Werkgelegenheid - jaarlijkse statistieken


Gegevens van april 2020.

Geplande update van het artikel: september 2021.

Belangrijkste punten
De hoogste arbeidsparticipatie in de EU-27 sinds 2005 (van mensen van 20 tot en met 64 jaar) was 73,1 % in 2019.
Op het niveau van de EU-27 is de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen sinds 2005 afgenomen, maar de arbeidsparticipatie was in 2019 nog steeds 11,7 procentpunten hoger voor mannen dan voor vrouwen.
Instrument 1: Arbeidsparticipatie (totaal, vrouwen, mannen, jongeren, ouderen), 2005-2019
(% van de bevolking van 20 tot en met 64 jaar)
Bron: Eurostat

Dit artikel bevat de meest recente statistieken over de werkgelegenheid in de Europese Unie (EU) op basis van de arbeidskrachtenenquête (AKE) van de EU. Over het algemeen vertonen de werkgelegenheidsstatistieken aanzienlijke verschillen naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau. Ook zijn er aanzienlijke verschillen op de arbeidsmarkt tussen de verschillende EU-lidstaten.

NB: De getallen en percentages in de instrumenten en in de tekst van dit artikel vertonen soms verschillen als gevolg van de doorlopende herziening van de brongegevens: de instrumenten verwijzen naar de meest recente gegevens (uit de reeks Employment and unemployment (Labour Force Survey) van de Eurostat-databank (in het Engels)), terwijl de tekst verwijst naar gegevens van april 2020.

Volledig artikel

Hoogste ooit genoteerde arbeidsparticipatie sinds 2005

In 2019 bedroeg de arbeidsparticipatie van mensen van 20 tot en met 64 jaar in de EU-27, zoals gemeten in de EU-arbeidskrachtenenquête (EU-AKE) 73,1 %; dit is het hoogste jaargemiddelde dat ooit werd genoteerd voor de EU. Achter dit gemiddelde gaan echter grote verschillen tussen de landen schuil (kaart 1 en instrument 1). Zweden kent tot nu toe de hoogste arbeidsparticipatie in de EU: 82,1 %. Een vergelijkbaar hoog percentage wordt ook behaald in de EVA-landen IJsland (85,9 %) en Zwitserland (82,9 %).

Kaart 1: Arbeidsparticipatie, 20-64 jaar, 2019
(in %)
Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)

In 2010 heeft de Europese Raad de Europa 2020-strategie vastgesteld. De nadruk hierin lag op de versterking van de EU-economie en op de voorbereiding op de uitdagingen van het volgende decennium. Een van de hoofddoelstellingen van deze EU-strategie is om de arbeidsparticipatie van de bevolking van 20 tot en met 64 jaar tegen 2020 op te trekken tot ten minste 75 %.

Hoewel de EU-27 als geheel haar streefdoel in 2019 nog niet had behaald, werd het streefdoel van de Europa 2020-strategie in 17 EU-lidstaten behaald of zelfs overschreden. Deze landen zijn drie Noordse lidstaten (Zweden, Denemarken en Finland), de drie Baltische lidstaten (Estland, Litouwen en Letland) en Nederland, Duitsland, Tsjechië, Slovenië, Portugal, Cyprus, Hongarije, Malta, Ierland, Oostenrijk en Bulgarije (kaart 1). Ook in het Verenigd Koninkrijk, IJsland, Zwitserland en Noorwegen bedroeg de arbeidsparticipatie meer dan 75 %. Aan de andere kant van de schaal lag de arbeidsparticipatie ver onder de EU-doelstelling, d.w.z. onder de 70 %, in Kroatië, Italië en Spanje en Griekenland; dat land noteerde het laagste percentage van de EU-lidstaten (61,2 %). In de kandidaat-lidstaten Montenegro, Noord-Macedonië, Servië en Turkije bedroeg de arbeidsparticipatie 65 % of lager.

Instrument 1: Arbeidsparticipatie (totaal, vrouwen, mannen, jongeren, ouderen), 2005-2019
(% van de bevolking van 20 tot en met 64 jaar)
Bron: Eurostat (lfsi_emp_a)



In de periode tussen 2005 en 2019 nam de arbeidsparticipatie van de totale bevolking van 20 tot en met 64 jaar in de EU-27 toe met 6,3 procentpunten (pp.), van 66,8 % naar 73,1 %. De arbeidsmarktsituatie vertoonde in de afgelopen jaren echter grote verschillen tussen de landen. De arbeidsparticipatie is in de bovengenoemde periode in alle landen gestegen, behalve in Griekenland (-3,2 pp.). De grootste stijgingen doen zich voor in Malta (19,8 pp.: van 57,4 % naar 77,2 %) en in Polen (14,7 pp.: van 58,3 % naar 73,0 %).

De arbeidsparticipatie van vrouwen neemt mettertijd toe

De arbeidsparticipatie van mannen was in 2019 in alle 27 EU-lidstaten hoger dan die van vrouwen. Dit geldt ook voor de gehele periode 2005-2019, met twee uitzonderingen: Letland in 2010 en Litouwen in 2009 en 2010. De ontwikkeling van de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen tussen 2005 en 2019 laat echter een wisselend beeld zien (tweede en derde pictogram van instrument 1).

Sinds 2005 is de arbeidsparticipatie van vrouwen in Europa toegenomen met 8,6 procentpunten op EU-niveau. De grootste stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen tussen 2005 en 2019 werd waargenomen in Malta (+31,9 pp.), Bulgarije en Duitsland (beide +13,6 pp.). In 2019 werd de hoogste arbeidsparticipatie van vrouwen genoteerd in Zweden (79,7 %) en de laagste in Italië (53,8 %) en Griekenland (51,3 %).

Daarentegen steeg de arbeidsparticipatie van mannen op EU-niveau tussen 2005 en 2019 in beperktere mate (+3,9 pp.) dan die van vrouwen. In zeven EU-lidstaten nam de arbeidsparticipatie van mannen zelfs af; de meest opmerkelijke veranderingen deden zich voor in Griekenland (-8,0 pp.: van 79,3 % in 2005 naar 71,3 % in 2019) en Spanje (-5.8 pp.: van 79,8 % naar 74,0 %).

Hierdoor nam de arbeidsparticipatiekloof tussen de twee geslachten op EU-niveau af van 16,4 procentpunten in 2005 naar 11,7 procentpunten in 2019. Deze trend werd waargenomen in alle EU-lidstaten behalve in Hongarije, Polen, Estland en Roemenië. De daling was vooral sterk in Malta (waar de genderkloof in arbeidsparticipatie daalde met 24,9 pp.) als gevolg van de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen. De kloof werd ook een stuk kleiner in Spanje (-12,8 pp.) en Luxemburg (-11,9 pp.), door een gelijktijdige daling van de arbeidsparticipatie van mannen en een stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen.

De arbeidsparticipatie onder ouderen neemt toe, de arbeidsparticipatie onder jongeren vertoont een dalende trend

Hoewel de arbeidsparticipatie onder jongeren (mensen van 15 tot en met 24 jaar) tussen 2005 en 2019 op EU-niveau licht toenam (+0,2 pp.), noteert bijna de helft van de EU-lidstaten (13 landen) een daling van hun nationale cijfers. De daling van de arbeidsparticipatie onder jongeren is het opvallendst in Ierland, Spanje, Griekenland, Denemarken, Portugal, Italië en Cyprus. De arbeidsparticipatie onder ouderen (mensen van 55 tot en met 64 jaar) is daarentegen in dezelfde periode over het algemeen gestegen, waarbij Bulgarije, Duitsland, Slowakije en Nederland de hoogste stijging van de arbeidsparticipatie onder ouderen noteren (vierde en vijfde pictogram van instrument 1).

Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger de arbeidsparticipatie

Het opleidingsniveau kan aanzienlijke gevolgen hebben voor de arbeidsparticipatie (instrument 2). De arbeidsparticipatie van mensen (in de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar) met een hoog opleidingsniveau, d.w.z. tertiair onderwijs korte cyclus, bachelor, master en postdoctoraal onderwijs (of gelijkwaardig onderwijs) (ISCED-niveaus 5-8), bedroeg in 2019 op EU-niveau 84,8 %. Dat is ver boven de participatie van mensen met een laag opleidingsniveau, d.w.z. basisonderwijs of lager secundair onderwijs (ISCED-niveaus 0-2), namelijk (55,8 %). In de EU-27 lag de arbeidsparticipatie van mensen met ten hoogste een middelhoog opleidingsniveau, d.w.z. een diploma van het hoger secundair of postsecundair niet-tertiair onderwijs (ISCED-niveaus 3-4) op 73,4 %, dus tussen de twee bovengenoemde percentages in. Deze cijfers kunnen erop duiden dat het makkelijker wordt om een baan te vinden naarmate men hoger opgeleid is.

Mensen met een laag opleidingsniveau (van de drie opleidingsniveaugroepen) hebben niet alleen de kleinste kans om een baan te vinden, ze werden ook nog eens het hardst geraakt door de crisis: de arbeidsparticipatie van deze groep daalde tussen 2007 en 2013 op EU-niveau met 5,4 procentpunten. Voor middelhoog- en hoogopgeleiden kwam die daling uit op 1,8 pp. (voor beide niveaus).

Instrument 2: Arbeidsparticipatie naar opleidingsniveau, 2005-2019
(% van de bevolking van 20 tot en met 64 jaar met een laag/gemiddeld/hoog opleidingsniveau)
Bron: Eurostat


Instrument 2 laat zien hoe belangrijk onderwijs is om de kansen op een baan te verhogen. Zo bedroeg de arbeidsparticipatie van laagopgeleiden in Slowakije in 2019 36,1 %; een veel lager percentage dan de arbeidsparticipatie van mensen met een middelhoog of hoog opleidingsniveau (respectievelijk 75.6 % en 80.6 %). Deze situatie is vergelijkbaar met de situatie in Kroatië (39,5 % voor laagopgeleiden, ten opzichte van 66,6 % voor middelhoogopgeleiden), Tsjechië (53,4 % ten opzichte van 81,3 %), Bulgarije (51,2 % ten opzichte van 76,0 %) en Polen (44,6 % ten opzichte van 69,2 %). Vermeldenswaard is ook Frankrijk, met een arbeidsparticipatie van 51,7 %, 70,1 % en 83,3 % voor respectievelijk laag-, middelhoog- en hoogopgeleiden, wanneer de overzeese departementen in aanmerking worden genomen. Wanneer de overzeese departementen worden uitgesloten, bedraagt de arbeidsparticipatie voor mensen met een laag, middelhoog en hoog opleidingsniveau echter respectievelijk 52,5 %, 70,4 % en 83,4 %. Het verschil tussen continentaal Frankrijk (zonder overzeese departementen) en Frankrijk in zijn geheel (met overzeese departementen) wordt kleiner naarmate het opleidingsniveau toeneemt.

Vakmensen vormen de grootste groep in de EU-27

Vakmensen (ISCO) hadden in 2019 in de EU-27 het grootste aandeel in de werkgelegenheid (19,5 % van de werkenden; zie de linkerhelft van figuur 1). Zij werden gevolgd door technici en mensen in lagere functies (16,9 %) en dienstverleners en verkoopmedewerkers (16,3 %). Aan de andere kant van de schaal hadden geschoolde landbouw-, bosbouw- en visserijmedewerkers (3,3 %) en militaire beroepen (0,6 %) het kleinste aandeel.

Wie echter alleen kijkt naar het beroep, krijgt maar een beperkt beeld van de economische, sociale en culturele kenmerken van werknemers. Daarom werd er een bredere classificatie geïntroduceerd: de Europese sociaaleconomische groepen (ESeG). Hierin wordt het beroep gecombineerd met de status op de arbeidsmarkt. Ook in deze classificatie vormden vakmensen (19,4 % van de werknemers, rechterhelft van figuur 1) de grootste groep in de EU-27 in 2019, ditmaal echter gevolgd door werknemers met een lagere functie (18,6 %) en geschoolde industriële vakmensen (17,1 %).

Figuur 1: Werkende mensen van 20 tot en met 64 jaar naar beroep en sociaaleconomische groep, EU-27, 2019
(% van de totale werkgelegenheid)
Bron: Eurostat (lfsa_egais) en (lfsa_esega)

Brongegevens voor tabellen en grafieken

Gegevensbronnen

Bron: De arbeidskrachtenenquête van de Europese Unie (EU-AKE) is de grootste Europese steekproefenquête onder huishoudens en biedt driemaandelijks en jaarlijks resultaten met betrekking tot de arbeidsparticipatie van mensen van 15 jaar en ouder en met betrekking tot mensen die niet tot de beroepsbevolking behoren. De enquête heeft betrekking op ingezetenen in particuliere huishoudens. Mensen die hun militaire of vervangende dienstplicht vervullen, zijn niet opgenomen in de resultaten. De EU-AKE is gebaseerd op dezelfde doelgroepen en gebruikt in alle landen dezelfde definities, wat betekent dat de resultaten tussen de landen kunnen worden vergeleken. De EU-AKE is een belangrijke bron van informatie over de situatie en trends op de nationale en EU-arbeidsmarkten. Elk kwartaal worden er in de deelnemende landen zo'n 1,8 miljoen interviews afgenomen om statistische informatie te vergaren voor enkele honderden variabelen. Dankzij de diversiteit van informatie en de grote omvang van de steekproef is de EU-AKE ook een belangrijke bron voor andere Europese statistieken, zoals de onderwijsstatistieken of de regionale statistieken.

Referentieperiode: Jaarlijkse resultaten worden verkregen als gemiddelden van de vier kwartalen van het jaar.

Toepassingsgebied: De resultaten van de enquête beslaan momenteel alle lidstaten van de Europese Unie, het Verenigd Koninkrijk, de EVA-lidstaten IJsland, Noorwegen en Zwitserland en de kandidaat-lidstaten Montenegro, Noord-Macedonië, Servië en Turkije. Voor Cyprus beslaat de enquête slechts de gebieden van Cyprus die onder de bevoegdheid van de regering van de republiek Cyprus vallen.

Europese totalen: EU en EU-27 verwijzen naar de gehele EU van 27 lidstaten. Wanneer gegevens voor een land niet beschikbaar zijn, wordt bij de berekening van de desbetreffende totalen rekening gehouden met de gegevens voor hetzelfde land voor de meest recente beschikbare periode. Dit wordt aangegeven.

Definities: De concepten en definities die in de enquête zijn gebruikt, stemmen overeen met de richtsnoeren van de Internationale Arbeidsorganisatie. Werkgelegenheid slaat op mensen van 15 jaar en ouder (16 jaar en ouder in Spanje en Italië, 15-74 jaar in Estland, Letland, Hongarije, Finland, Zweden, Noorwegen en Denemarken en 16-74 jaar in IJsland) die in particuliere huishoudens wonen en die tijdens de referentieweek hebben gewerkt, al is het maar één uur per week, voor loon, winst of verhoging van het gezinsinkomen, of die niet aan het werk waren, maar wel een baan of zelfstandige activiteit hadden waarvan zij tijdelijk afwezig waren, bijvoorbeeld wegens ziekte, vakantie, arbeidsconflict of onderwijs en opleiding.

Werkgelegenheid kan worden gemeten aan de hand van het aantal mensen of banen, in voltijdequivalent of in gewerkte uren. Bij alle in dit artikel vermelde schattingen wordt het aantal personen gebruikt; de informatie die voor de arbeidsparticipatie wordt vermeld, is ook gebaseerd op schattingen van het aantal personen. Werkgelegenheidsstatistieken worden vaak als arbeidsparticipatie geregistreerd om de wijzigingen in de omvang van de bevolking van landen in de loop van de tijd te verdisconteren en vergelijkingen tussen landen van verschillende omvang te vergemakkelijken. Deze percentages worden over het algemeen gepubliceerd voor de bevolking in de werkende leeftijd, waarmee meestal het aantal mensen van 15 tot en met 64 jaar wordt bedoeld, hoewel in Spanje, het Verenigd Koninkrijk en IJsland de leeftijdsgroep van 16 tot en met 64 jaar wordt gebruikt. Ook andere internationale statistische organisaties gebruiken deze leeftijdsgroep (15 tot en met 64 jaar) als standaard (hoewel sommige beleidsmakers steeds meer kijken naar de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar, omdat een steeds groter deel van de bevolking in de EU zijn studies voortzet in het tertiair onderwijs).

Het concept werkgelegenheid van de AKE verschilt van de binnenlandse werkgelegenheid in de nationale rekeningen. Dat komt doordat er voor die binnenlandse werkgelegenheid geen grens is gesteld aan de leeftijd of aan het soort huishouden en ook doordat de niet-ingezetenen die bijdragen aan het bbp en mensen die hun militaire of vervangende dienstplicht vervullen, worden meegerekend.

De overzichtspagina EU-arbeidskrachtenenquête bevat links naar vijf verschillende artikelen over gedetailleerde technische en methodologische informatie.

Opgelet: Eurostat verstrekt twee reeksen indicatoren die verband houden met de jaarlijkse arbeidsparticipatie, die verschillende doelen dienen en in sommige gevallen van elkaar verschillen:

1) De voornaamste indicatoren, die seizoengecorrigeerd zijn. Deze omvatten de kernindicatoren van de Europa 2020-strategie en worden bijgevolg gebruikt voor de monitoring van de Europa 2020-streefdoelen (op EU- en nationaal niveau). Deze indicatoren hebben slechts een paar uitsplitsingen en verwijzen normaal gesproken naar de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar. NB: Voor Frankrijk worden er twee reeksen gepubliceerd: één inclusief overzeese departementen, vanaf 2003, en één voor continentaal Frankrijk, exclusief overzeese departementen, vanaf 1992. De laatstgenoemde reeks wordt geëvalueerd in het kader van de Europa 2020-strategie en opgenomen in de relevante totalen voor de EU en de eurozone.

2) De gedetailleerde resultaten, die niet seizoengecorrigeerd zijn. Deze hebben een groot aantal uitsplitsingen en kunnen derhalve worden gebruikt voor een meer gedetailleerde analyse. Voor Frankrijk wordt slechts één gegevensreeks gepubliceerd. Deze reeks bevat gegevens voor continentaal Frankrijk tot en met het vierde kwartaal van 2013 en vanaf 2014 ook gegevens voor de Franse overzeese departementen.

Dit artikel bevat de jaarresultaten voor de meeste indicatoren van de reeks "voornaamste indicatoren".

Hoofdconcepten: Bepaalde belangrijke werkgelegenheidskenmerken, zoals gedefinieerd in de EU-arbeidskrachtenenquête, zijn onder andere:

  • werknemers: mensen die werken voor de overheid of een particuliere werkgever en een beloning ontvangen in de vorm van loon, salaris, prestatiebeloning of betaling in natura; hieronder vallen ook niet-dienstplichtige leden van de strijdkrachten;
  • zelfstandigen: mensen die werken in hun eigen onderneming, landbouwbedrijf of praktijk. Een zelfstandige wordt geacht in de referentieweek te hebben gewerkt als hij/zij voldoet aan een van de volgende criteria: werkt met het doel winst te maken; besteedt tijd aan de exploitatie van een onderneming; of is bezig met het oprichten van een onderneming;
  • het onderscheid tussen voltijd en deeltijd wordt over het algemeen spontaan aangegeven door de respondent. De belangrijkste uitzonderingen hierop zijn Nederland en IJsland, waar een drempel van 35 uur wordt toegepast, Zweden, waar een drempel wordt toegepast op zelfstandigen, en Noorwegen, waar mensen die tussen 32 en 36 uur werken wordt gevraagd of het een voltijd- of deeltijdfunctie is;
  • indicatoren voor werkzame mensen met een tweede baan hebben alleen betrekking op mensen met meerdere banen tegelijk; mensen die in de referentieweek van baan zijn veranderd, worden niet geteld als mensen met twee banen;
  • een werknemer wordt geacht een tijdelijk dienstverband te hebben als de werkgever en de werknemer overeenkomen dat het einde ervan wordt bepaald door objectieve voorwaarden, zoals een bepaalde datum, de voltooiing van een opdracht of de terugkeer van een werknemer die tijdelijk wordt vervangen. Typische voorbeelden hiervan zijn onder meer: seizoenarbeiders; mensen die door een uitzendbureau of arbeidsbemiddelingsbureau in dienst worden genomen en bij een derde worden geplaatst om een bepaalde taak uit te voeren (tenzij er sprake is van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd); mensen met specifieke opleidingscontracten.

Het opleidingsniveau staat voor het hoogste opleidingsniveau dat men heeft afgerond. Een laag opleidingsniveau komt overeen met de ISCED-niveaus 0-2 (lager dan basisonderwijs, basisonderwijs en lager secundair onderwijs), een middelhoog niveau komt overeen met de ISCD-niveaus 3 en 4 (hoger secundair en post-secundair niet-tertiair onderwijs) en een hoog opleidingsniveau komt overeen met de ISCED-niveaus 5-8 (tertiair onderwijs).

De Europese sociaaleconomische groepen (ESeG) zijn een afgeleide classificatie waarmee individuen met vergelijkbare economische, sociale en culturele kenmerken in de hele Europese Unie kunnen worden gegroepeerd. Deze classificatie is enkel gebaseerd op sociale kernvariabelen met het oog op de gebruiksvriendelijkheid ervan in alle sociale enquêtes en om vergelijkbare resultaten te waarborgen. De belangrijkste gebruikte sociale kernvariabelen zijn “IAO-beroepsstatus”, “Arbeidssituatie”, “Beroep” (volgens ISCO-08) en “Zelfverklaarde arbeidssituatie”. Voor meer details en uitleg over de classificatie, zie de ESeG-pagina op de Eurostat-classificatieserver RAMON (in het Engels).

Achtergrond

Werkgelegenheidsstatistieken kunnen worden gebruikt voor een aantal uiteenlopende analyses, waaronder macro-economische studies (werknemers bezien als productiefactor) of studies over arbeidsproductiviteit of concurrentievermogen. Zij kunnen ook worden gebruikt voor het bestuderen van een aantal maatschappelijke en gedragsaspecten die samenhangen met de individuele arbeidssituatie, zoals de maatschappelijke integratie van minderheden of werk als bron van huishoudinkomen.

Werkgelegenheid is zowel een structurele indicator als een kortetermijnindicator. Als structurele indicator kan werkgelegenheid meer inzicht verschaffen in de structuur van de arbeidsmarkt en de economische systemen, gemeten aan de hand van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, of in de kwaliteit van de werkgelegenheid. Als kortetermijnindicator volgt werkgelegenheid de conjunctuurcyclus; werkgelegenheid heeft in die zin echter beperkingen, omdat zij vaak wordt beschouwd als een achterlopende indicator.

Werkgelegenheidsstatistieken spelen een centrale rol in veel EU-beleid. Sinds de werkgelegenheidstop van Luxemburg in november 1997 bestaat er een Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS); deze werd in 2005 aangepast om de werkgelegenheidsstrategie van de EU nauwer te laten aansluiten op een aantal herziene Lissabondoelstellingen. Sinds juli 2008 zijn de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid voor 2008-2010 geactualiseerd. In maart 2010 heeft de Europese Commissie het startsein gegeven voor de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei; de strategie werd in juni 2010 formeel goedgekeurd door de Europese Raad. De Europese Raad bereikte overeenstemming over vijf centrale streefcijfers; de eerste is om de arbeidsparticipatie voor vrouwen en mannen in de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar te verhogen tot 75 % tegen 2020. De EU-lidstaten mogen aan de hand van deze centrale streefcijfers hun eigen nationale streefcijfers vaststellen en nationale hervormingsprogramma’s opstellen met acties om de strategie uit te voeren. In overeenstemming met de Europa 2020-strategie worden met de EWS maatregelen aangemoedigd die bijdragen tot de verwezenlijking van drie streefcijfers voor 2020, namelijk:

- 75 % van de mensen van 20 tot en met 64 jaar heeft werk;
- het percentage voortijdige schoolverlaters is lager dan 10 %, en ten minste 40 % van de 30- tot 34-jarigen heeft een tertiaire opleiding afgerond;
- het aantal mensen met een risico op armoede of sociale uitsluiting bedraagt minstens 20 miljoen minder.

Door het trage tempo van het herstel van de financiële en economische crisis en de toenemende aanwijzingen van een groeiende werkloosheid heeft de Commissie op 18 april 2012 een aantal voorstellen gedaan voor maatregelen om de werkgelegenheid door middel van een speciaal werkgelegenheidspakket te stimuleren. In deze voorstellen stond onder meer de vraagzijde van de werkgelegenheidscreatie centraal, en wordt uiteengezet hoe de EU-lidstaten aanwervingen kunnen stimuleren door de belastingen op arbeid te verlagen en startende ondernemingen te ondersteunen. Daarnaast waren de voorstellen gericht op de vaststelling van economische sectoren met mogelijkheden voor aanzienlijke werkgelegenheidscreatie, zoals de groene economie, de gezondheidszorg en de ICT-sector.

In december 2012 heeft de Europese Commissie in het licht van de hoge en alsmaar stijgende jeugdwerkloosheid in verschillende EU-lidstaten een werkgelegenheidspakket voor jongeren (COM(2012) 727 final) voorgesteld. Dit pakket was een vervolg op de maatregelen ten behoeve van jongeren die zijn vastgelegd in het uitgebreidere werkgelegenheidspakket, en omvat een reeks voorstellen, waaronder:

  • aan elke jongere tot 25 jaar binnen vier maanden nadat hij/zij het formele onderwijs heeft verlaten of werkloos is geworden, wordt een kwalitatief goede baan, voortgezet onderwijs, een leerlingplaats of een stage aangeboden (een jongerengarantie);
  • een raadpleging van de Europese sociale partners over een kwaliteitskader voor stages, om jongeren de kans te geven in veilige omstandigheden nuttige werkervaring op te doen;
  • een Europese Alliantie voor de verbetering van de kwaliteit en het aanbod van beschikbare leerlingplaatsen en een voorstel voor manieren om hinderpalen voor mobiliteit van jongeren uit de weg te ruimen.

De inspanningen om de jeugdwerkloosheid te verminderen werden in 2013 voortgezet met de mededeling van de Europese Commissie getiteld Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren (COM(2013) 144 final) met als doel de in het werkgelegenheidspakket voor jongeren uiteengezette maatregelen te versterken en te versnellen. De mededeling is met name bedoeld ter ondersteuning van jongeren zonder scholing, werk of stage in de regio’s van de Unie waar de jeugdwerkloosheid meer is dan 25 %. Er volgde een andere mededeling van de Commissie getiteld “Samen aan de slag voor de jongeren in Europa — Een oproep tot actie ter bestrijding van jeugdwerkloosheid” (COM(2013) 447 final) die was gericht op een snellere uitvoering van de jongerengarantie en de ondersteuning van de EU-lidstaten en ondernemingen zodat deze meer jongeren in dienst kunnen nemen.

Een van de hoofdprioriteiten van het college van commissarissen dat in 2014 is aangetreden, is het stimuleren van banen, groei en investeringen, met als doelstelling regelgeving te verminderen en slimmer gebruik te maken van bestaande financiële bronnen en overheidsmiddelen. De Europese Commissie publiceerde in februari 2015 een reeks landenverslagen (in het Engels), waarin het economische beleid van EU-lidstaten wordt geanalyseerd en die informatie verstrekken over de prioriteiten van EU-lidstaten voor het komende jaar om groei en het creëren van banen te stimuleren. Diezelfde maand stelde de Europese Commissie tevens voor om 1 miljard EUR uit het Werkgelegenheidsinitiatief voor jongeren in 2015 ter beschikking te stellen om de prefinanciering die EU-lidstaten kunnen ontvangen om de arbeidsparticipatie van jongeren maximaal 30 keer zo hoog te maken, en zo tot 650 000 jongeren aan werk te helpen.

In juni 2016 heeft de Europese Commissie een Agenda voor vaardigheden voor Europa (COM(2016) 381/2) goedgekeurd onder het motto “Samenwerken ter versterking van het menselijk kapitaal, de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen”. Die moet ervoor zorgen dat mensen de vaardigheden ontwikkelen die nu en in de toekomst nodig zijn, om inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, concurrentievermogen en groei overal in de EU te versterken.

Meer recent, op 17 november 2017, hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten ondertekend. Werkgelegenheid en sociaal beleid zijn de belangrijkste interessegebieden van de Europese pijler van sociale rechten, die draait om nieuwe, doeltreffendere rechten voor de burgers. De pijler is onderverdeeld in drie hoofdcategorieën: 1) gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, 2) billijke arbeidsvoorwaarden en 3) sociale bescherming en inclusie. Met name de flexibelere werkregelingen van vandaag bieden nieuwe kansen op de arbeidsmarkt, in het bijzonder voor jongeren, maar deze brengen mogelijk ook nieuwe vormen van onzekerheid en ongelijkheid met zich mee. Een socialer en eerlijker Europa tot stand brengen is een topprioriteit voor de Commissie. Bij de Europese pijler van sociale rechten hoort een “sociaal scorebord” waarmee de uitvoering van de pijler zal worden gemonitord door trends en prestaties in de EU-landen te volgen op 12 gebieden; deze gegevens zullen worden verwerkt in het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid. Het scorebord zal ook dienen om de vorderingen in het behalen van een 'sociale AAA-score' voor de hele EU te beoordelen.

Rechtstreekse toegang tot
Andere artikelen
Tabellen
Databank
Speciale sectie
Publicaties
Methodologie
Wetgeving
Visualisaties
Externe links





LFS main indicators (t_lfsi)
Population, activity and inactivity - LFS adjusted series (t_lfsi_act)
Employment - LFS adjusted series (t_lfsi_emp)
Unemployment - LFS adjusted series (t_une)
LFS series - Detailed annual survey results (t_lfsa)
LFS series - Specific topics (t_lfst)
LFS main indicators (lfsi)
Employment and activity - LFS adjusted series (lfsi_emp)
Unemployment - LFS adjusted series (une)
Labour market transitions - LFS longitudinal data (lfsi_long)
LFS series - Detailed quarterly survey results (from 1998 onwards) (lfsq)
LFS series - Detailed annual survey results (lfsa)
LFS series - Specific topics (lfst)
LFS ad-hoc modules (lfso)

Publicaties

ESMS-metadatabestanden en EU-AKE-methodologie