Huisvestingsstatistieken


Gegevens van mei 2018.

Geplande update van het artikel: oktober 2019.

Belangrijkste punten

In 2016 woonde de meerderheid van de bevolking in elke EU-lidstaat in een koopwoning, variërend van 52 % in Duitsland tot 96 % in Roemenië.

In 2016 woonde een zesde van de EU-bevolking in een overbezette woning; Roemenië (48,4 %) kende het hoogste percentage onder de lidstaten.

Van de gehele EU-bevolking had ongeveer 1 op de 20 mensen in 2016 te maken met ernstige woningnood.

Onder mensen die in 2016 in de EU tegen marktprijzen huurden, was in Griekenland het percentage dat te maken had met bovenmatige uitgaven voor huisvesting het hoogst: 84,6 % besteedde meer dan 40 % van hun equivalent besteedbaar inkomen aan huisvesting. Het EU-gemiddelde is 28,0 %.

Overcrowding rate, 2016

Dit artikel geeft een overzicht van de recente statistieken over huisvesting in de landen van de Europese Unie (EU), drie van de EVA-landen en drie kandidaat-lidstaten, met de nadruk op woningtypen, de eigendomssituatie (koop- of huurwoning) en de kwaliteit en betaalbaarheid van huisvesting.

Behoorlijke huisvesting voor een betaalbare prijs in een veilige omgeving is een fundamentele behoefte en wordt door velen als een grondrecht gezien. Voor sommige Europese landen is het nog altijd een grote uitdaging om in deze behoefte te voorzien – en om daardoor armoede en sociale uitsluiting te bestrijden.

Volledig artikel

Woningtype

In 2016 woonde ruim vier op de tien personen (41,8 %) in de EU-28 in een flat, bijna een kwart (23,9 %) in een halfvrijstaand huis en iets meer dan een derde (33,6 %) in een vrijstaande woning (zie figuur 1). Het deel van de bevolking van de EU-lidstaten dat in een flat woonde, was het grootst in Spanje en Letland (beide 66,1 %) en Estland (62,0 %). Een vergelijkbaar aandeel van de Zwitserse bevolking woonde in een flat (62,7 %). Het grootste aandeel mensen dat in halfvrijstaande huizen woont, werd gerapporteerd in het Verenigd Koninkrijk, (60,1 %), Nederland (58,4 %) en Ierland (52,4 %); dit waren de enige lidstaten waarin meer dan twee vijfde van de bevolking in een halfvrijstaand huis woonde. Het percentage mensen dat in een vrijstaand huis woonde was het hoogst in Kroatië (71,0 %), Slovenië (65,5 %), Hongarije (62,8 %) en Roemenië (61,9 %); ook de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (72,9 %), Servië (64,2 %) en Noorwegen (59,9 %) rapporteerden dat een groot deel van hun bevolking in een vrijstaand huis woont.

Figuur 1: Spreiding van de bevolking per woningtype, 2016
(% van de bevolking)
Bron: Eurostat (ilc_lvho01)

Eigendomssituatie

In 2016 woonde ruim een kwart (26,6 %) van de bevolking van de EU-28 in een koopwoning met een uitstaande lening of hypotheek, terwijl ruim twee op de vijf mensen (42,6 %) in een koopwoning zonder lening of hypotheek woonden. In totaal woonden zeven op de tien mensen (69,2 %) in de EU-28 in een koopwoning, terwijl 19,9 % in een woning met een markthuurprijs en 10,8 % in een sociale huurwoning of gratis woning woonde.

In 2016 woonde meer dan de helft van de bevolking in elke EU-lidstaat (zie figuur 2) in een koopwoning, variërend van 51,7 % in Duitsland tot 96,0 % in Roemenië. In geen van de EU-lidstaten werd dus geregistreerd dat het aandeel huurders hoger lag dan het aantal mensen dat in een koopwoning woont. In Zwitserland daarentegen woonden meer mensen in een huurwoning dan in een koopwoning: rond 57,5 % van de bevolking huurde. In Nederland (61,0 %) en Zweden (54,8 %) woonde meer dan de helft van de bevolking in een koopwoning met een uitstaande lening of hypotheek; dit was ook het geval in IJsland (63,9 %) en Noorwegen (62,3 %).

Figuur 2: Spreiding van de bevolking naar eigendomssituatie, 2016
(% van de bevolking)
Bron: Eurostat (ilc_lvho02)


In elf van de EU-lidstaten woonde in 2016 minder dan 10,0 % van de bevolking in een huurwoning met een markthuurprijs. Daarentegen woonde in Duitsland (39,8 %) en Denemarken (37,9 %) bijna twee vijfde van de bevolking in een huurwoning met een marktprijs, net als ongeveer drie tiende van de bevolking in Zweden (34,0 %), Nederland (30,3 %) en Oostenrijk (29,7 %), en circa een vijfde in Luxemburg (21,5 %), Griekenland (20,8 %) en België (20,0 %). Het aandeel van de bevolking dat in een huurwoning met een marktprijs woonde, was zelfs nog hoger in Zwitserland, waar dat net meer dan de helft was (50,2 %). Het aandeel van de bevolking dat in een sociale huurwoning of een gratis woning woonde, lag in alle EU-lidstaten en de zes niet-lidstaten waarvan gegevens worden getoond onder 20,0 %.

Kwaliteit van de huisvesting

Een van de belangrijkste aspecten bij de beoordeling van de kwaliteit van de huisvesting is de beschikbaarheid van voldoende ruimte in een woning. Het percentage overbezette woningen geeft het percentage mensen weer dat in een overbezette woning woont, dat wordt bepaald door het aantal beschikbare kamers voor het huishouden, de omvang van het huishouden en de leeftijd en gezinssituatie van de leden van het huishouden.

In 2016 woonde 16,6 % van de bevolking van de EU-28 in een overbezette woning (zie figuur 3). De hoogste percentages overbezette woningen in de EU-lidstaten werden geregistreerd in Roemenië (48,4 %), terwijl cijfers van boven 50 % werden genoteerd voor Servië (55,5 %) en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (50,1 %). Voor Turkije (46,0 % gegevens over 2015) werd ook een relatief hoog percentage overbezette woningen genoteerd. Cyprus (2,4 %), Malta (2,9 %), Ierland (3,2 %), België (3,7 %) en Nederland (4,0 %) registreerden daarentegen de laagste percentages overbezette woningen, terwijl in zeven andere lidstaten, evenals in Noorwegen, Zwitserland en IJsland, minder dan 10,0 % van de bevolking in een overbezette woning woonde.

Figuur 3: Percentage overbezette woningen, 2016
(% van een gespecificeerde bevolkingsgroep)
Bron: Eurostat (ilc_lvho05a)


Onder de bevolking met een armoederisico (met andere woorden, mensen die in huishoudens wonen waar het equivalente besteedbare inkomen per persoon lager is dan 60 % van het nationale mediaan inkomen) lag het percentage overbezette woningen in de EU-28 in 2016 met 29,5 % circa 12,9 procentpunten hoger dan het percentage voor de gehele bevolking. De hoogste percentages overbezette woningen onder de bevolking met een armoederisico werden geregistreerd in Roemenië (60,6 %), Polen (59,2 %), Hongarije (54,7 %), Slowakije (54,2 %) en Bulgarije (51,1 %); Turkije (71,8 %, gegevens over 2015), Servië (65,0 %) en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (63,6 %) meldden ook hoge percentages overbezette woningen onder het bevolkingsaandeel met een armoederisico. Aan het andere uiteinde van het spectrum werden de laagste percentages overbezette woningen onder het bevolkingsaandeel met een armoederisico genoteerd in Cyprus (5,7 %), Ierland (6,0 %) en Malta (7,5 %); dit waren de enige EU-lidstaten waar minder dan één op de tien personen met een armoederisico in een overbezette woning woonde (zie figuur 3). Om een meer complete indicator voor de kwaliteit van huisvesting te ontwikkelen, wordt naast overbezetting rekening gehouden met een aantal andere aspecten van woningnood – zoals het ontbreken van een bad of een toilet, een lekkend dak in de woning of een woning die als te donker wordt beschouwd. Het percentage van de bevolking dat getroffen wordt door ernstige woningnood wordt gedefinieerd als het percentage mensen dat in een woning woont die wordt beschouwd als overbezet en tegelijkertijd ten minste één van deze eerder genoemde woningnoodaspecten vertoont. In de gehele EU-28 had 4,8 % van de bevolking in 2016 te maken met ernstige woningnood (zie figuur 4). Er waren vier EU-lidstaten waar meer dan één op de tien mensen in 2016 te kampen had met ernstige woningnood: Bulgarije noteerde een percentage van 11,6 %. De percentages lagen hoger in Letland (14,6 %) en Hongarije (16,9 %) en het hoogst in Roemenië, waar bijna een op de vijf mensen (19,8 %) te maken had met ernstige woningnood. In Finland en Ierland, daarentegen, had in 2016 minder dan 1,0 % van de bevolking met ernstige woningnood te kampen.

Figuur 4: Ernstige woningnood, 2015 en 2016
(% van de bevolking)
Bron: Eurostat (ilc_mdho06a)


Het algehele aandeel van mensen binnen de EU-28 die te maken hadden met ernstige woningnood daalde tussen 2015 en 2016 in geringe mate (een daling met 0,1 procentpunt). Onder de EU-lidstaten werd de grootste stijging van het aandeel mensen dat wordt geconfronteerd met ernstige woningnood opgetekend in Hongarije en België, met een stijging van respectievelijk 1,4 en 1,0 procentpunt tussen 2015 en 2016; een nog grotere stijging werd waargenomen in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, waar de ernstige woningnood met 2,4 procentpunten steeg. De sterkste daling (met 2,0 procentpunten) onder de lidstaten deed zich voor in Italië, terwijl een daling van 1,1 procentpunt werd vastgesteld in Denemarken en Slovenië. IJsland noteerde een daling van 1,0 procentpunt.

Betaalbaarheid van de huisvesting

In 2016 leefde 11,1 % van de bevolking van de EU-28 in een huishouden dat 40 % of meer van hun equivalente besteedbare inkomen aan huisvesting besteedde (zie tabel 1). Het percentage van de bevolking met huisvestingskosten die hoger waren dan 40 % van hun equivalente besteedbare inkomen was het hoogst onder huurders die tegen de markthuurprijs huurden (28,0 %) en het laagst onder huiseigenaren met een lening of hypotheek (5,4 %).

Tabel 1: Bovenmatige uitgaven aan huisvesting naar eigendomssituatie, 2016
(% van de bevolking)
Bron: Eurostat (ilc_lvho07c) en (ilc_lvho07a)


Het gemiddelde van de EU-28 maskeert de aanzienlijke verschillen tussen de EU-lidstaten: enerzijds waren er lidstaten waar een relatief klein deel van de bevolking in huishoudens woonde die meer dan 40 % van hun besteedbaar inkomen uitgaven aan huisvesting, met name Malta (1,4 %) en Cyprus (3,1 %). Aan het andere uiteinde besteedde iets meer dan twee op de vijf personen (40,5 %) in Griekenland en iets meer dan één op de vijf personen (20,7 %) in Bulgarije meer dan 40 % van het equivalent besteedbaar inkomen aan huisvesting, evenals één op de zes mensen in Duitsland (15,8 %) en Denemarken (15,0 %).

Wat betreft huurders die tegen de markthuurprijs huurden – de eigendomssituatie die geldt voor het grootste aandeel van de bevolking voor wie de huisvestingskosten meer dan 40 % van het besteedbaar inkomen bedragen – bestonden er grote verschillen tussen de EU-lidstaten. Sommige lidstaten noteerden in 2016 zeer hoge percentages. In tien lidstaten gaf meer dan een derde van de bevolking die als huurder tegen de markthuurprijs huurt meer dan 40 % van het equivalent besteedbaar inkomen uit aan huisvesting. Dat aandeel van de bevolking steeg tot twee vijfde in Spanje (43,0 %), Kroatië (45,2 %) en Litouwen (48,3 %), oversteeg net meer dan de helft (50,4 %) in Bulgarije en kwam uit op 84,6 % in Griekenland.

Brongegevens voor tabellen en figuren

Gegevensbronnen

De hier genoemde cijfers zijn hoofdzakelijk afkomstig van microgegevens uit de EU-statistieken van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC). De referentiepopulatie omvat alle particuliere huishoudens en hun leden die op het moment van de gegevensverzameling op het grondgebied van een EU-lidstaat wonen; personen die in collectieve huishoudens en in instellingen wonen, maken doorgaans geen deel uit van de doelpopulatie. De gegevens voor de EU-28 en het eurogebied zijn populatiegewogen gemiddelden van de nationale gegevens van de lidstaten.

Achtergrond

Woningen beïnvloeden op veel verschillende manieren de kwaliteit van leven van huishoudens: ze bieden onderdak, veiligheid, privacy en een plaats om te ontspannen, te leren en te leven. Woningen kunnen ook tegen de achtergrond van de lokale omgeving worden bekeken. Het gaat dan om de bereikbaarheid van kinderopvang, onderwijsinstellingen, werk, recreatiemogelijkheden, winkels, openbare diensten, enzovoort. De betaalbaarheid van de woning, hetzij een koop- of huurhuis, is voor veel huishoudens een belangrijke kwestie, die vaak te maken heeft met de kwaliteit van de huisvesting.

De EU heeft geen specifieke verantwoordelijkheden op het gebied van huisvesting; de nationale regeringen ontwikkelen zelf hun huisvestingsbeleid. Desalniettemin worden veel van de EU-lidstaten met soortgelijke uitdagingen geconfronteerd: bijvoorbeeld hoe de woningvoorraad kan worden uitgebreid, hoe stedelijke uitbreiding kan worden gepland en beperkt, hoe duurzame ontwikkeling kan worden bevorderd, hoe jongeren en kansarme groepen toegang kunnen krijgen tot de woningmarkt of hoe energie-efficiëntie onder huiseigenaren kan worden aangemoedigd.

Kwesties met betrekking tot sociale huisvesting, dakloosheid en integratie spelen een belangrijke rol in de Europese agenda voor het sociaal beleid. Het EU-Handvest van de grondrechten bepaalt in Artikel IV-34: "Om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, erkent en eerbiedigt de Unie het recht op sociale bijstand en op bijstand voor huisvesting, teneinde eenieder die niet over voldoende middelen beschikt, onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden een waardig bestaan te verzekeren". In dit verband heeft de Europese Raad van Nice in 2000 overeenstemming bereikt over een aantal gemeenschappelijke doelstellingen voor de EU-strategie tegen armoede en sociale uitsluiting, waarvan er twee betrekking hebben op huisvesting, namelijk het ten uitvoer leggen van een beleid dat iedereen toegang moet verlenen tot behoorlijke en gezonde huisvesting en tot de basisdienstverlening die nodig is om, gelet op de plaatselijke omstandigheden, normaal te leven (elektriciteit, water, verwarming e.d.) en het instellen van een beleid dat ernaar streeft levenscrises te voorkomen die kunnen leiden tot situaties van sociale uitsluiting, zoals overmatige schuldenlast, uitsluiting van school en dakloosheid. Deze werkingssfeer werd uitgebreid in 2010 toen het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting (COM(2010) 758 definitief) een reeks maatregelen vaststelde om het aantal mensen voor wie armoede of sociale uitsluiting dreigt tegen 2020 (in vergelijking met 2008) met ten minste 20 miljoen mensen te verminderen – zie ook het artikel over people at risk of poverty or social exclusion (in het Engels).

Rechtstreekse toegang tot
Andere artikelen
Tabellen
Databank
Speciale sectie
Publicaties
Methodologie
Wetgeving
Visualisaties
Externe links





Living conditions (t_ilc_lv) (beschikbaar in het Engels, Frans en Duits)
Housing conditions (t_ilc_lvho) (beschikbaar in het Engels, Frans en Duits)
Overcrowding rate (t_ilc_lvho_or) (beschikbaar in het Engels, Frans en Duits)
Housing cost burden (t_ilc_lvho_hc) (beschikbaar in het Engels, Frans en Duits)
Material deprivation (t_ilc_md) (beschikbaar in het Engels, Frans en Duits)
Housing deprivation (t_ilc_mdho) (beschikbaar in het Engels, Frans en Duits)
Living conditions (ilc_lv)
Housing conditions (ilc_lvho)
Overcrowding rate (ilc_lvho_or)
Under-occupied dwellings (ilc_lvho_uo)
Housing cost burden (ilc_lvho_hc)
Material deprivation (ilc_md)
Housing deprivation (ilc_mdho)