chevron-down chevron-left chevron-right chevron-up home circle comment double-caret-left double-caret-right like like2 twitter epale-arrow-up text-bubble cloud stop caret-down caret-up caret-left caret-right file-text

EPALE

Elektronisch platform voor volwasseneneducatie in Europa

 
 

Blogs

Docenten leren onderwijzen: een interview met faculteitsadviseur Thomas Tobin

30/11/2018
by NSS EPALE Nederland
Taal: NL
Document available also in: HU EN

/epale/nl/file/tomasthobin1jpg-1tomas_thobin_1.jpg

Blog door Györgyi Bajka

 

Thomas Tobin is auteur, spreker en wetenschapper op het gebied van kwaliteit in het hoger onderwijs. Hij woont in State College in de Amerikaanse staat Pennsylvania en leert docenten hoe zij les moeten geven. Aan de Loránd Eötvös-universiteit (ELTE) in Boedapest geeft hij een doctoraalcursus over de beoordeling van technologisch ondersteund onderwijs en verzorgt hij een seminar over verschillende ideeën op het terrein van faculteitsontwikkeling. Daarnaast heeft hij in heel Hongarije lezingen en workshops gegeven.

EPALE Hongarije heeft deze gelegenheid aangegrepen en universiteitsstudente Emese Schiller, die buitengewoon geïnspireerd was door Tobin, gevraagd om hem te interviewen over zijn visie op de onderwijsmethoden en docenten van de 21e eeuw.

 

Hartelijk dank dat u bereid bent een interview te geven voor het EPALE-platform. Kunt u me wat meer vertellen over uzelf: waar komt u vandaan, waar hebt u gestudeerd en wat doet u voor werk?

Mijn naam is Thomas Tobin en ik woon in State College in Pennsylvania. Voor de lezers die misschien niet weten waar dat ligt: in het oosten van de staat ligt Philadelphia en in het westen ligt Pittsburgh. Precies daartussenin woon ik.

Ik ben faculteitsadviseur: ik leer docenten hoe zij les moeten geven. Maar dit is niet het terrein waarop mijn loopbaan is begonnen. Ik ben begonnen als hoogleraar Engelse literatuur, waarbij ik onderzoek deed naar negentiende-eeuwse Britse literatuur. Al vroeg maakte ik iets mee waardoor mijn carrière een hele andere wending kreeg. Toen ik in de tweede helft van de jaren 90 bezig was met het behalen van mijn doctorstitel, werkte ik ook binnen een tweejarige universitaire opleiding in Pennsylvania, waar ik onlineprogramma's ontwikkelde. Een van mijn collega's wilde zijn cursus "Inleiding in de bedrijfskunde" graag online geven, maar als veertiger was hij blind geworden door de complicaties van ongediagnosticeerde en onbehandelde diabetes.

Ik heb hem kunnen helpen, maar daarbij overtrad ik onbedoeld allerlei wetten op het gebied van studentenprivacy, omdat we tijdens zijn onlinecursus alle antwoorden van de studenten hardop aan hem moesten laten voorlezen door promovendi. Door die fout begon ik eens om me heen te kijken en dacht ik: "Als ik hém al niet kan helpen, wie laten we dan nog meer in de steek? Mensen met beroepsmatige verantwoordelijkheden, gezinsverplichtingen, studerende militairen, mensen uit plattelandsgebieden die niet naar onze campus kunnen komen?" Dat veranderde mijn hele loopbaan. Sindsdien houd ik me bezig met het bevorderen van kansen voor studentenpopulaties die we slecht of helemaal niet bereiken. En dat is nu twintig jaar geleden.

Dat klinkt erg interessant. Laten we het eens hebben over uw huidige onderwijskundige terrein en onderzoeksveld.

Wat kan ik zeggen over het onderzoek dat ik doe? Ik kan je op verschillende gebieden op weg helpen. Ik ben gespecialiseerd in onderwerpen die door veel docenten en faculteitsleden worden gevreesd, zoals academische integriteit en bedrog, vooral wanneer het om technologie gaat. Toegankelijkheid: hoe bereiken we studenten die te maken hebben met obstakels in hun leven en hoe kunnen we hen helpen deze obstakels te overwinnen om te kunnen studeren? Auteursrechten: hoe maken we op morele wijze gebruik van het werk van anderen, en hoe beschermen we onze eigen auteursrechten wanneer we zelf materiaal creëren? En evaluatie: beoordeling van online onderwijs en technologisch ondersteunde lesmethoden.

Dat laatste is eigenlijk de reden dat ik hier op de ELTE ben. Ik geeft een doctoraalcursus over de beoordeling van technologisch ondersteund onderwijs, en daarnaast verzorg ik een seminar over al die verschillende onderwerpen op het terrein van faculteitsontwikkeling. Het derde onderdeel van mijn werk is het geven van lezingen en workshops in heel Hongarije: ik beschouw het als een eer om op die manier een bijdrage te kunnen leveren.

Waarom besloot u een semester door te brengen op de Loránd Eötvös-universiteit in Boedapest?

Er zijn twee redenen waarom ik voor de Loránd Eötvös-universiteit heb gekozen. De eerste was het feit dat Orsolya Kereszty, voorzitter van de vakgroep Onderwijs, in het kader van het Fulbright-programma een oproep deed voor een wetenschappelijk onderzoeker om te helpen met faculteitsontwikkeling. Dat sloot zeer goed aan op mijn vaardigheden. Verder zijn de oma en opa van mijn vrouw Mary Ann afkomstig uit Mucsány, vlak bij de stad Miskolc. Zij vertrokken in de jaren 90 van de negentiende eeuw naar de Verenigde Staten. Sindsdien hebben de twee takken van de familie geen contact meer met elkaar gehad. Mijn vrouw is samen met mij hier. Zij kan nu wat speurwerk doen naar haar familie en zelf de cultuur ervaren waaruit haar familie afkomstig is. Daarom was Hongarije voor ons beiden een voor de hand liggende keuze.

U hebt al gezegd wat voor soort cursussen u geeft. Zou u daar eens wat meer over kunnen vertellen?

TT: De doctoraalcursus die ik geef gaat over beoordelingstechnieken voor onderwijs. De cursus was oorspronkelijk opgezet als een cursus over het beoordelen van onlineonderwijs. Nu ik hier in Hongarije ben, heb ik meer onderzoek verricht, en ik kom tot de conclusie dat hier op dit moment nog niet zo veel volledig online onderwijs wordt gegeven. Daarom heb ik samen met mijn promovendi de cursus aangepast, zodat we zowel aandacht kunnen besteden aan online als aan technologisch ondersteunde lesmethoden. We houden ons bezig met vragen als: hoe weet je wat goede manieren van lesgeven zijn? Hoe kun je deze manieren waarnemen en zinvolle feedback geven voor het verbeteren of versterken van het onderwijs?

Hoe geef je feedback als je een bestuurder bent en arbeidsgerelateerde beslissingen moet nemen, bijvoorbeeld om iemand een salarisverhoging te geven of om een parttimer te vragen de volgende keer weer terug te komen? En ook: hoe kijken bestuurders zelf naar de onderwijsprogramma's wanneer zij deze evalueren en beoordelen, zodat hun onderwijsinstituut op dat vlak een begin kan maken om naar haar academische doelstellingen toe te werken.

Het seminar over faculteitsontwikkeling is een veel gevarieerder programma. We kijken naar talloze innovatieve manieren van interactie met studenten. Eén van de uitdagingen die we hier in Hongarije waarnemen is dat er nog bijzonder vaak vertrouwd wordt op de "chalk-and-talk"-methode, de Pruisische methode waarbij de docent 60 minuten lang voor de klas staat en de leerstof voorkauwt, en de studenten vervolgens een examen maken. Jarenlang wetenschappelijk onderzoek laat zien dat dit niet zo'n doeltreffende manier is om studenten informatie te laten onthouden. Studenten herinneren zich informatie het best wanneer zij mogelijkheden krijgen om ideeën werkelijk in praktijk te brengen, onder begeleiding van een deskundige: dat is de docent.

We kijken naar zaken als het flipped-classroommodel, peer mentoring en actief leren. Het doel voor de deelnemers aan het seminar faculteitsontwikkeling is niet alleen dat zij staat zijn om deze methoden zelf toe te passen, maar ik leer ze ook hoe zij anderen kunnen leren om deze methoden te gebruiken. Ik wil graag geheime, slimme pioniers van ze maken op het gebied van actieve en integrale lesmethoden!

Welke ontwikkeling hebben school en volwasseneneducatie doorgemaakt en welke veranderingen hebt u de laatste tijd waargenomen?

Een van de ontwikkelingen die echt ontzettend nuttig zijn voor volwassen studenten en die ik in de afgelopen tien jaar tot bloei heb zien komen, is mobiel leren. 83% van alle Hongaarse volwassen heeft een smartphone. Dus als we hen kunnen bereiken op manieren waardoor ze zelfs maar twintig minuten extra hebben om te studeren, voor interactie of om te oefenen, dan kunnen die twintig minuten op hun telefoon het verschil zijn tussen moeite of bij kunnen blijven met het lesmateriaal. Ook hebben we zo wanneer we elkaar zien, bij klassikale cursussen of synchrone cursussen op afstand, meer tijd voor meer praktijkgerichte discussies en socratische vraagstelling.

Volwassen studenten doen pas iets wanneer ze daar een reden voor hebben. Emese, vanuit je eigen werk met volwassen studenten weet ik dat dit absoluut waar is. Wanneer je ze een reden geeft — en zij deze aannemen en een noodzaak voelen — gaan ze bloedfanatiek studeren. Maar als je tegen hen zegt "kijk, dit moet je weten, en leer dit nu maar gewoon", zonder dat daar een reden voor is, dan zijn ze niet gemotiveerd en gaan ze het niet doen.

Voor de volwasseneneducatie kunnen we helpen met die motivatie en met de achterliggende reden door interactiemiddelen te ontwerpen waarmee personen hun leeractiviteiten tot buiten het klaslokaal kunnen uitbreiden via hun mobiele telefoon, volgens de structuur van Universal Design for Learning, of UDL. En natuurlijk, ik maak me sterk voor personen met een handicap, maar dat is niet de enige groep waar ik mee werk. Universal Design for Learning is namelijk een structuur die ons de mogelijkheid biedt om personen te bereiken die allerlei soorten obstakels tegenkomen om te kunnen leren, of dat nu lichamelijke handicaps zijn, psychische problemen, of alleen een gebrek aan tijd, zoals voor personen met verantwoordelijkheden rondom werk en gezin.

Kunt u wat vertellen over uw persoonlijke ervaringen en de veranderingen die u in de nabije toekomst verwacht?

Eén van de veranderingen die we op dit moment zien, is dat bijna iedereen een apparaat bij zich draagt dat toegang biedt tot alle informatie die je maar kunt wensen. Ik kan mijn telefoon inschakelen en zeggen "goed, Google, vertel me waar vlakbij restaurants zijn", of "vertel me hoe ik een defecte pijp onder mijn gootsteen kan repareren". We gebruiken onze toegang tot informatie om onmiddellijk problemen op te lossen. "Ik ben verdwaald. Waar staat het gebouw waar ik moet zijn?"

Een van de veranderingen die plaatsvinden is dat mensen informatie niet meer beschouwen als materiaal dat zich in een bibliotheek, een gebouw, bevindt en waar je eerst naartoe moet om iets op te zoeken. Wanneer je je tegenwoordig afvraagt wie in 2016 het WK heeft gewonnen, vraag je dat aan je telefoon. Antwoorden heb je direct paraat.

In de volwasseneneducatie is die verschuiving naar dagelijks microleren al aan de gang. Ik voorspel dat we gaan zien dat mensen er de voorkeur aan geven om meer verspreid volwassenen-, ontwikkelings-, vaardigheids- en met studiepunten beoordeelde studentencursussen te volgen. In plaats van dat iedereen naar het gebouw gaat om te informatie tot zich te nemen, zoals in een bibliotheek of een klaslokaal, gaan we naar het gebouw om contact te hebben met de deskundigen. In het geval van een bibliotheek gaan we naar het gebouw omdat de bibliotheekmedewerkers weten hoe we onze weg moeten vinden in alle "informatieruis", en helpen zij ons de bronnen te vinden die werkelijk nuttig zijn. Hetzelfde gaan we zien in het onderwijs en de volwasseneneducatie. We zullen een beroep doen op mensen omdat zij deskundigen zijn en ons kunnen helpen datgene te vinden wat we nodig hebben.

Dat doen we al. We vragen onze telefoons niet alleen om informatie, zoals de locatie van restaurants, maar we vragen ook "waar kan ik een loodgieter vinden", omdat ik zelf geen verstand heb van loodgieterswerk en ik iemand nodig heb die me kan helpen. We gebruiken onze permanente toegang om andere, deskundige personen te vinden. In het onderwijs worden wij, de deskundigen, de docenten, steeds meer facilitators. We helpen personen om processen en methoden te ontrafelen. Dat wordt volgens mij de komende tien jaar een sterke trend. En dat gaat alleen maar toenemen.

Welke nieuwe verwachtingen ontstaan er volgens u voor docenten?

We hebben bijna een vijfde van de 21e eeuw achter ons en we hebben al drie enorme veranderingen gezien die zich zullen blijven voortzetten. De eerste verandering is dat docenten niet meer de enige bron van kennis zijn. In deze hele periode, zelfs in het jaar 2000, was het nooit zo dat de enige manier waarop je dingen leerde was dat er iemand voor je stond die kennis aanreikte, en dat die kennis misschien in je hoofd bleef hangen. Volwasseneneducatie en volwasseneninstructie zijn tegenwoordig veel interactiever. Studenten komen naar hun leerinteracties omdat ze niet alleen maar willen zitten luisteren. Ze willen betrokken worden, actief zijn; ze willen interactie.

De tweede verandering die we zien is dat onze studenten veel vaker individuele vaardigheden willen aanleren dan een hoge graad behalen. In de Verenigde Staten merken we bovendien dat voor veel functies waarvoor eerder alleen een middelbareschooldiploma was vereist, tegenwoordig een WO- of HBO-student wordt gevraagd. Als je bijvoorbeeld voor kleine kinderen tot zes jaar wilt zorgen, moest je vroeger een examen doen van één uur en kreeg je een diploma. Tegenwoordig moet je hiervoor een bachelordiploma Pedagogiek hebben. De professionalisering van veel functies drijft mensen naar de collegebanken, maar ook het tegenovergestelde gebeurt. Veel volwassen studenten willen één bepaalde vaardigheid leren. Ze volgen daarvoor een minicursus en hoeven niet per se een college van 3 studiepunten te volgen of een breder diploma te behalen. In de Verenigde Staten is een aantal van de best betaalde banen te vinden in de technische beroepen: loodgieters, elektriciens, metselaars enzovoorts. Jarenlang zijn er zoveel mensen gestimuleerd om naar de universiteit te gaan, dat er nu minder mensen kiezen voor de technische beroepen. Daarom zijn dat in de Verenigde Staten nu zeer goed betaalde banen. Dit is het soort leerervaringen waarbij theorieën over mobiel leren en volwasseneneducatie het best aansluiten bij wat studenten al in het dagelijks leven doen, omdat ze gewoon zelfstandig kunnen oefenen. En wanneer ze vervolgens naar ons, de deskundigen, toe komen, kunnen ze oefenen met een lasbrander of met loodgieterswerk, onder begeleiding van een deskundige.

De derde trend die ik waarneem heeft te maken met micro-kwalificaties. Wanneer je nu naar de universiteit wilt, kun je een certificaat behalen na twee jaar, of een bachelor-, een master- of een doctorstitel. Maar mensen willen tegenwoordig worden gecertificeerd voor onderdelen die veel kleiner zijn dan deze titels. Zo kun je een Microsoft Office-gebruikerscertificaat behalen: je weet hoe je Microsoft Word, PowerPoint en Excel moet gebruiken, en Microsoft verstrekt jou een certificaat omdat je een expert bent in die specifieke vaardigheden. Mensen ontvangen graag badges en micro-certificaten en laten graag zien dat ze beschikken over expertise op verschillende kleine gebieden. Lerenden gaan hun eigen pakketten samenstellen met daarin de onderdelen waaraan zij hun meesterschap ontlenen. Ze willen kiezen uit een menu: ik wil deze vaardigheid, die vaardigheid en die andere vaardigheid. Ze bundelen vaardigheden op basis van hun behoeften op de werkplek. Dit is een trend in de volwasseneneducatie die alleen maar sterker zal worden in de 21e eeuw.

Hartelijk dank, Tom. Het was een erg leuk gesprek!

 

Share on Facebook Share on Twitter Share on Google+ Share on LinkedIn