Minimumloonstatistieken

Gegevens geëxtraheerd in februari 2018. Recente gegevens: Meer informatie van Eurostat, Hoofdtabellen en Databank. Geplande update van het artikel: mei 2019.

Dit artikel laat zien hoezeer het niveau van het minimumloon verschilt per lidstaat van de Europese Unie (EU); ook wordt een vergelijking gemaakt met de situatie in de kandidaat-lidstaten en de Verenigde Staten.

De door Eurostat gepubliceerde statistieken met betrekking tot de minimumlonen betreffen nationale minimumlonen. Het nationaal minimumloon geldt over het algemeen voor alle werknemers of ten minste een grote meerderheid van de werknemers in het land. Het nationaal minimumloon wordt gehandhaafd bij de wet, vaak na raadpleging van de sociale partners, of rechtstreeks via een nationale intersectorale overeenkomst.

Minimumlonen zijn over het algemeen brutobedragen, dat wil zeggen vóór aftrek van inkomstenbelasting en sociale premies. Deze aftrek komt ten laste van de werknemer en kan van land tot land verschillen. Eurostat publiceert de nationale minimumlonen elk half jaar. Hierbij wordt de situatie op 1 januari en op 1 juli van elk jaar weergegeven. Bijgevolg worden wijzigingen van het minimumloon die tussen die twee data worden ingevoerd, pas bij de volgende halfjaarlijkse publicatie vermeld.

Figuur 1: Minimumlonen, januari 2008 en januari 2018
(in EUR per maand en %)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur)
Figuur 2: Minimumlonen, januari 2018
(KKS per maand)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur)
Figuur 3: Verhouding minimumloon ten opzichte van het gemiddelde brutomaandloon, 2014
(%)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur) en Loonstructuurenquête 2014. Speciale berekening gemaakt voor deze publicatie; de gegevens zijn niet beschikbaar in de online databank van Eurostat
Figuur 4: Percentage werknemers dat minder dan 105 % van het minimumloon verdient, oktober 2010 en 2014
(%)
Bron: Eurostat (earn_mw_cur) en Loonstructuurenquête 2014. Speciale berekening gemaakt voor deze publicatie; de gegevens zijn niet beschikbaar in de online databank van Eurostat

Belangrijkste statistische resultaten

Verschillen in de nationale minimumlonen

In januari 2018 varieerden de minimumlonen in de EU-lidstaten tussen 261 EUR en 1 999 EUR per maand.

In januari 2018 hadden 22 van de 28 EU-lidstaten (uitzonderingen hierop vormden Denemarken, Italië, Cyprus, Oostenrijk, Finland en Zweden) een nationaal minimumloon, evenals alle kandidaat-lidstaten van de EU (Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Albanië, Servië en Turkije). Vanaf 1 januari 2018 liepen de maandelijkse minimumlonen sterk uiteen tussen de lidstaten, van 261 EUR in Bulgarije tot 1 999 EUR in Luxemburg (zie figuur 1).

In vergelijking met januari 2008 lag het minimumloon (uitgedrukt in euro) in januari 2018 in elke EU-lidstaat met een nationaal minimumloon hoger, behalve in Griekenland, waar het 14 % lager lag (gecumuleerd voor de tien jaar, met een gemiddeld jaarlijks wijzigingspercentage van -1,5 %). Tussen januari 2008 en januari 2018 was het gemiddelde jaarlijkse wijzigingspercentage van het minimumloon het hoogst in Roemenië (11,4 %) en in Bulgarije (8,8 %). Bovendien werden in Slowakije (7,1 %), alsook in de drie Baltische lidstaten — Letland (6,5 %), Estland (6,0 %) en Litouwen (5,6 %) - ook forse stijgingen geregistreerd.

De EU-lidstaten die onder deze gegevensverzameling vallen, worden onderverdeeld in drie groepen op basis van het niveau van de nationale bruto minimummaandlonen uitgedrukt in euro; Niet-lidstaten worden als een aparte groep getoond in figuur 1.

  • Groep 1, met nationale minimumlonen lager dan 500 EUR per maand in januari 2018. De EU-lidstaten in deze groep omvatten: Bulgarije, Litouwen, Roemenië, Letland, Hongarije, Kroatië, Tsjechië en Slowakije; de nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 261 EUR in Bulgarije en 480 EUR in Slowakije.
  • Groep 2, met nationale minimumlonen van ten minste 500 EUR maar minder dan 1 000 EUR per maand in januari 2018. De EU-lidstaten in deze groep omvatten: Estland, Polen, Portugal, Griekenland, Malta, Slovenië en Spanje; de nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 500 EUR in Estland en 859 EUR in Spanje.
  • Groep 3, met nationale minimumlonen van het minste 1 000 EUR per maand in januari 2018. De EU-lidstaten in deze groep omvatten: het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, België, Nederland, Ierland en Luxemburg; de nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 1 401&nbspEUR in het Verenigd Koninkrijk tot 1 999 EUR in Luxemburg.
  • In alle kandidaat-lidstaten van de EU waren de minimumlonen vergelijkbaar met die in groep 1, variërend van 181 EUR in Albanië tot 446 EUR in Turkije. Het niveau in de Verenigde Staten (met een nationaal minimumloon van 1 048 EUR per maand) viel binnen het bereik van groep 3.

Voor de EU-lidstaten met nationale minimumlonen die niet tot de eurozone behoren (Bulgarije, Tsjechië, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië en het Verenigd Koninkrijk), alsmede voor de kandidaat-lidstaten van de EU en de Verenigde Staten worden de niveaus en rangschikking van de minimumlonen uitgedrukt in euro beïnvloed door de wisselkoersen die worden gebruikt voor het omrekenen van de nationale valuta's naar de euro.

Minimumlonen uitgedrukt in koopkrachtstandaarden

Het verschil in het niveau van de minimumlonen tussen de landen was aanzienlijk kleiner wanneer de verschillen in prijspeil in aanmerking werden genomen

In figuur 2 wordt een vergelijking gemaakt tussen de bruto minimumlonen waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in prijspeil door de toepassing van koopkrachtpariteiten (KKP's) voor consumptieve bestedingen van huishoudens; zoals verwacht, leidt de correctie voor verschillen in prijspeil tot kleinere verschillen tussen de landen. De EU-lidstaten die onder deze gegevensverzameling vallen, worden onderverdeeld in drie groepen op basis van het niveau van de nationale bruto minimummaandlonen uitgedrukt in KKS; niet-lidstaten worden opnieuw als een aparte groep getoond in figuur 2.

  • Groep 1, met nationale minimumlonen lager dan 750 KKS in januari 2018. De EU-lidstaten in deze groep omvatten: Bulgarije, Letland, Litouwen, Tsjechië, Estland, Kroatië, Slowakije en Hongarije; de nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 546 KKS in Bulgarije en 743 KKS in Hongarije.
  • Groep 2, met nationale minimumlonen van ten minste 750 KKS maar minder dan 1 000 KKS in januari 2018. Tot deze groep behoorden zes EU-lidstaten, namelijk: Portugal, Roemenië, Griekenland, Polen, Malta en Spanje; de nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 788 KKS in Portugal en 938 KKS in Spanje.
  • Groep 3, met nationale minimumlonen van ten minste 1 000 KKS in januari 2018. De EU-lidstaten in deze groep omvatten: Slovenië, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Frankrijk, Nederland, Duitsland, België en Luxemburg; de nationale minimumlonen in deze landen varieerden tussen 1 006 KKS in Slovenië tot 1 597 KKS in Luxemburg.
  • Met uitzondering van Turkije waren de minimumlonen (uitgedrukt in KKS) in de vier resterende kandidaat-lidstaten van de EU vergelijkbaar met die in groep 1, variërend van 350 KKS in Albanië tot 553 KKS in Servië. In Turkije (met een nationaal minimumloon van 1 018 KKS), alsook in de Verenigde Staten (1 011 KKS) waren de minimumlonen (uitgedrukt in KKS) in de orde van grootte van groep 3.

De EU-lidstaten van groep 1, met relatief lage minimumlonen in euro, hebben meestal een lager prijspeil en daardoor relatief hogere minimumlonen wanneer deze in koopkrachtstandaard (KKS) worden uitgedrukt. De EU-lidstaten van groep 3 daarentegen, met relatief hoge minimumlonen in euro, hebben meestal een hoger prijspeil en de minimumlonen, uitgedrukt in KKS, zijn daarom over het algemeen lager. Deze correctie voor prijspeil zorgt ervoor dat de grote verschillen tussen de drie verschillende groepen EU-lidstaten volgens een rangschikking (van minimumlonen) in euro voor een deel worden weggewerkt.

De verschillen in minimumloon tussen de EU-lidstaten werden teruggebracht van een verhouding van 1:7,7 (uitgedrukt in euro) (wat betekent dat het hoogste minimumloon 7,7 keer zo hoog was als het laagste, uitgedrukt in euro) naar een verhouding van 1:2,9 (uitgedrukt in KKS) (wat betekent dat het hoogste minimumloon 2,9 keer zo hoog was als het laagste, uitgedrukt in KKS).

Uit een vergelijking van de positie van de landen in de ranglijst op basis van het minimumloon uitgedrukt in euro en in KKS blijkt dat de correctie voor de verschillen in prijspeil ervoor zorgde dat enkele landen in de ranglijst naar boven opschoven en andere naar beneden: voor deze analyse zijn de EU-lidstaten en de kandidaat-lidstaten in de figuren 1 en 2 samengebracht in een gemeenschappelijke ranglijst. Als de resultaten werden uitgedrukt in KKS, daalde van de EU-lidstaten Estland vijf posities in de ranglijst, terwijl Tsjechië en Ierland vier posities daalden, Portugal drie posities, Griekenland, Letland, Slowakije en Spanje twee posities en Kroatië, Malta en Nederland één positie. De volgende lidstaten stegen daarentegen in de ranglijst nadat de effecten van verschillen in prijspeil in aanmerking werden genomen: Roemenië (stijging met zeven posities), Hongarije en Duitsland (stijging met drie posities), België (stijging met twee posities), Bulgarije, Litouwen en Polen (stijging met één positie). De overige vier lidstaten (Frankrijk, Luxemburg, Slovenië en het Verenigd Koninkrijk) behielden dezelfde positie in de ranglijst, ongeacht of hun minimumloon werd uitgedrukt in euro of in KKS. Van de kandidaat-lidstaten daalde Montenegro twee posities, terwijl Turkije tien posities steeg en Servië één, daar waar Albanië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië dezelfde positie in de ranglijst behielden.

Minimumloon ten opzichte van het gemiddelde brutoloon

Figuur 3 geeft informatie met betrekking tot het aandeel van het nationale minimumloon in het gemiddelde brutoloon.

Voor de berekening werd uitgegaan van de nationale minimumlonen (uitgedrukt in euro) vanaf 1 juli 2014, en dit werd gedeeld door het gemiddelde brutoloon gemeten in de Loonstructuurenquête (SES 2014). In juli 2014 varieerde het minimumloon in de EU-lidstaten van 39 % tot 64 % van het gemiddelde loon. Voor de toepassing van deze analyse werden de betalingen voor overwerk en ploegenarbeid uitgesloten van de berekening van het gemiddelde brutomaandloon. In het geval van Duitsland, Frankrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, waar de minimumlonen op uurbasis worden bepaald, werd de verhouding berekend als een percentage van het gemiddelde uurloon. Voor de overige 18 EU-lidstaten, die nationale minimummaandlonen hebben, werd de verhouding berekend als een percentage van het gemiddelde maandloon.

Aandeel van de minimumloners

Het percentage werknemers dat het minimumloon verdient, kan van land tot land aanzienlijk verschillen. Door de microgegevens uit de twee meest recente vierjaarlijkse loonstructuurenquêtes te koppelen aan het op dat moment geldende niveau van minimumlonen (oktober 2010 en 2014), is het mogelijk om een schatting van deze percentages te maken (als weergegeven in figuur 4). Omwille van de vergelijkbaarheid beperkt het toepassingsgebied zich tot voltijdse werknemers van 21 jaar of ouder die werkzaam zijn in ondernemingen met tien of meer werknemers. Niet meegeteld zijn de werknemers bij het openbaar bestuur, bij defensie en bij verplichte sociale verzekeringen (NACE Rev. 2 sectie O). Bovendien worden inkomsten in verband met overwerk en ploegendienst niet meegerekend in het op basis van de loonstructuurenquête bepaalde maandloon.

Het percentage werknemers dat minder dan 105 % van het nationale minimumloon verdient, bedroeg in oktober 2014 meer dan 7,0 % in tien van de volgende EU-lidstaten die een minimumloon handhaven: Slovenië (19,1 %), Roemenië (15,7 %), Portugal (13,0 %), Polen (11,7 %), Bulgarije (8,8 %); Frankrijk (8,4 %), Litouwen (8,1 %), Letland (7,9 %), Griekenland (7,7 %) en Kroatië (7,1 %). België (0,4 %) registreert het laagste percentage werknemers dat minder dan 105 % van het nationale minimumloon verdient, terwijl het percentage werknemers in de overige tien lidstaten dat minder dan dat bedrag verdient tussen de 1,0 % (Spanje) en 5,8 % (Luxemburg) ligt.

Evolutie van het aandeel van de minimumloners

Tussen 2010 en 2014 steeg het percentage werknemers dat minder dan 105 % van het nationale minimumloon verdient met meer dan 2,0 procentpunten in Roemenië (11,7 punten), Bulgarije (5,4 punten), Polen (3,6 punten) en Hongarije (2,3 punten), terwijl het met meer dan 2,0 punten daalde in Litouwen (-5,6 punten), Ierland (-5,1 punten), Luxemburg (-4,1 punten), Letland (-4,0 punten), Portugal (-3,8 punten), Kroatië (-2,6 punten) en Slowakije (-2,2 punten).

Gegevensbronnen en -beschikbaarheid

Maandelijkse nationale minimumlonen

De door Eurostat gepubliceerde minimumloonstatistieken hebben betrekking op de nationale minimummaandlonen. De gegevens over de minimumlonen worden per 1 januari en 1 juli van elk jaar gepubliceerd. Het nationaal minimumloon is vastgesteld als een uur-, week- of maandtarief en wordt gehandhaafd bij de wet (door de overheid), vaak na raadpleging van de sociale partners, of rechtstreeks door een nationale intersectorale overeenkomst. Het nationale minimumloon geldt over het algemeen voor alle werknemers of ten minste voor een grote meerderheid van de werknemers in het land; De informatie wordt uitgedrukt in brutoloon. Een volledige set landenspecifieke gegevens over de nationale minimumlonen is beschikbaar als onderdeel van de metagegevens (in het Engels).

Voor landen waar geen vast nationaal bruto minimumloon geldt, wordt de brutowaarde van het bedrag berekend om de van toepassing zijnde belastingen te berekenen. Dit is het geval bij Montenegro en Servië.

Voor landen waar het nationaal minimumloon niet per maand wordt vastgesteld (maar bv. per uur of per week), wordt het omgerekend in maandlonen volgens omrekeningsfactoren die door de betrokken landen worden aangeleverd:

Duitsland: (uurloon x 39,1 uur x 52 weken) / 12 maanden (de waarde van 39,1 uur betreft gemiddelde basisaantal uren per week voor voltijdse werknemers in NACE Rev. 2 secties B tot en met S: deze waarde blijkt uit de kwartaalloonenquête);

Ierland: (uurloon x 39 uur x 52 weken) / 12 maanden;

Frankrijk: gegevens van januari 1999 tot juli 2005: (uurloon x 39 uur x 52 weken) / 12 maanden; gegevens vanaf januari 2005: (uurloon × 35 uur x 52 weken) / 12 maanden;

Malta: (weekloon x 52 weken) / 12 maanden;

Verenigd Koninkrijk: (uurloon x gemiddelde basisaantal betaalde uren per week voor voltijdse werknemers in alle sectoren x 52,18 weken) / 12 maanden;

Verenigde Staten: (uurloon × 40 uur x 52 weken) / 12 maanden.

In Servië is het nationaal minimumloon vastgesteld als een netto uurloon. Daarvoor geldt de volgende omrekening: (netto uurloon x 40 uur x 52,2 weken) / 12 maanden. Vervolgens wordt de brutowaarde van het bedrag berekend om de van toepassing zijnde belastingen te berekenen.

Wanneer het minimumloon voor meer dan 12 maanden per jaar wordt uitbetaald (zoals in Griekenland, Spanje en Portugal, waar het voor 14 maanden per jaar wordt uitbetaald), zijn de gegevens bovendien gecorrigeerd om hiermee rekening te houden.

De gegevens over het nationaal minimumloon worden in de nationale valuta's bij Eurostat ingediend. Voor de landen die niet tot de eurozone behoren, worden de minimumlonen in de nationale valuta's omgerekend in euro aan de hand van de maandelijkse wisselkoers van het einde van de voorgaande maand (zo werd voor het berekenen van de minimumlonen in euro per 1 januari 2018 uitgegaan van de koers van eind december 2017).

Om de gevolgen van de verschillen in prijspeil tussen de landen weg te nemen, worden speciale omrekeningskoersen genaamd koopkrachtpariteiten (KKP's) gebruikt. KKP's voor de consumptieve bestedingen van huishoudens in elk land worden gebruikt om de maandelijkse minimumlonen die in euro of nationale valuta's zijn uitgedrukt, om te rekenen naar een kunstmatige gemeenschappelijke eenheid, namelijk de koopkrachtstandaard (KKS). Als de KKP's voor de meest recente referentieperiode nog niet beschikbaar zijn, worden zij vervangen door die van het voorgaande jaar; de reeks wordt geactualiseerd zodra de meest recente KKP's beschikbaar zijn.

Landen die niet onder de minimumloonstatistieken vallen

Vanaf 1 januari 2018 was er geen nationaal minimumloon in Denemarken, Italië, Cyprus, Oostenrijk, Finland en Zweden. Dit was ook het geval in de de EVA-landen IJsland, Noorwegen en Zwitserland. In Cyprus heeft de overheid voor specifieke beroepen een minimumloon ingesteld. In Denemarken, Italië, Oostenrijk, Finland en Zweden, evenals in IJsland, Noorwegen en Zwitserland, worden de minimumlonen voor specifieke sectoren in collectieve arbeidsovereenkomsten vastgelegd.

Gemiddelde brutomaandloon

De gegevens over het gemiddelde brutomaandloon zijn gebaseerd op de meest recente gegevens van de loonstructuurenquête (SES) van 2014 (deze enquête vindt elke vier jaar plaats). De gegevens over het gemiddelde brutomaandloon hebben betrekking op alle werknemers (met uitzondering van leerlingen) die werkzaam zijn in ondernemingen met tien of meer werknemers en die actief zijn in alle sectoren van de economie, met uitzondering van de landbouw, bosbouw en visserij (NACE Rev. 2, sectie A) en openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen (sectie O van NACE Rev. 2). Mediaan inkomen is het niveau van het inkomen dat alle werknemers in twee gelijke groepen verdeelt: de helft verdient minder dan de mediaan en de helft verdient meer. Brutomaandloon verwijst naar de lonen en salarissen van werknemers die in de referentiemaand (meestal oktober 2014) in voltijd en in deeltijd werkten, vóór aftrek van de belastingen en sociale premies. De brutolonen omvatten vergoedingen voor overuren, ploegendienst, premies, vergoedingen, bonussen, provisies, enz. Het bruto maandloon van de werknemers die in deeltijd werken is omgerekend in voltijdequivalenten alvorens het op te nemen in het gemiddelde met hetzelfde gewicht als werknemers die in voltijd werken. Werknemers die in deeltijd werken niet meerekenen in de berekening van het gemiddelde brutomaandloon heeft invloed op de verhouding tussen de minimumlonen en het mediaan inkomen, namelijk een invloed van 7 procentpunten in Nederland (49 % in plaats van 56 %).

Voor het omrekenen naar euro van de gegevens voor gebieden die niet tot de eurozone behoren werd uitgegaan van de gemiddelde wisselkoersen voor 2014. De gegevens over landenspecifieke activiteiten voor de nationale minimumlonen als percentage van het gemiddelde maandloon zijn beschikbaar in een bijlage die deel uitmaakt van de metagegevens (in het Engels).

Context

Verscheidene van de oprichtende EU-lidstaten hebben er van oudsher voor gezorgd dat werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt verzekerd zijn van een nationaal minimumloon. Daarentegen hebben een aantal lidstaten, zoals Duitsland, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en veel van de in 2004 of daarna tot de Europese Unie toegetreden landen, pas recentelijk minimumloonwetgeving ingevoerd; daarnaast waren er op 1 januari 2018 nog zes lidstaten van de EU-28 die helemaal geen nationaal minimumloon hadden.

De meeste Europese landen werden de afgelopen jaren gekenmerkt door een patroon van relatief lage loonstijgingen (loonmatiging). Veel groepen van werknemersvertegenwoordigers hebben betoogd dat de koopkracht en de algemene levensstandaard zijn gedaald. Sommige politici, werknemersvertegenwoordigers, belangengroepen en commentatoren maken zich sterk voor het idee van een "Europees minimumloon" of van een in alle EU-lidstaten vastgesteld nationaal minimumloon.

Het niveau van het nationaal minimumloon wordt niet noodzakelijkerwijs elk jaar gewijzigd en de aanpassing ervan levert ook niet altijd een verhoging van het minimumloon op. In 2012 bijvoorbeeld is het niveau van het minimumloon in Griekenland gedaald ten gevolge van de door de Griekse overheid ingevoerde bezuinigingsmaatregelen. In Griekenland werd in dat jaar de nationale collectieve arbeidsovereenkomst opgeschort en wordt het nationale minimumloon nu bij besluit van de regering vastgesteld.

Zie ook

Meer informatie van Eurostat

Publicaties

Hoofdtabellen

  • Lonen, zie (in het Engels):
Minimumlonen (tps00155)

Databank

  • Lonen, zie (in het Engels):
Minimumlonen (earn_minw)
Maandelijkse minimumlonen - halfjaarlijkse gegevens (earn_mw_cur)
Maandelijkse minimumlonen als percentage van het gemiddelde maandloon (%) — NACE Rev. 2 (vanaf 2008) (earn_mw_avgr2)
Maandelijkse minimumlonen als percentage van het gemiddelde maandloon (%) — NACE Rev. 1.1 (1999-2009) (earn_mw_avgr1)

Speciale sectie

Methodologie / Metadata

  • Minimumlonen (ESMS metagegevens dossier — earn_minw_esms) in het Engels

Brongegevens voor de figuren (MS Excel)

Externe links