Statistieken over de digitale economie en de samenleving – huishoudens en personen


Gegevens geëxtraheerd in september 2020.

Geplande update van het artikel: december 2021.

Belangrijkste punten

In 2019 was het percentage huishoudens in de EU-27 met internettoegang gestegen tot 90 %, ongeveer 26 procentpunten hoger dan in 2009 (64 %).

In 2019 had 88 % van de huishoudens in de EU-27 toegang tot breedbandinternet, 33 procentpunten meer dan in 2009 (55 %).

Het percentage personen in de leeftijd van 16 tot en met 74 jaar in de EU-27 dat via internet goederen of diensten voor particulier gebruik bestelde of kocht, bedroeg 60 % in 2019, 14 procentpunten hoger dan in 2014 (46 %).

[[File:Digital_economy_and_society_-_households_and_individuals-interactive_FP2020-NL.xlsx]]

Internettoegang van huishoudens, 2014 en 2019


Dit artikel bevat recente statistische gegevens over diverse aspecten van de digitale economie en samenleving in de Europese Unie (EU), met nadruk op de beschikbaarheid van informatie- en communicatietechnologie (ICT) en het gebruik ervan door personen en in huishoudens.

ICT is op vele manieren van invloed op het dagelijks leven, zowel op het werk als thuis, bijvoorbeeld bij het onlinecommuniceren of -kopen van goederen of diensten. De EU-beleidsgebieden variëren van de regulering van complete sectoren, zoals de elektronische handel, tot maatregelen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De ontwikkeling van de informatiemaatschappij wordt daarom door velen beschouwd als cruciale randvoorwaarde voor het bevorderen van een moderne en concurrerende economie.

Volledig artikel

Internettoegang

ICT-technologie is breed beschikbaar geworden voor het algemene publiek, zowel wat de toegankelijkheid als wat de kosten betreft. In 2007 werd een belangrijke mijlpaal bereikt toen een meerderheid (53 %) van de huishoudens in de EU-27 internettoegang had. Dit percentage bleef stijgen tot meer dan drie op vier huishoudens in 2012 en vier op vijf huishoudens in 2014. Tegen 2019 was het aandeel van de huishoudens met internettoegang in de EU-27 gestegen tot 90 % – ongeveer 26 procentpunten hoger dan in 2009.

Ruim beschikbare en betaalbare toegang tot breedband is een van de middelen om een op kennis gebaseerde en goed geïnformeerde samenleving te bevorderen. In alle lidstaten van de EU-27 was breedband veruit de meest gebruikelijke vorm van internettoegang; in 2019 had 88 % van de huishoudens in de EU-27 toegang tot breedbandinternet, 33 procentpunten meer dan in 2009 (55 %) – zie figuur 1.

Figuur 1: Internettoegang en breedbandinternetverbindingen van huishoudens, EU-27, 2009-2019
(% van alle huishoudens)
Bron: Eurostat (isoc_ci_in_h) en (isoc_ci_it_h)

Het hoogste percentage (98 %) huishoudens met internettoegang in 2019 werd gemeten in Nederland (zie figuur 2), maar ook in Zweden, Duitsland, Denemarken, Luxemburg, Finland, Ierland en Spanje hadden meer dan negen van de tien huishoudens toegang tot internet. Bulgarije was met 75 % de lidstaat met het laagste percentage internettoegang van de EU-27. In Bulgarije is het percentage huishoudens met internettoegang echter snel toegenomen, net als in Roemenië, Cyprus, Spanje, Portugal en Litouwen: tussen 2014 en 2019 steeg dat aandeel met 16-23 procentpunten. Zoals verwacht werd er relatieve stabiliteit geregistreerd in verschillende lidstaten waar de internettoegang van huishoudens in 2014 al het verzadigingspunt naderde, zoals Luxemburg, Nederland en Denemarken; dit was ook het geval in IJsland en Noorwegen.

Figuur 2: Internettoegang van huishoudens, 2014 en 2019
(% van alle huishoudens)
Bron: Eurostat (isoc_ci_in_h)

Figuur 3 laat zien dat er op het gebied van internettoegang binnen de EU-27 tot op zekere hoogte een kloof bestaat tussen stad en platteland. Terwijl huishoudens in steden en voorsteden een relatief hoge graad van internettoegang hadden – 92 % in steden en 89 % in voorsteden – was de graad van internettoegang iets lager op het platteland (86 %). In 19 van de 27 EU-lidstaten lag het percentage huishoudens met internettoegang op het platteland lager dan het percentage huishoudens met internettoegang in steden en voorsteden. De kloof tussen het platteland en de twee andere typen gebieden was met name groot in Griekenland, Bulgarije, Portugal, Slovenië en Roemenië, allemaal landen waar de totale internettoegang onder het EU-27-gemiddelde lag. In Duitsland was het percentage huishoudens met internettoegang identiek voor de drie niveaus van verstedelijking, en in Nederland en Denemarken bijna identiek (in Nederland één procentpunt lager in voorsteden en in Denemarken één procentpunt hoger in steden). In België en Malta werd het hoogste percentage internettoegang waargenomen in voorsteden, evenals in Slovenië, waar dat percentage gelijk was voor huishoudens in steden en huishoudens in voorsteden. Andere uitzonderingen waren Estland, Frankrijk en Luxemburg – waar steden het hoogste percentage internettoegang hadden, terwijl het laagste percentage werd geregistreerd in voorsteden (en niet op het platteland) – en Zweden, waar het hoogste percentage werd waargenomen op het platteland.

Figuur 3: Internettoegang van huishoudens naar verstedelijking, 2019
(% van alle huishoudens)
Bron: Eurostat (isoc_ci_in_h)

Internetgebruik

Begin 2019 maakte meer dan zes op de zeven (86 %) personen in de EU-27 in de leeftijd van 16-74 jaar gebruik van internet (ten minste eenmaal in de drie maanden voorafgaand aan de enquête). Dit percentage was in tien landen ten minste 90 %, waarbij de percentages het hoogst waren in Zweden (98 %) en Denemarken (97 %). Daarentegen maakte in Kroatië ongeveer vier op de vijf personen in de leeftijd van 16-74 jaar gebruik van internet (79 %), terwijl dit ongeveer driekwart was in Italië (76 %), Griekenland (76 %), Portugal (75 %) en Roemenië (74 %). Het laagste aandeel, iets meer dan twee op de drie personen, werd waargenomen in Bulgarije (68 %).

Het aandeel van de bevolking van de EU-27 dat nooit internet had gebruikt in 2019 was 10 % (een daling van twee procentpunten ten opzichte van het jaar daarvoor), ofwel ongeveer een derde van het niveau van 2009 (toen dat aandeel 32 % bedroeg).

In 2019 maakte meer dan driekwart (77 %) van de personen in de EU-27 dagelijks gebruik van internet – zie figuur 4 – en gebruikte nog eens 7 % van de personen internet minstens eenmaal per week (maar niet dagelijks). Als zodanig was 84 % van de personen een regelmatige internetgebruiker (ten minste wekelijks). Het percentage dagelijkse gebruikers onder alle internetgebruikers (die in af afgelopen drie maanden internet hebben gebruikt) bedroeg gemiddeld 90 % in de EU-27 en liep in de EU-27-lidstaten uiteen tussen 77 % in Roemenië tot meer dan 90 % in veertien lidstaten; het percentage was het hoogst in Italië, Malta en Nederland (96 %). IJsland (98 %) meldde een nog hoger percentage dagelijkse internetgebruikers onder alle internetgebruikers.

Figuur 4: Frequentie van internetgebruik, 2019
(% personen in de leeftijd van 16-74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_ifp_iu) en (isoc_ci_ifp_fu)

Figuur 5 toont het gebruik van internet onderweg, met andere woorden niet thuis of op het werk, met gebruik van internet op bijvoorbeeld een draagbare computer of een mobiel apparaat via mobiele of draadloze verbindingen. De cijfers voor 2014, toen 48 % van de personen in de leeftijd van 16-74 jaar in de EU-27 internet gebruikte op een mobiel apparaat, worden vergeleken met die voor 2019, toen dit aandeel was gestegen tot 73 %. De meest gangbare mobiele apparaten voor internetverbindingen waren mobiele telefoons of smartphones, laptops en tabletcomputers.

Zweden, Denemarken, Nederland, Spanje, België, Luxemburg, Ierland, Oostenrijk en Frankrijk registreerden in 2019 het hoogste percentage mobiel internetgebruik, met meer dan vier vijfde van de personen in de leeftijd van 16 tot en met 74 jaar die internet onderweg gebruikte; met 93 % liepen Zweden en Noorwegen voorop. Daarentegen gebruikte tussen de 63 % en 70 % van de personen van 16 tot en met 74 jaar in Portugal, Griekenland, Bulgarije, Letland, Roemenië, en Litouwen internet als zij niet thuis of op het werk waren, terwijl dit percentage slechts 59 % bedroeg in Polen en 50 % in Italië.

Figuur 5: Personen die een draagbare computer of een mobiel apparaat gebruikten om toegang te krijgen tot internet als zij niet thuis of op het werk waren, 2014 en 2019
(% personen van 16 tot en met 74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_im_i)

Een van de meest voorkomende onlineactiviteiten in de EU-27 in 2019 was deelname aan sociale netwerken, zie figuur 6. Meer dan de helft (54 %) van de personen in de leeftijd van 16-74 jaar gebruikte internet voor sociale netwerken, zoals Facebook, Twitter, Instagram of Snapchat. Tussen de 71 % en 76 % van de mensen in België, Cyprus, Zweden en Malta maakte gebruik van sociale-netwerksites; Denemarken stond bovenaan met 81 %. In IJsland (92 %) en Noorwegen (86 %) lag dit percentage nog aanzienlijk hoger. Aan de andere kant van de schaal waren er twee EU-27-lidstaten waar minder dan de helft van de mensen dergelijke sites gebruikte, te weten Italië en Frankrijk (beide 42 %).

Figuur 6: Personen die internet gebruikten voor deelname aan sociale netwerken, 2019
(% personen van 16 tot en met 74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_ac_i)

Privacy en bescherming van de persoonlijke identiteit (enquête 2016)

Tussen de lidstaten van de EU-27 kunnen verschillen worden opgemerkt in de manier waarop internetgebruikers in 2016 de toegang tot hun persoonsgegevens op het internet beheerden. Iets minder dan een derde (31 %) van de internetgebruikers in de EU-27 verstrekte geen persoonsgegevens via internet, een aandeel dat varieerde van slechts 8 % in Luxemburg tot de helft of meer in Bulgarije, Portugal en Roemenië (zie figuur 7). Als zodanig verstrekte meer dan 69 % van de internetgebruikers in de EU-27 bepaalde soorten persoonsgegevens online, en velen van hen ondernamen verschillende acties om de toegang tot deze persoonsgegevens op internet te controleren. Bijna de helft (45 %) van alle internetgebruikers weigerde het gebruik van persoonsgegevens voor reclame en net iets minder dan twee vijfde (38 %) beperkte de toegang tot hun profiel of informatie op sociale-netwerksites. Bovendien las meer dan één derde (36 %) van de internetgebruikers privacyverklaringen alvorens persoonsgegevens te verstrekken, terwijl iets minder dan een derde (30 %) de toegang tot de geografische locatie beperkte.

Figuur 7: Aandeel personen die geen persoonsgegevens via het internet verstrekten, 2016
(% personen die in het laatste jaar internet gebruikten)
Bron: Eurostat (isoc_cisci_prv)

In 2016 wist 71 % van de personen in de EU-27 in de leeftijd van 16-74 jaar die in de twaalf maanden daarvoor internet hadden gebruikt dat cookies kunnen worden gebruikt om de onlineactiviteiten van mensen te volgen. Jonge gebruikers (tussen 16 en 24 jaar) waren zich hiervan iets meer bewust (76 %), en oudere gebruikers (tussen 55 en 74 jaar) iets minder (65 %). Iets meer dan één derde (34 %) van de gebruikers in de leeftijd van 16-74 jaar gaf aan dat zij hun browserinstellingen hadden aangepast om cookiegebruik te voorkomen of te beperken (zie figuur 8).

Van alle EU-27-lidstaten waren de internetgebruikers in Nederland (89 %), Duitsland en Finland (beide 85 %) zich het meest bewust van het feit dat cookies kunnen worden gebruikt om hun onlineactiviteiten te volgen. Ook in Denemarken (81 %), Kroatië (78 %), Italië (77 %), Luxemburg en Oostenrijk (beide 76 %) waren internetgebruikers zich hier goed van bewust. Daarentegen was minder dan de helft van de internetgebruikers zich hiervan bewust in Roemenië (38 %), Letland (47 %) en Cyprus (48 %); ook in Turkije en Noord-Macedonië (beide 30 %) werd een laag bewustzijn op dit vlak gemeld. Het percentage internetgebruikers dat de browserinstellingen had gewijzigd ter voorkoming of beperking van cookiegebruik lag in maar één lidstaat hoger dan de helft (Luxemburg 54 %). Daarentegen had in Tsjechië, Roemenië, Bulgarije, Cyprus en Letland minder dan een vijfde van de internetgebruikers dergelijke actie ondernomen, en dat was ook het geval in Turkije.

Figuur 8: Gebruik van cookies en browserinstellingen, 2016
(% personen die in het laatste jaar internet gebruikten)
Bron: Eurostat (isoc_cisci_prv)

Bestellen of kopen van goederen en diensten

Het percentage personen in de leeftijd van 16 tot en met 74 jaar in de EU-27 dat via internet goederen of diensten voor particulier gebruik bestelde of kocht, bleef stijgen: in 2019 bedroeg dit 60 %, een stijging van 14 procentpunten ten opzichte van 2014 (zie figuur 9). Meer dan driekwart van de mensen in Duitsland bestelde of kocht in 2019 via internet goederen of diensten, en dit aandeel bedroeg minstens vier vijfde in Nederland (81 %), Zweden (82 %) en Denemarken (84 %). Het laagste percentage werd genoteerd in Roemenië (23 %) en Bulgarije (22 %).

Met uitzondering van de vijf EU-27-lidstaten die een onderbreking in de reeks meldden – Estland, Letland, Luxemburg, Roemenië en Zweden – werd de grootste stijging van het aandeel van personen die tussen 2014 en 2019 via internet goederen of diensten bestelden of kochten waargenomen in Litouwen (+22 procentpunten), gevolgd door Tsjechië en Spanje (beide +21 procentpunten). Zoals verwacht werd de kleinste stijging (+5 of 7 procentpunten) waargenomen in Finland, Denemarken en Zweden, waar al relatief veel personen via internet goederen of diensten bestelden of kochten in vergelijking met andere lidstaten; dit was ook het geval in het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen. Het aandeel van personen die via internet goederen of diensten bestelden of kochten steeg echter ook relatief langzaam in Malta en Frankrijk (beide +8 procentpunten).

Figuur 9: Personen die in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête via internet goederen of diensten voor particulier gebruik hebben besteld, 2014 en 2019
(% personen van 16-74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ec_ibuy)

Bij andere particulieren via internet bestelde diensten

21 % van de personen in de leeftijd van 16 tot en met 74 jaar in de EU-27 had in 2019 in de voorgaande twaalf maanden een website of app gebruikt om accommodatie te regelen bij een andere particulier. Dit percentage liep uiteen van 46 % in Luxemburg en meer dan een vierde van het totaal in Ierland, Malta en België, tot minder dan een op de tien personen in zes EU-27-lidstaten, waarbij de laagste percentages werden geregistreerd in Bulgarije, Roemenië en Slovenië (elk 9 %), Letland (8 %), Tsjechië en Cyprus (beide 5 %). Mensen in de leeftijdscategorie 25 tot en met 54 jaar boekten vaker online een accommodatie bij andere particulieren dan jongeren (16-24 jaar) en ouderen (55-74 jaar). De meeste van deze diensten werden aangeboden via speciale bemiddelende websites of apps waarop particulieren accommodatiediensten kunnen aanbieden, zoals Airbnb, Lovehomeswap en Couchsurfing.

Figuur 10: Personen die in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête via een website of app een accommodatie regelden bij een particulier, 2019
(% personen van 16-74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_ce_i)

In figuur 11 wordt een vergelijkbare analyse getoond, en wel van het aandeel particulieren dat een website of app gebruikte om een vervoersdienst af te nemen bij een andere particulier. Vervoersdiensten werden over het algemeen minder vaak gebruikt dan accommodatiediensten, maar werden net als die laatste diensten vaak afgenomen via speciale websites en apps (zoals Liftshare, UberPool of Wundercar); gemiddeld maakte 8 % van de personen van 16 tot en met 74 jaar in de EU-27 gebruik van dergelijke diensten. In 2019 had Estland van alle EU-27-lidstaten het hoogste percentage particulieren dat vervoersdiensten afnam via een website of app (29 %). Over het algemeen nam minder dan een op de tien personen vervoersdiensten af via een website of app; dat was het geval voor 18 lidstaten. Jongeren (16-24 jaar) namen over het algemeen vaker online vervoersdiensten af bij particulieren dan ouderen.

Figuur 11: Personen die in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête via een website of app vervoer regelden bij een particulier, 2019
(% personen van 16-74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_ce_i)

Brongegevens voor tabellen en figuren (MS Excel)

Gegevensbronnen

De snelle technologische veranderingen op gebieden die verband houden met internet en andere nieuwe ICT-toepassingen maken het lastig om statistieken op te stellen. De ontwikkelingen op dit gebied zijn snel gegaan, waarbij de statistische instrumenten zijn aangepast om beter aan de nieuwe gegevensbehoeften te kunnen voldoen. De statistieken op dit terrein worden dan ook jaarlijks opnieuw beoordeeld zodat zij voldoen aan de behoeften van de gebruikers en inspelen op het snelle tempo van de veranderingen.

Deze aanpak is terug te vinden in de communautaire enquête betreffende het ICT-gebruik door huishoudens en personen van Eurostat. Deze jaarlijkse enquête wordt gebruikt voor de benchmarking van ICT-gestuurde ontwikkelingen, zowel door ontwikkelingen voor kernvariabelen in de tijd te volgen als door andere aspecten op een specifiek tijdstip nader uit te werken. De enquête was aanvankelijk vooral gericht op toegangs- en verbindingskwesties, maar werd later uitgebreid tot andere onderwerpen (bijvoorbeeld e-overheid en e-commerce) en uitsplitsing naar sociaaleconomische doelstelling (zoals regionale diversiteit, geslacht, verschillen in leeftijd, opleiding en werkgelegenheidssituatie). De reikwijdte van de enquêtes met betrekking tot de diverse technologieën is ook aangepast en omvat nu tevens nieuwe productgroepen en middelen om communicatietechnologieën te leveren aan eindgebruikers (zo zijn er in 2017 nieuwe vragen toegevoegd over online peer-to-peeraccommodatie- en -vervoerdiensten).

De referentieperiode voor de enquête over het ICT-gebruik van huishoudens en particulieren is in de meeste gevallen het eerste kwartaal van elk jaar; in de meeste landen vindt de enquête jaarlijks in het tweede kwartaal plaats. NB: De module over privacy en bescherming van persoonlijke identiteit maakte deel uit van de enquête van 2016 (maar werd niet herhaald in 2017, 2018 en 2019).

Toepassingsgebied en definities

De ICT-enquête onder huishoudens bestrijkt huishoudens met ten minste één lid in de leeftijdsgroep van 16 tot en met 74 jaar. Internettoegang van huishoudens verwijst naar het percentage huishoudens met een internetaansluiting, zodat iedereen in het huishouden desgewenst thuis gebruik kon maken van internet, al was het maar om een e-mail te versturen.

Internetgebruikers worden gedefinieerd als alle personen van 16-74 jaar die in de drie maanden voorafgaand aan de enquête gebruik hebben gemaakt van internet. Regelmatige internetgebruikers zijn personen die in de drie maanden voorafgaand aan de enquête gemiddeld minstens eenmaal per week internet hadden gebruikt.

De meest gebruikte vaste technologieën voor internettoegang zijn breedband en een inbelverbinding via een normale of een ISDN-telefoonlijn. Breedband omvat Digital Subscriber Lines (DSL) en maakt gebruik van technologie die met hoge snelheden data vervoert. Breedbandlijnen worden gedefinieerd als lijnen met een hogere capaciteit dan ISDN, dus gelijk aan of hoger dan 144 kbit/s. Populaire apparaten waarmee thuis internettoegang wordt verkregen, zijn desktopcomputers en draagbare computers, terwijl er recentelijk een uitbreiding heeft plaatsgevonden naar andere internettechnologieën.

Mobiel internetgebruik wordt gedefinieerd als het gebruik van internet wanneer men niet thuis of op het werk is, door middel van draagbare computers of mobiele apparaten via mobiele telefoonnetwerken of draadloze verbindingen.

Het begrip “individuele bestellingen van goederen en diensten” heeft betrekking op de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête en omvat bevestigde reserveringen van accommodatie of reizen, de aankoop van financiële investeringen, telecommunicatiediensten, computerspelletjes of software alsmede rechtstreeks betaalde informatiediensten op internet. Goederen en diensten die gratis via internet worden verkregen vallen hier niet onder. Bestellingen in de vorm van handmatig getypte e-mails, SMS of MMS zijn eveneens uitgezonderd.

Achtergrond

In mei 2015 heeft de Europese Commissie een strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa (COM(2015) 192 final) aangenomen als een van haar tien belangrijkste politieke prioriteiten. De strategie bestond uit 16 initiatieven die drie grote pijlers omvatten: betere toegang tot onlinegoederen en -diensten in heel Europa; scheppen van optimale randvoorwaarden die bevorderlijk zijn voor digitale netwerken en diensten; ervoor zorgen dat de Europese economie en industrie de digitale economie als potentiële drijvende kracht achter groei ten volle benut. In het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2017 Naar een Europa dat ons beschermt, sterker maakt en verdedigt (COM(2016) 710), heeft de Europese Commissie voorgesteld om snelle vooruitgang te boeken op het gebied van de voorstellen die er al liggen en te bezien hoeveel vooruitgang is geboekt bij het voltooien van de digitale eengemaakte markt.

Breedbandtechnologieën worden als belangrijk gezien bij het meten van de toegang tot en het gebruik van internet, omdat zij gebruikers de mogelijkheid bieden om snel grote hoeveelheden data over te dragen en de toegangslijnen open te houden. De uitrol van snelle en supersnelle breedbandverbindingen wordt dan ook beschouwd als belangrijke indicator op het gebied van ICT-beleidsvorming. Digital subscriber lines (DSL) zijn nog steeds de belangrijkste vorm van levering van breedbandtechnologie in de EU, maar alternatieven, zoals kabel, satelliet, glasvezel en draadloze aansluitnetten, worden steeds vaker gebruikt.

De Europese Commissie werkt aan een aantal initiatieven ter bevordering van de ICT-vaardigheden bij de beroepsbevolking in het kader van een bredere agenda voor het verbeteren van de vaardigheden en het afstemmen van de vraag naar vaardigheden op het aanbod hiervan. Ter verhoging van het aanbod aan ICT-specialisten heeft de Europese Commissie een grote coalitie voor digitale banen (in het Engels) gelanceerd , een EU-breed partnerschap dat Europese structuur- en investeringsfondsen wil gebruiken om de moeilijkheden bij de werving van ICT-specialisten te verzachten.

Op 10 juni 2016 heeft de Europese Commissie haar goedkeuring gehecht aan een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa ter bevordering van een aantal acties om ervoor zorgen dat de juiste opleiding, de juiste vaardigheden en de juiste ondersteuning beschikbaar zijn voor personen in de EU zodat zij beschikken over de vaardigheden die nodig zijn in een moderne werkomgeving, waaronder digitale vaardigheden.

In 2017 heeft de Europese Commissie een tussentijdse evaluatie van de strategie voor de digitale interne markt (COM(2017) 228 final) uitgevoerd, waarin werd bevestigd dat twee derde van de Europeanen dacht dat de meest recente digitale technologieën een positief effect hadden op de samenleving, de economie en hun eigen leven. In de evaluatie werden ook drie nieuwe uitdagingen vastgesteld:

  • ervoor zorgen dat de economie en de samenleving blijven profiteren van onlineplatforms, waarbij illegale inhoud online wordt aangepakt en een grotere verantwoordelijkheid van aanbieders van onlineplatforms wordt aangemoedigd;
  • de Europese data-economie optimaal te ontwikkelen, bijvoorbeeld door voorstellen te doen voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens binnen de EU; en
  • het beschermen van de sterke punten van Europa door problemen ten aanzien van cyberbeveiliging aan te pakken, met inbegrip van een blauwdruk voor de noodrespons in het geval van een grootschalig cyberincident.

De nieuwe voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, gaf in 2019 aan dat zij wil dat de EU de kansen van het digitale tijdperk grijpt. Een Europa dat klaar is voor het digitale tijdperk is inderdaad een van de zes prioriteiten van de Commissie voor de periode 2019-2024. Voor een dergelijke digitale transformatie geldt als uitgangspunt dat digitale technologieën en oplossingen: ondernemingen nieuwe mogelijkheden moeten bieden; de ontwikkeling van betrouwbare technologieën moeten bevorderen; een open en democratische samenleving moeten bevorderen; een vitale en duurzame economie mogelijk moeten maken; klimaatverandering moeten helpen bestrijden. Met het oog hierop keurde de Europese Commissie in februari 2020 een algemene presentatie van de ideeën en maatregelen van de Commissie voor het vormgeven van de digitale toekomst van Europa goed (in het Engels), evenals specifieke voorstellen in verband met:

Rechtstreekse toegang tot
Andere artikelen
Tabellen
Databank
Speciale sectie
Publicaties
Methodologie
Wetgeving
Visualisaties
Externe links




ICT usage in households and by individuals (t_isoc_i)
ICT usage in households and by individuals (isoc_i)
Connection to the internet and computer use (isoc_ici)
Households - level of internet access (isoc_ci_in_h)
Households - type of connection to the internet (isoc_ci_it_h)
Individuals - mobile internet access (isoc_ci_im_i)
Internet use (isoc_iiu)
Individuals - internet use (isoc_ci_ifp_iu)
Individuals - frequency of internet use (isoc_ci_ifp_fu)
Individuals - use of collaborative economy (until 2019) (isoc_ci_ce_i)
E-commerce (isoc_iec)
Internet purchases by individuals (until 2019) (isoc_ec_ibuy)
ICT trust, security and privacy (isoc_ci_sci)
Privacy and protection of personal information (until 2016) (isoc_cisci_prv)