 weken) / 12 maanden;

Verenigde Staten: (uurloon x 40 uur x 52 weken) / 12 maanden.

In Servië is het nationale minimumloon vastgesteld als een netto uurloon. Daarvoor geldt de volgende omrekening: (netto uurloon x 40 uur x 52,2 weken) / 12 maanden. Vervolgens wordt de brutowaarde van het bedrag berekend om de toepasselijke belastingen te berekenen.

Wanneer het minimumloon voor meer dan 12 maanden per jaar wordt uitbetaald (zoals in Griekenland, Spanje en Portugal, waar het voor 14 maanden per jaar wordt uitbetaald), zijn de gegevens bovendien gecorrigeerd om hiermee rekening te houden.

De gegevens over het nationaal minimumloon worden in de nationale valuta’s bij Eurostat ingediend. Voor de landen die niet tot de eurozone behoren, worden de minimumlonen in de nationale valuta’s omgerekend in euro aan de hand van de maandelijkse wisselkoers van het einde van de voorgaande maand (zo werd voor het berekenen van de minimumlonen in euro per 1 januari 2020 uitgegaan van de koers van eind december 2019).

Om de gevolgen van de verschillen in prijspeil tussen de landen weg te nemen, worden speciale omrekeningskoersen genaamd koopkrachtpariteiten (KKP’s) gebruikt. KKP’s voor de consumptieve bestedingen van huishoudens in elk land worden gebruikt om de maandelijkse minimumlonen die in euro of nationale valuta’s zijn uitgedrukt, om te rekenen naar een kunstmatige gemeenschappelijke eenheid, namelijk de koopkrachtstandaard (KKS). Als de KKP’s voor de meest recente referentieperiode nog niet beschikbaar zijn, worden zij vervangen door die van het voorgaande jaar; de reeks wordt geactualiseerd zodra de meest recente KKP’s beschikbaar zijn.

Landen die niet onder de minimumloonstatistieken vallen

Vanaf 1 januari 2020 was er geen nationaal minimumloon in Denemarken, Italië, Cyprus, Oostenrijk, Finland en Zweden. Dit was ook het geval in de EVA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. In Cyprus heeft de overheid voor specifieke beroepen een minimumloon ingesteld. In Denemarken, Italië, Oostenrijk, Finland en Zweden, evenals in IJsland, Noorwegen en Zwitserland, worden de minimumlonen voor specifieke sectoren in collectieve arbeidsovereenkomsten vastgelegd.

Gemiddelde brutomaandloon

De gegevens over het gemiddelde brutomaandloon zijn gebaseerd op de meest recente gegevens van de loonstructuurenquête (SES) van 2014 (deze enquête vindt elke vier jaar plaats). De gegevens over het gemiddelde brutomaandloon hebben betrekking op alle werknemers (zonder leerlingen) die werkzaam zijn in ondernemingen met tien of meer werknemers en die actief zijn in alle sectoren van de economie, met uitzondering van de landbouw, bosbouw en visserij (NACE Rev. 2, sectie A) en openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen (NACE Rev. 2, sectie O). Mediaan inkomen is het niveau van het inkomen dat alle werknemers in twee gelijke groepen verdeelt: de helft verdient minder dan de mediaan en de helft verdient meer. Brutomaandloon verwijst naar de lonen en salarissen van werknemers die in de referentiemaand (meestal oktober 2014) in voltijd en in deeltijd werkten, vóór aftrek van de belastingen en sociale premies. De brutolonen omvatten vergoedingen voor overuren, ploegendienst, premies, vergoedingen, bonussen, provisies enz. Het bruto maandloon van de werknemers die in deeltijd werken, is omgerekend in voltijdequivalenten alvorens het op te nemen in het gemiddelde met hetzelfde gewicht als dat van werknemers die in voltijd werken. Werknemers die in deeltijd werken niet meerekenen in de berekening van het gemiddelde brutomaandloon heeft invloed op de verhouding tussen de minimumlonen en het mediaan inkomen, namelijk een invloed van meer dan 7 procentpunten in Nederland (49 % in plaats van 56 %).

Voor het omrekenen van de gegevens voor gebieden die niet tot de eurozone behoren naar euro, is uitgegaan van de gemiddelde wisselkoersen voor 2014. De gegevens over landspecifieke activiteiten voor de nationale minimumlonen als percentage van het gemiddelde maandloon zijn beschikbaar in een bijlage die deel uitmaakt van de metagegevens (in het Engels).

Context

Verscheidene van de oprichtende EU-lidstaten hebben er van oudsher voor gezorgd dat werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt verzekerd zijn van een nationaal minimumloon. Daarentegen hebben een aantal lidstaten, zoals Duitsland, Ierland en veel van de in 2004 of daarna tot de Europese Unie toegetreden landen, pas recentelijk minimumloonwetgeving ingevoerd; daarnaast waren er op 1 januari 2020 nog zes lidstaten van de EU-27 die helemaal geen nationaal minimumloon hadden.

Voor de meeste Europese landen werden de afgelopen jaren gekenmerkt door een patroon van relatief lage loonstijgingen (loonmatiging), en hebben veel groepen van werknemersvertegenwoordigers betoogd dat de koopkracht en de algemene levensstandaard zijn gedaald. Sommige politici, werknemersvertegenwoordigers, belangengroepen en commentatoren maken zich sterk voor het idee van een “Europees minimumloon” of van een in alle EU-lidstaten vastgesteld nationaal minimumloon.

Het niveau van het nationaal minimumloon wordt niet noodzakelijkerwijs elk jaar gewijzigd en de aanpassing ervan levert ook niet altijd een verhoging van het minimumloon op. In 2012 bijvoorbeeld is het niveau van het minimumloon in Griekenland gedaald ten gevolge van de door de Griekse overheid ingevoerde bezuinigingsmaatregelen. In Griekenland werd in dat jaar de nationale collectieve arbeidsovereenkomst opgeschort en wordt het nationale minimumloon nu bij besluit van de regering vastgesteld.

Rechtstreekse toegang tot
Andere artikelen
Tabellen
Databank
Speciale sectie
Publicaties
Methodologie
Wetgeving
Visualisaties
Externe links





  • Lonen (in het Engels), zie:
Minimumlonen (tps00155)
  • Lonen (in het Engels), zie:
Minimumlonen (earn_minw)
Maandelijkse minimumlonen – halfjaarlijkse gegevens (earn_mw_cur)
Maandelijkse minimumlonen als percentage van het gemiddelde maandloon (%) – NACE Rev. 2 (vanaf 2008) (earn_mw_avgr2)
Maandelijkse minimumlonen als percentage van het gemiddelde maandloon (%) — NACE Rev. 1.1 (1999-2009) (earn_mw_avgr1)


  • Minimumlonen (ESMS metadata file — earn_minw_esms) (in het Engels)