Werkgelegenheidsstatistieken


Gegevens van mei 2019.

Geplande update van het artikel: september 2020.

De versie in het Engels is recenter.

Belangrijkste punten

De arbeidsparticipatie van personen van 20-64 jaar in de EU bereikte in 2018 een hoogtepunt (73,1 %).

Hoewel het verschil in arbeidsparticipatie tussen vrouwen en mannen blijft afnemen, was de arbeidsparticipatie van mannen in 2018 in alle EU-lidstaten hoger dan die van vrouwen.

30,8 % van de werkzame vrouwen van 20-64 jaar in de EU werkte in 2018 in deeltijd, tegenover 8,0 % van de mannen.


Instrument 1: Arbeidsparticipatie (totaal, vrouwen, mannen, jongeren, ouderen), 2002-2018
(% van de bevolking van 20-64 jaar)
Bron: Eurostat


Dit artikel bevat de meest recente statistieken over de werkgelegenheid in de Europese Unie (EU) op basis van de arbeidskrachtenenquête (AKE), waaronder een overzicht op basis van sociaaleconomische aspecten. Over het algemeen vertonen de werkgelegenheidsstatistieken aanzienlijke verschillen naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau. Ook vertonen de EU-lidstaten aanzienlijke verschillen wat betreft de arbeidsmarkt.

Statistieken over de arbeidsmarkt spelen een centrale rol in veel beleidsmaatregelen van de EU na de invoeging van een werkgelegenheidshoofdstuk in het Verdrag van Amsterdam in 1997. De arbeidsparticipatie, d.w.z. het aandeel van de werkenden in de bevolking in de werkende leeftijd, wordt bij de studie naar ontwikkelingen op de arbeidsmarkt beschouwd als een belangrijke sociale indicator.

NB: De getallen en percentages in de instrumenten en in de tekst van dit artikel vertonen soms verschillen als gevolg van de doorlopende herziening van de brongegevens: de instrumenten verwijzen naar de meest recente gegevens (uit de reeks Employment and unemployment (Labour Force Survey) (employ) van de Eurostat-databank (in het Engels)), terwijl de tekst verwijst naar gegevens van mei 2019.

Volledig artikel

Arbeidsparticipatie naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau

In 2018 bedroeg de arbeidsparticipatie van personen in de leeftijdsgroep 20-64 jaar in de EU-28, zoals gemeten in de EU-arbeidskrachtenenquête, 73,1 %; dit is het hoogste jaargemiddelde dat ooit werd genoteerd voor de EU. Achter dit gemiddelde gaan echter grote verschillen tussen de landen schuil (zie kaart 1 en instrument 1). Zweden is de enige EU-lidstaat met een arbeidsparticipatie van ten minste 80 % (82,6 %). Een vergelijkbaar hoog percentage wordt ook behaald in de EVA-landen IJsland (86,5 %) en Zwitserland (82,5 %).

In 2010 heeft de Europese Raad de Europa 2020-strategie vastgesteld. De nadruk hierin lag op de versterking van de EU-economie en op de voorbereiding op de uitdagingen van het volgende decennium. Een van de hoofddoelstellingen van deze EU-strategie is om de arbeidsparticipatie van de bevolking tussen 20-64 jaar tegen 2020 te verhogen tot ten minste 75 %. In 2018 bereikten 14 EU-lidstaten een percentage van ten minste 75 %, te weten de drie Scandinavische lidstaten (Zweden, Denemarken en Finland), de drie Baltische lidstaten (Estland, Letland en Litouwen) en Tsjechië, Duitsland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk, Portugal, Slovenië en Malta (zie kaart 1). Drie EVA-landen – IJsland, Zwitserland en Noorwegen – noteerden ook een hoge arbeidsparticipatie van meer dan 75 %.

Aan de andere kant van de schaal lag de arbeidsparticipatie ver onder de EU-doelstelling, d.w.z. onder de 70 %, in Roemenië, België, Spanje, Kroatië en Italië, terwijl Griekenland het laagste percentage realiseerde (59,5 %).

Kaart 1: Arbeidsparticipatie, leeftijdsgroep 20-64 jaar, 2018
(%)
Bron: Eurostat (lfsa_ergan)

Het interactieve lijndiagram (zie instrument 1) toont hoe de arbeidsparticipatie sinds 2002 per land is veranderd. Door op de pictogrammen onderaan het instrument te klikken, ziet u hoe de arbeidsparticipatie van bepaalde groepen zich heeft ontwikkeld: van links naar rechts kunt u schakelen tussen de totale bevolking, vrouwen, mannen, jongeren en ouderen.

In de periode tussen 2002 en 2018 nam de arbeidsparticipatie van de totale bevolking van 20-64 jaar in de EU-28 toe met 6,4 procentpunten, van 66,8 % naar 73,2 %. De arbeidsmarktsituatie vertoont in de afgelopen jaren echter grote verschillen tussen de landen. De arbeidsparticipatie steeg tussen 2002 en 2018 in alle landen behalve Griekenland (-3,0 procentpunten) en Cyprus (-1,0 procentpunt). In alle sinds 2004 toegetreden EU-lidstaten (behalve Cyprus) en Duitsland ligt de stijging boven het EU-gemiddelde van 6,4 procentpunten. De grootste stijgingen doen zich voor in Bulgarije (waar de arbeidsparticipatie met 16,6 procentpunten is gestegen, van 55,8 % in 2002 naar 72,4 % in 2018) en Malta (+17,3 procentpunten, van 57,7 % naar 75,0 %).

In alle EU-lidstaten lag de arbeidsparticipatie onder mannen in 2018 hoger dan die onder vrouwen. Dit geldt ook voor de gehele periode 2002-2018, met twee uitzonderingen: Letland in 2010 en Litouwen in 2009 en 2010. De ontwikkeling van de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen tussen 2002 en 2018 laat echter een wisselend beeld zien. Wanneer u op het tweede en derde pictogram van instrument 1 klikt, kunt u de ontwikkeling van de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen sinds 2002 bekijken.

Instrument 1: Arbeidsparticipatie (totaal, vrouwen, mannen, jongeren, ouderen), 2002-2018
(% van de bevolking van 20-64 jaar)
Bron: Eurostat


Sinds 2002 is de arbeidsparticipatie van vrouwen in Europa toegenomen met 9,2 procentpunt op EU-niveau. De grootste stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen tussen 2002 en 2018 werd waargenomen in Malta (+29,0 procentpunten), Bulgarije (+16,0) en Duitsland (+14,0). In 2018 werd de hoogste arbeidsparticipatie van vrouwen genoteerd in Zweden (80,4 %) en IJsland (83,2 %), en de laagste in Griekenland (49,1 %) en Italië (53,1 %).

Daarentegen steeg de arbeidsparticipatie van mannen op EU-niveau tussen 2002 en 2018 in beperktere mate (+3,5 procentpunten) dan die van vrouwen. In elf lidstaten nam de arbeidsparticipatie van mannen zelfs af; de meest opmerkelijke veranderingen deden zich voor in Griekenland (-8,3 procentpunten, van 78,4 % in 2002 naar 70,1 % in 2018) en Cyprus (-6,5 procentpunten, van 85,8 % naar 79,3 %).

De arbeidsparticipatiekloof tussen vrouwen en mannen nam hierdoor op EU-niveau af van 17,3 procentpunt in 2002 naar 11,6 procentpunt in 2018. Deze trend werd waargenomen in alle EU-lidstaten behalve Bulgarije, Estland, Hongarije, Zweden, Polen, Slowakije en Roemenië. De daling was vooral sterk in Malta (waar de genderkloof in de arbeidsparticipatie daalde met 24,3 procentpunten) als gevolg van de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, in Spanje (-17,4 procentpunten) en Luxemburg (-17,3 procentpunten), wegens een gelijktijdige daling van de arbeidsparticipatie van mannen en een stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen.

Het vierde en vijfde pictogram van instrument 1 laten zien dat de arbeidsparticipatie in de leeftijdscategorie 15-24 jaar (jongerenwerkgelegenheid) tussen 2002 en 2018 is afgenomen op EU-niveau, terwijl de arbeidsparticipatie in de leeftijdscategorie 55-64 jaar (ouderenwerkgelegenheid) in diezelfde periode is gestegen. De daling van de jongerenwerkgelegenheid is het opvallendst in Ierland, Portugal, Spanje en Griekenland. Anderzijds noteerden Duitsland, Bulgarije en Slowakije de grootste stijging van de arbeidsparticipatie in de categorie 55-64 jaar.

De arbeidsparticipatie verschilt ook aanzienlijk naar gelang van het opleidingsniveau (zie instrument 2). De naar opleidingsniveau geanalyseerde gegevens beperken zich tot de leeftijdsgroep van 25 tot en met 64 jaar, omdat jongeren mogelijk nog een opleiding volgen, met name in het tertiair onderwijs, wat gevolgen zou kunnen hebben voor de arbeidsparticipatiecijfers.

Instrument 2: Arbeidsparticipatie naar opleidingsniveau, 2002-2018
(% van de bevolking van 25-64 jaar met een laag/gemiddeld/hoog opleidingsniveau)
Bron: Eurostat


De arbeidsparticipatie van mensen in de leeftijdsgroep van 25-64 jaar die tertiair onderwijs (tertiair onderwijs korte cyclus, bachelor, master en postdoctoraal onderwijs of gelijkwaardig onderwijs) (ISCED-niveaus 5-8) hebben gevolgd, bedroeg in 2018 op EU-niveau 85,8 %. Dat is ver boven de participatie (56,8 %) van mensen die ten hoogste basisonderwijs of lager secundair onderwijs (ISCED-niveaus 0-2) hebben genoten. In de EU-28 lag de arbeidsparticipatie van mensen met ten hoogste een diploma van het hoger secundair of postsecundair niet-tertiair onderwijs (ISCED-niveaus 3-4) op 76,4 % – tussen de twee bovengenoemde percentages in. Deze cijfers kunnen erop duiden dat het makkelijker wordt om een baan te vinden naarmate men hoger opgeleid is.

Naast het feit dat ze (van de drie opleidingsniveaugroepen) de laagste kans hebben op het vinden van een baan, werden mensen die ten hoogste lager secundair onderwijs hebben genoten (ISCED-niveaus 0-2) tevens het hardst geraakt door de crisis: de arbeidsparticipatie van deze groep daalde tussen 2007 en 2013 op EU-niveau met 5 procentpunten. Voor middelhoog opgeleiden (ISCED-niveaus 3-4) en hoogopgeleiden (ISCED-niveaus 5-8) kwam die daling uit op 1,7 procentpunt.

Instrument 2 laat zien hoe belangrijk het voor iemands baankansen is om ten minste een middelhoog opleidingsniveau te hebben. Zo bedroeg de arbeidsparticipatie van laagopgeleiden in Slowakije 37,9 % in 2018; een veel lager percentage dan de arbeidsparticipatie van personen met een middelhoog opleidingsniveau (76,9 %) of een hoog opleidingsniveau (82,6 %). Deze situatie zien we ook terug in Kroatië (37,5 % voor laagopgeleiden tegen 68,5 % voor middelhoog opgeleiden), Tsjechië (52,2 % tegen 83,5 %), Bulgarije (47,0 % tegen 78,5 %) en Polen (43,1 % tegen 70,4 %).

Onder hoogopgeleiden komt het vaker voor dat mensen meerdere banen hebben

Figuur 1 toont dat het aandeel van mensen met meerdere banen klein is en dat mensen met een hoog opleidingsniveau (ISCED-niveaus 5-8) vaker een tweede baan hebben dan mensen met een middelhoog (ISCED-niveaus 3-4) of laag opleidingsniveau (ISCED-niveaus 0-2). In de EU-28 had in 2018 5,0 % van de mensen die tertiair onderwijs hebben genoten, meer dan één baan; dat percentage bedroeg 2,8 % respectievelijk 3,8 % voor laag- en middelhoog opgeleiden.

Het percentage hoogopgeleiden met meer dan één baan was het hoogst in Nederland (10,1 %), Estland (9,8 %), Zweden (8,8 %) en Denemarken (8,3 %). De kloof tussen laag- en hoogopgeleiden met meer dan één baan was het grootst in Letland (een kloof van 6,9 procentpunten), gevolgd door Estland (6,7), Portugal (5,6) en Nederland (4,9). In sommige landen lag het percentage laagopgeleiden met meer dan één baan echter hoger dan het percentage hoogopgeleiden met meerdere banen; het grootste verschil in dit opzicht deed zich voor in Frankrijk (een kloof van -1,8 procentpunt).

Figuur 1: Werkende personen van 20-64 jaar met een tweede baan, naar opleidingsniveau, 2018
(% van de totale werkgelegenheid)
Bron: Eurostat (lfsa_egaed) en (lfsa_e2ged)

Percentage vakmensen, werknemers met een lagere functie, dienstverleners en verkoopmedewerkers

Vakmensen hadden in 2018 in de EU-28 het grootste aandeel in de werkgelegenheid (20,0 % van de werkenden; zie figuur 2a). Zij werden gevolgd door dienstverleners en verkoopmedewerkers (16,4 %), technici en personen in lagere functies (16,3 %). Aan de andere kant van de schaal hadden geschoolde landbouw-, bosbouw- en visserijmedewerkers (3,0 %) en militaire beroepen (0,6 %) het kleinste aandeel.

Wie echter alleen kijkt naar het beroep krijgt een beperkt beeld van de economische, sociale en culturele kenmerken van werknemers. Om deze reden is een bredere classificatie geïntroduceerd: de Europese sociaaleconomische groepen (ESeG), waarin het beroep wordt gecombineerd met de status op de arbeidsmarkt. Ook in deze classificatie vormden vakmensen (20,0 %) de grootste groep in de EU-28 in 2018 (zie figuur 2b), ditmaal echter gevolgd door werknemers met een lagere functie (18,2 %) en geschoolde industriële werknemers (16,2 % van de werkzame personen).

Figuur 2a: Werkende personen van 20-64 jaar naar beroep (ISCO), EU-28, 2018
(% van de totale werkgelegenheid)
Bron: Eurostat (lfsa_egais)


Figuur 2b: Werkende personen van 20-64 jaar naar Europese sociaaleconomische groep, EU-28, 2018
(% van de totale werkgelegenheid)
Bron: Eurostat (lfsa_esega)

Stijging van tijdelijke en deeltijdarbeid

Het aandeel van de beroepsbevolking in de EU-28 in de leeftijdsgroep 20-64 jaar dat aangeeft dat zij in eerste werkkring in deeltijd werken, is langzaam maar gestaag toegenomen van 14,9 % in 2002 naar 19,0 % in 2015, en vervolgens licht gedaald tot 18,5 % in 2018 (zie instrument 3, pictogram 1). Verreweg het hoogste percentage deeltijdwerkers in 2018 werd geregistreerd in Nederland (46,8 %), gevolgd door Oostenrijk, Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Denemarken, waar meer dan een vijfde van de werknemers (21 %) in deeltijd werkte. Deeltijdbanen zijn daarentegen relatief ongebruikelijk in Bulgarije (1,8 % van de werknemers) evenals in Hongarije, Slowakije, Kroatië en Polen (tussen 4,2 % en 6,2 %). Het aandeel deeltijdwerk is sinds 2002 in alle EU-lidstaten toegenomen, met uitzondering van Roemenië (-3,1 procentpunten), Polen (-2,7), Litouwen (-2,6), Letland (-1,7), Kroatië (-1,6), Bulgarije (-0,9) en Portugal (-0,6).

Het tweede en het derde pictogram van instrument 3 laten een opvallend verschil zien tussen het percentage mannelijke en vrouwelijke deeltijdwerkers. Iets minder dan een derde (30,8 %) van de vrouwelijke werknemers van 20-64 jaar in de EU-28 werkte in 2018 in deeltijd; een veel hoger percentage dan dat voor mannen (8,0 %). Ongeveer driekwart (73,8 %) van de vrouwen en iets minder dan een kwart van de mannen (23,0 %) in Nederland werkte in 2018 in deeltijd. Dat zijn de hoogste percentages van alle EU-lidstaten. De grootste stijging van de deeltijdarbeid tussen 2002 en 2018 in procentpunten werd genoteerd voor vrouwen in Italië (15,6 procentpunten, van 16,8 % naar 32,4 %) en voor mannen in Zwitserland (7,9 procentpunten, van 9,1 % naar 17,0 %), terwijl de grootste daling werd waargenomen voor vrouwen in IJsland (-11,8 procentpunten, van 42,3 % naar 30,5 %) en voor mannen in Litouwen (-3,2 procentpunten, van 8,3 % naar 5,1 %).

Instrument 3: Deeltijdarbeid (totaal, vrouwen en mannen) en tijdelijke arbeid (totaal, vrouwen en mannen), 2002-2018
(% van alle/vrouwelijke/mannelijke werknemers van 20-64 jaar)
Bron: Eurostat


Tussen 2002 en 2018 is het percentage werknemers met een vast contract licht gedaald in de EU-28 en is het percentage tijdelijke werknemers gestegen van 11,2 % in 2002 naar 13,2 % in 2018 (zie instrument 3, pictogram 4). Het aantal tijdelijke werknemers verschilt per EU-lidstaat: het aantal tijdelijk aangestelden lag in 2018 het hoogst in Spanje (26,4 %), Polen (23,9 %) en Portugal (21,5 %). Aan de andere kant van het spectrum werd het laagste aandeel tijdelijke overeenkomsten genoteerd in Roemenië (1,1 %), Litouwen (1,4 %) en Letland (2,6 %).

De vergelijking van het aandeel tijdelijk werk tussen mannen en vrouwen (zie de pictogrammen 5 en 6 van instrument 3) wijst op een geringe EU-genderkloof in 2018, met 12,6 % voor mannen tegen 13,8 % voor vrouwen.

Instrument 4 toont het percentage werknemers van 20-64 jaar met een overeenkomst voor bepaalde tijd, uitgesplitst naar Europese sociaaleconomische groepen. In de meeste landen is voor leidinggevenden de kans het kleinst dat ze een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben, en is voor werknemers met een lagere functie die kans het grootst. De percentages lopen echter sterk uiteen tussen de landen: 39,2 % van de werknemers met een lagere functie in Polen bevindt zich in deze situatie, terwijl het overeenkomstige aandeel voor Roemenië slechts 2,6 % bedraagt. De geneigdheid om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te gebruiken, verschilt sterk tussen de EU-lidstaten; dit zou, op zijn minst in bepaalde mate, kunnen samenhangen met de nationale gebruiken, vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, beoordelingen door werkgevers van mogelijke groei of krimp en het gemak waarmee werkgevers mensen kunnen aannemen en ontslaan.

Instrument 4: Werknemers met een overeenkomst voor bepaalde tijd, naar Europese sociaaleconomische groep, 2018
(% van de werknemers van 20-64 jaar)
Bron: Eurostat


Uitzendkrachten

Het percentage uitzendkrachten is laag. In 2018 betrof het op EU-niveau 2,2 % van de werkende mannen en 1,5 % van de werkende vrouwen van 20-64 jaar. Figuur 3 laat zien dat dit type werkgelegenheid het meest wordt gebruikt in Slovenië (4,2 % voor mannen, 6,0 % voor vrouwen) en Spanje (4,1 % voor mannen, 3,6 % voor vrouwen), en nauwelijks in Hongarije (elk 0,3 % voor mannen en vrouwen), Griekenland (0,2 % voor mannen en 0,3 % voor vrouwen) en het Verenigd Koninkrijk (0,6 % voor mannen en 0,5 % voor vrouwen).

Het verschil tussen mannen en vrouwen was het grootst in Frankrijk (2 procentpunten), gevolgd door Nederland en Oostenrijk met elk 1,6 procentpunt. In de meerderheid van de EU-lidstaten bedraagt het verschil tussen mannen en vrouwen echter minder dan 1 procentpunt. In zeven EU-lidstaten werken meer vrouwen dan mannen als uitzendkrachten (Griekenland, Kroatië, Denemarken, Polen, Letland, Ierland en Slovenië). In Hongarije ligt het percentage mannelijke uitzendkrachten even hoog als het percentage vrouwelijke uitzendkrachten.

Figuur 3: Uitzendkrachten naar geslacht, 2018
(% van de werknemers van 20-64 jaar)
Bron: Eurostat (lfsa_qoe_4a6r2)

Onzeker werk

In 2018 had 2,1 % van de mannen en vrouwen in de leeftijdscategorie 20-64 jaar in de EU-28 een onzekere baan (met een arbeidsovereenkomst van maximaal drie maanden). Het totale percentage werknemers met een onzekere baan was het hoogst in Kroatië, Frankrijk, Spanje, Italië en Slovenië en in de kandidaat-lidstaten Servië, Montenegro en Noord-Macedonië (figuur 4). Met uitzondering van Finland (1,1 procentpunt), Servië (1,3) en Turkije (2,0) was het verschil tussen mannen en vrouwen in alle landen kleiner dan 1,0 procentpunt. In de helft van de EU-lidstaten kwamen onzekere banen iets vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

Figuur 4: Onzeker werk naar geslacht, 2018
(% van de werknemers van 20-64 jaar)
Bron: Eurostat (lfsa_qoe_4ax1r2)

Brongegevens voor tabellen en grafieken

Gegevensbronnen

Toepassingsgebied

De arbeidskrachten die deel uitmaken van de beroepsbevolking omvatten werkenden en werklozen. De EU-arbeidskrachtenenquête definieert werkzame personen als personen van 15 jaar en ouder die gedurende de referentieweek hebben gewerkt, ook al is het maar één uur per week, voor loon, winst of verhoging van het gezinsinkomen. De beroepsbevolking omvat ook mensen die niet aan het werk waren, maar wel een baan of zelfstandige activiteit hadden waarvan zij tijdelijk afwezig waren, bijvoorbeeld wegens ziekte, vakantie, arbeidsconflict, onderwijs of opleiding.

Werkgelegenheid kan worden gemeten aan de hand van het aantal personen of banen, in voltijdequivalent of in gewerkte uren. Bij alle in dit artikel vermelde schattingen wordt het aantal personen gebruikt; de informatie die voor de arbeidsparticipatie wordt vermeld, is ook gebaseerd op schattingen van het aantal personen. Werkgelegenheidsstatistieken worden vaak als arbeidsparticipatie geregistreerd om de wijzigingen in de omvang van de bevolking van landen in de loop van de tijd te verdisconteren en vergelijkingen tussen landen van verschillende omvang te vergemakkelijken. Deze percentages worden over het algemeen gepubliceerd voor de bevolking in de werkende leeftijd, waarmee meestal het aantal mensen van 15-64 jaar wordt bedoeld, hoewel in Spanje, het Verenigd Koninkrijk en IJsland de leeftijdsgroep van 16-64 jaar wordt gebruikt. Ook andere internationale statistische organisaties gebruiken deze leeftijdsgroep (15-64 jaar) als standaard (hoewel sommige beleidsmakers steeds meer kijken naar de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar, omdat een steeds groter deel van de bevolking in de EU zijn studies voortzet in het tertiair onderwijs).

Hoofdconcepten

Belangrijke werkgelegenheidskenmerken, zoals gedefinieerd in de EU-arbeidskrachtenenquête, zijn:

  • werknemers: personen die werken voor de overheid of een particuliere werkgever en een beloning ontvangen in de vorm van loon, salaris, prestatiebeloning of betaling in natura; hieronder vallen ook niet-dienstplichtige leden van de strijdkrachten;
  • zelfstandigen werken in hun eigen onderneming, landbouwbedrijf of praktijk. Een zelfstandige wordt geacht in de referentieweek te hebben gewerkt als hij/zij voldoet aan een van de volgende criteria: hij/zij werkt met het doel winst te maken; besteedt tijd aan de exploitatie van een onderneming; of is bezig met het oprichten van een onderneming;
  • het onderscheid tussen voltijd en deeltijd wordt over het algemeen spontaan aangegeven door de respondent. De belangrijkste uitzonderingen hierop zijn Nederland en IJsland, waar een drempel van 35 uur wordt toegepast, Zweden, waar een drempel wordt toegepast op zelfstandigen, en Noorwegen, waar personen die tussen 32 en 36 uur werken worden gevraagd of het een voltijds- of deeltijdfunctie is;
  • indicatoren voor werkzame personen met een tweede baan hebben alleen betrekking op personen met meerdere banen tegelijk; mensen die in de referentieweek van baan zijn veranderd, worden niet geteld als mensen met twee banen;
  • een werknemer wordt geacht een tijdelijk dienstverband te hebben als de werkgever en de werknemer overeenkomen dat het einde ervan wordt bepaald door objectieve voorwaarden, zoals een bepaalde datum, de voltooiing van een opdracht of de terugkeer van een werknemer die tijdelijk wordt vervangen. Voorbeelden hiervan zijn: seizoenarbeiders; mensen die door een uitzendbureau of arbeidsbemiddelingsbureau in dienst worden genomen en bij een derde worden geplaatst om een bepaalde taak uit te voeren (tenzij er sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd); mensen met specifieke opleidingscontracten.

Het opleidingsniveau staat voor het hoogste opleidingsniveau dat men heeft afgerond. Een laag opleidingsniveau komt overeen met de ISCED-niveaus 0-2 (lager dan primair onderwijs, primair onderwijs en lager secundair onderwijs), een middelhoog niveau komt overeen met de ISCD-niveaus 3 en 4 (hoger secundair en post-secundair niet-tertiair onderwijs) en een hoog opleidingsniveau komt overeen met de ISCED-niveaus 5-8 (tertiair onderwijs).

De Europese sociaaleconomische groepen (ESeG) zijn een afgeleide classificatie waarmee individuen met vergelijkbare economische, sociale en culturele kenmerken in de hele Europese Unie kunnen worden gegroepeerd. Deze classificatie is enkel gebaseerd op sociale kernvariabelen met het oog op de gebruiksvriendelijkheid ervan in alle sociale enquêtes en om vergelijkbare resultaten te waarborgen. De belangrijkste gebruikte sociale kernvariabelen, zijn “IAO-beroepsstatus”, “Arbeidssituatie”, “Beroep” (volgens ISCO-08) en “Zelfverklaarde arbeidssituatie”. Voor meer details en uitleg over de classificatie, zie de ESeG=-pagina op de Eurostat-classificatieserver RAMON (in het Engels).

Gegevensreeksen

De meeste in dit artikel vermelde indicatoren zijn afkomstig uit gegevensreeksen die deel uitmaken van de hoofdindicatoren van de arbeidskrachtenenquête (gegevensreeksen die beginnen met de letters lfsi). Die hoofdindicatoren verschillen van de gegevensreeksen met de gedetailleerde jaar- en kwartaalresultaten van de enquête (gegevensreeksen die beginnen met de letters lfsa en lfsq): de gedetailleerde enquêteresultaten zijn uitsluitend gebaseerd op microgegevens uit de arbeidskrachtenenquête, terwijl de hoofdindicatoren verder zijn verwerkt. De meest voorkomende aanvullende aanpassingen zijn correcties van de belangrijkste lacunes in de reeksen en schattingen van de ontbrekende waarden. Voor sommige jaren leiden die aanpassingen tot aanzienlijke verschillen tussen de twee gegevensreeksen.

De gegevensreeksen van de hoofdindicatoren van de arbeidskrachtenenquête vormen de meest volledige en betrouwbare verzameling werkgelegenheids- en werkloosheidsgegevens die door middel van de arbeidskrachtenenquête worden vastgesteld. Maar omdat zij niet altijd een analyse van de achtergrondvariabelen omvatten, is het soms nodig om ook de gedetailleerde enquêteresultaten te gebruiken.

Achtergrond

Werkgelegenheidsstatistieken kunnen voor verschillende analyses worden gebruikt, zoals macro-economische studies (arbeid bezien als productiefactor) of studies over productiviteit of concurrentievermogen. Ze kunnen ook worden gebruikt voor het bestuderen van bepaalde maatschappelijke en gedragsaspecten die samenhangen met de individuele arbeidssituatie, zoals de maatschappelijke integratie van minderheden of werk als bron van huishoudinkomen.

Werkgelegenheid is zowel een structurele indicator als een kortetermijnindicator. Als structurele indicator kan werkgelegenheid meer inzicht verschaffen in de structuur van de arbeidsmarkt en de economische systemen, gemeten aan de hand van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, of in de kwaliteit van de werkgelegenheid. Als kortetermijnindicator volgt werkgelegenheid de conjunctuurcyclus; werkgelegenheid heeft in die zin echter beperkingen, omdat zij vaak wordt beschouwd als een achterlopende indicator.

Werkgelegenheidsstatistieken spelen een centrale rol in veel EU-beleid. Sinds de werkgelegenheidstop van Luxemburg in november 1997 bestaat er een Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS) (in het Engels); deze werd in 2005 aangepast om de werkgelegenheidsstrategie van de EU nauwer te laten aansluiten op een aantal herziene Lissabondoelstellingen. In juli 2008 zijn de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2008-2010 geactualiseerd. In maart 2010 heeft de Europese Commissie het startsein gegeven voor de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei; deze werd in juni 2010 formeel goedgekeurd door de Europese Raad. De Europese Raad bereikte overeenstemming over vijf hoofddoelen, waarvan de eerste is de arbeidsparticipatie voor vrouwen en mannen in de leeftijdsgroep 20-64 jaar op te trekken naar 75 % in 2020. De EU-lidstaten mogen aan de hand van deze hoofddoelen hun eigen nationale streefcijfers vaststellen en nationale hervormingsprogramma's opstellen met acties om de strategie uit te voeren. De strategie kan ten minste deels worden verwezenlijkt door middel van de bevordering van flexibele arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld deeltijdwerk en thuiswerken, waarvan wordt verwacht dat zij de arbeidsparticipatie zullen bevorderen. Enkele initiatieven die meer mensen kunnen stimuleren om in het arbeidsproces te treden, zijn de verbetering van de beschikbare kinderopvangvoorzieningen, een groter aanbod op het gebied van een leven lang leren en het bevorderen van beroepsmobiliteit. In dit thema staat “flexizekerheid” centraal: beleidsmaatregelen die tegelijkertijd gericht zijn op de flexibiliteit van de arbeidsmarkten, de werkorganisatie en de arbeidsverhoudingen, waarbij rekening wordt gehouden met de combinatie van werk en privéleven, werkzekerheid en sociale bescherming. In overeenstemming met de Europa 2020-strategie worden met de EWS maatregelen aangemoedigd die bijdragen tot de verwezenlijking van drie streefcijfers voor 2020, namelijk:

  • 75 % van de mensen van 20-64 jaar heeft werk;
  • het percentage voortijdige schoolverlaters is lager dan 10 %, en ten minste 40 % van de 30- tot 34-jarigen heeft een tertiaire opleiding afgerond;
  • het aantal mensen met een risico op armoede of sociale uitsluiting bedraagt minstens 20 miljoen minder.

Vanwege het trage herstel van de financiële en economische crisis en de toenemende aanwijzingen van een groeiende werkloosheid heeft de Commissie op 18 april 2012 een aantal voorstellen gedaan voor maatregelen om de werkgelegenheid door middel van een werkgelegenheidspakket te stimuleren. In deze voorstellen stond onder meer de vraagzijde van de werkgelegenheidscreatie centraal, en wordt uiteengezet hoe de EU-lidstaten aanwervingen kunnen stimuleren door de belastingen op arbeid te verlagen en startende ondernemingen te ondersteunen. Daarnaast waren de voorstellen ook gericht op de vaststelling van economische sectoren met mogelijkheden voor aanzienlijke werkgelegenheidscreatie, zoals de groene economie, de gezondheidszorg en de ICT-sector.

In december 2012 heeft de Europese Commissie in het licht van de hoge en alsmaar stijgende jeugdwerkloosheid in verschillende EU-lidstaten een werkgelegenheidspakket voor jongeren (COM(2012) 727 final) voorgesteld. Dit pakket was een vervolg op de maatregelen ten behoeve van jongeren die zijn vastgelegd in het uitgebreidere werkgelegenheidspakket, en omvat een reeks voorstellen, waaronder:

  • aan elke jongere tot 25 jaar binnen vier maanden nadat hij/zij het formele onderwijs heeft verlaten of werkloos is geworden, wordt een kwalitatief goede baan, voortgezet onderwijs, een leerlingplaats of een stage aangeboden (een jongerengarantie);
  • een raadpleging van de Europese sociale partners over een kwaliteitskader voor stages, om jongeren de kans te geven om in veilige omstandigheden nuttige werkervaring op te doen;
  • een Europese Alliantie voor de verbetering van de kwaliteit en het aanbod van beschikbare leerlingplaatsen en een voorstel voor manieren om hinderpalen voor mobiliteit van jongeren uit de weg te ruimen.

De inspanningen om de jeugdwerkloosheid te verminderen werden in 2013 voortgezet met de mededeling van de Europese Commissie getiteld Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren (COM(2013) 144 final) met als doel de in het werkgelegenheidspakket voor jongeren uiteengezette maatregelen te versterken en te versnellen. De mededeling is met name bedoeld voor de ondersteuning van jongeren zonder scholing, werk of stage in de regio's van de Unie waar de jeugdwerkloosheid meer is dan 25 %. Er volgde een andere mededeling van de Commissie met de titel Samen aan de slag voor de jongeren in Europa – Een oproep tot actie ter bestrijding van jeugdwerkloosheid (COM(2013) 447 final) die was gericht op een snellere uitvoering van de jongerengarantie en de ondersteuning van de EU-lidstaten en ondernemingen zodat deze meer jongeren in dienst kunnen nemen.

Een van de hoofdprioriteiten van het in 2014 aangetreden college van commissarissen, is het stimuleren van banen, groei en investeringen, met als doelstelling regelgeving te verminderen en slimmer gebruik te maken van bestaande financiële bronnen en overheidsmiddelen. De Europese Commissie heeft in februari 2015 een reeks landenverslagen gepubliceerd, waarin het economische beleid van EU-lidstaten wordt geanalyseerd en die informatie bevatten over de prioriteiten van de EU-lidstaten voor het komende jaar om groei en banencreatie te stimuleren. In diezelfde maand stelde de Europese Commissie tevens voor om 1 miljard EUR uit het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2015 beschikbaar te stellen om de prefinanciering die de EU-lidstaten kunnen ontvangen om de arbeidsparticipatie van jongeren te bevorderen, maximaal 30 keer zo hoog te maken, en zo tot 650 000 jongeren aan werk te helpen.

In juni 2016 heeft de Europese Commissie een Agenda voor vaardigheden voor Europa (COM(2016) 381/2) goedgekeurd onder het motto “Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen”. Die moet ervoor zorgen dat mensen de vaardigheden ontwikkelen die nu en in de toekomst nodig zijn, om inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, concurrentievermogen en groei overal in de EU te versterken.

Meer recent hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 17 november 2017 gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten (in het Engels) ondertekend. Werkgelegenheid en sociaal beleid zijn de belangrijkste interessegebieden van de Europese pijler van sociale rechten, die draait om nieuwe, doeltreffendere rechten voor de burgers. De pijler is onderverdeeld in drie hoofdcategorieën: 1) gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, 2) billijke arbeidsvoorwaarden, en 3) sociale bescherming en inclusie. Met name de flexibelere werkregelingen van vandaag bieden nieuwe kansen op de arbeidsmarkt, in het bijzonder voor jongeren, maar deze brengen mogelijk ook nieuwe vormen van onzekerheid en ongelijkheid met zich mee. Een socialer en eerlijker Europa tot stand brengen is een topprioriteit voor de Commissie. Bij de Europese pijler van sociale rechten hoort een “sociaal scorebord” waarmee de uitvoering van de pijler zal worden gemonitord door trends en prestaties in de EU-landen te volgen op twaalf gebieden; deze gegevens zullen worden verwerkt in het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid. Het scorebord zal ook dienen om de vorderingen in het behalen van een “sociale AAA-score” voor de hele EU te beoordelen.

Rechtstreekse toegang tot
Andere artikelen
Tabellen
Databank
Speciale sectie
Publicaties
Methodologie
Wetgeving
Visualisaties
Externe links






LFS main indicators (t_lfsi)
Population, activity and inactivity - LFS adjusted series (t_lfsi_act)
Employment - LFS adjusted series (t_lfsi_emp)
Unemployment - LFS adjusted series (t_une)
LFS series - Detailed annual survey results (t_lfsa)
LFS series - Specific topics (t_lfst)
LFS main indicators (lfsi)
Employment and activity - LFS adjusted series (lfsi_emp)
Unemployment - LFS adjusted series (une)
Labour market transitions - LFS longitudinal data (lfsi_long)
LFS series - Detailed quarterly survey results (from 1998 onwards) (lfsq)
LFS series - Detailed annual survey results (lfsa)
LFS series - Specific topics (lfst)
LFS ad-hoc modules (lfso)

Publicaties

ESMS-metagegevensbestanden en methodologie voor de EU-LFS