Statistieken over de digitale economie en de samenleving – huishoudens en personen


Gegevens geëxtraheerd in juni 2019.

Geplande update van het artikel: januari 2021.

De versie in het Engels is recenter.

Belangrijkste punten

Tegen 2018 was het percentage van de huishoudens in de EU-28 met internettoegang gestegen tot 89 %, ongeveer 29 procentpunten hoger dan in 2008.

In 2018 had 86 % van de huishoudens in de EU-28 toegang tot breedbandinternet, 38 procentpunten hoger dan in 2008 (48 %).

Het percentage personen in de leeftijd van 16 tot 74 jaar in de EU-28 dat via internet goederen of diensten voor particulier gebruik bestelde of kocht, bedroeg 60 % in 2018.

Internettoegang van huishoudens, 2013 en 2018


Dit artikel bevat recente statistische gegevens over diverse aspecten van de informatiemaatschappij in de Europese Unie (EU) en richt zich op de beschikbaarheid van informatie- en communicatietechnologie (ICT) en het gebruik ervan door personen en in huishoudens.

ICT is op vele manieren van invloed op het dagelijks leven, zowel op het werk als thuis, bijvoorbeeld bij het online communiceren of kopen van goederen of diensten. De EU-beleidsgebieden variëren van de regulering van complete sectoren zoals de elektronische handel tot maatregelen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De ontwikkeling van de informatiemaatschappij wordt daarom door velen als cruciale randvoorwaarde beschouwd om een moderne en concurrerende economie te kunnen bevorderen.

Volledig artikel

Internettoegang

ICT is breed beschikbaar geworden voor het algemene publiek, zowel wat de toegankelijkheid als wat de kosten betreft. In 2007 is een belangrijke mijlpaal bereikt toen een meerderheid (55 %) van de huishoudens in de EU-28 internettoegang had. Dit percentage bleef stijgen tot meer dan drie op vier in 2012 en vier op vijf in 2014. Tegen 2018 was het aandeel van de huishoudens met internettoegang in de EU-28 gestegen tot 89 % – ongeveer 29 procentpunten hoger dan in 2008.

Ruim beschikbare en betaalbare toegang tot breedband is een van de middelen om een op kennis gebaseerde en goed geïnformeerde samenleving te bevorderen. In alle EU-lidstaten was breedband veruit de gebruikelijkste vorm van internettoegang; in 2018 had 86 % van de huishoudens in de EU-28 toegang tot breedbandinternet, 38 procentpunten hoger dan in 2008 (48 %) – zie figuur 1.

Figuur 1: Internettoegang en breedbandinternetverbindingen van huishoudens, EU-28, 2008-2018 (% van alle huishoudens)
Bron: Eurostat (isoc_ci_in_h) en (isoc_ci_it_h)


Het hoogste percentage (98 %) van de huishoudens met internettoegang in 2018 werd gemeten in Nederland (zie figuur 2), maar ook in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Finland, Denemarken, Luxemburg en Zweden hadden meer dan negen van de tien huishoudens toegang tot internet. Bulgarije was met 72 % de EU-lidstaat met het laagste percentage internettoegang. In Bulgarije is het percentage huishoudens met internettoegang echter snel toegenomen, net als in Roemenië, Cyprus, Griekenland, Portugal en Kroatië: tussen 2013 en 2018 steeg dat aandeel met 17-23 procentpunten. Zoals verwacht werd er relatieve stabiliteit geregistreerd in verschillende lidstaten waar de internettoegang van huishoudens in 2013 al het verzadigingspunt naderde, zoals Nederland en Denemarken; dit was ook het geval in IJsland en Noorwegen.

Figuur 2: Internettoegang van huishoudens, 2013 en 2018
(% van alle huishoudens)
Bron: Eurostat (isoc_ci_in_h)


Figuur 3 laat zien dat er in termen van internettoegang binnen de EU-28 tot op zekere hoogte een kloof is tussen stad en platteland. Terwijl huishoudens in steden en voorsteden een relatief hoge graad van internettoegang hadden – 91 % in steden en 89 % in voorsteden – was de graad van internettoegang iets lager op het platteland (85 %). In 23 EU-lidstaten lag het percentage huishoudens op het platteland met internettoegang lager dan het desbetreffende percentage huishoudens in steden en voorsteden. De kloof tussen het platteland en de twee andere typen gebieden was met name groot in Griekenland, Portugal, Bulgarije en Roemenië, allemaal landen waar de totale internettoegang onder het EU-28-gemiddelde lag. In Estland, Oostenrijk en Italië was er geen verschil tussen het percentage huishoudens met internettoegang in voorsteden en op het platteland, maar de graad van internettoegang was er wel hoger in de steden. In Nederland was het percentage huishoudens met internettoegang identiek voor de drie niveaus van verstedelijking, en in het Verenigd Koninkrijk vrijwel identiek (een procentpunt lager op het platteland). In België en Slovenië werd het hoogste percentage internettoegang waargenomen in voorsteden, terwijl dat percentage voor huishoudens in steden en op het platteland gelijk was. Andere uitzonderingen waren Frankrijk en Luxemburg. Daar hadden steden het hoogste percentage internettoegang, terwijl het laagste percentage werd geregistreerd in voorsteden (en niet op het platteland).

Figuur 3: Internettoegang van huishoudens naar verstedelijking, 2018
(% van alle huishoudens)
Bron: Eurostat (isoc_ci_in_h)

Internetgebruik

Begin 2018 maakte meer dan vier op de vijf (85 %) personen in de EU-28 in de leeftijd van 16-74 jaar gebruik van internet (ten minste eenmaal in de drie maanden voorafgaand aan de enquête). Minstens negen op de tien personen in Denemarken, Luxemburg, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Finland, Duitsland en Zweden gebruikten internet in de drie maanden voorafgaand aan de enquête. Daarentegen maakte iets minder dan driekwart van alle personen in de leeftijd van 16-74 jaar gebruik van internet in Italië (74 %), Griekenland (72 %) en Roemenië (71 %), waarbij het laagste percentage werd geregistreerd in Bulgarije (65 %).

Het aandeel van de bevolking van de EU-28 dat nooit internet had gebruikt in 2018 was 11 % (een daling van twee procentpunten ten opzichte van het jaar daarvoor), oftewel bijna een derde van het niveau van 2008 (toen het aandeel 33 % bedroeg).

In 2018 maakte meer dan driekwart (76 %) van de personen in de EU-28 dagelijks gebruik van internet – zie figuur 4 – en gebruikte nog eens 7 % van de personen internet minstens eenmaal per week (maar niet dagelijks). Als zodanig was 83 % van de personen een regelmatige internetgebruiker (ten minste wekelijks). Het percentage dagelijkse gebruikers onder alle internetgebruikers (die in af afgelopen drie maanden internet hebben gebruikt) bedroeg gemiddeld 89 % in de EU-28 en liep in de EU-lidstaten uiteen tussen 76 % in Roemenië tot meer dan 90 % in tien lidstaten, en was het hoogst in Italië en het Verenigd Koninkrijk (96 %). IJsland (97 %) meldde een nog hoger percentage dagelijkse internetgebruikers onder alle internetgebruikers.

Figuur 4: Frequentie van internetgebruik, 2018
(% personen in de leeftijd van 16-74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_ifp_iu) en (isoc_ci_ifp_fu)


Figuur 5 toont het gebruik van internet onderweg, met andere woorden niet thuis of op het werk, en het gebruik van internet op een draagbare computer of mobiel apparaat via mobiele of draadloze verbindingen. De cijfers voor 2013, toen 43 % van de personen in de leeftijd van 16-74 jaar in de EU-28 internet gebruikte op een mobiel apparaat, worden vergeleken met die voor 2018, toen dit aandeel was gestegen tot 69 %. De meest gangbare mobiele apparaten voor internetverbindingen waren mobiele telefoons of smartphones, laptops en tabletcomputers.

Denemarken, Zweden, Nederland, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk registreerden in 2018 het hoogste percentage mobiel internetgebruik, met meer dan vier vijfde van de personen in de leeftijd van 16 tot 74 jaar die internet onderweg gebruikten; met 88 % liepen Denemarken en Zweden op kop. Noorwegen had het hoogste percentage (nog een procentpunt hoger: 89 %). Daarentegen gebruikte tussen de 50 % en 60 % van de personen van 16 tot 74 jaar in Griekenland, Bulgarije, Roemenië, Letland en Portugal internet als zij niet thuis of op het werk waren, terwijl dit percentage slechts 49 % bedroeg in Polen en 40 % in Italië.

Figuur 5: Personen die een draagbare computer of een mobiel apparaat gebruikten om toegang te krijgen tot internet als zij niet thuis of op het werk waren, 2013 en 2018
(% personen van 16 tot 74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_im_i)


Een van de meest voorkomende onlineactiviteiten in de EU-28 in 2018 was deelname aan sociale netwerken, zie figuur 6. Meer dan de helft (56 %) van de personen in de leeftijd van 16-74 jaar gebruikte internet voor sociale netwerken, zoals Facebook, Twitter, Instagram of Snapchat. Tussen de 70 % en 80 % van de mensen in Denemarken, België, Zweden en het Verenigd Koninkrijk maakte gebruik van sociale-netwerksites; Denemarken stond bovenaan met 79 %. In IJsland (91 %) en Noorwegen (82 %) lag dit percentage aanzienlijk hoger. Aan de andere kant van de schaal waren er drie EU-lidstaten waar minder dan de helft van de mensen dergelijke sites gebruikte, te weten Slovenië (49 %), Italië (46 %) en Frankrijk (42 %).

Figuur 6: Personen die internet gebruikten voor deelname aan sociale netwerken, 2018
(% personen van 16 tot 74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_ac_i)

Privacy en bescherming van persoonlijke identiteit (enquête 2016)

Er kunnen tussen de EU-lidstaten verschillen worden opgemerkt in de manier waarop internetgebruikers in 2016 de toegang tot hun persoonsgegevens op het internet beheerden. Meer dan een kwart (28 %) van de internetgebruikers in de EU-28 verstrekte geen persoonsgegevens via het internet, een aandeel dat varieerde van slechts 8 % in Luxemburg tot de helft of meer in Bulgarije, Portugal en Roemenië (zie figuur 7). Als zodanig verstrekte meer dan 70 % van de internetgebruikers in de EU-28 bepaalde soorten persoonsgegevens online en velen van hen ondernamen verschillende acties om de toegang tot deze persoonsgegevens op het internet te controleren. Bijna de helft (46 %) van alle internetgebruikers weigerde het gebruik van persoonsgegevens voor reclame en twee vijfde (40 %) beperkte de toegang tot hun profiel of informatie op sociale-netwerksites. Bovendien las meer dan één derde (37 %) van de internetgebruikers privacyverklaringen alvorens persoonsgegevens te verstrekken, terwijl iets minder dan een derde (31 %) de toegang tot de geografische locatie beperkte.

Figuur 7: Aandeel personen die geen persoonsgegevens via het internet verstrekten, 2016
(% personen die in het laatste jaar internet gebruikten)
Bron: Eurostat (isoc_cisci_prv)


In 2016 wist 71 % van de personen in de EU-28 in de leeftijd van 16-74 jaar die in de twaalf maanden daarvoor het internet hadden gebruikt dat cookies kunnen worden gebruikt om mensen te volgen op het internet. Jonge gebruikers (tussen 16 en 24 jaar) waren zich hiervan iets meer bewust (74 %); oudere gebruikers (tussen 55 en 74 jaar) minder (64 %). Iets meer dan één derde (35 %) van de gebruikers in de leeftijd van 16-74 jaar gaf aan dat zij hun browserinstellingen hadden aangepast om cookiegebruik te voorkomen of te beperken (zie figuur 8).

Van alle EU-lidstaten waren de internetgebruikers in Nederland (89 %), Duitsland en Finland (beide 85 %) zich het meest bewust van het feit dat cookies kunnen worden gebruikt om onlineactiviteiten te volgen. Ook in Denemarken (81 %), Kroatië (78 %), Italië (77 %), Luxemburg en Oostenrijk (beide 76 %) waren internetgebruikers zich hier goed van bewust. Daarentegen was minder dan de helft van de internetgebruikers zich hiervan bewust in Roemenië (38 %), Letland (47 %) en Cyprus (48 %); ook in Turkije en Noord-Macedonië (beide 30 %) werd een laag bewustzijn op dit vlak gemeld. Het percentage van de internetgebruikers dat de browserinstellingen had gewijzigd ter voorkoming of beperking van cookiegebruik lag slechts in één lidstaat hoger dan de helft (Luxemburg 54 %). Daarentegen had in Tsjechië, Roemenië, Bulgarije, Cyprus en Letland minder dan een vijfde van de internetgebruikers een dergelijke actie ondernomen, en dat was ook het geval in Turkije.

Figuur 8: Gebruik van cookies en browserinstellingen, 2016
(% personen die in het laatste jaar internet gebruikten)
Bron: Eurostat (isoc_cisci_prv)

Bestellen of kopen van goederen en diensten

Het percentage personen in de leeftijd van 16 tot 74 jaar in de EU-28 dat via internet goederen of diensten voor particulier gebruik bestelde of kocht, bleef stijgen: in 2018 bedroeg dit 60 %, een stijging van 13 procentpunten ten opzichte van 2013 (zie figuur 9). Ten minste driekwart van de mensen in Duitsland en Zweden bestelde of kocht in 2018 via internet goederen of diensten en dit aandeel bedroeg minstens vier vijfde in Nederland (80 %), het Verenigd Koninkrijk (83 %) en Denemarken (84 %). Het laagste percentage werd genoteerd in Cyprus (32 %), Bulgarije (21 %) en Roemenië (20 %).

Met uitzondering van de vijf EU-lidstaten die een onderbreking in de reeks meldden – Estland, Letland, Luxemburg, Roemenië en Zweden – werd de grootste stijging van het aandeel van personen die tussen 2013 en 2018 via internet goederen of diensten bestelden of kochten waargenomen in Tsjechië (+23 procentpunten), gevolgd door Spanje (+21 procentpunten). Zoals verwacht werd de kleinste stijging (+6 of +7 procentpunten) waargenomen in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, waar al relatief veel personen via internet goederen of diensten bestelden of kochten in vergelijking met andere lidstaten; dit was ook het geval in Noorwegen. Het aandeel van personen die via internet goederen of diensten bestelden of kochten steeg echter ook relatief langzaam in Malta (+8 procentpunten) en Cyprus (+7 procentpunten).

Figuur 9: Personen die in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête via internet goederen of diensten voor particulier gebruik hebben besteld, 2013 en 2018
(% personen van 16-74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ec_ibuy)

Bij andere particulieren via internet bestelde diensten

19 % van de personen in de leeftijd van 16 tot 74 jaar in de EU-28 had in 2018 in de voorgaande twaalf maanden een website of app gebruikt om accommodatie te regelen bij een andere particulier. Dit percentage liep uiteen van 44 % in Luxemburg en ten minste een vierde van het totaal in Ierland, Malta en het Verenigd Koninkrijk, tot minder dan een op de tien personen in zeven EU-lidstaten, waarbij de laagste percentages werden geregistreerd in Bulgarije (9 %), Griekenland, Roemenië en Slovenië (elk 8 %), Letland (7 %), Tsjechië (5 %) en Cyprus (3 %). Mensen in de leeftijdscategorie 25 tot 54 jaar boekten vaker online een accommodatie bij andere particulieren dan jongeren (16-24 jaar) en ouderen (55-74 jaar). De meeste van deze diensten werden aangeboden via speciale bemiddelende websites of apps waarop particulieren accommodatiediensten kunnen aanbieden, zoals Airbnb, Lovehomeswap en Couchsurfing.

Figuur 10: Personen die in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête via een website of app een accommodatie regelden bij een particulier, 2018
(% personen van 16-74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_ce_i)


In figuur 11 wordt een vergelijkbare analyse getoond, en wel van het aandeel particulieren dat een website of app gebruikte om een vervoersdienst af te nemen bij een andere particulier. Vervoersdiensten werden over het algemeen minder vaak gebruikt dan accommodatiediensten, maar werden net als die laatste diensten vaak afgenomen via speciale websites en apps (zoals Liftshare, UberPool of Wundercar); gemiddeld maakte 8 % van de personen van 16 tot 74 jaar in de EU-28 gebruik van dergelijke diensten. In 2018 had Estland van alle EU-lidstaten het hoogste percentage particulieren dat vervoersdiensten afnam via een website of app (23 %). Over het algemeen nam minder dan een op de tien personen vervoersdiensten af via een website of app; dat was het geval voor 18 lidstaten. Jongeren (16-24 jaar) namen over het algemeen vaker online vervoersdiensten af bij particulieren dan ouderen.

Figuur 11: Personen die in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête via een website of app vervoer regelden bij een particulier, 2018
(% personen van 16-74 jaar)
Bron: Eurostat (isoc_ci_ce_i)

Brongegevens voor tabellen en figuren (MS Excel)

Gegevensbronnen

De snelle technologische veranderingen op gebieden die verband houden met internet en andere nieuwe ICT-toepassingen maken het lastig om statistieken op te stellen. De ontwikkelingen op dit gebied zijn snel gegaan, waarbij de statistische instrumenten zijn aangepast om beter aan de nieuwe gegevensbehoeften te kunnen voldoen. De statistieken op dit terrein worden dan ook jaarlijks opnieuw beoordeeld zodat zij voldoen aan de behoeften van de gebruikers en inspelen op het snelle tempo van de veranderingen.

Deze aanpak is terug te vinden in de enquête betreffende het ICT-gebruik door huishoudens en personen van Eurostat. Deze jaarlijkse enquête wordt gebruikt voor de benchmarking van ICT-gestuurde ontwikkelingen, zowel door ontwikkelingen voor kernvariabelen in de tijd te volgen als door andere aspecten op een specifiek tijdstip nader uit te werken. De enquête was aanvankelijk vooral gericht op toegangs- en verbindingskwesties, maar werd later uitgebreid tot andere onderwerpen (bijvoorbeeld e-overheid en e-commerce) en uitsplitsing naar sociaaleconomische doelstelling (zoals regionale diversiteit, geslacht, verschillen in leeftijd, opleiding en werkgelegenheidssituatie). De reikwijdte van de enquêtes met betrekking tot de diverse technologieën is ook aangepast en omvat nu ook nieuwe productgroepen en middelen om communicatietechnologieën te leveren aan eindgebruikers (zo zijn er in 2017 nieuwe vragen toegevoegd over online peer-to-peer accommodatie- en vervoerdiensten).

De referentieperiode voor de enquête over het ICT-gebruik van huishoudens en particulieren is in de meeste gevallen het eerste kwartaal van elk jaar; in de meeste landen vindt de enquête jaarlijks in het tweede kwartaal plaats. NB: De module over privacy en bescherming van persoonlijke identiteit maakte deel uit van de enquête van 2016 (maar werd niet herhaald in 2017 en 2018).

Toepassingsgebied en definities

De ICT-enquête onder de huishoudens bestrijkt huishoudens met ten minste één lid in de leeftijdsgroep van 16 tot 74 jaar. Internettoegang van huishoudens verwijst naar het percentage huishoudens met een internetaansluiting, zodat iedereen in het huishouden desgewenst thuis gebruik kon maken van internet, al was het maar om een e-mail te sturen.

Internetgebruikers worden gedefinieerd als alle personen van 16-74 jaar die in de drie maanden voorafgaand aan de enquête gebruik hebben gemaakt van internet. Regelmatige internetgebruikers zijn personen die in de drie maanden voorafgaand aan de enquête gemiddeld minstens eenmaal per week internet hadden gebruikt.

De meest gebruikte vaste technologieën voor internettoegang zijn breedband en een inbelverbinding via een normale of een ISDN-telefoonlijn. Breedband omvat Digital Subscriber Lines (DSL) en maakt gebruik van technologie die met hoge snelheden data vervoert. Breedbandlijnen worden gedefinieerd als lijnen met een hogere capaciteit dan ISDN, dus gelijk aan of hoger dan 144 kbit/s. Populaire apparaten waarmee thuis internettoegang wordt verkregen, zijn desktopcomputers en draagbare computers, terwijl er recentelijk een uitbreiding heeft plaatsgevonden in andere internettechnologieën.

Mobiel internetgebruik wordt gedefinieerd als het gebruik van internet wanneer men niet thuis of op het werk is, door middel van draagbare computers of handcomputers via mobiele telefoonnetwerken of draadloze verbindingen.

Het begrip “individuele bestellingen van goederen en diensten” heeft betrekking op de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête en omvat bevestigde reserveringen van accommodatie of reizen, de aankoop van financiële investeringen, telecommunicatiediensten, computerspelletjes of software, alsmede rechtstreeks betaalde informatiediensten op internet. Goederen en diensten die gratis via internet worden verkregen, vallen hier niet onder. Bestellingen in de vorm van handmatig getypte e-mails, SMS of MMS zijn eveneens uitgezonderd.

Context

In mei 2015 heeft de Europese Commissie een strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa (COM(2015) 192 final) aangenomen als een van haar tien belangrijkste politieke prioriteiten. De strategie bestond uit 16 initiatieven die drie grote pijlers omvatten: betere toegang tot onlinegoederen en -diensten in heel Europa; scheppen van optimale randvoorwaarden die bevorderlijk zijn voor digitale netwerken en diensten; ervoor zorgen dat de Europese economie en industrie de digitale economie als potentiële drijvende kracht achter groei ten volle benut. In het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2017 Naar een Europa dat ons beschermt, sterker maakt en verdedigt (COM(2016) 710), heeft de Europese Commissie voorgesteld om snelle vooruitgang te boeken bij de voorstellen die er al liggen en te bezien hoeveel vooruitgang is geboekt bij het voltooien van de digitale eengemaakte markt.

Breedbandtechnologieën worden als belangrijk gezien bij het meten van de toegang tot en het gebruik van internet, omdat zij gebruikers de mogelijkheid bieden om snel grote hoeveelheden data over te dragen en de toegangslijnen open te houden. De uitrol van snelle en supersnelle breedbandverbindingen wordt dan ook beschouwd als belangrijke indicator op het gebied van ICT-beleidsvorming. Digitale abonneelijnen (DSL) zijn nog steeds de belangrijkste vorm van levering van breedbandtechnologie in de EU, maar alternatieven, zoals het gebruik van kabel, satelliet, glasvezel en draadloze aansluitnetten, worden steeds vaker gebruikt.

De Europese Commissie werkt aan een aantal initiatieven ter bevordering van de ICT-vaardigheden bij de beroepsbevolking als onderdeel van een bredere agenda voor het verbeteren van de vaardigheden en het afstemmen tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden. Ter verhoging van het aanbod aan ICT-specialisten heeft de Europese Commissie onlangs een grote coalitie voor digitale banen gelanceerd (in het Engels), een EU-breed partnerschap dat Europese structuur- en investeringsfondsen gebruikt om de moeilijkheden bij de werving van ICT-specialisten te verzachten.

Op 10 juni 2016 heeft de Europese Commissie haar goedkeuring gegeven aan een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa ter bevordering van een aantal acties om ervoor zorgen dat de juiste opleiding, de juiste vaardigheden en de juiste ondersteuning beschikbaar zijn voor personen in de EU, zodat zij beschikken over de vaardigheden die nodig zijn in een moderne werkomgeving, waaronder de bevordering van digitale vaardigheden.

Rechtstreekse toegang tot
Andere artikelen
Tabellen
Databank
Speciale sectie
Publicaties
Methodologie
Wetgeving
Visualisaties
Externe links







ICT usage in households and by individuals (t_isoc_i)


ICT usage in households and by individuals (isoc_i)
Connection to the internet and computer use (isoc_ici)
Households - level of internet access (isoc_ci_in_h)
Households - type of connection to the internet (isoc_ci_it_h)
Individuals - mobile internet access (isoc_ci_im_i)
Internet use (isoc_iiu)
Individuals - internet use (isoc_ci_ifp_iu)
Individuals - frequency of internet use (isoc_ci_ifp_fu)
Individuals - collaborative economy (isoc_ci_ce_i)
E-commerce (isoc_iec)
Internet purchases by individuals (isoc_ec_ibuy)
ICT trust, security and privacy (isoc_ci_sci)
Privacy and protection of personal information (isoc_cisci_prv)