Werkgelegenheidsstatistieken


Gegevens geëxtraheerd in juni 2017. Recentste gegevens: Meer informatie van Eurostat, Hoofdtabellen en Databank. Geplande update van het artikel: juni 2019.

Dit artikel bevat recente statistieken over de werkgelegenheid in de Europese Unie (EU), waaronder een analyse van belangrijke sociaaleconomische aspecten: werkgelegenheidsstatistieken vertonen aanzienlijke verschillen naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau. Ook zijn er aanzienlijke arbeidsmarkt verschillen tussen de verschillende EU-lidstaten.

Statistieken over de arbeidsmarkt spelen een centrale rol in veel beleidsmaatregelen van de EU na de invoeging van een werkgelegenheidshoofdstuk in het Verdrag van Amsterdam in 1997. De arbeidsparticipatie, d.w.z. het aandeel van de werkenden in de bevolking in de werkende leeftijd, wordt bij de studie naar ontwikkelingen op de arbeidsmarkt beschouwd als een belangrijke sociale indicator voor analytische doeleinden.

Kaart 1: Arbeidsparticipatie, leeftijdsgroep 20-64 jaar, 2016
(%)
Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)
Figuur 1: Arbeidsparticipatie naar geslacht, leeftijdsgroep 20-64 jaar, 1993-2016
(%)
Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)
Figuur 2: Arbeidsparticipatie naar leeftijdsgroep, 1993-2016
(%)
Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)
Figuur 3: Arbeidsparticipatie naar opleidingsniveau, leeftijdsgroep 25-64 jaar, 1993-2016
(%)
Bron: Eurostat (lfsa_ergaed)
Figuur 4: Deeltijdwerk als percentage van de totale arbeidsparticipatie, naar geslacht, leeftijdsgroep 20-64 jaar, 1993-2016
(%)
Bron: Eurostat (lfsa_eppga)
Figuur 5: Werknemers met een tweede baan, naar opleidingsniveau, leeftijdsgroep 15-74 jaar, 1993-2016
(% van de totale werkgelegenheid)
Bron: Eurostat (lfsa_e2ged) en (lfsa_egaed)
Figuur 6: Werknemers naar beroep, leeftijdsgroep 15-74 jaar, EU-28, 2016
(% van totale werkgelegenheid)
Bron: Eurostat (lfsa_esegp)
Figuur 7: Aandeel van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, naar beroepsgroep, leeftijdsgroep 15-74 jaar, 2016
(% van beroepsgroep)
Bron: Eurostat (lfsa_esegt)

Belangrijkste statistische resultaten

Arbeidsparticipatie naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau

In 2016 bedroeg de arbeidsparticipatie van personen van 20 tot 64 jaar in de EU-28, zoals gemeten in de EU-arbeidskrachtenquête 71,1 %; dit is het hoogste jaargemiddelde dat ooit werd genoteerd voor de EU. Achter dit gemiddelde gaan echter grote verschillen tussen de landen schuil (zie kaart 1). De enige lidstaat met een percentage hoger dan 80 % is Zweden (81,2 %). Ook in de EVA-landen IJsland (87,8 %) en Zwitserland (83,3 %) lag de arbeidsparticipatie boven 80 %.

In de groep van landen waar de arbeidsparticipatie tussen 70 en 80 % bedraagt, vinden we onder meer het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland. Die groep bestrijkt een zone die zich uitstrekt van Ierland in het westen tot Hongarije in het oosten en omvat tevens de drie Baltische staten, Finland en Portugal. De landen met een percentage in de 60 vormen twee clusters: een cluster in het westelijke Middellandse Zeegebied en rond de Adriatische Zee (Spanje, Italië en Kroatië) en een cluster aan de oostgrens van de EU, van het zuidelijke uiteinde van de Oostzee tot het zuidwestelijke uiteinde van de Zwarte Zee (Polen, Slowakije, Roemenië, Bulgarije). Ook België behoort daarnaast tot deze groep. Ten slotte zien we een groep in het zuiden van de Balkan / de Kaukasus met percentages onder de 60 % (de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Griekenland en Turkije).

Figuur 1 toont de ontwikkeling van de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen sinds 1993. Een van de opvallendste kenmerken is het kleinere verschil in arbeidsparticipatie tussen die twee groepen. In de meeste gevallen is dit het gevolg van een toegenomen arbeidsparticipatie onder vrouwen (zoals in Spanje en Nederland), maar in enkele gevallen is het kleinere verschil het gevolg van een lagere arbeidsparticipatie onder mannen (Griekenland en Cyprus). Er is ook een groep landen waarin de arbeidsparticipatie van mannen en die van vrouwen gelijk op- of afloopt, waardoor het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen stabiel blijft. Dat is bijvoorbeeld het geval in Tsjechië (een verschil van 19,1 procentpunten (pp) in 1998 en van 16,0 pp in 2016) en in Zweden (2,9 pp in 1996 en 3,8 pp in 2016). De arbeidsparticipatie onder vrouwen is in alle landen voor alle jaren lager dan die onder mannen, met twee uitzonderingen: Letland en Litouwen in 2010, na een scherpe daling van het percentage voor mannen en een veel geringere daling van het percentage voor vrouwen.

Figuur 1 toont tevens dat de situatie op de arbeidsmarkt in de periode waar Eurostat gegevens over heeft, sterk uiteenliep in de verschillende landen. De grootste groep landen heeft een geleidelijke, stabiele toename van de arbeidsparticipatie doorgemaakt (België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Turkije). Bij andere landen was het verloop eerder vlak en bleef de arbeidsparticipatie met andere woorden stabiel (Denemarken, Italië, Portugal, Slovenië, Slowakije, Noorwegen en Zwitserland). In nog een omvangrijke groep deden zich sterke stijgingen en dalingen voor, maar lag het percentage in 2016 hoger dan op de diverse uitgangspunten (Bulgarije, Estland, Ierland, Spanje, Letland, Litouwen en Polen).

Uit figuur 2 blijkt duidelijk dat de arbeidsparticipatie van personen van 25 tot 54 jaar voor de EU-28 nagenoeg gelijk is gebleven sinds 2001, maar zeer beduidend is gestegen voor ouderen (55-64 jaar) en is afgenomen voor jongeren (15-24 jaar).

De arbeidsparticipatie verschilt ook aanzienlijk naar gelang van het opleidingsniveau (zie figuur 3). De op grond van opleidingsniveau geanalyseerde gegevens beperken zich tot de leeftijdsgroep van 25 tot 64 jaar, omdat jongeren mogelijk nog een opleiding volgen, met name in het tertiair onderwijs, wat gevolgen zou kunnen hebben voor de arbeidsparticipatiecijfers. De arbeidsparticipatie van mensen in de leeftijdsgroep van 25 tot 64 jaar die tertiair onderwijs (tertiair onderwijs korte cyclus, bachelor, master en postdoctoraal onderwijs of gelijkwaardig onderwijs) hebben gevolgd, bedroeg in de EU-28 in 2016 84,8 %, ver boven het percentage (54,3 %) voor mensen die basisonderwijs of lager secundair onderwijs hebben genoten. In de EU-28 lag de arbeidsparticipatie van mensen met hoogstens een diploma van het hoger secundair of postsecundair niet-tertiair onderwijs op 74,8 %. Naast het feit dat ze (van deze opleidingsniveaugroepen) al de laagste kans hebben op het vinden van een baan, werden mensen die ten hoogste secundair onderwijs hebben genoten tevens het hardst geraakt door de crisis: de arbeidsparticipatie van deze groep daalde met 5,1 procentpunten tussen 2007 en 2013, terwijl dit cijfer voor mensen met een middelhoog opleidingsniveau 1,7 pp bedroeg, en voor hoogopgeleiden 1,8 pp. Figuur 3 toont aan dat het om een baan te vinden in België, Bulgarije, Tsjechië, Litouwen, Polen en Slowakije belangrijk is om ten minste een middelhoog opleidingsniveau te hebben genoten, maar dat dat minder belangrijk is in Denemarken, Estland, Griekenland, Cyprus en Luxemburg.

Deeltijdwerk

Het aandeel van de beroepsbevolking in de EU-28 in de leeftijdsgroep 20-64 jaar dat aangeeft dat zij in eerste werkkring in deeltijd werken, is in 2015 langzaam maar gestaag toegenomen van 14,9 % in 2002 naar 19,0 %, en vervolgens in 2016 zeer licht gedaald tot 18,9 %. Verreweg het hoogste percentage deeltijdwerkers in 2016 werd geregistreerd in Nederland (46,6 %), gevolgd door Oostenrijk, Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Denemarken en Ierland, waar ongeveer een vijfde van de werknemers in deeltijd werkte. Deeltijdbanen zijn daarentegen relatief ongebruikelijk in Bulgarije (1,9 % van de werknemers) evenals in Hongarije, Kroatië, Tsjechië en Slowakije (tussen 4,8 % en 5,7 %) — zie figuur 4.

De populariteit van deeltijdwerk (zie Bronnen en beschikbaarheid van gegevens) verschilt aanzienlijk tussen mannen en vrouwen. Iets minder dan een derde (31,4 %) van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 20-64 jaar in de EU-28 werkte in 2016 in deeltijd; een veel hoger percentage dan dat voor mannen (8,2 %). Bijna driekwart (74,8 %) van de vrouwelijke werknemers in Nederland werkte in 2016 in deeltijd, veruit het hoogste percentage van alle EU-lidstaten. Deeltijdwerk is tussen 1993 en 2016 beduidend toegenomen in Duitsland, Ierland, Italië en Oostenrijk; in IJsland is het aanzienlijk afgenomen.

Mensen met meerdere banen

Figuur 5 toont dat het aandeel van mensen met meerdere banen klein is en dat mensen met een hogere opleiding vaker een tweede baan hebben dan mensen met een middelhoog of laag opleidingsniveau. Voor de EU-28 is deze situatie bijzonder stabiel gebleven gedurende alle jaren waarvoor we over gegevens beschikken (2002-2016), namelijk circa 5 % van de hoogopgeleiden en rond de 3 % voor de andere twee opleidingsniveaugroepen. Het hoogste vastgelegde niveau onder de lidstaten bedraagt 16,3 % (hoogopgeleiden in Polen in 2000) en het laagste 0,3 % (middelhoge opleiding, Bulgarije, 2010-2016). Andere landen waar het enigszins gebruikelijk is om een tweede baan te hebben zijn Denemarken, Estland, Letland, Nederland, Portugal, Zweden, IJsland en Noorwegen.

Beroepen

Duidelijk de grootste beroepsgroep in de EU-28 in 2016 is die van verleners van persoonlijke diensten en verkoopmedewerkers, met 9,5 % van de werknemers, ofwel 21,4 miljoen mensen (zie figuur 6). In deze beroepsgroep zijn meer mensen actief dan in de acht kleinste beroepsgroepen samen, waaronder alle werknemers in de landbouw, in de voedselverwerking en leden van de strijdkrachten. Onder de groep diensten en verkoop treffen we administratieve medewerkers aan, gevolgd door vakspecialisten op het gebied van bedrijfsbeheer en administratie.

Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

In 2016 bedroeg het aandeel van werknemers in de leeftijdsgroep 15-74 jaar met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tijdelijk werk) 14,2 %. Meer dan een op de vijf werknemers in Polen (27,5 %), Spanje (26,3 %), Kroatië, Portugal (beide 22,3 %) en Nederland (20,8 %) had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zie figuur 7). In de overige lidstaten (EU-28) varieerde het aandeel werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 71,0 % in Slovenië tot slechts 1,4 % in Roemenië. Naast de verschillen tussen landen kan er ook een patroon worden waargenomen in de verschillen tussen beroepen. In de meeste landen is voor leidinggevenden de kans het kleinst dat ze een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben, en is voor werknemers met een lagere functie die kans het grootst. De percentages lopen echter sterk uiteen: 44,1 % van de werknemers met een lagere functie in Polen bevindt zich in deze situatie, terwijl het overeenkomstige cijfer voor Roemenië slechts 3,2 % bedraagt. De geneigdheid om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te gebruiken, verschilt sterk tussen de EU-lidstaten; dit zou, op zijn minst in bepaalde mate, kunnen samenhangen met de nationale gebruiken, vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, beoordelingen door werkgevers van mogelijke groei of krimp en het gemak waarmee werkgevers mensen kunnen aannemen en ontslaan.

Gegevensbronnen en -beschikbaarheid

Toepassingsgebied

De arbeidskrachten die deel uitmaken van de beroepsbevolking) omvatten werkenden en werklozen. De EU-arbeidskrachtenenquête definieert werkzame personen als personen van 15 jaar en ouder die gedurende de referentieweek hebben gewerkt, ook al is het maar één uur per week, voor loon, winst of verhoging van het gezinsinkomen. De beroepsbevolking omvat ook mensen die niet aan het werk waren, maar wel een baan of zelfstandige activiteit hadden waarvan zij tijdelijk afwezig waren, bijvoorbeeld wegens ziekte, vakantie, arbeidsconflict, onderwijs of opleiding.

Werkgelegenheid kan worden gemeten aan de hand van het aantal personen of banen, in voltijdequivalent of in gewerkte uren. Bij alle in dit artikel vermelde schattingen wordt het aantal personen gebruikt; de informatie die voor de arbeidsparticipatie wordt vermeld, is ook gebaseerd op schattingen van het aantal personen. Werkgelegenheidsstatistieken worden vaak als arbeidsparticipatie geregistreerd om de wijzigingen in de omvang van de bevolking van landen in de loop van de tijd te verdisconteren en vergelijkingen tussen landen van verschillende omvang te vergemakkelijken. Deze percentages worden over het algemeen gepubliceerd voor de bevolking in de werkende leeftijd, waarmee meestal het aantal mensen van 15-64 jaar wordt bedoeld, hoewel in Spanje, het Verenigd Koninkrijk en IJsland de leeftijdsgroep van 16-64 jaar wordt gebruikt. Ook andere internationale statistische organisaties gebruiken deze leeftijdsgroep (15-64 jaar) als standaard (hoewel sommige beleidsmakers steeds meer kijken naar de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar, omdat een steeds groter deel van de bevolking in de EU zijn studies voortzet in het tertiair onderwijs).

Hoofdconcepten

Bepaalde belangrijke werkgelegenheidskenmerken, zoals gedefinieerd in de EU-arbeidskrachtenenquête, zijn onder andere:

  • werknemers — personen die werken voor de overheid of een particuliere werkgever en een beloning ontvangen in de vorm van loon, salaris, prestatiebeloning of betaling in natura; hieronder vallen ook niet-dienstplichtige leden van de strijdkrachten;
  • zelfstandigen — werken in hun eigen onderneming, landbouwbedrijf of praktijk. Een zelfstandige wordt geacht in de referentieweek te hebben gewerkt als hij/zij voldoet aan een van de volgende criteria: hij/zij werkt met het doel winst te maken, besteedt tijd aan de exploitatie van een onderneming, of is bezig met het oprichten van een onderneming;
  • het onderscheid tussen voltijd en deeltijd is over het algemeen gebaseerd op het spontane antwoord van de respondent. De belangrijkste uitzonderingen hierop zijn Nederland en IJsland, waar een drempel van 35 uur wordt toegepast, Zweden, waar een drempel wordt toegepast op zelfstandigen, en Noorwegen, waar personen die tussen 32 en 36 uur werken worden gevraagd of het een voltijds- of deeltijdfunctie is;
  • indicatoren voor werkzame personen met een tweede baan hebben alleen betrekking op personen met meerdere banen tegelijk; mensen die in de referentieweek van baan zijn veranderd, worden niet geteld als mensen met twee banen;
  • een werknemer wordt geacht een tijdelijk dienstverband te hebben als de werkgever en de werknemer overeenkomen dat het einde ervan wordt bepaald door objectieve voorwaarden, zoals een bepaalde datum, de voltooiing van een opdracht of de terugkeer van een werknemer die tijdelijk wordt vervangen. Voorbeelden hiervan zijn: seizoenarbeiders; mensen die door een uitzendbureau of arbeidsbemiddelingsbureau in dienst worden genomen en bij een derde worden geplaatst om een bepaalde taak uit te voeren (tenzij er sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd); mensen met specifieke opleidingscontracten.

Gegevensreeksen

De meeste in dit artikel vermelde indicatoren zijn afkomstig uit gegevensreeksen die deel uitmaken van de hoofdindicatoren van de arbeidskrachtenenquête (gegevensreeksen die beginnen met de letters lfsi). Die hoofdindicatoren verschillen van de gegevensreeksen met de gedetailleerde jaar- en kwartaalresultaten van de enquête (gegevensreeksen die beginnen met de letters lfsa en lfsq): de gedetailleerde enquêteresultaten zijn uitsluitend gebaseerd op microgegevens uit de arbeidskrachtenenquête, terwijl de hoofdindicatoren verder zijn verwerkt. De meest voorkomende aanvullende aanpassingen zijn correcties van de belangrijkste lacunes in de reeksen en schattingen van de ontbrekende waarden. Voor sommige jaren leiden die aanpassingen tot aanzienlijke verschillen tussen de twee gegevensreeksen.

De gegevensreeksen van de hoofdindicatoren van de arbeidskrachtenenquête vormen de meest volledige en betrouwbare verzameling werkgelegenheids- en werkloosheidsgegevens die door middel van de arbeidskrachtenenquête worden vastgesteld. Maar omdat zij niet altijd een analyse van de achtergrondvariabelen omvatten, is het soms nodig om ook de gedetailleerde enquêteresultaten te gebruiken, zoals in dit artikel is gebeurd voor de gegevens in tabel 3 en in een deel van tabel 4.

Context

Werkgelegenheidsstatistieken kunnen worden gebruikt voor een aantal uiteenlopende analyses, waaronder macro-economische studies (werknemers bezien als productiefactor) of studies over arbeidsproductiviteit of concurrentievermogen. Zij kunnen ook worden gebruikt voor het bestuderen van een aantal maatschappelijke en gedragsaspecten die samenhangen met de individuele arbeidssituatie, zoals de maatschappelijke integratie van minderheden of werk als bron van huishoudinkomen.

Werkgelegenheid is zowel een structurele indicator als een kortetermijnindicator. Als structurele indicator kan werkgelegenheid meer inzicht verschaffen in de structuur van de arbeidsmarkt en de economische systemen, gemeten aan de hand van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, of in de kwaliteit van de werkgelegenheid. Als kortetermijnindicator volgt werkgelegenheid de conjunctuurcyclus; werkgelegenheid heeft in die zin echter beperkingen, omdat zij vaak wordt beschouwd als een achterlopende indicator.

Werkgelegenheidsstatistieken spelen een centrale rol in veel EU-beleid. Sinds de werkgelegenheidstop van Luxemburg in november 1997 bestaat er een Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS); deze werd in 2005 aangepast om de werkgelegenheidsstrategie van de EU nauwer te laten aansluiten op een aantal herziene Lissabondoelstellingen. Sinds juli 2008 zijn de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2008-2010 geactualiseerd. In maart 2010 heeft de Europese Commissie het startsein gegeven voor de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei; deze werd in juni 2010 formeel goedgekeurd door de Europese Raad. De Europese Raad bereikte overeenstemming over vijf centrale streefcijfers, waarvan de eerste is om de arbeidsparticipatie voor vrouwen en mannen in de leeftijdsgroep 20-64 jaar te verhogen tot 75 % tegen 2020. De EU-lidstaten mogen aan de hand van deze streefcijfers hun eigen nationale streefcijfers vaststellen en nationale hervormingsprogramma's opstellen met acties om de strategie uit te voeren. De strategie kan ten minste deels worden verwezenlijkt door middel van de bevordering van flexibele arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld deeltijdwerk en thuiswerken, waarvan wordt verwacht dat zij de arbeidsparticipatie zullen bevorderen. Onder andere de verbetering van de beschikbare kinderopvangvoorzieningen, een groter aanbod op het gebied van een leven lang leren en het bevorderen van beroepsmobiliteit zijn sommige initiatieven die meer mensen kunnen stimuleren om in het arbeidsproces te treden. In dit thema staat "flexizekerheid" centraal: beleidsmaatregelen die tegelijkertijd gericht zijn op de flexibiliteit van de arbeidsmarkten, de werkorganisatie en de arbeidsverhoudingen, waarbij rekening wordt gehouden met de combinatie van werk en privéleven, werkzekerheid en sociale bescherming. In overeenstemming met de Europa 2020-strategie worden met de EWS maatregelen aangemoedigd die bijdragen tot de verwezenlijking van drie streefcijfers voor 2020, namelijk:

  • 75 % van de mensen van 20-64 jaar heeft werk;
  • het percentage voortijdige schoolverlaters is lager dan 10 %, en ten minste 40 % van de 30- tot 34-jarigen heeft een tertiaire opleiding afgerond;
  • het aantal mensen met een risico op armoede of sociale uitsluiting bedraagt minstens 20 miljoen minder.

Vanwege het trage tempo van het herstel van de financiële en economische crisis en de toenemende aanwijzingen van een groeiende werkloosheid heeft de Commissie op 18 april 2012 een aantal voorstellen gedaan voor maatregelen om de werkgelegenheid door middel van een werkgelegenheidspakket te stimuleren. In deze voorstellen stond onder meer de vraagzijde van de werkgelegenheidscreatie centraal, en wordt uiteengezet hoe de EU-lidstaten aanwervingen kunnen stimuleren door de belastingen op arbeid te verlagen en startende ondernemingen te ondersteunen. Daarnaast waren de voorstellen ook gericht op de vaststelling van economische sectoren met mogelijkheden voor aanzienlijke werkgelegenheidscreatie, zoals de groene economie, de gezondheidszorg en de ICT-sector.

In december 2012 heeft de Europese Commissie in het licht van de hoge en alsmaar stijgende jeugdwerkloosheid in verschillende EU-lidstaten werkgelegenheidspakket voor jongeren (COM(2012) 727 final) voorgesteld. Dit pakket was een vervolg op de maatregelen ten behoeve van jongeren die zijn vastgelegd in het uitgebreidere werkgelegenheidspakket, en omvat een reeks voorstellen, waaronder:

  • aan elke jongere tot 25 jaar binnen vier maanden nadat hij/zij het formele onderwijs heeft verlaten of werkloos is geworden, wordt een kwalitatief goede baan, voortgezet onderwijs, een leerlingplaats of een stage aangeboden (een jongerengarantie);
  • een raadpleging van de Europese sociale partners over een kwaliteitskader voor stages, om jongeren de kans te geven om in veilige omstandigheden nuttige werkervaring op te doen;
  • een Europese Alliantie voor de verbetering van de kwaliteit en het aanbod van beschikbare leerlingplaatsen en een voorstel voor manieren om hinderpalen voor mobiliteit van jongeren uit de weg te ruimen.

De inspanningen om de jeugdwerkloosheid te verminderen werden in 2013 voortgezet met de mededeling van de Europese Commissie met de titel Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren (COM(2013) 144 final) die erop is gericht de in het Werkgelegenheidspakket voor jongeren uiteengezette maatregelen te versterken en te versnellen. De mededeling is met name bedoeld voor de ondersteuning van jongeren zonder scholing, werk of stage in de regio's van de Unie waar de jeugdwerkloosheid meer is dan 25 %. Er volgde een andere mededeling van de Commissie met de titel Samen aan de slag voor de jongeren in Europa – Een oproep tot actie ter bestrijding van jeugdwerkloosheid (COM(2013) 447 final) die was gericht op de versnelling van de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie en de ondersteuning van de EU-lidstaten en ondernemingen zodat deze meer jongeren in dienst kunnen nemen.

Een van de hoofdprioriteiten van het college van commissarissen dat in 2014 is aangetreden, is het stimuleren van banen, groei en investeringen, met als doelstelling regelgeving te verminderen en slimmer gebruik te maken van bestaande financiële bronnen en overheidsmiddelen. De Europese Commissie publiceerde in februari 2015 een reeks landenverslagen, waarin het economische beleid van EU-lidstaten wordt geanalyseerd en die informatie verstrekken over de prioriteiten van EU-lidstaten voor het komende jaar om groei en het creëren van banen te stimuleren. Diezelfde maand stelde de Europese Commissie tevens voor om 1 miljard EUR uit het Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren in 2015 beschikbaar te maken om de prefinanciering die EU-lidstaten kunnen ontvangen om de arbeidsparticipatie van jongeren maximaal 30 keer zo hoog te maken, en zo tot 650 000 jongeren aan werk te helpen.

In juni 2016 heeft de Europese Commissie een Agenda voor vaardigheden voor Europa (COM(2016) 381/2) goedgekeurd onder de motto Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen. Die moet ervoor zorgen dat mensen de vaardigheden ontwikkelen die nu en in de toekomst nodig zijn, om inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, concurrentievermogen en groei overal in de EU te versterken.

Zie ook

Meer informatie van Eurostat

Publicaties

Hoofdtabellen

LFS main indicators (t_lfsi)
Population, activity and inactivity - LFS adjusted series (t_lfsi_act)
Employment - LFS adjusted series (t_lfsi_emp)
Unemployment - LFS adjusted series (t_une)
LFS series - Detailed annual survey results (t_lfsa)
LFS series - Specific topics (t_lfst)

Databank

LFS main indicators (lfsi)
Employment and activity - LFS adjusted series (lfsi_emp)
Unemployment - LFS adjusted series (une)
Labour market transitions - LFS longitudinal data (lfsi_long)
LFS series - Detailed quarterly survey results (from 1998 onwards) (lfsq)
LFS series - Detailed annual survey results (lfsa)
LFS series - Specific topics (lfst)
LFS ad-hoc modules (lfso)
2014. Migration and labour market (lfso_14)
2013. Accidents at work and other work-related health problems (lfso_13)
2012. Transition from work to retirement (lfso_12)
2011. Access to labour markets for disabled people (lfso_12)
2010. Reconciliation between work and family life (lfso_10)
2009. Entry of young people into the labour market (lfso_09)
2008. Labour market situation of migrants (lfso_08)
2007. Work related accidents, health problems and hazardous exposure (lfs_07)
2006. Transition from work into retirement (lfso_06)
2005. Reconciliation between work and family life (lfso_05)
2004. Work organisation and working time arrangements (lfso_04)
2003. Lifelong learning (lfso_03)
2002. Employment of disabled persons (lfso_02)
2000. Transition from school to working life (lfso_00)

Speciale sectie

Methodologie / Metadata

Publicaties

ESMS-metagegevensbestanden en methodologie voor de EU-LFS

Brongegevens voor de tabellen en figuren (MS Excel)

Externe links