Navigation path

High level navigation

home

Additional tools

  • Facebook
  • Twitter
  • YouTube
  • Print version
  • Decrease text
  • Increase text

Natura 2000 en bossen

VAAK GESTELDE VRAGEN

Introductie

In dit hoofdstuk wordt een aantal vaak gestelde vragen over bossen in Natura 2000 beantwoord. De vragen werden uitgezocht met steun van de ad-hocwerkgroep die voor de voorbereiding van dit document werd ingesteld door de Commissie. Degene die niet bekend is met Natura 2000 kan het beste eerst deel I van dit document lezen om een duidelijk overzicht te krijgen van de doelstellingen en wettelijke verplichtingen van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn en van de bescherming van Natura 2000-gebieden in het bijzonder.

Voor het gebruiksgemak zijn de vaak gestelde vragen ingedeeld in de volgende hoofdrubrieken:

Aan het begin van elke vraag wordt vermeld:

  • of de vraag betrekking heeft op een wettelijke verplichting (overeenkomstig de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn), een aanbeveling of enkel informatie;
  • de belangrijkste geadresseerde doelgroep (bijvoorbeeld boseigenaren, bosbeheerders, autoriteiten, algemene publiek, waaronder niet-gouvernementele organisaties);

Wettelijke verplichtingen (W) verwijzen naar specifieke verplichtingen krachtens de richtlijnen. Het kan gaan om een verplichting voor de overheden en/of voor de boseigenaar of -beheerder. De lidstaten moeten de bepalingen van de richtlijnen in nationale wetgeving omzetten. Sommige omgezette bepalingen moeten dan door de betrokkenen worden toegepast (bijvoorbeeld bosbeheerders of boseigenaren). De tekst wil uitleggen wat de implicaties van de wettelijke verplichtingen zijn, onder verwijzing naar de eventueel beschikbare jurisprudentie.

Aanbevelingen (A) geeft de mogelijke opties aan: hoe kan met bepaalde aspecten van de richtlijnen omgegaan worden. Zij dienen enkel ter informatie en zijn geen verplichting.

Als informatie (I) aangemerkte tekst is bedoeld voor een beter begrip van Natura 2000, de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Alle in de tekst worden genoemde voorbeelden zijn ondergebracht in deze categorie.

Aanwijzen van gebieden voor Natura 2000

1. Waarom bestaat bijna 50 % van het Natura 2000-netwerk uit bossen?

Informatie
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders, autoriteiten

Een zeer groot percentage van de Europese biodiversiteit bevindt zich in bossen. Daaronder vallen veel zeldzame en bedreigde soorten en habitattypen zoals opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. De meeste geschikte gebieden zijn aangewezen als deel van Natura 2000 om hun overlevingskansen op lange termijn in de EU te waarborgen. Daardoor maakt nu ongeveer 375.000 km2 bos in 28 landen deel uit van het Natura 2000-netwerk. Spanje is het lidstaat met de grootste oppervlakte aan bos in Natura 2000 (ca. 79.800 km2), gevolgd door Polen (ca. 33.500 km2) en Frankrijk (30.090 km2).

Uit het grote aandeel bos in Natura 2000 blijkt ook dat bossen ongeveer 42 % van het EU-grondgebied bestrijken en een significant deel van de Europese bodem bedekken. Ook worden veel bossen zo beheerd dat beschermde habitats en soorten krachtens de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn in stand gehouden worden en dit verklaart hun relatief hoge biodiversiteitswaarde ten opzichte van ander bodemgebruik. Naast dergelijke beheerde bossen omvat het Natura 2000-netwerk ook significante gebieden met oude bossen. Door de aanwijzing van een bos als Natura 2000-gebied wordt de grote waarde van dat bos erkend ten opzichte van de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijze dat alle habitattypen of soorten waarvoor de zone is aangewezen daar al in goede staat zijn. Soms geldt het tegendeel en kunnen derhalve bijzondere instandhoudingsmaatregelen vereist zijn om de situatie te verbeteren. Deze maatregelen kunnen bestaan uit strikte bescherming en actief beheer zoals begrazing, behouden van oude bomen, verwijderen van ongewenste boomsoorten, enz.

2. Welke soorten bossen worden opgenomen in Natura 2000?

Informatie
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders, autoriteiten

Bosgebieden worden opgenomen in Natura 2000 omdat zich in Europa in deze bosgebieden de beste gebieden voor soorten en boshabitats bevinden die krachtens de twee EU-Natuurrichtlijnen beschermd worden. De gebieden worden op wetenschappelijke grondslag geselecteerd.

In het geval van de Habitatrichtlijn omvat de selectieprocedure verschillende stappen waarvan de eerste de aanwijzing op nationaal niveau van de meest geschikte gebieden is, zoals beschreven in bijlage III van de richtlijn. De nationale lijsten worden daarna door de Commissie beoordeeld in samenwerking met de lidstaten en wetenschappelijke deskundigen, om te waarborgen dat deze gebieden, gemeenschappelijk, een voldoende dekking verschaffen voor elk habitattype en soort in hun gehele natuurlijke bereik in de EU en een coherent netwerk vormen. Bij de Vogelrichtlijn worden de gebieden geselecteerd door de lidstaten en, na wetenschappelijke beoordeling, direct opgenomen in het Natura 2000-netwerk.

Bij de selectie van Natura 2000-gebieden voor de krachtens de Habitatrichtlijn 85 beschermde habitattypen1moeten de lidstaten de in bijlage III van de richtlijn opgenomen criteria toepassen. Volgens deze criteria worden de gebieden onder meer geselecteerd omdat de gebieden een goed voorbeeld bevatten van een bepaald habitattype in het gebied en het gebied wordt gekarakteriseerd door een goede instandhouding van de structuur en functies van het betrokken habitattype of omdat ze goede herstelmogelijkheden hebben. Het grote aantal habitattypen illustreert het veelzijdige karakter van de bossen in de EU.

Bossen worden ook aangewezen als Natura 2000 als zij het leefgebied vormen voor voortplanting-, rust-, en foerageerhabitats voor een of meer soorten van Europees belang, opgenomen in bijlage II bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij de Vogelrichtlijn of het leefgebied vormen voor geregeld voorkomende trekvogels die niet in bijlage I zijn opgenomen. Bijlage II van de Habitatrichtlijn omvat de volgende aan het bos verbonden soorten: 43 planten, 44 ongewervelde dieren, 23 zoogdieren en 11 amfibieën, terwijl bijlage I van de Vogelrichtlijn 63 nauw aan het bos verbonden vogelsoorten omvat. Nogmaals, veel van deze soorten zijn maar beperkt verspreid omdat ze sterk bedreigd zijn of een beperkt leefgebied hebben.

Een bepaald gebied kan ook worden geselecteerd vanwege de grootte en dichtheid van in het gebied voorkomende populaties van soorten en de algehele waarde van het gebied voor de instandhouding van de betrokken habitattypen of soort. Krachtens de Vogelrichtlijn worden de gebieden geselecteerd omdat ze qua aantal en grootte het meest geschikt blijken voor de instandhouding van de in bijlage I van de richtlijn opgenomen soorten, of het meest geschikt zijn voor geregeld voorkomende trekvogels.

Tot slot kan een bos worden opgenomen in Natura 2000, zelfs als het geen kernhabitat voor een in de EU beschermde soort of habitattype is, maar omdat het toch van vitaal belang voor de algehele ecologische samenhang van een gebied of het netwerk (bijvoorbeeld een ecologische corridor die kernhabitats voor beschermde soorten in een gebied verbindt, een bufferzone rond een voortplantingsgebied, enz.).

Niet ieder gebied dat een leefgebied is voor een habitattype of soort van EU-belang wordt in Natura 2000 opgenomen. Het doel is alleen de meest geschikte en belangrijkste gebieden aan te wijzen om hun instandhouding te waarborgen. Daarom is voor sommige van de wijderverspreide boshabitats, die krachtens de Habitatrichtlijn beschermd worden, zoals de Westelijke taiga (habitatcode 9010), beukenbossen behorend tot het Asperulo-Fagetum (9130), of bossen met Quercus ilex en Quercus rotundifolia (9340), maar een deel van de totale boshabitat in Natura 2000 opgenomen. Soortgelijke situaties gelden bij een aantal bossoorten zoals de zwarte specht (Dryocopus martius) of de hazelaar (Bonasia bonasia)2.

Niettemin kan het soms noodzakelijk zijn alle verblijvende gebieden aan te wijzen voor een bepaalde soort of habitattype om hun voortbestaan te waarborgen. Dit geldt in het bijzonder voor die gebieden die bijzonder zeldzaam zijn, of waar er maar enkele van bestaan, zoals de zilversparrenbossen in het Moesia-gebied 91BA (18 gebieden die 15.000 km2 bestrijken).

Het is belangrijk te weten waarom een bos in Natura 2000 is opgenomen, omdat dit de instandhoudingsdoelstellingen direct beïnvloedt en het soort instandhoudingsmaatregelen dat vereist kan zijn, en ook de beoordeling van de mogelijke gevolgen voor plannen of projecten in een gebied rechtstreeks kan beïnvloeden (artikel 6 van de habitatrichtlijn).

1 Waaronder boshabitattypen, bosgraslanden, bossen met beweiding (dehesa's) en duinbossen. Met de toetreding van Bulgarije en Roemenië werden 9 nieuwe boshabitattypen in bijlage I van de Habitatrichtlijn opgenomen (onder categorie 9 - Bossen). Met de toetreding van Kroatië werden geen nieuwe categorieën in de Habitatrichtlijn opgenomen.

2 Westelijke taiga (9010) 2848 Natura 2000-gebieden bestrijken bijna 2 miljoen ha, dat is 49 % van het totale habitatgebied; Beukenbossen behorend tot het Asperulo-Fagetum (9130): 2236 gebieden bestrijken ongeveer 800.000 ha, dat is 54 % van het totale gebied: Bossen met Quercus ilex en Quercus rotundifolia (9340): 1163 gebieden bestrijken ongeveer 1 miljoen ha, dat is 64 % van het totale habitatgebied. De cijfers zijn afkomstig uit het rapport betreffende de EU 2010 biodiversiteitsreferentiesituatie, EEA 2010. Ze omvatten niet de habitattypen die na de toetreding van Roemenië, Bulgarije of Kroatië werden toegevoegd.

3. Hoe kan ik meer te weten komen over gebieden die als Natura 2000 zijn aangewezen?

Informatie
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders

Voor elk Natura 2000-gebied bestaat een standaardgegevensformulier (SGF) waarin de soorten en habitattypen van EU-belang, waarvoor het gebied werd aangewezen, worden geregistreerd, alsmede hun geschatte populatiegrootte en mate van instandhouding in het gebied op het moment van de aanwijzing of later bij het verschijnen van nieuwe soorten of habitattypen in het gebied en het SGF dienovereenkomstig wordt bijgewerkt. Het SGF is een voor een ieder toegankelijk document. Het kan in de Natura 2000-viewer worden geraadpleegd3: https://natura2000.eea.europa.eu/.

De Natura 2000-viewer is een online GIS-karteringssysteem dat de precieze locatie van elk Natura 2000-gebied in het EU-netwerk weergeeft. De gebruiker kan zoeken naar en zoekopdrachten ingeven voor elk gebied overal in de EU. Dankzij de grote schaal van de kaarten zijn gebiedsgrenzen en belangrijke landschapselementen makkelijk zichtbaar.

Gedetailleerdere informatie over het gebied vindt men in de bestaande Natura 2000-beheerplannen, of in andere relevante documenten (d.w.z. documenten over instandhoudingsdoelstellingen, akten over aanwijzing van gebieden, enz.).

De lidstaten verstrekken normaal gezien gedetailleerde informatie over de Natura 2000-gebieden, waaronder redenen voor de aanwijzing, instandhoudingsdoelstellingen, beheerplannen en instandhoudingsmaatregelen, die openbaar toegankelijk zijn gemaakt via websites of op andere wijze (bijvoorbeeld via de lokale overheid). Sommige landen verstrekken ook specifieke en gedetailleerde informatie aan grondeigenaren en belangrijke bodemgebruikers voor alle Natura 2000-gebieden (zoals bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk door specifieke kennisgevingen, of door het oprichten van lokale groepen of comités waar belangrijke belanghebbenden, vanaf het begin, zijn betrokken bij het beheer van de gebieden, zoals dat het geval is in Frankrijk en andere EU-lidstaten). Grondeigenaren en bodemgebruikers kunnen zich ook tot lokale natuurbeschermingsinstanties richten om meer informatie over Natura 2000-gebieden te krijgen.

3 De SGF's in de openbare viewer kunnen incompleet zijn, omdat informatie over bepaalde gevoelige soorten achterwege gelaten is. Als een grondeigenaar of -beheerder gedetailleerde informatie nodig heeft, moet de bevoegde natuurbeschermingsinstantie in zijn regio of land worden gecontacteerd.

Opstellen van instandhoudingsmaatregelen voor Natura 2000-gebieden

4. Waarom en hoe moeten instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden opgesteld worden?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten

Overeenkomstig artikel 6, lid 1 moeten instandhoudingsmaatregelen worden getroffen voor de in het gebied aanwezige habitattypen en soorten. Het is daarom belangrijk om duidelijke instandhoudingsdoelstellingen op te stellen voor elk in het gebied aanwezige relevante habitattype en elke soort. De instandhoudingsdoelstellingen moeten zo nauwkeurig mogelijk de gewenste staat of mate van instandhouding vaststellen die in een bepaald gebied moet worden bereikt.

Ze worden vaak als kwantitatieve doelen voorgesteld, bijvoorbeeld de soort x beperken tot een bepaald minimum aantal exemplaren of het verbeteren van de mate van instandhouding van habitat y van categorie C naar B in 10 jaar.

Het opstellen van instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 is belangrijk om te waarborgen dat elk gebied in het netwerk zo effectief mogelijk bijdraagt aan het algehele doel van de twee Natuurrichtlijnen, namelijk het bereiken van een gunstige status van instandhouding voor alle habitattypen en soorten die zij in hun hele verspreidingsgebied in de EU beschermen4.

Instandhoudingsdoelstellingen gelden specifiek voor elk gebied en moeten gebaseerd zijn op gefundeerde kennis van het gebied en van de aldaar aanwezige soorten en habitats, hun ecologische vereisten en alle bedreigingen en belastende factoren voor hun blijvende aanwezigheid in het gebied. Dat is zo omdat elk Natura 2000-gebied zijn eigen unieke combinatie van biotische, abiotische en socio-economische voorwaarden biedt die per gebied aanzienlijk kunnen verschillen, zelfs indien zij het leefgebied vormen voor dezelfde soorten en habitats.

Het is tevens raadzaam bredere instandhoudingsdoelstellingen vast te stellen voor een hele reeks van gebieden, of voor bepaalde soorten of habitats binnen een specifieke regio of een specifiek land (nationale of regionale instandhoudingsdoelstellingen). Dat ondersteunt niet alleen de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen op het niveau van het afzonderlijke gebied, maar ondersteunt ook de vaststelling van strategische instandhoudingsprioriteiten binnen en tussen de verschillende gebieden. Aldus kunnen de maatregelen geprioritiseerd worden die de status van instandhouding van een specifieke soort of habitat binnen die regio of dat land het beste kunnen verbeteren of kunnen handhaven.

De Commissie heeft een interpretatieve nota gepubliceerd die als nadere uitleg verschaffende leidraad dient voor de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 20005.

Zie de vragen 8 en 9.

4 De doelstelling van de Vogelrichtlijn is enigszins anders geformuleerd: maar het streven is dezelfde

5 /environment/nature/natura2000/management/docs/commission_note/commission_note2_NL.pdf

5. Wie is verantwoordelijk voor de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen, worden grondeigenaren/-beheerders/andere belangengroeperingen geraadpleegd?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten

In elke lidstaat zijn de bevoegde autoriteiten verantwoordelijk voor de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen. De Natuurrichtlijnen beschrijven niet hoe dit gedaan moet worden aangezien iedere lidstaat de vorm en de methodes voor de toepassing van de bepalingen van de Natuurrichtlijnen kan vaststellen. De Natuurrichtlijnen willen evenwel de gunstige staat van instandhouding voor de soorten en habitats van communautair belang bereiken en het Natura 2000-netwerk daarvoor gebruiken.

Het is raadzaam dat de instandhoudingsdoelstellingen zijn gebaseerd op degelijke kennis, daarnaast is het raadzaam dat alle betrokken partijen, zij het bosbeheerders of -eigenaren of niet-gouvernementele organisaties voor natuurbehoud betrokken worden bij de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen. Dat zal ertoe bijdragen dat realistische en haalbare instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld worden.

Boseigenaren en bosmanagers weten in het algemeen niet alleen heel goed wat het bosbeheer inhoudt dat in het verleden instandhoudingssuccessen of -mislukkingen heeft opgeleverd, maar het is ook van belang dat de bevoegde autoriteiten en boseigenaren en -beheerders uitvoerig kunnen bespreken hoe gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen het best vastgesteld kunnen worden. Het bespreken en duidelijk communiceren van het belang, de rol en instandhoudingsdoelstellingen van een specifiek gebied zal het bewustzijn en betrokkenheid van alle betrokkenen helpen verbeteren.

6. Waar kan ik informatie over de instandhoudingsdoelstellingen van een bepaald gebied vinden?

Informatie
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders

Elk land heeft zijn eigen publicatieregelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen van zijn gebieden. Zij kunnen worden vastgelegd in besluiten of wetten, of de begeleidende documentatie daarbij, waarin zij de wettelijke status van gebied toegewezen krijgen. Zij kunnen worden gepubliceerd op de website van de bevoegde autoriteiten. Zij worden normaliter ook opgenomen in de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden, of gelijkaardige instrumenten, indien die bestaan, en in die plannen verder uitgewerkt. Het is raadzaam dat lidstaten makkelijk toegankelijke informatie over Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen zo verstrekken, zodat die relevant en begrijpelijk is voor boseigenaren en -beheerders.

7. Hoe weet ik welke activiteiten wel of niet verenigbaar zijn met Natura 2000 als er geen instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld?

Informatie
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders

Voor alle Natura 2000-gebieden moeten de bevoegde autoriteiten instandhoudingsdoelstellingen vaststellen. Het proces kan vertraagd zijn en instandhoudingsdoelstellingen kunnen nog steeds ontbreken.

Dan moeten de bevoegde autoriteiten de belanghebbenden informeren over de consequenties van de aanwijzing tot Natura 2000-gebied. Zij moeten met name meedelen of bepaalde bosbouwmaatregelen of andere activiteiten moeten worden aangepast, of mogelijk worden uitgesloten om verslechtering in het gebied te vermijden, of welke activiteiten moeten worden gestimuleerd om de staat van instandhouding van het gebied te verbeteren. Het standaardgegevensformulier (SGF) is een nuttige bron van informatie om te begrijpen waarom een bepaald gebied is aangewezen. Het moet steeds worden geraadpleegd als er beheerbeslissingen worden genomen (bijvoorbeeld nieuwe beheerdocumenten opgesteld worden of het plannen van nieuwe investeringen).

Overeenkomstig het SGF moet de lidstaat minstens passende maatregelen nemen om verslechtering te vermijden van alle significant voorkomende habitats en soorten in het gebied. Als wetenschappelijke informatie ontbreekt, moet het voorzorgsbeginsel worden gevolgd. Zie ook vraag 3.

Toepassing van instandhoudingsmaatregelen voor boshabitats en soorten in Natura 2000-gebieden

8. Hoe worden instandhoudingsmaatregelen voor een Natura 2000-gebied vastgesteld en getroffen? Wanneer moeten ze genomen worden?

Wettelijke verplichting
Doelgroep: autoriteiten

Instandhoudingsmaatregelen zijn de praktische acties die moeten worden toegepast om de instandhoudingsdoelstellingen in het gebied te kunnen bereiken. Ze moeten voldoen aan de ecologische vereisten van de aanwezige habitattypen en soorten. Bij het treffen van instandhoudingsmaatregelen moet ook rekening worden gehouden met de economische, sociale en culturele context, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden. Dit beginsel is verankerd in de Habitatrichtlijn (artikel 2)

Om de benodigde instandhoudingsmaatregelen te kunnen vaststellen is het van vitaal belang dat er een degelijke informatiebasis bestaat over de heersende omstandigheden in het gebied, alsmede over de staat van instandhouding, bedreigingen, belastende factoren voor en behoeften van de aanwezige soorten en habitattypes en betreffende de gehele socio-economische context (bestaand bodemgebruik en landeigendom, belangen van belanghebbenden, lopende economische activiteiten, enz.).

Net zoals instandhoudingsdoelstellingen, gelden instandhoudingsmaatregelen in het algemeen specifiek voor ieder gebied en moeten per gebied getroffen worden. Dat is zo omdat elk Natura 2000-gebied zijn eigen unieke combinatie van biotische, abiotische en socio-economische voorwaarden biedt die per gebied aanzienlijk kunnen verschillen, zelfs indien zij het leefgebied vormen voor dezelfde soorten en habitats.

Vanaf het moment dat een gebied als een gebied van communautair belang is aangenomen, heeft de lidstaat tot 6 jaar de tijd om de benodigde instandhoudingsmaatregelen te treffen en het gebied als speciale beschermingszone aan te wijzen. Deze 6 jaar moeten niet alleen te worden gebruikt om alle benodigde informatie over het gebied te verzamelen, maar ook om alle belangengroeperingen te informeren en met hen te discussiëren en te onderhandelen over welke maatregelen het best kunnen worden toegepast om de voor het gebied opgestelde instandhoudingsdoelstellingen te halen.

9. Wat zijn Natura 2000-beheerplannen en zijn ze verplicht?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten

De lidstaten worden aangemoedigd om in nauwe samenwerking met lokale belanghebbenden Natura 2000-beheerplannen uit te werken opdat het gebied efficiënt en transparant wordt beheerd. De voor Natura 2000 bevoegde autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het opstellen van Natura 2000-beheerplannen. Een beheerplan biedt een solide en efficiënt kader voor de toepassing en de opvolging van instandhoudingsmaatregelen.

Alhoewel zij krachtens de Habitatrichtlijn niet verplicht zijn, zijn de Natura 2000-beheerplannen zeer nuttige instrumenten omdat zij:

  • een compleet overzicht bieden van de instandhoudingsdoelstellingen, en ecologische omstandigheden en de vereisten van de in het gebied aanwezige habitats en soorten, zodat het voor iedereen duidelijk is wat in stand wordt gehouden en waarom.
  • de socio-economische en culturele context van het gebied en de interacties tussen verschillend bodemgebruik en de aanwezige soorten en habitats analyseren.
  • een kader bieden voor een open debat tussen alle belangengroeperingen en kunnen helpen volledige overeenstemming te bereiken over het langetermijnbeheer van het gebied, alsmede het creëren van een gevoel van gedeelde betrokkenheid ten aanzien van de uiteindelijke resultaat.
  • helpen bij het vinden van praktische beheeroplossingen die duurzaam zijn en beter geïntegreerd zijn in andere bodemgebruikpraktijken.
  • een middel zijn om de respectievelijke verantwoordelijkheden van de verschillende socio-economische belanghebbenden, autoriteiten en NGO's vast te leggen bij de toepassing van de vastgestelde benodigde instandhoudingsmaatregelen.

Beheerplannen voor Natura 2000 kunnen specifiek voor het betrokken gebied worden ontworpen, of worden geïntegreerd in andere ontwikkelingsplannen, zoals bosbeheerplannen, mits de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen duidelijk in dergelijke plannen zijn opgenomen. Eén document kan met andere woorden in beginsel zowel de bepalingen voor algemeen bosbeheer van een bepaald gebied en de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen en voor dat gebied benodigde maatregelen omvatten. Op dat onderwerp wordt in vraag 34 nader ingegaan.

10. Zijn er hulpmiddelen om de voorbereiding van Natura 2000-beheerplannen te ondersteunen?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten

Ondersteuning voor de voorbereiding van Natura 2000-beheerplannen, voor de formulering van instandhoudingsmaatregelen, en bij de uitvoering van het beheerplanproces in Natura 2000-gebieden is beschikbaar op de website van de Europese Commissie6, en in veel landen.

Financiële ondersteuning kan ook worden verkregen via de EU-structuurfondsen (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, Cohesiefonds) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) voor het opstellen en bijwerken van plannen voor Natura 2000-gebieden (Artikel 20 van Verordening EU Nr. 1305/2013), afhankelijk van de nationale uitvoeringsprogramma's en het LIFE-programma.

In het verleden is voor de voorbereiding van Natura 2000-beheerplannen substantieel gebruik gemaakt van deze Europese fondsen, bijvoorbeeld ELFPO in Frankrijk, Italië, Spanje,Portugal en sommige Duitse deelstaten; EFRO in Griekenland, Polen, Hongarije, Italië; Cohesiefonds in Litouwen; en LIFE-financiering in Cyprus, Hongarije, Litouwen en veel andere landen. Deze fondsen zullen in de toekomst waarschijnlijk verder worden gebruikt voor de herziening en bijwerking van beheerplannen (zie afdeling 1.2.2 in deel I van dit document voor een overzicht van de mogelijke EU-financieringsbronnen).

11. Hoe worden de ecologische vereisten van habitattypen en soorten vastgesteld?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten

De ecologische vereisten van habitattypen en soorten omvatten alle ecologische behoeften, waaronder abiotische en biotische factoren die noodzakelijk worden geacht om de instandhouding van de habitattypen te waarborgen (d.w.z de habitatspecifieke structuur en functies die noodzakelijk zijn voor het overleven op lange termijn, de typische soorten, enz.), en de in het gebied aanwezige soorten, en hun verhouding met de leefomgeving (lucht, water, bodem vegetatie, enz.).

Deze vereisten berusten op wetenschappelijke kennis en moeten van per geval bepaald worden, wat betekent dat de ecologische vereisten per soort of habitattype in een gebied kunnen verschillen, maar ook voor dezelfde soort of habitattype per gebied. Ze staan los van socio-economische overwegingen.

Om het beheer van deze habitattypen en soorten te ondersteunen kunnen beschikbare nationale en regionale bronnen worden geraadpleegd om relevante en gedetailleerde informatie te verzamelen over ecologische vereisten van habitattypen en soorten van EU-belang. De Commissie heeft ook voor sommige habitats en soorten beheerrichtsnoeren gepubliceerd, die hierover relevante informatie bevatten (bijvoorbeeld voor 9070 Fennoscandinavische bosweiden, 9110 Beukenbossen van het type Luzulo-Fagetum, 9360* Laurierbossen op de Macaronesische eilanden (Laurus, Ocotea), 9530* (Sub)-mediterrane dennenbossen met endemische zwarte den en voor de Cerambyx cerdo en de Tetrao urogallus7.

12. Betekent de enkele aanwezigheid van een soort/habitattype van EU-belang dat er beheerveranderingen in een Natura 2000-bos plaats moeten vinden?

Informatie
Doelgroep: bevoegde autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Niet noodzakelijkerwijze, een soort of habitattype kan in een goede mate van instandhouding in een bepaald gebied zijn, juist vanwege de manier waarop het tot op heden is beheerd, en het is in zulke gevallen belangrijk om te waarborgen dat de bestaande beheerpraktijken in de toekomst ook worden voortgezet.

Het kan echter voorkomen dat een soort of habitat aanwezig is maar zich in het gebied niet in een goede mate van instandhouding bevindt. Indien de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied een verbetering ervan nastreven, kunnen bepaalde beheerveranderingen nodig zijn. Het kan bijvoorbeeld nodig zijn om de structuur en de functies van de boshabitat, waaronder de samenstelling van de soort, te verbeteren, of om het gebied van het habitattype in ongunstige staat uit te breiden, of om de habitat voor een bepaalde soort te verbeteren of om de oppervlakte die een soort in ongunstige staat inneemt te vergroten.

Sommige maatregelen kunnen vereist zijn om deze doelstellingen te bereiken, zoals het behoud of het herstel van bepaalde essentiële boskenmerken, zoals soortdiversiteit, ongelijkjarige bestanden, microhabitats, behoud van een voldoende aantal oude en rottende bomen en voldoende hoeveelheden dood hout, aanvullende aanplant of herbebossing, de instandhouding van open plekken voor natuurlijke regeneratie, verwijderen van niet-inheemse boomsoorten, selectieve uitdunning, bescherming van de minerale bodemlaag, uitbannen van gebruik van pesticiden en biociden, behoud van oude en/of holle bomen, behoud van wortelplaten en boomstronken, bescherming van bosranden, enz. In sommige gevallen kan ook strikte bescherming noodzakelijk zijn. Nogmaals, de precieze aard van de maatregelen moet per gebied worden bepaald zodat zij voldoen aan de ecologische vereisten van de aanwezige soorten en habitattypen (zie ook vraag 8 en vraa 11).

13. In bossen in Natura 2000-gebieden bevinden zich vaak soorten en habitats die niet onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn vallen. Moeten er voor zulke soorten en habitats specifieke instandhoudingsmaatregelen worden getroffen?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Meestal niet; Met betrekking tot de bepalingen in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn moeten er alleen voor de soorten en habitattypen die krachtens deze twee richtlijnen beschermd worden, en die aanwezig zijn in het Natura 2000-gebied, instandhoudingsmaatregelen getroffen worden. Maar ook aandacht verdienen soorten die niet als zodanig beschermd worden krachtens de Habitatrichtlijn maar kenmerkend zijn voor een habitattype uit bijlage I of noodzakelijk zijn voor de instandhouding van een soort van communautair belang (bijvoorbeeld: voor vogels de bescherming van mierenhopen). De bevoegde autoriteiten moeten relevante informatie kunnen verstrekken.

Het bosbeheer kan verder rekening houden met andere soorten en habitats die niet krachtens de EU-Natuurrichtlijnen beschermd worden. Lidstaten, en zeker de individuele boseigenaren en -beheerders, zijn helemaal vrij om ook instandhoudingsdoelstellingen en/of -maatregelen op te stellen voor soorten en habitats die niet onder deze twee richtlijnen vallen, bijvoorbeeld voor habitats en soorten die op nationaal of regionaal niveau worden beschermd of bedreigd.

14. Zijn alle instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden verplicht?

Wettelijke verplichting / Aanbeveling / Informatie
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(W) Het proces voor het treffen van de vereiste instandhoudingsmaatregelen voor elk Natura 2000-gebied is geen facultatieve bepaling; het is verplicht voor alle lidstaten. Dat betekent dat voor elk Natura 2000-gebied de nodig geachte instandhoudingsmaatregelen, moeten worden vastgesteld en uitgevoerd (EHJ zaak C-508/04)8.

(A) Het is echter nuttig te onderscheiden tussen de maatregelen die men nodig vindt voor de instandhouding en het herstel van de het gebied aanwezige soorten en habitattypen en de maatregelen die men wenselijk vindt en "dat het goed zou zijn als ze zouden worden uitgevoerd als de nodige middelen en mogelijkheden voorhanden zijn." Dit laatste kan in het ideale geval teruggevonden worden in het Natura 2000-beheerplan, omdat ze worden beschouwd als bestepraktijkenmaatregelen die het algehele niveau van de biodiversiteit in het gebied moeten verbeteren en daarbij verdergaan dan de voor het gebied verplichte vereisten.

(I) Het treffen van instandhoudingsmaatregelen betekent niet altijd dat er sprake is van actief beheer of herstelmaatregelen, zoals het verwijderen van invasieve niet-inheemse soorten of de diversificatie van de leeftijdsstructuur van bosbestanden. Het kan ook beschermende maatregelen betreffen zoals het vermijden van voor een soort storende factoren tijdens het voortplantingsseizoen.

15. Hoe worden instandhoudingsmaatregelen geformuleerd?

Aanbeveling
Destinatario: autoriteiten

Het is raadzaam om de instandhoudingsmaatregelen voldoende gedetailleerd te beschrijven om hun effectieve toepassing te kunnen waarborgen. Het is gangbaar om de locatie en een beschrijving van de vereiste middelen en instrumenten voor hun toepassing te geven, alsmede informatie over de rol en verantwoordelijkheid van de verschillende betrokken acteurs. Duidelijk taalgebruik bij de beschrijving van de instandhoudingsmaatregelen is raadzaam, zodat ze door iedereen goed begrepen worden.

Het is raadzaam, indien nodig, instandhoudingsmaatregelen te herzien en aan te passen, bijvoorbeeld op basis van de huidige resultaten van reeds uitgevoerde maatregelen. Het is belangrijk een indicatie van de geschatte kosten en beschikbare financiering te geven en een tijdschema op te stellen voor de herziening van de nu getroffen instandhoudingsmaatregelen, inzake hun daadwerkelijke toepassing en hun geschiktheid om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.

16. Wie beslist er welke instandhoudingsmaatregelen nodig zijn? Worden belanghebbenden geraadpleegd?

Aanbeveling
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders, autoriteiten

De bevoegde autoriteiten van ieder land zijn bevoegd om te beslissen welke instandhoudingsmaatregelen nodig zijn. De Natuurrichtlijnen schrijven niet voor welke instandhoudingsmaatregelen moeten worden getroffen, alleen dat ze moeten voldoen aan de ecologische vereisten van de in een gebied aanwezige soorten en habitattypen. Elke lidstaat kan zelf het type maatregelen ontwerpen en treffen die zij het meest geschikt en effectief vindt voor haar Natura 2000-gebieden.

Het is raadzaam dat enerzijds gewaarborgd wordt dat de instandhoudingsmaatregelen gebaseerd zijn op gefundeerde kennis, en anderzijds bosbeheerders of-eigenaren, en relevante andere belanghebbende partijen (zoals vertegenwoordigers van lokale gemeenschappen of natuurbeschermings-NGO's) actief betrokken worden bij het vaststellen van de benodigde instandhoudingsmaatregelen en de voorbereiding van de Natura 2000-beheerplannen.

Het is vooral raadzaam dat boseigenaren en -beheerders in een vroeg stadium betrokken worden bij de ontwikkeling van voor het afzonderlijke gebied specifieke instandhoudingsmaatregelen. Door hun deelname aan de planning en de voorbereiding van instandhoudingsmaatregelen voor een Natura 2000-gebied kan hun deskundigheid gebruikt worden en hun deelname is een uitstekende mogelijkheid om hen ook actief bij de toepassing van deze instandhoudingsmaatregelen te betrekken. Huidige goede praktijk betekent dat de actieve bijdrage van alle relevante belanghebbenden verzekerd wordt, bijvoorbeeld door het opzetten van stuurgroepen of comités.

Goede communicatie vanaf het begin helpt ook bij het vinden van compromissen en synergieën tussen wat reeds is gedaan en wat kan worden verbeterd. Het resultaat kan een kosten‑effectiever en minder tijdrovend proces zijn. De kans op succes wordt hierdoor sterk vergroot omdat de verschillende belanghebbenden worden aangemoedigd en in staat gesteld worden om actiever bij te dragen aan en zich te wijden aan het beheer van hun Natura 2000-gebied.

Als de instandhoudingsmaatregelen zijn getroffen, is het raadzaam dat dit aan het algemene publiek wordt meegedeeld (bijvoorbeeld op websites, in de lokale pers, in officiële registers bij lokale autoriteiten).

17. Welke instandhoudingsmaatregelen vereist Natura 2000 voor bossen?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Zoals hierboven aangegeven geldt het type instandhoudingsmaatregel zeer specifiek voor het gebied en hangt af van de specifieke omstandigheden van elk gebied en de ecologische vereisten van de aanwezige soorten en de habitattypen.

Daarom kan over het eventueel benodigde type instandhoudingsmaatregel niet gegeneraliseerd worden. De maatregelen kunnen uiteen lopen van ‘niets’ (bijvoorbeeld geen aanvullende maatregelen vereist, behalve dat het gebied op dezelfde manier als voorheen beheerd wordt) via ‘eenvoudige’ maatregelen, zoals het vermijden van storende factoren rond bepaalde bomen tijdens het voortplantingsseizoen, het creëren van kleine openingen in het bladerdak om meer zonlicht door te laten, of het vergroten van de hoeveelheid dood hout in het bos, tot ‘grote’ herstelactiviteiten zoals de grootschalige verwijdering van niet-inheemse soorten of het herstructureren van een bebost gebied om de leeftijdsstructuur te diversificeren en gefragmenteerde habitats weer te verbinden. In sommige gevallen kan ook non-interventie en strikte bescherming worden overwogen als instandhoudingsmaatregel, in het bijzonder voor oud bos dat een hoge mate aan natuurlijkheid bezit (zie ook vraag 21).

De casestudies in deel III van dit document en andere bestaande beoordelingen9 bieden een schat aan voorbeelden van verschillende instandhoudingsmaatregelen die onder verschillende omstandigheden overal in Europa zijn getroffen.

9 Bijvoorbeeld: Kraus D., Krumm F. (red.) 2013. Integrative approaches as an opportunity for the conservation of forest biodiversity. European Forest Institute. 284 blz.

18. Hoe moet men kiezen tussen instandhoudingsmaatregelen die positieve gevolgen voor een bepaalde habitat of soort kunnen hebben, maar tegelijkertijd kunnen bijdragen tot de verslechtering van een ander habitattype of andere soort?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Het kan voorkomen dat een soort of habitat profiteert van een bepaalde instandhoudingsmaatregel, terwijl een andere soort of habitat daarvan negatieve gevolgen ondervindt. Bijvoorbeeld de beslissing om een deel van een bos braak te leggen, kan ertoe bijdragen dat een invasieve soort zich verder verspreidt, of de regeneratie van stukken eikenhabitat kan een negatief effect op de habitat van sommige vogels hebben. Alhoewel kleinere compromissen vaak voorkomen, helpen weldoordachte instandhoudingsdoelstellingen bij het nemen van de juiste beslissing. Het is raadzaam de weldoordachte instandhoudingsdoelstellingen te raadplegen, de gebiedspecifieke prioriteiten voor de instandhoudingsmaatregelen te bekijken en te beoordelen wat positieve en negatieve gevolgen van de beoogde maatregelen op deze prioriteiten kunnen zijn.

Compromissen kunnen vaak voorkomen of beperkt worden door een goede timing en door ze vast te stellen voor bepaalde delen van het gebied, of zelfs door de gevolgen voor een deel van het gebied te compenseren door instandhoudingsmaatregelen voor dezelfde habitat of soort in een ander deel.

19. Kunnen instandhoudingsmaatregelen voor verschillende Natura 2000-gebieden hetzelfde zijn?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Instandhoudingsmaatregelen voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen die voor ieder gebied zijn vastgesteld en zijn meestal gebiedspecifiek. Maar vergelijkbare maatregelen kunnen vereist zijn in verschillende Natura 2000-gebieden met vergelijkbare karakteristieken en doelstellingen. In dergelijke gevallen kunnen instandhoudingsmaatregelen gemeenschappelijk worden toegepast (bijvoorbeeld een Natura 2000-beheerplan kan verschillende gebieden bestrijken waarvoor dezelfde maatregelen vereist zijn).

20. Waarom zijn dood hout, oude bomen, oude bossen en een veelzijdige structuur zo belangrijk in Natura 2000-bosgebieden?

Informatie
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders

Dood hout biedt een geschikte habitat voor veel bossoorten die bedreigd of met uitsterven bedreigd zijn. Dood hout of rottende bomen zijn bijzonder belangrijk voor saproxylische insecten (soorten die hout eten) en voor soorten die hier hun schuilplaatsen of nestgaten bouwen (bijvoorbeeld spechten of sommige kleine zoogdieren). Een groot deel van de saproxylische soorten en soorten die afhankelijk zijn van dood hout en rottende bomen worden beschermd krachtens de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn, zoals de Cerambyx cerdo, Lucanus Cervus, Osmoderma eremita, Rosalia alpina, Dendrocopos major, enz. Er is wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp beschikbaar10 11. Het behoud van dood hout is vaak erg belangrijk, maar bij elke beslissing in dat opzicht moeten ook de brandrisico's in gevoelige gebieden overwogen worden.

Oude bomen (ook veteraanbomen genoemd, d.w.z. bomen die ouder dan 160 tot 200 jaar zijn) vindt men vaak niet in beheerde bossen, omdat de normale omlooptijd van de bosbouw meestal korter is dan de natuurlijke levensduur van de bomen en de natuurlijke boscycli. Ze zijn cruciale microhabitats voor sommige bedreigde kevers, korstmossen, paddenstoelen, enz.. Daarom kan het behoud van zulke bomen in de bossen en het mogelijk maken dat tenminste een alleenstaande boom of een bomengroep een dergelijke leeftijd bereikt, bijdragen tot het verbeteren van de instandhouding van de hierboven genoemde soorten.

Een uiteenlopende bosstructuur met bestanden van verschillende leeftijd, helderder of donkerder plekken, rottende bomen en dood hout, enz. zijn verschillende habitats voor veel soorten.

Oude bosgebieden verdienen in het algemeen bijzondere aandacht in Natura 2000. Ze vormen het leefgebied voor veel typische bossoorten met een beperkt migratievermogen of ze herbevolken nieuwe stukken bos op vroegere landbouwgrond (bijvoorbeeld veel ongewervelde groepen, sommige planten en mossen). Bossen met een hoge natuurlijkheidsgraad kunnen nog in sommige delen van Europa gevonden worden (bijvoorbeeld de oude taiga in Noord-Europa). In andere delen van de EU zijn dergelijke bossen echter beperkt tot kleine kernen in beheerde complexen of bepaalde gebieden met specifieke ecologische en sociale omstandigheden, zoals de bergregio's in de Karpaten of de Alpen. Ze zijn zeer belangrijk voor de bescherming van boshabitattypen en soorten van communautair belang. De autoriteiten, boseigenaren en -beheerders worden daarom aangemoedigd om deze gebieden actief te beschermen door aandacht te besteden aan de niet-hout voordelen en door, waar nodig, volledig gebruik te maken van de bestaande financiële stimulansen voor gebiedbescherming. Het is raadzaam dat, zoals voor alle beheerbeslissingen in Natura 2000-bossen, de beheerbeslissingen die de aanwezigheid van dood hout, oude bomen, enz. betreffen, overeenstemmen met goed omschreven en gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden, die de ecologische vereisten weergeven van de in het gebied aanwezige habitats en soorten.

10 E.g. Stockland J. N., Siitonen J., Jonsson B. G. 2012. Biodiversity in dead wood. Cambridge University Press, 509 blz.

11 A comprehensive European review of deadwood thresholds is provided in Müller J, Bütler R. 2010. A review of habitat thresholds for dead wood: a baseline for management recommendations in European forests. European Journal of Forest Reserarch 129, 6.

21. Is non-interventiebeheer een mogelijke instandhoudingsmaatregel om instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000 te bereiken?

Aanbeveling
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders, autoriteiten

Non-interventiebeheer als mogelijke beheertechniek kan onder specifieke omstandigheden nuttig zijn. Het braakleggen van kerngebieden, uitsluitend voor natuurbehoud moet per geval overwogen worden, bijvoorbeeld waar vooral zeldzame of waardevolle habitats en ernstig bedreigde soorten aanwezig zijn en niet-interventiebeheer helpt bij de instandhouding van deze habitats en soorten. Net als alle andere mogelijke instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000, moet niet-interventiebeheer in overeenstemming zijn met goed omschreven en gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen.

Slechts boshabitats met zeer natuurlijke bestaande bosvegetatie, die zich in een vergevorderd stadium van successie bevinden, komen in principe in aanmerking voor niet-interventiebeheer. Voor boshabitats van communautair belang die zijn ontstaan door beheer in het verleden en huidig beheer, en die zouden verdwijnen of veranderen in andere bostypen bij niet-interventiebeheer, moet actief beheer voortgezet worden.

Indien niet-interventie wordt gehandhaafd als instandhoudingsmaatregel moeten de gevolgen daarvan, waaronder economische, nauwkeurig beoordeeld worden.

22. Hoe worden de benodigde instandhoudingsmaatregelen toegepast en wie is daar verantwoordelijk voor?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

De bevoegde autoriteiten bepalen hoe de benodigde voor hun Natura 2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsmaatregelen het best toegepast kunnen worden. De Richtlijn vermeldt slechts dat het daarbij kan gaan om passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen. Welke maatregel wordt gekozen, wordt overgelaten aan de lidstaten, overeenkomstig het subsidariteitsbeginsel.

De lidstaten kunnen waarborgen dat ze de instandhoudingsdoelstellingen voor hun Natura 2000-gebieden bereiken, door tenminste één van deze drie categorieën maatregelen te kiezen:

  • Wettelijke maatregelen: ze volgen over het algemeen een patroon zoals neergelegd in procesrecht en kunnen specifieke eisen stellen aan activiteiten die in het gebied toegestaan, beperkt, of verboden kunnen worden.
  • Administratieve maatregelen ze kunnen relevante bepalingen vaststellen voor de toepassing van instandhoudingsmaatregelen of de autorisatie van andere activiteiten in het gebied.
  • Op een overeenkomst berustende maatregelen: ze omvatten het opstellen van overeenkomsten of akkoorden, normaal gezien tussen beheerautoriteiten en grondeigenaren of grondgebruikers in het gebied.

Er bestaat geen hiërarchie tussen deze deze drie categorieën. De lidstaten kunnen daarom voor een Natura 2000-gebied kiezen voor slechts één categorie maatregelen (bijvoorbeeld alleen op een overeenkomst berustende maatregelen) of voor een combinatie van maatregelen (bijvoorbeeld een combinatie van wettelijke maatregelen en maatregelen die op een overeenkomst berusten). Voorwaarde is wel dat het gaat om passende maatregelen om verslechtering van de habitats of het optreden van storende factoren te voorkomen voor de soorten waarvoor een gebied is aangewezen (overeenkomstig artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn) en dat zij voldoen aan de ecologische vereisten van de in het gebied aanwezige habitats en soorten (overeenkomstig artikel 6, lid 1 van de Habitatrichtlijn). Dergelijke ecologische vereisten kunnen variëren van eenvoudige bescherming tegen verslechtering tot actief herstel van gunstige ecosysteemstructuren en -functies, afhankelijk van de actuele mate van instandhouding van de betrokken soorten en habitats.

Proactieve instandhoudings- of herstelmaatregelen kunnen worden bereikt door contractuele overeenkomsten met boseigenaren en -beheerders, waaronder overeenkomsten over de kostendekking van maatregelen die verder gaan dan de wettelijke verplichting. Extra kosten kunnen zover als mogelijk met adequate fondsen opgevangen worden en door opgelegde gebruiksbeperkingen gederfde inkomsten kunnen gecompenseerd worden. Hoeveel gecompenseerd wordt, hangt af van de aard van de opgelegde beperkingen en het daadwerkelijk geleden verlies, alsmede van de lokale omstandigheden.

In het kader van het beleid voor plattelandsontwikkeling zijn Natura 2000 en bosmilieumaatregelen goede voorbeelden van contracten en overeenkomsten en hoe die met boseigenaren over het bosbeheer gesloten kunnen worden om de instandhouding van habitats en soorten te waarborgen. Natura 2000-maatregelen kunnen extra kosten en gederfde inkomsten bekostigen die uit Natura 2000-verplichtingen voortkomen, terwijl bosmilieumaatregelen extra verplichtingen die verder gaan dan het basisniveau kunnen bekostigen.

23. Heeft het eigenaarschap en de grootte van het bos invloed op het beheer in Natura 2000?

Wettelijke verplichting /Aanbeveling /Informatie
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(W) De verplichtingen die uit de richtlijnen voortvloeien zijn indirect van toepassing op alle typen boseigenaren en -beheerders, ongeacht hun status en de grootte van hun eigendom in Natura 2000, indien niet anders vastgesteld door de nationale wetgeving ter omzetting van de richtlijnen.

(I) Het type instandhoudingsmaatregel dat gebruikt wordt, kan echter worden aangepast om rekening te houden met eigenaarschap en grootte. Zolang bijvoorbeeld aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kunnen de lidstaten de voorkeur geven aan het gebruik van contractuele overeenkomsten ingeval van private grondeigenaren en administratieve en beleidsmaatregelen bij overheidsbossen.

(I) De grootte van Natura 2000-bosgebieden kan soms ook de ambities, en het niveau hiervan, beïnvloeden, dat bij de instandhoudingsdoelstellingen wordt nagestreefd. Bijvoorbeeld grote overheidsbossen beschikken waarschijnlijk veel vaker over de wettelijke middelen en -methoden om hun bosbouwbeheerpraktijken aan te passen om ambitieuzere instandhoudingsmaatregelen toe te passen. Overheidsinstellingen kunnen bij het uitvoeren van hun beleid hogere prioriteit aan de multifunctionele rol van overheidsbossen geven dan eigenaren van kleinere bossen.

(I) Grote gebieden kennen vaak meer ruimte voor flexibiliteit bij het toepassen van instandhoudingsmaatregelen, omdat er in het algemeen meer ruimte is voor keuzes bij beslissingen waar bepaalde instandhoudingsmaatregelen moeten worden toegepast en hoe intensief.

(A) Het werken met kleine private en publieke (bijvoorbeeld gemeenten) grondeigenaren, vereist, aan de andere kant, het gebruik van adequate middelen om hen te informeren over, bewust te maken van, en te betrekken bij de toepassing van geschikte maatregelen en bosbouwpraktijken. Gecoördineerde acties door een groep kleine bedrijven biedt ruimte voor synergieën en besparingen.

24. Hoe kunnen boslandeigenaren/-beheerders meedoen of bijdragen?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Boseigenaren en lokale bosbeheerders spelen een belangrijke rol bij de toepassing van Natura 2000. Ze kennen hun gebied en hebben uitgebreide kennis over de toepassing van praktische maatregelen aldaar. Zij zijn derhalve essentiële partners bij de ontwikkeling en de succesvolle toepassing van Natura 2000.

Natura 2000 erkent dat mensen een integraal deel van de natuur zijn en dat partnerschap essentieel is voor het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen. Iedereen heeft een rol in het succes van Natura 2000: de overheid, private grondeigenaren en bodemgebruikers, ontwikkelaars, natuurbeschermings-NGO's, wetenschappers, deskundigen, lokale gemeenschappen en burgers in het algemeen.

Praktisch gezien is het ook zinnig partnerschappen te vormen en mensen samen te brengen. In veel gebieden in Natura 2000 wordt al langere tijd een of andere vorm van actief bodemgebruik uitgeoefend welke grond integraal deel uitmaakt van het platteland in het algemeen. Veel gebieden zijn waardevol voor de natuur, juist omdat ze tot nog toe op een bepaalde manier zijn beheerd en het is belangrijk ervoor te zorgen dat dit in de toekomst nog lang zo blijft.

Zo steunt de Habitatrichtlijn het beginsel van duurzame ontwikkeling en geïntegreerd beheer. Het is niet de bedoeling socio-economische activiteiten te verbieden in een Natura 2000-gebied, maar veeleer ervoor te zorgen dat deze activiteiten zodanig uitgevoerd worden dat ze de aanwezige waardevolle soorten beschermen en ondersteunen en de algemene gezondheid van de natuurlijke ecosystemen in stand houden.

Hier moet echter wel worden opgemerkt dat sommige Natura 2000-bossen door natuurlijke processen zijn gevormd met weinig of geen menselijke invloed, zodat het beheer zich moet richten op het behoud van hun hoge mate van natuurlijkheid.

In de Habitatrichtlijn worden het actiekader en de globale te bereiken doelstellingen vastgesteld, maar elke lidstaat is vrij om in overleg met de lokale belanghebbenden te beslissen hoe men zijn eigen Natura 2000-gebieden het best kan beheren. Het gaat er vooral om dat lokale oplossingen voor lokale beheerproblemen gevonden worden en dat tegelijkertijd wordt gewerkt aan een gedeeld globaal doel: het behoud van habitattypen en soorten van communautair belang of het herstel ervan in een gunstige staat van instandhouding.

25. Bestaan er hulpmiddelen om de toepassing van instandhoudingsmaatregelen, bewustmaking of de capaciteitsopbouw tussen de belanghebbenden te ondersteunen?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten

Belangrijk voor een succesvolle toepassing van Natura 2000 zijn processen voor lokale capaciteitsopbouw voor het beheer van natura 2000-gebieden. Het wordt aanbevolen dat de bevoegde nationale of regionale autoriteiten toegankelijke adviesdiensten aanbieden voor alle bij de toepassing van Natura 2000-beheerplannen of instandhoudingsmaatregelen betrokken partijen. Sommige lidstaten bieden dergelijke diensten al aan.

Planning met inspraak omvat het aanbieden van relevante informatie aan alle belanghebbende partijen en het stimuleren van interdisciplinaire, technisch goed onderbouwde acties. Waarneming gaat uit van de beschikbare hoeveelheid informatie en de kwaliteit ervan. Het gaat hierbij om de identificatie van doelgroepen en ad-hocinformatieplanning met verschillende voor iedere groep geschikte instrumenten en materiaal. Het is belangrijk om rekening te houden met de inzichten van de groepen en mogelijke misverstanden over Natura 2000 en bossen te corrigeren.

Het Natura 2000-biogeografische proces 'Working Together in Natura 2000' is opgezet om de uitwisseling van informatie en goede praktijken over het beheer van Natura 2000 te vereenvoudigen en samenwerking in de lidstaten en de regio's te ontwikkelen12. Met name krachtens ELFPRO, maar ook LIFE en andere financieringsprogramma's zijn financiële middelen uit EU-fondsen beschikbaar om de capaciteit voor de toepassing van geschikte instandhoudingsmaatregelen te vergroten, waarbij belangrijke lokale belanghebbenden zoals boeren en boseigenaren betrokken worden.

12 Voor meer informatie over dit proces kunt u het Natura 2000-communicatieplatform raadplegen: /environment/nature/natura2000/platform/index_en.htm

Niet-verslechtering van Natura 2000-gebieden waarborgen

26. Wat betekent het in de praktijk dat in het gebied geen verslechtering mag optreden?

Wettelijke verplichting (W) / Aanbeveling (A) / Informatie (I)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Overeenkomstig de Habitatrichtlijn (artikel 6, lid 2) moeten de lidstaten passende maatregelen treffen om te voorkomen dat de natuurlijke habitats verslechteren en dat er significante storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De Vogelrichtlijn (artikel 4, lid 4) verlangt dat in het algemeen moet worden vermeden dat in de habitats van de vogels verslechtering optreedt.

Boseigenaren en –beheerders zullen op nationaal, regionaal of lokaal niveau daarvoor vastgestelde juridisch bindende bepalingen (bijv. vergunningprocedures) moeten naleven.

  • De door de lidstaten te treffen ‘passende maatregelen’ zijn niet noodzakelijkerwijze beperkt tot opzettelijke handelingen, maar normaliter gaat het ook toevallige gebeurtenissen (brand, overstroming enz.), zolang dergelijke gebeurtenissen voorspelbaar zijn en voorzorgsmaatregelen kunnen worden genomen om de risico’s voor het gebeuren te minimaliseren. Storende factoren die deel uitmaken van de natuurlijke ecosysteemdynamiek moeten niet als verslechtering worden beschouwd.
  • Het vereiste dat de lidstaten ‘passende maatregelen’ moeten treffen betekent derhalve niet alleen dat menselijke activiteiten aangepakt moeten worden, maar omvat ook bepaalde natuurlijke ontwikkelingen die de staat van instandhouding van de soorten en de habitats in het gebied kunnen doen verslechteren. Bijvoorbeeld, ingeval van natuurlijke successie in semi-natuurlijke habitattypes zouden maatregelen getroffen moeten worden om dit proces te stoppen, indien dat negatieve gevolgen kan hebben voor soorten of habitattypes waarvoor het gebied is aangewezen (HvJ Arrest C-06/0413). De bepaling is niet van toepassing indien actief beheer het proces niet kan beïnvloeden (bijv. door klimaatverandering veroorzaakte verslechtering).
  • Het vereiste is tevens van toepassing op activiteiten die reeds bestonden in het gebied voordat het werd opgenomen in Natura 2000. Dat betekent dat lopende activiteiten wellicht verboden of gewijzigd moeten worden indien zij negatieve gevolgen hebben voor het gebied (HvJ Arrest C-404/0914).
  • Indien negatieve gevolgen voor de habitats of soorten in de gebieden zich kunnen voordoen, wordt van de lidstaten verwacht, indien toepasselijk, dat zij zich ervan vergewissen dat passende maatregelen ter vermijding van verslechtering ook buiten het gebied worden toegepast.
  • Maatregelen die noodzakelijk zijn om verslechtering in een gebied te voorkomen, moeten worden toegepast voordat evidente verslechteringssymptomen zich voordoen (HvJ Arresten C-355/9015, C-117/0016).

In de praktijk betekent dit dat in Natura 2000-bossen activiteiten moeten worden vermeden die negatieve gevolgen zullen hebben voor de ecologische structuur en functies van beschermde habitats of de geschiktheid van habitats voor beschermde soorten (bijv. voeder-, rust- of broedplekken), en activiteiten die significante storende factoren voor beschermde soorten veroorzaken, met name tijdens hun broed-, rust- en voederperiodes.

(I)/(A) Of een specifieke activiteit daadwerkelijk al dan niet zal leiden tot verslechtering van een gebied zal ook afhangen van de globale ecologische omstandigheden in het gebied en de mate van instandhouding van de daar aanwezige soorten en habitattypes. Indien voor hen negatieve gevolgen kunnen ontstaan, moeten preventieve maatregelen getroffen worden. Bestaan er twijfels over de gevolgen van een bepaalde maatregel dan moet een voorzorgbenadering toegepast worden.

(A) Een van-geval-tot-geval-analyse wordt derhalve altijd aanbevolen.

Bijvoorbeeld kaalslag in een klein Natura 2000-gebied aangewezen voor zijn eikenbos zou zeer waarschijnlijk beschouwd worden als verslechtering, terwijl dezelfde activiteit in een groot Natura 2000-gebied, dat voornamelijk bestaat uit grote eikenbestanden, waarschijnlijk geen significante schade zou veroorzaken of zou zelfs gunstig kunnen zijn voor sommige soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ook moet bedacht worden wat de mogelijke indirecte gevolgen zijn van bosbouwmaatregelen. Houtkap kan positieve gevolgen hebben op één plek, bijvoorbeeld doordat meer licht de bodem kan bereiken, of door ongewenste soorten te verwijderen, maar kan op een andere plek een probleem zijn waar de houtkap verslechtering zou kunnen veroorzaken van de structuur en de functies van een beschermd habitattype (aangezien de houtkap bodemverdichting kan veroorzaken, hydrologische omstandigheden kan aantasten, natuurlijke regeneratie- of rottingsprocessen kan beïnvloeden enz.).

(I) Het kappen van een boom met het nest van een zwarte ooievaar, drooglegging van een veenbos, boomkap in de nabijheid van een adelaarsnest in de lente zijn voorbeelden van activiteiten die moeten worden vermeden.

(A) Passende maatregelen, beperkingen of limieten kunnen bijvoorbeeld opgenomen worden in de uitwerking van bosbeheerplannen, om aldus te verzekeren dat door uitgevoerde bosbouwactiviteiten geen storende factoren optreden voor soorten of de verslechtering van de habitats van EU-belang wordt vermeden.

(I) Bovendien kunnen preventieve maatregelen nodig zijn om door externe factoren of risico’s veroorzaakte verslechtering te vermijden, zoals bosbranden of ziektes. In sommige boreaalbossen waar branden een specifieke rol spelen in het behoud van biodiversiteit moeten branden niet als verslechtering beschouwd worden.

(I) In sommige EU-landen en -regio’s bestaan richtsnoeren die aangeven hoe mogelijke negatieve gevolgen van bosbouwmaatregelen voor habitats en soorten van EU-belang vermeden kunnen worden. Die richtsnoeren zijn nuttig voor het beheer van bossen, zowel in als buiten Natura 2000-gebieden (bijv. zie sommige van de bovengenoemde case studies).

(A) De bevoegde lokale, regionale en nationale autoriteiten moeten zich ervan vergewissen dat boseigenaren en –beheerders goed geïnformeerd zijn over de in een bepaald gebied geplande of toegepaste maatregelen. Boseigenaren en –beheerders in Natura 2000-gebieden moeten weten dat sommige activiteiten gereguleerd kunnen zijn. Zij moeten zich informeren over bestaande maatregelen. Twijfelen zij, dan moeten zij contact opnemen met de bevoegde autoriteiten.

27. Moet het bestaande bosbeheer stroken met de instandhoudingsdoelstellingen van het natura 2000-gebied?

Wettelijke verplichting (W)/ Aanbeveling (A)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(W) Ja. Luidens artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn moeten verslechtering van habitats en storende factoren voor soorten, waarvoor het gebied is aangewezen, worden vermeden. Dit geldt ook voor activiteiten die al bestonden toen een gebied werd opgenomen in Natura 2000. Indien een bestaande activiteit in een Natura 2000-gebied verslechtering veroorzaakt van natuurlijke habitats, of storende factoren oplevert voor soorten waarvoor het gebied is aangewezen, moet dat aangepakt worden hetzij door passende maatregelen om de verslechtering overeenkomstig artikel 6, lid 2 een halt toe te roepen en/of via overeenkomstig artikel 6, lid 1 van de Habitatrichtlijn opgestelde proactieve maatregelen. Het kan zijn dat daarom, al naar gelang, de negatieve gevolgen beëindigd moeten worden door hetzij de activiteiten te stoppen of door verzachtende maatregelen te treffen. Sommige economische prikkels of compensatie kunnen in aanmerking genomen worden indien de aan boseigenaren opgelegde inspanningen verder gaan dan normale duurzame bosbeheerpraktijk.

Bijvoorbeeld, het kan zijn dat sommige vogelsoorten die in het gebied nestelen een aanpassing vergen van de timing van bosbouwwerkzaamheden om storende factoren voor de soorten gedurende die gevoelige perioden te vermijden, of een beperking van bepaalde bosbouwactiviteiten in bijzonder gevoelige gebieden verlangen om verslechtering van specifieke habitats of in het gebied aanwezige natuurlijke elementen te vermijden.

(A) Anderzijds, indien positief wordt bijgedragen aan het bestaande bosbeheer, dan moet dat versterkt of geoptimaliseerd worden om de potentiële bijdrage van bosbeheer aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen te maximaliseren.

28. Wie is verantwoordelijk voor de toepassing en verificatie van de verplichting tot vermijding van verslechtering?

Wettelijke verplichting
Doelgroep: autoriteiten

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het treffen van passende maatregelen om verslechtering te vermijden van habitattypes en significante storende factoren voor soorten in Natura 2000-gebieden, zulks overeenkomstig artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn. Van hen wordt verwacht een specifieke, samenhangende en complete wettelijke regeling op te zetten, waardoor de effectieve bescherming van de betrokken gebieden verzekerd kan worden. Voor dat doel zijn puur administratieve of vrijwillige maatregelen wellicht niet voldoende.

De nationale of regionale bevoegde autoriteiten moet ook verifiëren dat maatregelen ter vermijding van verslechtering en significante storende factoren adequaat worden gehandhaafd. Het uitgangspunt voor de vaststelling van een verslechtering of storende factoren is de mate van instandhouding van de habitats en soorten op het moment dat een gebied wordt voorgedragen als gebied van communautair belang. Dat moet worden beoordeeld op grond van die initiële voorwaarden die worden beschreven in het Natura 2000-standaardgegevensformulier. Indien nodig kunnen lidstaten de Europese Commissie berichten dat het standaardgegevensforumlier van een gebied om bepaalde redenen (bijv. betere wetenschappelijke kennis of natuurlijke ontwikkelingen) bijgewerkt moet worden. Indien de Commissie dat aanvaardt, wordt de in het bijgewerkte standaardgegevensforumlier weergegeven situatie het nieuwe uitgangspunt voor de beoordeling van mogelijke verslechtering of storende factoren. Ingeval van verslechtering zal herstel vereist worden.

Bosbeheerpraktijken en Natura 2000-vereisten

29. Moeten bossen in Natura 2000 alleen voor doeleinden van natuurbehoud beheerd worden?

Informatie
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders, autoriteiten

Nee, bossen in Natura 2000 kunnen inderdaad beheerd worden om meerdere functies uit te oefenen, bijv. houtproductie, jacht, recreatie enz. in aanvulling op natuurbescherming. Bosbeheer in Natura 2000-gebieden moet evenwel altijd voldoen aan de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en actief bijdragen aan de verwezenlijking ervan. Indien een Natura 2000-gebied een overlapping heeft met een nationaal beschermd landschapsgebied, of een nationaal park, worden bossen in het algemeen voornamelijk beheerd voor instandhoudingsdoelstellingen volgens de betreffende nationale wetgeving.

Effectief beheer van Natura 2000-gebieden impliceert nauwe samenwerking tussen bevoegde natuurbeschermings- en bosautoriteiten, overheids- en private boseigenaren en andere belangengroeperingen en NGO’s. Het bereiken van passende overeenkomsten, terwijl de legitieme belangen van belanghebbenden gerespecteerd worden, en vrijwillige bijdragen tot het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen beloond worden, zijn alle van essentieel belang voor het succesvol beheer van bossen in Natura 2000.

30. Volstaat uitvoering van bosbeheer overeenkomstig duurzame bosbeheercriteria om te voldoen aan de Natura 2000-vereisten?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Niet noodzakelijkerwijze. Zelfs als de Bos Europa-criteria voor rapportage over duurzaam bosbeheer onderhoud, instandhouding en passende verbetering van biologische diversiteit in bosecosystemen omvat, kan dat misschien onvoldoende gedetailleerd zijn om de specifieke instandhoudingsdoelstellingen voor afzonderlijke Natura 2000-gebieden af te dekken. In dergelijke gevallen moeten de specifieke vereisten van Natura 2000 de algemene beginselen en criteria van duurzaam bosbeheer wellicht aanvullen en gedetailleerder geformuleerd worden.

31. Impliceert Natura 2000-aanwijzing wijziging van bestaande bosbeheerpraktijken? Aanbeveling

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Niet noodzakelijkerwijze, de aanwijzing van een gebied krachtens Natura 2000 vereist niet systematisch wijzigingen van bestaande bosbouwactiviteiten. Het hangt grotendeels van het gebied af.

Voor een aantal gebieden kan gelden dat in de eerste plaats bestaande bosbeheerpraktijken exact de reden zijn waarom een specifieke habitat of soort in een goede staat van instandhouding verkeert. In dergelijke gevallen is het van belang te verzekeren dat deze praktijken ook in de toekomst voortgezet worden, en eventueel zelfs uitgebreid worden naar andere gebieden. Voor vele semi-natuurlijke boshabitats, zoals de dehesa’s of de Scandinavische bosweiden, hebben de traditionele beheerpraktijken deze habitats gevormd en moeten derhalve behouden blijven.

In andere gevallen kunnen evenwel bepaalde aanpassingen of beperkingen van bestaande activiteiten vereist zijn om te voldoen aan de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen. Veranderingen in bosbeheer kunnen bijvoorbeeld nodig zijn om de ecologische kwaliteit van habitats te verbeteren (hoeveelheid dood hout, aantal oude bomen, enz.) of via herstel meer gebied voor een bepaald habitattype bereiken. (Zie ook vragen nr. 12 en 27).

De huidige staat van instandhouding is voor vele boshabitattypen slecht (zie bijlage 2), dus kunnen veranderingen in de bosbeheerpraktijken nodig zijn om hun staat de verbeteren. Natura 2000-gebieden zijn kerngebieden voor het verwezenlijken van een gunstige staat van instandhouding voor habitattypes en soorten in de EU, en het is zeer belangrijk dat zij zo worden beheerd dat dit doel bereikt kan worden. Daarvoor zijn de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen noodzakelijk om er zeker van te zijn dat elk specifiek gebied zo goed mogelijk bijdraagt aan het verwezenlijken van dit doel.

32. Indien een bos is gecertificeerd, volstaat dat om te voldoen aan de Natura 2000-vereisten?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Boscertificeringscriteria (FCS, PEFC) als een vrijwillig marktgeoriënteerd instrument, vereisen de instandhouding en/of verbetering van biodiversiteit en hoge instandhoudingswaarden in bossen, zulks gezien de aanwezigheid van beschermde soorten, en de toepassing van passende maatregelen (bijv. dood hout en oude bomen in het bos laten). Door naleving te verlangen van andere bestemmingsplannen en instandhoudingsinstrumenten en –wetgeving, kunnen zij ook bijdragen aan het bevorderen van instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Dergelijke criteria zijn evenwel normaliter zeer algemeen geformuleerd (niet-gebiedspecifiek). Zij waarborgen derhalve niet systematisch dat wordt voldaan aan de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

33. Kan een Natura 2000-beheerplan ook bosbouwmaatregelen omvatten?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Ja, als er geen bosbeheerplan bestaat, bijvoorbeeld in bosgebieden die zijn verdeeld in meerdere terreinen, kan een Natura 2000-beheerplan een aantal bosbouwmaatregelen bestrijken, en andere functies en diensten binnen het gebied, zoals recreatie, waterbescherming, landschapaspecten, enz. In dit geval moeten maatregelen die niet strikt noodzakelijk zijn voor het instandhoudingsbeheer van het gebied, maar zijn opgenomen in het beheerplan, zo ontworpen zijn dat het aannemelijk is dat zij geen significante negatieve gevolgen zullen hebben voor het gebied. Idealiter moeten zij vanuit die invalshoek grondig gescreend worden en het screeningsresultaat moet in het beheerplan gedocumenteerd worden.

Daarentegen kan een bosbeheerplan ook fungeren als een Natura 2000-beheerplan, indien Natura 2000-doelstellingen geïntegreerd zijn (zie vraag 34). Ook in dit geval geldt dat bosbouwmaatregelen die niet noodzakelijk zijn voor het instandhoudingsbeheer van het gebied gescreend moeten worden om mogelijke negatieve gevolgen voor het gebied uit te sluiten en deze screeningresultaten moeten in het beheerplan gedocumenteerd worden. Zowel ingeval van Natura 2000-beheerplannen die die ‘normale’ bosbeheermaatregelen integreren, alsook ingeval van bosbeheerplannen die Natura 2000-instandhoudingsmaatregelen integreren is noodzakelijk dat de bevoegde natuur- en bosautoriteiten en de belanghebbende boseigenaren en-beheerders samenwerken.

34. Kunnen Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen in bestaande bosbeheerplannen geïntegreerd worden?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Bosbeheerplannen en Natura 2000-beheerplannen hebben niet altijd dezelfde doelstellingen en doelen en normaliter hebben zij ook een verschillende rechtsgrondslag. De bevoegde natuurbeschermingsautoriteiten zijn verantwoordelijk voor het opstellen van Natura 2000-beheerplannen, terwijl de de boseigenaar of –beheerder verantwoordelijk is voor het opstellen van bosbeheerplannen. Afhankelijk van de betreffende nationale wetgeving kan een formele goedkeuring van bosbeheerplannen door de bevoegde autoriteiten vereist zijn. Indien een bosbeheerplan al bestaat of vereist is voor een bos dat deels of geheel is opgezet als een Natura 2000-gebied, en indien juridisch en praktisch mogelijk, kan het erg nuttig en effectief zijn om de betreffende Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen in dit plan te integreren.

Een bosbeheerplan omvat in het algemeen strategische en operationele hoofdstukken en kan vele aspecten bestrijken, van economische aspecten, zoals houtproductie en productie van andere goederen, tot recreatie en natuurbescherming. Dit brede en flexibele spectrum van doelstellingen en activiteiten biedt in het algemeen voldoende ruimte om de Natura 2000-doelstellingen en –maatregelen op te nemen, met name wanneer het gaat om grote staatsbossen of landgoederen die het eigendom zijn van één entiteit.

Bosbeheerplannen kunnen dus ook fungeren als een bedrijfsplan voor bosholdings en kunnen privé-informatie omvatten die niet geopenbaard mag worden. In een dergelijk geval kan relevante Natura 2000 betreffende informatie wellicht in een aparte bijlage bij het bosbeheerplan uiteengezet worden.

De integratie wordt moeilijker indien het gaat om een groot aantal (kleine) bosbedrijven met verschillende eigendomsvormen (waarvan vele wellicht geen bosbeheerplan vereisen) of indien de Natura 2000-grenzen en bedrijfsgrenzen niet overeenkomen. Hoe dan ook, en om verslechtering van het gebied te voorkomen, moet het bosbeheer stroken met de instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen die voor het gebied zijn opgesteld en die zijn ontwikkeld in het Natura 2000-beheerplan, indien een dergelijk plan bestaat.

Een aantal lidstaten heeft richtsnoeren, regels of oriëntatie-instrumenten opgesteld om de integratie van Natura 2000-behoeften in bosbeheerplanning te vergemakkelijken (zie tevens vraag nr. 33).

35. Welke voordelen heeft de integratie van Natura 2000-beheerplannen en bosbeheerplannen?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

De integratie van Natura 2000-doelstellingen en -maatregelen in een bosbeheerplan kan voor de betrokkenen meerdere voordelen bieden, ook al kan dit aanvankelijk wat extra onderzoek en overleg vergen. Bovenal hoeven boseigenaren en –beheerders door die integratie in het dagelijks beheer van hun bos slechts één document te raadplegen, en niet zowel het Natura 2000-beheerplan en het bosbeheerplan. Tegelijkertijd zal het ertoe bijdragen een betere samenhang te waarborgen tussen verschillende beleidsdoelstellingen, ertoe bijdragen potentiële conflicten in de toepassingsfase en onnodige kosten te vermijden. De mogelijkheid van één plan dat alle aspecten integreert, of eerder twee, wordt hierna besproken.

Bosbeheerplannen die Natura 2000-doelstellingen integreren zijn ook een zeer nuttig instrument voor het aantrekken van de broodnodige financiële middelen voor hun toepassing, aangezien zij aan meerdere beleidsdoelstellingen kunnen voldoen met slechts één plan. Dat kan des te meer gelden wanneer gebruik gemaakt wordt van beschikbare EU-financieringsmogelijkheden krachtens de Structuurfondsen, Fondsen voor Plattelandsontwikkeling of LIFE (zie afdeling 1.2.2 in deel I van het document voor een overzicht van mogelijke EU-financieringsbronnen).

Een ander groot voordeel van een geïntegreerd beheerplan is dat het ertoe bij zal dragen dat mogelijke significante negatieve gevolgen voor het betrokken Natura 2000-gebied kunnen worden vermeden. Indien dit daadwerkelijk bereikt kan worden, aangetoond kan worden en gedocumenteerd kan worden door een objectieve screening van de in het plan opgenomen maatregelen, zal het een groot voordeel zijn dat noch voor het plan noch voor enige afzonderlijke door het plan bestreken beheermaatregel een volledige passende beoordeling van zijn gevolgen gemaakt moet worden overeenkomstig artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn.

Bijvoorbeeld, indien een houtkapproject niet strikt noodzakelijk is voor het instandhoudingsbeheer van het gebied, dan zou het afzonderlijk significante negatieve gevolgen voor het gebied kunnen hebben, of in combinatie met andere plannen of projecten, en, indien die mogelijke gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet voor het project een passende beoordeling gemaakt worden overeenkomstig artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn. Geïntegreerde bosbeheerplannen omvatten normaliter houtkapactiviteiten die wellicht niet noodzakelijk zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, maar nodig zijn om andere doelstellingen te bereiken (bijv. houtproductie, jachtbeheer, recreatie, brandpreventie, bodembescherming). Verwacht wordt dat dergelijke in een geïntegreerd bosbeheerplan opgenomen maatregelen zo zijn opgezet dat mogelijke negatieve gevolgen voor het gebied worden vermeden of worden gereduceerd tot een insignificant niveau. Worden deze voorzorgsmaatregelen in acht genomen dan is het normaliter onwaarschijnlijk dat mogelijke negatieve gevolgen ook in combinatie met andere plannen of projecten er niet uitgescreend kunnen worden en dat een volledige passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 6, lid 3 nog steeds nodig zal zijn. In sommige gevallen kan houtkap zelfs positief bijdragen aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied (bijv. de vergemakkelijking van natuurlijke regeneratie van een habitattype van communautair belang, het verwijderen van niet-gewenste bossoorten, enz.).

Het is belangrijk om te benadrukken dat maatregelen die niet strikt noodzakelijk zijn voor het instandhoudingsbeheer van een gebied, maar zijn opgenomen in een geïntegreerd beheerplan, zo moeten zijn opgezet dat dat zij waarschijnlijk geen significante negatieve gevolgen zullen hebben voor het gebied, afzonderlijk, of in combinatie met andere plannen of projecten, en dat zij vanuit die invalshoek grondig gescreend moeten worden en het screeningresultaat in het beheerplan gedocumenteerd wordt (zie vragen nr. 33 en 34).

Eén geïntegreerd plan dat zowel Natura 2000 alsook bosbeheer bestrijkt, zou het ideaal zijn. In uitzonderlijke gevallen (bijv. één bosbouwbedrijf dat overeenkomt met één Natura 2000-gebied) kunnen het Natura 2000-beheerplan en het bosbeheerplan makkelijk in één document gecombineerd worden. Een dergelijk document fungeert dan als een natura 2000-beheerplan nadat de bevoegde natuurbeschermingsautoriteit het heeft goedgekeurd. In de meeste overige gevallen zullen er evenwel twee afzonderlijke documenten zijn: enerzijds een Natura 2000-beheerplan (dat een heeI Natura 2000-gebied bestrijkt) dat in het algemeen meerdere bosholdings bestrijkt, en anderzijds, meerdere bosbeheerplannen voor meerdere holdings. In alle gevallen moeten die bosbeheerplannen voldoen aan de niet-verslechteringsvereisten uit hoofde van artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn. Idealiter integreren zij ook de meer proactieve instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied (geïntegreerde bosbeheerplannen). Afzonderlijke houtkapprojecten in Natura 2000-gebieden moeten altijd zo opgezet zijn dat mogelijke negatieve gevolgen voor het gebied worden vermeden of worden gereduceerd tot een insignificant niveau. Indien significante negatieve gevolgen voor een gebied niet uitgescreend kunnen worden, is steeds een passende beoordeling vereist.

36. Moeten bestaande bosbeheerplannen aangepast worden om rekening te houden met bestaande Natura 2000-beheerplannen?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Het is in beginsel niet verplicht om bestaande bosbeheerplannen aan te passen zolang de door het plan bestreken maatregelen geen verslechtering van de habitats of habitats van soorten veroorzaken waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, of significante storende factoren voor die soorten.

Bestaande plannen zouden evenwel ook aangepast moeten worden indien zij bosbouw- of andere maatregelen omvatten die niet stroken met de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen. Indien een bestaand bosbeheerplan geen rekening houdt met de instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen die zijn vast gesteld binnen de context van een Natura 2000-beheerplan dat hetzelfde bos bestrijkt, dan zou herziening ervan het beste zijn. Indien mogelijk moeten synergieën worden onderzocht zodat bosbouwmaatregelen kunnen bijdragen aan het bereiken van Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. Desalniettemin, de integratie van Natura 2000-doelstellingen en -maatregelen in bestaande bosbeheerplannen kan bij de volgende geplande bijwerking van deze plannen gebeuren, mits de activiteiten uit hoofde van het bestaande plan geen verslechtering van beschermde habitats of storende factoren voor beschermde soorten in het Natura 2000-gebied veroorzaken.

Indien een bosbeheerplan de betreffende instandhoudingsvereisten volledig overeenkomstig de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied integreert, en wel zodanig dat mogelijke negatieve gevolgen voor beschermde soorten en habitats worden vermeden en wanneer, indien mogelijk, de door het plan bestreken bosbouwmaatregelen zelfs proactief bijdragen aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, dan zou het normaliter mogelijk moeten zijn vast te stellen dat het plan waarschijnlijk geen significante negatieve gevolgen voor het gebied heeft. Een dergelijke vaststelling kan alleen gedaan worden op basis van objectieve argumenten en als resultaat van een screening van alle mogelijke gevolgen van het plan voor het Natura 2000-gebied. Aanbevolen wordt de screeningresultaten te documenteren als een bijlage bij het beheerplan. Onder dergelijke omstandigheden zal een passende beoordeling voor het plan niet noodzakelijk zijn. Zie tevens vraag 57 voor meer informatie over de noodzaak om bij een artikel 6, lid 3-procedure al dan niet een bosbeheerplan in te dienen.

37. Niet alle bossen hebben een bosbeheerplan of een gelijkwaardig instrument. Is het verplicht om een bosbeheerplan te laten goedkeuren door de autoriteit in een Natura 2000-gebied?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Krachtens de EU-richtlijnen is het voor bossen in Natura 2000 niet verplicht een bosbeheerplan op te stellen. De verplichting een bosbeheerplan op te stellen hangt sterk af van de in iedere lidstaat vigerende nationale regels. In meerdere lidstaten zijn die vereist voor bossen vanaf een bepaalde omvang, of voor sommige typen bossen.

De EU-biodiversiteitsstrategie moedigt de lidstaten er desalniettemin toe aan ervoor te zorgen dat “[er ]tegen 2020 bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten [zijn], in overeenstemming met duurzaam bosbeheer, voor alle bossen in overheidsbezit en voor holdings vanaf een bepaalde omvang (door de lidstaten of de regio's vast te stellen en mee te delen in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's) waarvoor financiering wordt verstrekt in het kader van het plattelandsbeleid van de EU, teneinde te zorgen voor een meetbare verbetering in de staat van instandhouding van soorten en habitats die afhangen of invloed ondervinden van bosbouw en in de levering van ecosysteemdiensten ten opzichte van de EU-referentiesituatie van 2010”17.

Voorts hangt steun voor sommige van de bosbouwmaatregelen uit hoofde van de ELFPO-verordening (Verordening 1305/2013) voor 2014-2020 af van de indiening van de betreffende informatie uit een bosbeheerplan, of gelijkwaardig instrument, overeenkomstig duurzaam bosbeheer vanaf een bepaalde omvang (zoals hierboven gesteld).

17 Zoals bepaald in SEC(2006) 748.

38. Bossen zijn dynamische ecosystemen die op lange termijn beheerd worden. Hoe kan dit specifieke aspect compatibel gemaakt worden met Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen?

Aanbeveling
Doelgroep: boseigenaren/-beheerders, autoriteiten

In het algemeen zijn Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen zo opgesteld dat zij terdege rekening houden met het dynamische karakter van bosecosystemen. Daadwerkelijk draagt dit dynamische kenmerk vaak ertoe bij dat de overleving van een brede reeks van verschillende bosgerelateerde soorten verzekerd wordt, met name in grote gebieden van doorlopende bossen.

Natura 2000-aanwijzing probeert derhalve niet systematisch een bestaande situatie in een bepaald bos op een bepaalde datum in stand te houden, ook al zijn sommige semi-natuurlijke bossen afhankelijk van actief beheer om natuurlijke successie te voorkomen. Instandhoudingsdoelstellingen beogen niet een bepaalde situatie koste wat het kost in stand te houden, ongeacht de natuurlijke ontwikkeling. Die natuurlijke ontwikkeling moet een integraal onderdeel zijn van de ecologische factoren op grond waarvan de instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen zijn opgesteld. De “bosbouwcyclus” (regeneratie, uitdunning en kappen van volwassen bomen of bestanden) kan stroken met een dergelijke dynamische benadering. Alhoewel een enkele wijziging van bestaande praktijken vaak wenselijk is (bijv. behouden van oude bomen of bestanden).

Desalniettemin kan het “bevriezen” van een situatie soms noodzakelijk zijn om op lange termijn een semi-natuurlijke habitat te behouden die afhankelijk is van specifieke beheermaatregelen.

Regelmatig toezicht en evaluatie van deze ecologische factoren, en van de mate van instandhouding van de doelsoorten en –habitats zal indien noodzakelijk een mogelijke aanpassing van de instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen van het gebied mogelijk maken.

Een dynamische benadering van het beheer kan evenwel makkelijker toegepast worden in grote Natura 2000-gebieden dan in kleine, die vaak afgebakend zijn rond het eigenlijke gebied van beschermde habitattypes. Het is tevens van belang een toezichtregeling op landschapniveau te hebben die problematische tendensen in deze natuurlijke processen tegelijkertijd kan detecteren in alle betrokken Natura 2000-gebieden in een bepaalde regio.

39. Bosbeheer is soms afhankelijk van niet-inheemse soorten. Strookt dat met de vereisten van Natura 2000?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

De keuze van drie soorten in een Natura 2000-gebied en de mate waarin aan sommige soorten al dan niet de voorkeur gegeven kan worden, zal afhangen van de ecologische vereisten van de soorten en habitattypes waarvoor het gebied is aangewezen, en van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. In gebieden waarin de instandhoudingsdoelstelling de verbetering van de mate van instandhouding van een bepaald habitattype of een bepaalde soort is, kan een mogelijke instandhoudingsmaatregel inhouden dat het gebied van niet-inheemse soorten verkleind wordt, bijvoorbeeld om de continuïteit van een natuurlijke habitat of zijn structuur te herstellen.

Anderzijds, in gebieden waar de doelstelling is de bossen in hun huidige staat en verspreiding te handhaven, kan het mogelijk zijn bestaande niet-inheemse soorten te behouden zolang dit het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet verhindert. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in grote Natura 2000-gebieden met doorlopende percelen met een bedekking van inheems bos dat voldoende dynamisch en structureel complex is om de soorten en habitattypes van communautair belang in een goede conditie te houden.

In het algemeen moet de invoering van niet-inheemse boomsoorten binnen Natura 2000-gebieden evenwel zorgvuldig gebeuren en de mogelijke gevolgen ervan moeten beoordeeld worden. De vervanging van een boshabitat van goede kwaliteit door aanplant van niet-inheemse bomen is waarschijnlijk niet in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

40. Klimaatverandering zal zeer waarschijnlijk belangrijke gevolgen hebben voor bossen. Kunnen bosbeheermaatregelen worden getroffen om de gevolgen van klimaatverandering te mitigeren indien het gaat om een Natura 2000-habitat?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

De verbetering van de mate of staat van instandhouding van boshabitats via passend bosbeheer zal ook directe positieve gevolgen hebben voor de veerkracht van de bosecosystemen, derhalve in hoeverre zij de gevolgen van klimaatverandering kunnen verwerken (aanpassing). Daarvoor is het doel van adaptieve beheerstrategieën de veerkracht van bossen tegen toekomstige veranderingen te verbeteren, bijvoorbeeld door de bosstructuur te verbeteren, door fragmentatie te verwijderen, en soms door de voorkeur te geven aan boomsoorten die het best opgewassen zijn tegen voorspelde omstandigheden. Bossen kunnen bijdragen aan vermindering van de klimaatverandering door koolstof op te slaan. Dit kan bereikt worden door meer bestanden, aanwezigheid van dood hout en hoeveelheid koolstof in de bodem. De bescherming of, indien noodzakelijk, het herstel van wateromstandigheden in veenbossen zal helpen verslechtering van veen en CO2-emissies uit veengronden onder bossen te voorkomen. Deze beheerstrategieën moeten evenwel altijd zorgvuldig toegepast worden om de natuurlijke kenmerken en samenstelling van in stand te houden boshabitats niet te wijzigen.

EU-fondsen zoals ELFPO en het nieuwe LIFE-programma voor milieu en klimaat dat dienaangaande maatregelen inzake bossen promoot, benadrukken klimaatveranderingmitigatie en –aanpassing, en dat is nieuw. Krachtens ELFPO moeten lidstaten minimaal 30% van de totale bijdrage van elk fonds aan elk plattelandsontwikkelingsprogramma besteden aan klimaatveranderingmitigatie en –aanpassing, en aan milieuaangelegenheden. Dergelijke besteding moet worden gedaan via de agromilieu- en klimaatbetalingen en betalingen voor biologische landbouw, en via betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen, middels betalingen voor bosbouw, betalingen voor Natura 2000-gebieden en klimaat- en milieugerelateerde investeringssteun.

41. Hoe moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van ‘andere beboste gebieden’ (kreupelhout, rotsachtige gebieden) of niet-boshabitats?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Bossen in Natura 2000 omvatten vaak ook “ander bebost land” (bosweiden, kreupelhout, heide, enz.), waarvan een deel ook bijlage I-habitattypes zijn die de aanwijzing als Natura 2000-gebieden vereisen. Indien het gebied is aangewezen voor een dergelijk habitattype, of indien het een habitat is dat van belang is voor andere niet-bosgerelateerde soorten van EU-belang, dan zal het noodzakelijk zijn daarvoor ook specifieke instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen vast te stellen.

Is dat niet zo, dan kunnen deze habitats beheerd worden zonder dat noodzakelijkerwijze geprobeerd moet worden hun mate van instandhouding binnen het gebied te handhaven, of te verbeteren, zolang het beheer niet indruist tegen de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied of een beschermingsregeling op nationaal, regionaal of lokaal niveau.

42. Wat gebeurt er als instandhoudingsdoelstellingen tussen verschillende habitattypes of soorten van EU-belang in hetzelfde gebied botsen?

Aanbeveling
Doelgroep: boseigenaren/-beheerders, autoriteiten

Het kan gebeuren dat de instandhoudingsdoelstellingen van een habitattype of soort botsen met die van een andere in het gebied aanwezige habitat of soort van EU-belang. Bijvoorbeeld, het kan wenselijk zijn het verspreidingsgebied van een boshabitattype uit te breiden, maar dit zou vervolgens kunnen leiden tot een verlies van aangewezen heide.

Zulke potentiële conflicten moeten worden aangepakt en opgelost bij de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied, rekening houdend met het relatieve belang van elk habitattype of soort in het gebied om de globale doelstelling van het bereiken van een gunstige staat van instandhouding binnen de EU en binnen biogeografische regio’s van de lidstaten te bereiken. Mogelijkheden voor het vaststellen van passende compromissen, waarvan beide profiteren, moeten overwogen worden. (Zie ook vraag nr. 18).

43. Hoe moeten uitbraken van ziektes in Natura 2000-gebieden aangepakt worden die significante economische gevolgen kunnen hebben (bijv. schorskever, dennenaaltje)?

Wettelijke verplichting (W) / Aanbeveling (A) / Informatie (I)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(A) Bij het plannen van fytosanitaire maatregelen in Natura 2000-gebieden, moet rekening worden gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied en de maatregelen moeten zo opgezet zijn dat negatieve gevolgen voor de beschermde soorten en habitats vermeden worden of worden gereduceerd tot een insignificant niveau.

(W) Een passende beoordeling krachtens artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn zal vereist zijn voor fytosanitaire maatregelen die niet noodzakelijk zijn voor het instandhoudingsbeheer van het gebied, maar significante gevolgen kunnen hebben voor het gebied (zie tevens vraag nr. 57). Ingeval van een negatieve beoordeling kan de maatregel alleen overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, lid 4 van de Habitatrichtlijn goedgekeurd worden (geen alternatieve oplossing, dwingende redenen van groot openbaar belang, compensatiemaatregelen, informeren van de Europese Commissie, Commissie-advies, indien prioritaire soorten of habitattypes aanwezig zijn).

(I) In natuurlijke bossen kunnen uitbraken van ziekten of insecten deel van belangrijke ecologische processen in het bos zijn en structuren en functies vertegenwoordigen die essentieel voor zijn soorten zijn. Dergelijke factoren moeten niet altijd systematisch voorkomen worden, met name in grote Natura 2000-gebieden, tenzij hun negatieve ecologische of socio-economische gevolgen duidelijk verder gaan dan de potentiële positieve ecologische gevolgen. Tevens moet worden opgemerkt dat natuurlijke storende factoren in het algemeen op grote schaal optreden en lokaal negatief kunnen uitvallen, zelfs als zij op landschapniveau wenselijk zijn.

(W) Als overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG van 8 mei 200018, en met name artikel 16, lid 3, vierde zin, noodmaatregelen in een Natura 2000-bos getroffen moeten worden om de verspreiding binnen de Unie van voor planten of plantproducten schadelijke organismen te voorkomen, dan moeten passende risicobeheeropties toegepast worden die minder verwijdering van gevoelige planten met zich mee kan brengen. In dat geval moeten er altijd waarborgen zijn om te verzekeren dat een equivalent niveau van mitigatie van het risico van verspreiding van het respectievelijke schadelijke organisme(n) verzekerd wordt ten opzichte van het niveau dat door de overeenkomende toepassingsmaatregel bepaald wordt19.

(A) De opzet van fytosanitaire maatregelen en mogelijke compensatiemaatregelen moet vooraf met de nationale bevoegde autoriteiten besproken worden. In uitzonderlijke gevallen, wanneer fytosanitaire maatregelen vanwege Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten moeten worden, waardoor de boseigenaar significante economische verliezen lijdt, is het raadzaam dat de lidstaat passende financiële compensatie overweegt via de beschikbare relevante EU- of nationale fondsen.

18 PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

19 Zie bijvoorbeeld uitvoeringsbesluit 2012/535/EU van de Commissie van 26 september 2012 betreffende noodmaatregelen ter preventie van de verspreiding in de Unie van Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. (het dennenaaltje) (PB L 266 van 2.10.2012, blz. 42).

44. Is de bouw van boswegen in een Natura 2000-gebied mogelijk?

Informatie (I)/ Wettelijke verplichting (W)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(I) Boswegen zijn vaak een cruciaal element voor economisch levensvatbaar bosbeheer. Soms kunnen zij zelfs bijdragen aan de instandhouding van het gebied (toegang voor toepassing van instandhoudingsmaatregelen, bescherming tegen brand, enz.). Maar soms kunnen zij significante directe of indirecte gevolgen hebben voor de soorten en/of habitats waarvoor het gebied is aangewezen.

(W) Zoals voor andere vergelijkbare projecten moeten de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied het uitgangspunt zijn. Het is zeer raadzaam van meet af wegenbouw zo te plannen dat mogelijke negatieve gevolgen voor de habitats en soorten waarvoor het gebied is aangewezen, worden vermeden of gemitigeerd. Indien krachtens die voorzorgsmaatregelen redelijkerwijze verondersteld kan worden dat de wegenbouw geen significante gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van het gebied zal hebben, en wel op grond van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, of dat de wegenbouw zelfs positief zal bijdragen aan het bereiken van deze doelstellingen, dan kan de wegenbouw plaatsvinden zonder een volledige passende beoordeling. Een dergelijke vaststelling kan alleen gedaan worden op basis van objectieve argumenten en als resultaat van een screening van alle mogelijke gevolgen van het plan voor het Natura 2000-gebied.

(A) Het is raadzaam de screeningresultaten zo te documenteren dat die altijd, indien dat nodig is, geraadpleegd kunnen worden. Dezelfde voorzorgsmaatregel geldt ook voor boswegprojecten die deel uitmaken van een bosbeheerplan (al dan niet geïntegreerd) dat als geheel niet reeds gescreend werd of waarvoor geen passende beoordeling gemaakt is van de gevolgen van het project voor een Natura 2000-gebied.

(W) Een passende beoordeling krachtens artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn zal altijd vereist zijn, indien niet uitgesloten kan worden dat de weg gevolgen kan hebben voor het gebied (zie tevens vraag nr. 57).

45. Is kaalslag toegestaan in Natura 2000-gebieden?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Ook hier moeten de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied het uitgangspunt zijn. Kaalslag kan schadelijk zijn voor bepaalde specifieke habitats of bossoorten, met name diegenen die afhankelijk zijn van een permanente bedekking, maar kunnen ook mogelijk maken dat andere onder de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn beschermde soorten of habitats gedijen. Een van-geval-tot-geval-analyse is nodig. Die moet rekening houden met de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen, de habitats en soorten die getroffen worden door de voorgenomen kaalslag, de nieuwe habitattype(s) die de types zullen vervangen die verwijderd worden, (waaronder een uiteenlopende ontwikkelingsfase of –structuur van de bestaande habitat(s)), het relatieve belang van het kaalslaggebied, enz. Voor habitats van communautair belang, waarvoor in het betreffende gebied overeenkomstig de artikel 17-rapportage de waarden al liggen onder de referentiewaarden voor een gunstige staat van instandhouding op nationaal of biogeografisch niveau, strookt kaalslag waarschijnlijk niet met de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen die in een dergelijke situatie normaliter de overkoepelende doelstelling van het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op een breder niveau moeten weerspiegelen.

Procedureel gezien zal een passende beoordeling krachtens artikel 6, lid 3 vereist zijn voor andere plannen of projecten, indien niet uitgesloten kan worden dat significante gevolgen optreden voor een Natura 2000-gebied (zie vragen nr. 44 en 57).

46. Hoe moet het verschijnen van nieuwe bijlage I-habitats in een Natura 2000-gebied aangepakt worden?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Bosbeheer is een dynamisch proces op lange termijn. Ingevolge sommige bosbeheermaatregelen kan een nieuwe bijlage I-habitat ontstaan. Bijvoorbeeld na kaalslag van een sparbestand op zure bodem in een Natura 2000-gebied kan zich droge Europese heide (Habitat 4030) ontwikkelen. Moet die nieuwe habitat beschermd worden of kan het binnen een paar jaar evolueren tot een nieuw bosbestand (bijv. berkbestand of sparaanplant)? De instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied beantwoorden die vraag.

Indien het gebied aanvankelijk ook is aangewezen voor het behoud van droge heide, dan moet volgens de overeenkomstige instandhoudingsdoelstellingen rekening worden gehouden met het additionele ontstaan van de habitat, hetzij op dynamische wijze, binnen het kader van goede planning van kaalslag die in het gebied de aanwezigheid garandeert van voldoende oppervlakte voor die habitat, of op statische wijze (door het nemen van specifieke maatregelen om bebossing te vermijden en droge heide daar te behouden), indien er een groot tekort bestaat aan die habitat. Indien het nieuw verschenen habitattype niet behoorde tot de habitats waarvoor het gebied aanvankelijk werd aangewezen (hetzij als een habitat of een habitatsoort), dan moet de habitat (of de overeenkomstige soort) opgenomen worden in het standaardgegevensformulier van het gebied en moeten specifieke instandhoudingsdoelstellingen voor dit habitattype of overeenkomstige soort uitgewerkt worden. Het zal afhangen van de aard van deze doelstellingen of specifieke instandhoudingsdoelstellingen al dan niet vereist zullen zijn. Indien de aanwezigheid van het nieuwe habitattype of habitat van een soort niet significant is ten opzichte van de belangrijkste doelstellingen van het gebied, of de samenhang van het Natura 2000-netwerk, zal dat blijken uit de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. In een dergelijk geval zal de nieuwe habitat geen specifieke instandhoudingsmaatregelen vergen (zie vragen 18 & 42).

47. Hoe moeten secundaire bijlage I-habitats aangepakt worden die op natuurlijke wijze worden vervangen door een boshabitat?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Menig Natura 2000-habitat is afhankelijk van menselijke interventies. Bij ontstentenis van menselijke interventies evolueren dergelijke secundaire habitats spontaan tot een ander habitattype (al dan niet van communautair belang) dat dichter bij de potentiële natuurlijke vegetatie kan staan, maar niet overeenkomt met de habitat die bestond toen het gebied werd aangewezen. Bijvoorbeeld sommige bijlage I-habitats (bijv. eikenbos – bijlage I-habitats 9160, 9170, 9190) zijn ontstaan na een bepaalde bosbouwkundige behandeling (bijv. verjongingskap). Vanwege verandering in beheerpraktijken (bijv. opgeven van een verjongingskap) kan een nieuwe habitat (bijv. een beukenbos) in toenemende mate de oorspronkelijke vervangen. Evenzo kunnen sommige bosweiden evolueren tot een bos waarin niet meer gegraasd wordt.

Het besluit aangaande de behandeling van die habitats moet worden genomen op grond van de voor het respectieve gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. Deze doelstellingen zijn idealiter opgesteld na een analyse van het relatieve belang en potentieel van dat gebied voor de instandhouding van de in het gebied aanwezige habitattypes, rekening houdend met hun staat van instandhouding op regionaal, nationaal of biogeografisch niveau.

Indien is vastgesteld dat een bepaald habitattype moet worden behouden, of zelfs hersteld moet worden in het gebied, dan moet de bevoegde autoriteit de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen vaststellen om de ontwikkeling van een ander habitattype te voorkomen.

Indien de instandhoudingsdoelstellingen de evolutie naar een ander habitattype omvatten, bijvoorbeeld omdat de laatstgenoemde overeenkomt met de natuurlijke vegetatie van het gebied, dan is geen interventie vereist om de ontwikkeling van dat habitattype te stoppen, dat trouwens soms zelfs een bijlage I-habitat kan zijn. Met andere woorden, zolang de ontwikkeling van een nieuw habitattype strookt met de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen zal het normaal gesproken niet worden beschouwd als een verslechtering in de betekenis van artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn (zie tevens vragen nr. 18, 26, 42 en 46).

Financiering van de instandhouding en het beheer van Natura 2000-gebieden

NB: Gelieve ook sectie 1.2.2 van deel I van dit document te raadplegen voor een volledig overzicht van EU-financieringsmogelijkheden voor Natura 2000-gebieden.

48. Brengen Natura 2000-instandhoudingsmaatregelen altijd kosten met zich mee? Aanbeveling

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Niet altijd. Dat hangt erg af van het type maatregel en het specifieke gebied waar zij toegepast worden. Er zijn bepaalde instandhoudingsmaatregelen die geen kosten of gederfde inkomsten veroorzaken, of die direct zonder extra kosten of gederfde inkomsten in de dagelijkse beheeractiviteiten opgenomen kunnen worden (bijv. wijziging van soortensamenstelling van bosbestanden, indien die samenstelling economisch en ecologisch onhoudbaar is, zulks door de invoering van productieve bossoorten die overeenkomen met de natuurlijke vegetatie, of eenvoudigweg door ervoor te zorgen dat de bestaande bosbeheerpraktijken worden voortgezet indien zij aantoonbaar bijdragen aan het bereiken of handhaven van een goede mate van instandhouding van in een gebied aanwezige soorten en habitattypen).

Sommige instandhoudingsmaatregelen kunnen op korte of langere termijn zelfs economische voordelen opleveren (bijv. het scheppen van betere jachtomstandigheden voor wildsoorten, minder wildschade, betere hengelsportmogelijkheden resulterende uit riviervriendelijkere houtteelt, meer toerisme, natuurvriendelijkere en goedkopere bosbouwmethoden, verbeterde bodemomstandigheden, enz.).

Er zal onvermijdelijkerwijze een aantal instandhoudingsmaatregelen zijn dat wel kosten veroorzaakt, omdat zij voor de toepassing extra mankracht vereisen, nieuwe investeringen in nieuwe infrastructuur of uitrusting vereisen, of omdat zij commerciële mogelijkheden voor de eigenaren verminderen. Die moeten per geval bekeken worden.

Het is zeer raadzaam dat de Natura 2000-beheerplannen een raming omvatten van de toepassingskosten voor elke voor het betreffende gebied vastgestelde instandhoudingsmaatregel en dat tevens alle mogelijke financieringsbronnen uit overheids- en particuliere bron op lokaal, nationaal en EU-niveau nagegaan worden. Het is ook raadzaam de mogelijke toepassing van innovatieve zelffinancieringsregelingen te onderzoeken (bijv. door de verkoop van Natura 2000-producten, ecotoerisme, heffingen voor het behoud van waterkwaliteit, enz., zie voorbeelden in vraag nr. 49).

49. Hoeveel kost het Natura 2000-netwerk in totaal?

Informatie
Doelgroep: algemene publiek, boseigenaren/-beheerders, autoriteiten

Het effectieve beheer en herstel van gebieden in het Natura 2000-netwerk in de hele EU-28 vergt aanzienlijke financiële investeringen. In 2007 raamde de Commissie dat de EU-27 circa € 5,8 miljard per jaar nodig zal hebben voor het beheer en herstel van de gebieden in het netwerk. Het gebruik van verschillende EU-instrumenten heeft tot nu toe evenwel veel lager gelegen dan de financiële behoeften van Natura 2000, zoals omschreven door de lidstaten, waarbij slechts 20 % van die behoeften afgedekt werd20.

De veelvoudige socio-economische voordelen die de in het netwerk opgenomen gebieden genereerden, wogen evenwel ruimschoots op tegen deze kosten. Naast de cruciale rol van Natura 2000-gebieden in de bescherming van de Europese biodiversiteit, bieden Natura 2000-gebieden een brede waaier andere ecosysteemvoordelen en –diensten aan de maatschappij. Volgens recente Commissiestudies worden de baten die de als Natura 2000-gebieden aangewezen gebieden genereren geschat op ongeveer € 200 tot 300 miljard per jaar21.

Alhoewel deze cijfers slechts een voorlopige raming zijn, tonen de voorlopige resultaten al aan dat de economische voordelen voor de maatschappij die voortvloeien uit het Natura 2000-netwerk zeer gunstig afsteken tegen de met het beheer en de bescherming van deze belangrijke bron gemoeide kosten, die slechts een fractie vormen van zijn potentiële voordelen.

De exacte kosten-batenverhouding zal uiteraard afhangen van een reeks factoren, waaronder de locatie van de gebieden en hun bodemgebruik, maar alles wijst er tot op heden op dat een goed beheerd Natura 2000-netwerk de met zijn onderhoud gemoeide kosten ruimschoots zal terugbetalen.

Voorbeelden van de economische baten van Natura 2000:
TOERISME

Natura 2000 blijkt al een belangrijke motor van menig lokale economie te zijn door toeristen aan te trekken, die met hun uitgaven lokale economieën ondersteunen. De uitgaven van bezoekers aan Natura 2000-gebieden worden geraamd op € 50–85 miljard per jaar (in 2006). Wordt alleen rekening gehouden met de uitgaven van de bezoekers met affiniteit voor Natura 2000-aanwijzing (in tegenstelling tot natuurgebieden in het algemeen), dan genereren ongeveer 350 miljoen bezoekersdagen in 2006 een bedrag van € 9–20 miljard op jaarbasis.

De totale uitgaven door toerisme en recreatie zijn goed voor 4,5 tot 8 miljoen voltijdse banen (FTE). De baten die bezoekers met affiniteit voor Natura 2000 genereren, zouden goed zijn voor 800.000 tot 2 miljoen FTE-banen. Dit is vergelijkbaar met een totaal van ongeveer 13 miljoen FTE-banen in de toerismesector binnen de EU-27 (in 2008). Voorts kunnen beschermingszones extra baten opleveren voor de lokale en regionale economie doordat zij investeringen van buitenaf aantrekken en lokale profilering en levenskwaliteit versterken.

WATER:

Geld kan bespaard worden door te werken met natuurlijk kapitaal, hetgeen waterzuiveringskosten en watervoorzieningskosten bespaart. Waterzuivering en -voorziening zijn belangrijke ecosysteemdiensten die de natuurlijke ecosystemen leveren, waaronder beschermingszones zoals Natura 2000. Een aantal grote Europese steden, waaronder München, Berlijn, Wenen, Oslo, Madrid, Sofia, Rome, en Barcelona profiteren allen op uiteenlopende wijze van natuurlijke filtratie. Deze gemeenten besparen geld op waterbehandeling vanwege de natuurlijke behandeling uit ecosystemen. De besparingen kunnen worden doorgegeven aan de consumenten, wat leidt tot lagere nutsvoorzieningskosten voor EU-ingezetenen.

Informatie uit de vier Europese steden Berlijn, Wenen, Oslo en München illustreert de voordelen van beschermingszones voor waterzuivering en -voorziening. Via batenoverdracht kunnen de jaarlijkse economische baten van waterzuivering geschat worden op tussen € 7 en € 16 miljoen en van watervoorziening tussen € 12 en € 91 miljoen per stad. De gemiddelde baten per capita bedragen tussen € 15 en € 45 per jaar voor waterzuivering en -voorziening gecombineerd voor de vier geanalyseerde Europese steden. Dit is vergelijkbaar met een gemiddelde waterrekening voor huishoudens van € 200 per jaar in Duitsland.

20 Werkdocument van de diensten van de Commissie. Financiering van Natura 2000 Beschikbaar op: /environment/nature/natura2000/financing/docs/financing_natura2000.pdf

21 Nadere details zijn te vinden op de homepage van DG ENV Nature: /environment/nature/natura2000/financing/index_en.htm

50. Wie is verantwoordelijk voor het waarborgen van de financiering van het netwerk? Zijn er EU-middelen beschikbaar voor de ondersteuning van het instandhoudingsbeheer van Natura 2000-gebieden?

Informatie (I), Aanbeveling (A)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(I) Als een EU-wijd netwerk is Natura 2000 gebaseerd op het beginsel van solidariteit tussen lidstaten. Het is een belangrijke gedeelde bron die voor de maatschappij en de Europese economie meerdere voordelen kan opleveren. Maar het is ook een gedeelde verantwoordelijkheid die voldoende financiële investeringen vergt om volledig operationeel te worden.

Enerzijds zijn de lidstaten hoofdverantwoordelijk voor de financiering van Natura 2000, anderzijds erkent artikel 8 van de Habitatrichtlijn dat steun op EU-niveau nodig is voor het beheer van Natura 2000 en koppelt de totstandkoming van de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen expliciet aan de verstrekking van EU-cofinanciering.

Beheervereisten van Natura 2000 zijn geïntegreerd in verschillende EU-financieringsstromen, zoals de Structuurfondsen (EFRO), Plattelandsontwikkelingsfondsen (ELFPO), Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV), LIFE, enz.

Deze geïntegreerde benadering werd om meerdere redenen gekozen:

  • Deze benadering verzekert dat het beheer van Natura 2000-gebieden deel uitmaakt van het bredere grondbeheerbeleid van de EU;
  • Door deze benadering kunnen lidstaten prioriteiten stellen en beleidsvormen en beleidsmaatregelen ontwikkelen die hun nationale en regionale eigenheden weerspiegelen;
  • Deze benadering voorkomt duplicatie en overlap van verschillende EU-financieringsinstrumenten en de met die duplicatie verbonden administratieve complicaties.

Ingeval van bossen in Natura 2000 zijn voor de periode 2014-2020 verschillende financieringsmogelijkheden beschikbaar uit hoofde van de nieuwe EU-fondsen (zie sectie 1.2.2 in deel I van het document)22. In de meeste gevallen hangt het van de autoriteiten van de lidstaten af of, en hoe, deze mogelijkheden in het specifieke land/de regio ter beschikking worden gesteld.

(A) Om de beschikbare EU-fondsen optimaal te gebruiken heeft de Commissie de lidstaten ertoe aangemoedigd een meer strategische meerjarenplanningsbenadering te volgen voor Natura 2000-financiering. Dat gebeurt in de vorm van prioritaire actiekaders (PAF’s) die de financieringsbehoeftes en strategische prioriteiten voor Natura 2000 op een nationaal of regionaal niveau voor de periode 2014-2020 omschrijven. Deze PAF's zijn specifiek ontworpen om de integratie van passende instandhoudingsmaatregelen te bevorderen23, waaronder die voor bossen, in de nieuwe operationele programma's voor de verschillende EU-financieringsinstrumenten.

22 Deze middelen worden ook nader omschreven in een nieuwe Leidraad over financiering van Natura 2000 bedoeld om autoriteiten, beheerders en eigenaars te ondersteunen als zij gebruik willen maken van de veelvuldige voor de lopende periode (2014-2020) beschikbare middelen voor beheermaatregelen binnen Natura 2000-gebieden, waaronder maatregelen voor bossen in Natura 2000. Beschikbaar op: /environment/nature/natura2000/financing/

23 SEC(2011) 1573 definitief.

51. Zijn er specifieke maatregelen krachtens de EU-Verordening Plattelandsontwikkeling voor de ondersteuning van Natura 2000?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Ja, er is een specifieke maatregel die betrekking heeft op Natura 2000-betalingen en de Waterrichtlijnbetalingen. Luidens de nieuwe ELFPO-verordening (1305/2013), worden Natura 2000-betalingen jaarlijks gedaan per hectare bos om de begunstigden te compenseren voor extra kosten en gederfde inkomsten die voortvloeien uit nadelen in de betrokken gebieden die verband houden met de toepassing van de Habitat- en de Vogelrichtlijn. De steun wordt verleend aan landbouwers en private bosbezitters, alsmede aan organisaties waarin private bosbezitters zijn verenigd. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de steun tevens worden verleend aan andere grondbeheerders(Artikel 30).

Natura 2000-betalingen zijn beschikbaar voor activiteiten die verband houden met nadelen en opgelegde beperkingen in de aangewezen Natura 2000-gebieden en zijn omschreven in beheerplannen of andere gelijkwaardige instrumenten. Die beperkingen moeten een bindend karakter hebben, d.w.z. alle grondbeheerders in de betrokken gebieden moeten aan die beperkingen voldoen, en de beperkingen zijn gekoppeld aan de bepalingen betreffende behoud of herstel van de habitats en soorten en betreffende de vermijding van hun verslechtering en het optreden van storende factoren.

Deze maatregel zou gunstig zijn voor boseigenaren mits de lidstaten de maatregel opnemen in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s.

52. Zijn er andere maatregelen krachtens de EU-plattelandsontwikkeling die ook zouden kunnen bijdragen aan de financiering van Natura 2000? Wie profiteert er van deze financiering?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Ja, er zijn andere maatregelen krachtens de nieuwe ELFPO-verordening die ook aan de financiering van Natura 2000 zouden kunnen bijdragen. De belangrijkste zijn de volgende maatregelen:

  • Artikel 21: Investeringen in de ontwikkeling van bosgebieden en verbetering van de levensvatbaarheid van bossen, waaronder:
    • bebossing en de aanleg van beboste gebieden (art. 22)
    • de invoering van boslandbouwsystemen (art. 23)
    • de preventie en het herstel van schade die aan bossen wordt toegebracht door bosbranden en natuurrampen, met inbegrip van uitbraken van plagen en ziekten, rampzalige gebeurtenissen en klimaatgerelateerde bedreigingen (art. 24)
    • investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde alsmede van het mitigatiepotentieel van bosecosystemen (art. 25)
    • investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, de mobilisering en de afzet van bosproducten (art. 26)
  • Artikel 34: Bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding
  • Artikel 35: Samenwerking.

Er is thans ook een algemeen vereiste dat steun voor holdings vanaf een bepaalde omvang (die de lidstaten in hun programma's voor plattelandsontwikkeling vast moeten stellen) ervan afhankelijk is of het bos overeenkomstig de SFM-beginselen wordt beheerd (dat wordt aangetoond door de overlegging van de betrokken informatie uit een bosbeheerplan of gelijkwaardige instrumenten).

De nieuwe verordening verlangt dat minstens 30 % van de totale ELFPO-bijdrage aan het plattelandsontwikkelingsprogramma gereserveerd wordt voor milieukwesties en klimaatveranderingmitigatie en –aanpassing via steun voor milieu- en klimaatgerelateerde investeringen, investeringen in bossen (artikel 21 en 34), agromilieu- en klimaatmaatregelen, biologische landbouw, gebieden die te maken hebben met natuurlijke of andere beperkingen en betalingen in Natura 2000.

Het merendeel van de bosmaatregelen in de Verordening voor plattelandsontwikkeling is gericht op private boshouders en hun verenigingen. De bosmaatregelen zijn beschikbaar voor boseigenaren zo lang de lidstaten die opnemen in hun programma’s voor plattelandsontwikkeling. Andere begunstigden, zulks afhankelijk van de specifieke maatregel, zijn ook overheidsbosbezitters, gemeenten, andere privaatrechtelijke en overheidsorganen en hun verenigingen, natuurlijke personen en andere grondbeheerorganen in welbepaalde en naar behoren gemotiveerde gevallen. Bijvoorbeeld, ingeval van overheidsgrond kan steun voor bebossing en de aanleg van beboste gebieden (artikel 22) en voor bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding (artikel 34) alleen toegekend worden indien het orgaan dat die grond beheert een privaat orgaan of een gemeente is.

Krachtens bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding (artikel 34 van de ELFPO-verordening), wordt steun verleend aan publieke en private bosbezitters en andere privaatrechtelijke en openbare instanties en aan de organisaties waarin zij zijn verenigd die zich vrijwillig ertoe verbinden activiteiten uit te voeren die bestaan uit één of meer bosmilieu- en klimaatverbintenissen. In het geval van bossen in overheidsbezit kan uitsluitend steun worden verleend indien het lichaam dat het bos beheert een privaatrechtelijk lichaam of een gemeente is. De betalingen compenseren de begunstigden geheel of gedeeltelijk voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen. Indien nodig kunnen zij ook transactiekosten tot een waarde van 20 % van de voor de bosmilieuverbintenissen betaalde premie dekken. "Transactiekosten" zijn extra kosten die verband houden met het nakomen van een verbintenis, maar die niet rechtstreeks kunnen worden toegeschreven aan de uitvoering van die verbintenis, noch zijn die opgenomen in de kosten of gederfde inkomsten die rechtstreeks worden gecompenseerd; en die op basis van standaardkosten berekend kunnen worden. Om over deze mogelijkheid te kunnen beschikken, moeten lidstaten de betrokken maatregelen evenwel in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s opnemen.

53. Moeten gemaakte extra kosten alleen worden gedragen door boseigenaren/ -beheerders?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Overwegende dat de voordelen uit de toepassing van specifieke instandhoudingsmaatregelingen ten goede komen aan de maatschappij als geheel, zou het onrechtvaardig zijn dat de toepassingskosten van die maatregelen, hetzij de directe kosten, of de legitieme gederfde inkomsten, door de gedragen zouden worden.

Lidstaten kunnen wat dat betreft hun eigen regels hanteren en in veel gevallen steunen zij de boseigenaren en -beheerders indien zij een bepaalde vorm van beheer willen promoten die extra kosten of gederfde inkomsten inhoudt. Financiële middelen zijn beschikbaar om die kosten te dekken, bijv. uit EU-fondsen, met name ELFPO.

54. Moeten de kosten van Natura 2000-beheermaatregelen altijd financieel gecompenseerd worden?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Onderzocht moet worden of bepaalde instandhoudingsmaatregelen financieel gecompenseerd kunnen worden, met name maatregelen die de eigenaar inkomsten onthouden die hij had kunnen verwachten in het kader van duurzaam bosbeheer of die extra investeringen vergen zonder dat daar iets tegenover staat. Subsidies, contractuele overeenkomsten, belastingvoordelen, technische ondersteuning, enz. zijn mogelijkheden om eigenaren vanwege gederfde inkomsten te compenseren, wegens aan de maatschappij als geheel verleende diensten en, indien toepasselijk, afschrijving.

Verslechtering vermijden is een uit de Habitatrichtlijn afgeleide verplichting die in beginsel niet gecompenseerd hoeft te worden. Beslissingen over het geven van economische prikkels of compensatiebetalingen moeten afhankelijk van de nationale context op lidstaatniveau genomen worden. Bijvoorbeeld, indien beperkingen of verplichtingen worden opgelegd aan bosbeheer dat traditioneel was in een gebied, en gederfde inkomsten of extra kosten veroorzaken, kan passende compensatie van de betrokken boseigenaren raadzaam zijn. Dat kan tevens het geval zijn wanneer een verplichting erop toe te zien dat geen verslechtering optreedt, verder gaat dan de dagelijkse waakzaamheid om verslechtering tegen te gaan en belangrijke proactieve maatregelen vergt (bijv. verwijderen van invasieve soorten (bijv. Prunus serotina) die zich overal verspreid hebben, of vermijden van natuurlijke conversie van een eikenbestand in een beukenbestand.

55. Welke maatregelen zijn beschikbaar krachtens het EU-instrument LIFE om de financiering van de instandhoudingsmaatregelen voor bossen in Natura 2000-gebieden te ondersteunen?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

LIFE heeft in het verleden een groot aantal bosgerelateerde projecten gefinancierd24. De nieuwe LIFE-verordening (2014-2020)25 zal bosgerelateerde natuurbehoudprojecten blijven financieren, voornamelijk via LIFE Natuur & Biodiversiteitprojecten.

Oproepen tot het indienen van voorstellen worden elk jaar gepubliceerd26. In de oproep van 2014 was bijna € 100 miljoen beschikbaar voor projecten die natuurbehoud en biodiversiteit in het algemeen steunen, en dit bedrag zou voor toekomstige oproepen moeten stijgen. LIFE cofinanciert de kosten van geselecteerde LIFE Natuur & Biodiversiteitprojecten tot 60 % van de kosten.

Het komt weliswaar minder vaak voor, maar het is ook mogelijk zich op bosnatuurbehoud te richten via projecten die voornamelijk communicatie betreffen, in welk geval de aanvragers het aanvraagpakket voor LIFE Milieu Bestuur en Informatie moeten raadplegen27.

Tenslotte, kan men zich ook richten op instandhouding van Natura 2000-bosgebieden als onderdeel van een veel groter project dat zich richt op het Natura 2000-netwerk als geheel op regionaal of nationaal niveau. Voor nadere details moeten aanvragers (in het algemeen nationale/regionale overheden) het aanvraagpakket voor Geïntegreerde LIFE-projecten raadplegen28.

24 Zie bijv. de "LIFE and forests" brochure uit 2006: /environment/life/publications/lifepublications/lifefocus/documents/forest_lr.pdf

25 Verordening (EU) No 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een actieprogramma voor het milieu en het klimaatactie (LIFE)

26 Zie bijv.: /environment/life/funding/life2014/index.htm, en het aanvraagpakket voor natuurprojecten: /environment/life/funding/life2014/index.htm#nat

27 /environment/life/funding/life2014/index.htm#inf

28 /environment/life/funding/life2014/index.htm#integrated

56. Zijn er andere financieringsmogelijkheden en -prikkels voor Natura 2000 op nationaal of regionaal niveau?

Informatie
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Ja, er is ook een groot potentieel voor het bijdragen aan bosbeheer en –instandhouding via nationale en regionale programma’s, aangezien de de afzonderlijke lidstaten hoofdverantwoordelijk zijn voor de financiering van Natura 2000-gebieden. In een aantal lidstaten bestaan vrijwillige overeenkomsten om bossen op een manier te beheren die bevorderlijk is voor de instandhouding van het gebied en/of bosbouwcontracten voor het behouden van soorten en habitats die via nationale fondsen gefinancierd worden.

In sommige landen kunnen grondeigenaren ook profiteren van prikkels zoals vrijstellingen van onroerendgoedbelasting en andere belastingvoordelen (bijv. in België).

Bovendien bestaat in sommige lidstaten de algemene regel dat grondeigenaren altijd recht hebben op volledige compensatie voor extra kosten en gederfde inkomsten in Natura 2000-gebieden waar de aanwijzing van boshabitats bepaalde beperkingen voor houtproductie inhoudt (bijv. in Zweden).

Nieuwe activiteiten in Natura 2000

57. Welke soort bosactiviteiten vereist een artikel 6, lid 3-procedure krachtens Natura 200029? Wat wordt beschouwd als een plan of project in de context van de Habitat- en Vogelrichtlijn?

Wettelijke verplichting (W) / Aanbeveling (A)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(W) De Habitatrichtlijn omschrijft “plan” of “project” niet, maar uit jurisprudentie blijkt dat deze termen breed uitgelegd moeten worden aangezien de enige initiërende factor voor de toepassing van artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn is of plannen of projecten al dan niet significante gevolgen voor een gebied kunnen hebben. Voor een project wordt de in de Richtlijn Milieueffectenbeoordeling gebruikte definitie nu ook toegepast voor de Habitatrichtlijn waarin een project de uitvoering van bouwactiviteiten betreft, dan wel andere installatie-activiteiten of regelingen, en enige andere ingreep in de natuurlijke leefomgeving en het landschap.

Voor bosbouwprojecten kan dit activiteiten omvatten zoals het aanleggen van een nieuwe bosweg, een houtopslagfaciliteit of een zagerij, gronddrainage, alsook bebossing of ontbossing, significante kaalslag, belangrijke wijzigingen van het bosbouwregime, of significante wijzigingen van het bodemgebruik.

De Waddenzee-zaak (C-127/02)30 verduidelijkte voorts dat activiteiten die regelmatig gedurende meerdere jaren in het gebied werden uitgeoefend, maar waarvoor elk jaar voor een beperkte periode een vergunning wordt verleend, waarbij telkens opnieuw wordt beoordeeld of, en zo ja in welk gebied, de activiteit mag worden uitgeoefend, ten tijde van iedere aanvraag vallen onder het begrip plan of project zoals bedoeld in de Habitatrichtlijn.

Het Europees Hof van Justitie31 heeft tevens beschikt dat onder project vallen:

  • terugkerende en kleinschalige activiteiten (Zaak C127/02, C-226/08),
  • de intensivering van activiteiten (Zaak C-127/02),
  • wijzigingen van activiteiten (C-72/95),
  • activiteiten buiten het gebied, maar die significante gevolgen voor het gebied kunnen hebben (Zaak C-98/03, C-418/04),

en dat:

  • de mogelijkheid voor bepaalde activiteiten een algemene vrijstelling te verlenen, niet strookt met de bepalingen van artikel 6, lid 3 (C-256/98, C-6/04, C-241/08, C-418/04, C-538/09),
  • de omvang van het project niet relevant is, aangezien de omvang van het project op zich de mogelijkheid niet uitsluit dat het project significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied (Zaak C-98/03, Zaak C-418/04).

Het woord “plan” heeft derhalve binnen het kader van artikel 6, lid 3 potentieel een zeer brede betekenis. Analoog verwijzend naar de SMB-richtlijn 2001/42/EG, omschrijft artikel 2, onder a) van die richtlijn plannen en programma’s als ‘plannen en programma's, met inbegrip van die welke door de Gemeenschap worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan:

  • die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of die door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld en
  • die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven'.

De noodzaak van een passende beoordeling voor een plan moet derhalve beoordeeld worden op grond van de aard, het doel en de inhoud van het plan, en niet simpelweg of het een ‘plan’ genoemd wordt. Voorbeelden van plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor een gebied: nieuwe bosbeheerplannen voor Natura 2000-bossen met significante transformaties van bosbestanden aangaande soortensamenstelling of rotatieperioden of andere significante wijzigingen van de bosbouwregeling, significante wijzigingen van jachtplannen voor groot wild, enz.

Een bosbeheerplan dat Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen volledig integreert in een bepaald gebied (geïntegreerd bosbeheerplan) zou naar verwachting normaliter geen significante gevolgen voor het gebied hebben. Dat zich waarschijnlijk geen significante negatieve gevolgen voordoen, moet worden beoordeeld op grond van objectieve argumenten (planscreening) en moet naar behoren worden gedocumenteerd. Indien aan deze voorwaarde is voldaan, moet voor het plan geen volledige passende beoordeling gemaakt worden zoals bedoeld in artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn (zie tevens vraag nr. 35).

Het is nuttig eraan te herinneren dat plannen of projecten die direct gekoppeld zijn aan of noodzakelijk zijn voor het instandhoudingsbeheer van een Natura-gebied (d.w.z. Natura 2000-beheerplan) het vergunningsproces van de Habitatrichtlijn niet hoeven te doorlopen. In zijn algemeenheid wordt ervan uitgegaan dat de gevolgen van die maatregelen voor een Natura 2000-gebied volledig zijn meegenomen in het Natura 2000-beheerplanningproces en dat deze beoordeling derhalve niet herhaald hoeft te worden. Desalniettemin, indien een dergelijk plan of project ook een niet-instandhoudingscomponent omvat, kan het plan nog altijd een passende beoordeling vergen (C-241/08), indien mogelijke significante gevolgen voor het gebied niet kunnen worden uitgesloten.

(A) Sommige terugkerende bosbeheermaatregelen (bijv. om uitbraken van de schorskever te beheersen) kunnen gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Gezien de waarschijnlijkheid van die gebeurtenissen, moeten zij idealiter gepland worden binnen het kader van een bosbeheerplan dat de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen volledig integreert, waarvoor al dan niet een passende beoordeling gemaakt moet worden, zoals hierboven uiteengezet. Voor beheermaatregelen waartoe besloten is om een onvoorziene situatie het hoofd te bieden, en die significante gevolgen kunnen hebben voor een gebied, moet een passende beoordeling gemaakt worden (e.g. grootschalige boomkap om verdere verspreiding van schorskever na een windval te voorkomen, lokale toepassing van insekticiden). Om urgente situaties het hoofd te kunnen bieden, is het raadzaam dat de bevoegde autoriteiten specifieke procedures ontwikkelen die rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

29 Zie deel I, § 2.4.4 voor een algemene presentatie van artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn.

30 Voor het opzoeken van zaken van het Europees Hof van Justitie zie: https://europa.eu/eu-law/case-law/index_nl.htm

31 https://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?language=nl&td=ALL&jur=C,T,F&num=C-304/05

58. Indien een plan of project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt het dan automatisch geweigerd? Als dat niet zo is, welke procedures moeten dan gevolgd worden?

Wettelijke verplichting
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied worden niet automatisch geweigerd. De implicaties van die plannen of projecten voor het gebied moeten stap-voor-stap beoordeeld worden, op grond van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Het gaat om de volgende stappen:

  • Stap één: screening; deze initiële stap moet bepalen of voor een plan of project een passende beoordeling gemaakt moet worden. Indien een plan of een project significante negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, of die mogelijke significante gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet een passende beoordeling gemaakt worden. Het is raadzaam de belangrijkste elementen van de screeningfase op schrift te stellen, voor het geval daar later navraag naar wordt gedaan.
  • Stap twee: passende beoordeling; is besloten dat een passende beoordeling gemaakt moet worden, dan moet gedetailleerd geanalyseerd worden, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, wat de potentiële gevolgen van een plan of project zijn voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden gezien hun instandhoudingsdoelstellingen.
  • Stap drie: besluitvorming; als de conclusie van de passende beoordeling is dat sprake is van negatieve gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van het gebied, dan moet onderzocht worden of preventieve of mitigerende maatregelen kunnen worden ingevoerd om deze effecten weg te nemen.

Deze mitigerende maatregelen moeten direct gekoppeld worden aan de in de passende beoordeling vastgestelde mogelijke gevolgen; deze mitigerende maatregelen kunnen pas vastgesteld worden nadat die gevolgen volledig zijn beoordeeld en beschreven in de passende beoordeling. Net zoals de effectenbeoordeling zelf, moet de vaststelling van de mitigerende maatregelen gebaseerd worden op op een goed begrip van de betrokken soorten en habitats.

Voor bosbouwprojecten kunnen mitigerende maatregelen bijvoorbeeld een verandering of beperking inhouden van de data en het tijdschema voor de toepassing (bijvoorbeeld het kappen van bomen of de aanleg van een bosweg tijdens het broedseizoen van een bepaalde soort vermijden). Indien deze mitigerende maatregelen de vastgestelde negatieve gevolgen kunnen wegnemen of afbouwen, dan kan het project goedgekeurd worden. Is dat niet het geval, dan kan het project alleen goedgekeurd worden overeenkomstig de derogatieprocedure van artikel 6, lid 4 (stap 4), of wordt het geweigerd.

  • Stap 4: uitzonderingen – Artikel 6, lid 4 omvat een aantal uitzonderingen krachtens welke plannen en project met negatieve gevolgen voor een gebied goedgekeurd kunnen worden. Derhalve, wordt vastgesteld dat het plan of project significante negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied zal hebben, kan het plan of project onder uitzonderlijke omstandigheden toch goedgekeurd worden bij ontstentenis van alternatieven, indien het het plan of project noodzakelijk geacht wordt om dwingende redenen van groot openbaar belang en indien de noodzakelijke compenserende maatregelen worden genomen om de samenhang van het Natura 2000-netwerk te beschermen. In die gevallen moet de Europese Commissie geïnformeerd worden en, indien er prioritaire soorten of habitattypes in het gebied zijn, is een Commissie-advies vereist.

Zie de procedure van artikel 6.3

59. Welk verband bestaat tussen het niet-verslechteringsvereiste uit hoofde van de artikel 6, lid 2- en de artikel 6, lid 3-procedure?

Wettelijke verplichting
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Deze twee bepalingen zijn in feite de ‘keerzijden van dezelfde munt’. Artikel 6, lid 2 en 6, lid 3 beogen beide significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden te voorkomen. Artikel 6, lid 2 behelst dat passende maatregelen moeten worden getroffen om te vermijden dat ‘verslechtering …of significante storende factoren’ optreden’. Artikel 6, lid 3 richt zich meer specifiek op nieuwe plannen of projecten ‘die de natuurlijke kenmerken van een gebied zouden kunnen schaden’. In tegenstelling tot artikel 6, lid 2, waar geen uitzonderingen mogelijk zijn, is in artikel 6, lid 4 een uitzonderingsregeling vastgelegd die plannen en projecten met negatieve gevolgen toestaat onder strikt beperkte voorwaarden (bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, dwingende redenen van groot openbaar belang, compenserende maatregelen, enz.). De doelstellingen van artikel 6, lid 2 en 6, lid 3 zijn grosso modo gelijkaardig.

Derhalve, wanneer een plan of project is goedgekeurd zonder dat het voldoet aan artikel 6, lid 3, kan er sprake zijn van een inbreuk op artikel 6, lid 2. Daarvan is sprake indien verslechtering is vastgesteld van een habitat of het optreden van storende factoren voor een soort, waarvoor de betrokken zone is aangewezen (Zaak C-304/0532, C-388/0533, C-404/0934). Plannen of projecten die overeenkomstig artikel 6, lid 3 en 6, lid 4 zijn goedgekeurd, moeten tevens voldoen aan artikel 6, lid 2.

60. Moet ik steeds een artikel 6, lid 3-procedure toepassen als ik bomen/hout in mijn Natura 2000-bos wil kappen?

Wettelijke verplichting (W) / Aanbeveling (A)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(W) De artikel 6, lid 3-procedure is alleen van toepassing indien een plan of een significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De procedure is van toepassing op alle plannen of projecten van dien aard, ongeacht of zij binnen of buiten een Natura 2000-gebied gesitueerd zijn.

(W) Als eerste stap moet de boseigenaar of –beheerder nagaan of er inderdaad mogelijkerwijze significante gevolgen kunnen optreden, hetzij afzonderlijk, hetzij in combinatie met andere plannen of projecten; dit noemen wij ook wel de screeningfase. Indien aangetoond kan worden dat zulks niet het geval zal zijn, dan zal een volledige effectenbeoordeling niet nodig zijn en kan het project goedgekeurd worden. Bestaan er twijfels dan is het zeer raadzaam contact op te nemen met de bevoegde autoriteit, vooraleer over te gaan tot kapping, aangezien uit hoofde van de betreffende nationale wetgeving aanvullende vereisten kunnen bestaan.

(A) In de praktijk kan de screeningfase op verschillende manieren uitgevoerd worden. Het is raadzaam dat de bevoegde autoriteiten boseigenaren en –beheerders informeren over bosactiviteiten die a priori stroken met de instandhoudingsdoelstellingen en welke daarmee niet stroken.

(A) Het uitbrengen van aan de afzonderlijke gebieden aangepaste richtsnoeren zou dienaangaande zeer relevant zijn. Bij ontstentenis van dergelijke informatie moet een bosbeheerder, die in een Natura 2000-gebied, waarvoor geen vergunningsvereisten gelden, een bosbouwactiviteit wil uitvoeren (bijv. kaalslag gevolgd door beplanting in een bos dat niet valt onder een officieel goedgekeurd bosbeheerplan), nagaan of de activiteit geen verslechtering van het gebied zal veroorzaken. Aanbevolen wordt contact op te nemen met de bevoegde autoriteit voorafgaande aan het uitvoeren van de activiteit om duidelijk te maken of al dan niet een artikel 6, lid 3-procedure toegepast moet worden.

Indien de boomkap is gepland in een bosbeheerplan dat de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen volledig integreert (geïntegreerd bosbeheerplan), dan wordt er in beginsel vanuit gegaan dat de boomkap significant geen negatieve gevolgen voor het gebied kan hebben. Indien aan deze voorwaarde daadwerkelijk wordt voldaan (te controleren in de screeningfase op basis van objectieve criteria) dan vereist de Habitatrichtlijn noch een passende beoordeling noch een vergunning.

Het ware ook nuttig een gefaseerd commercieel kapprogramma voor een bosgebied als één project te beschouwen zodat slechts één vergunning vereist is. In dat geval moet het hele programma gescreend worden op mogelijke negatieve gevolgen voor een gebied en indien noodzakelijk moet een passende beoordeling gemaakt worden.

Vele kleine bosbedrijven zijn niet gedekt door een goedgekeurd bosbeheerplan. Indien niet aannemelijk is dat de voorgenomen boomkap significante negatieve gevolgen zal hebben voor een gebied, zulks op grond van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, zijn een passende beoordeling of vergunning niet noodzakelijk, tenzij een regionale/nationale procedure die wel vereist. Daarentegen, indien de boomkap significante gevolgen voor het gebied kan hebben, zijn een passende beoordeling en een vergunning vereist.

Voor vele traditionele of terugkerende bosactiviteiten (bijv. uitdunning, beplanting met inheemse boomsoorten, onderhoud van aanplant enz.), kan vaak op grond van een objectieve screening vastgesteld worden dat het niet aannemelijk is dat deze activiteiten significante negatieve effecten voor een Natura 2000-gebied zullen hebben. Is dat inderdaad het geval dan is geen passende beoordeling vereist. (zie ook vraag 35)

61. Vergen plannen of projecten buiten Natura 2000-gebieden ook artikel 6, lid 3-procedure?

Wettelijke verplichting
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

De procedure van artikel 6, lid 3, is van toepassing op alle plannen of projecten, ongeacht of zij binnen of buiten een Natura 2000-gebied gesitueerd zijn (bijv. drainage stroomopwaarts).

Zie: Hoe moet worden omgegaan met een gegeven bosbouwactiviteit onder artikel 6, lid 3 in aanwezigheid of afwezigheid van een bosbeheersplan?

Toezicht en beoordeling

62. Hoe weet ik of de staat van instandhouding van het boshabitat of soorten in het hele verspreidingsgebied binnen de EU verbeterd is?

Wettelijke verplichting
Doelgroep: autoriteiten

Luidens artikel 11 van de Habitatrichtlijn zien de lidstaten toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang. De staat van instandhouding van van alle soorten en habitats van EU-belang wordt regelmatig beoordeeld binnen het kader van de 6-jaarlijkse voortgangsverslagen die de lidstaten indienen bij de Commissie overeenkomstig artikel 17 van de Habitatrichtlijn en artikel 12 van de Vogelrichtlijnen. Beoogd wordt de status van elke soort of elk habitattype in zijn hele verspreidingsgebied binnen de EU vast te stellen. Vier categorieën van status van instandhouding zijn vastgesteld: Gunstig (FV), Ongunstig-Ontoereikend (U1), Ongunstig -Slecht (U2), Onbekend (XX).

De uiteindelijke doelstelling is uiteraard dat zij allemaal een gunstige staat van instandhouding bereiken35. Maar het kost tijd om dat te bereiken. De habitattypen en soorten werden geselecteerd omdat zij bedreigd worden of zeldzaam zijn, hetgeen betekent dat zij sowieso grotendeels al een slechte staat van instandhouding kennen. Er zal dus enige tijd verstrijken voor de toegepaste instandhoudingsmaatregelen ‘hun vruchten zullen afwerpen’, d.w.z. dat de globale staat van instandhouding van de soort of habitat in de hele EU verbetert.

In een aantal lidstaten (bijv. Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk) is een systematisch toezichtprogramma ontwikkeld voor toezicht op de staat van instandhouding in verschillende gebieden. Gegevens uit bestaande inventarissen, met name in grote bosgebieden, kunnen wat dat betreft nuttig zijn. Bijvoorbeeld, in de Duitse Nationale Bosinventaris (Bundeswaldinventur, BWI-2012), werden de boshabitattypen, en de voor hen storende factoren, tijdens de regelmatige inventarissen ter plekke behandeld.

Alles wordt gedaan om deze doelstelling te bereiken en de meest recente beoordelingen van staten van instandhouding zijn in mei 2015 gepubliceerd. Die geven een goed beeld van de tot op heden geboekte vooruitgang36.

35 Deze term is omschreven in de Habitatrichtlijn, zie sectie 3.4 in deel 1 van dit rapport

36 Meer gedetailleerde informatie is op de volgende website beschikbaar: https://bd.eionet.europa.eu/article17/reports2012/

63. Welke toezichtverplichtingen gelden voor afzonderlijke Natura 2000-gebieden? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Hoe kan ik de meest recente staat van instandhouding vinden van een specifieke soort of habitattype in mijn gebied?

Wettelijke verplichting (W)/ Informatie (I)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(W) Elke lidstaat kan zelf beslissen hoe het beste toezicht uitgeoefend kan worden op de staat van instandhouding van de habitattypen en soorten van EU-belang in hun land op het niveau van elk Natura 2000-gebied. De bevoegde autoriteiten in elk land zijn hiervoor verantwoordelijk. Toezichtresultaten zijn normaliter beschikbaar voor het publiek, bijv. op de website van de autoriteiten.

(I) Private boseigenaren of –beheerders zijn evenwel niet verplicht om toezicht uit te oefenen op de staat van instandhouding van de in hun bos aanwezige soorten en habitattypen. Uiteraard wordt het graag gezien dat zij dat wel doen, aangezien dat altijd zeer waardevolle informatie is, bijvoorbeeld kunnen op die manier signalen worden opgetekend die wijzen op een mogelijke verslechtering.

De mate van instandhouding van een specifieke soort of habitattype in een Natura 2000-gebied wordt geregistreerd en bijgewerkt in het standaardgegevensformulier dat publiekelijk beschikbaar is voor elk Natura 2000-gebied. Bevoegde autoriteiten en gebiedbeheerders kunnen daarover ook gedetailleerde informatie verstrekken.

64. Welke verplichtingen gelden voor het toezicht op instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden?

Wettelijke verplichting (W)/ Aanbeveling (A)
Doelgroep: bevoegde autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(W) Artikel 11 van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten ertoe dat zij toezien op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang. Artikel 17, lid 1 vereist dat lidstaten informatie verstrekken over de in Natura 2000-gebieden getroffen instandhoudingsmaatregelen en een beoordeling verstrekken van het effecten van die maatregelen.

Het nieuwe artikel 17-rapportageformaat37 (vastgesteld voor de rapportage over de periode 2007-2012) verzoekt om informatie waarmee de bijdrage van het Natura 2000-netwerk aan de staat van instandhouding van habitats en soorten en de globale effectiviteit van het netwerk beoordeeld moeten kunnen worden.

Dit nieuwe rapportageformaat omvat het vereiste een verslag op de stellen over de toepassing van beheerplannen of andere instrumenten waarmee de lidstaten hun netwerk beheren, alsook de gebieden waarvoor projecten/plannen gevolgen hebben waarvoor compensatiemaatregelen noodzakelijk waren en de belangrijkste maatregelen die werden getroffen om de coherentie van het Natura 2000-netwerk overeenkomstig artikel 10 te verzekeren.

(A) Gezien de verplichting van lidstaten om een verslag verslag op de stellen over de toepassing van instandhoudingsmaatregelen en over de gevolgen van de maatregelen op de staat van instandhouding, is een toezichtmechanisme op het niveau van de afzonderlijke gebieden voor instandhoudingsmaatregelen raadzaam. Een dergelijk mechanisme omvat normaliter meetbare en duidelijk verifieerbare criteria en indicatoren om de follow-up en de beoordeling van resultaten te vergemakkelijken.

Normaliter zijn de bevoegde autoriteiten verantwoordelijk voor toezicht in Natura 2000. Wat betreft de boshabitats en soorten en de in de bossen toegepaste maatregelen is nauwe samenwerking raadzaam tussen bosautoriteiten en natuurbeschermingsinstanties en boseigenaren en -beheerders.

Toezicht en beoordeling van resultaten zijn essentieel om instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen aan te kunnen passen aan belangrijke natuurlijke of andere ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor de instandhouding van in het gebied aanwezige habitats en soorten van communautair belang.

Communicatie, samenwerking, actieve betrokkenheid van belanghebbenden

65. Welke rol kunnen boseigenaren en –beheerders spelen bij de toepassing van Natura 2000?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de toepassing van Natura 2000, maar die toepassing heeft zeer belangrijke gevolgen voor grondeigenaren en -beheerders. Goede deelname van boseigenaren en bosbeheerders is essentieel. Boseigenaren en –beheerders in een vroeg stadium hierbij betrekken is werkelijk noodzakelijk en heeft zijn waarde. Boseigenaren kennen hun land, hebben hun eigen beheerdoelstellingen en hebben een essentiële rol bij de opstelling en toepassing van de beheermaatregelen in hun bossen. Zij zijn derhalve belangrijke partners bij de ontwikkeling en de succesvolle toepassing van Natura 2000.

Het is zeer raadzaam beheerplannen voor te bereiden en te ontwikkelen die gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen behandelen en instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden omvatten. Het is van belang alle betrokken belanghebbenden hierbij te betrekken om de keuzemogelijkheden, die voldoen aan uiteenlopende verwachtingen, zover mogelijk te verkennen, om mogelijke conflicten aan te spreken en te vermijden en om oplossingen te vinden voor de compensatie van geleden schade (aanvullende kosten en gederfde inkomsten) die bepaalde instandhoudingsmaatregelen zouden kunnen veroorzaken die verder gaan dan wat gebruikelijk is onder duurzaam bosbeheer.

66. Waarom is het belangrijk de uiteenlopende belanghebbende groepen te betrekken bij de opstelling van natuurbehouddoelstellingen en Natura 2000-beheerplannen?

Aanbeveling
Doelgroep: brede publiek, bosbeheerders/-eigenaren, autoriteiten

Overwegende dat Natura 2000 beoogt bij te dragen aan de bescherming van biodiversiteit, daarbij rekening houdend met de socio-economische en culturele vereisten, is het zeer raadzaam vooraf te bepalen wie alle relevante belanghebbenden zijn en dat zij betrokken worden bij de voorbereiding en ontwikkeling van maatregelen die de instandhouding van bossen in Natura 2000-gebieden behandelen.

Uiteenlopende typen van belanghebbenden hebben wellicht meer of minder direct belang bij het beheer van Natura 2000-gebieden. Autoriteiten, boseigenaren en -beheerders zijn de meest relevante belanghebbenden in het besluitvormingsproces, maar met de standpunten van andere belanghebbenden moet ook rekening worden gehouden, met name de lokale gemeenschappen en andere bodemgebruikers, NGO’s, jagers, hengelaars, enz. die wellicht aan het proces kunnen bijdragen met hun kennis en ervaring.

Door inspraak bij de planning en voorbereiding van gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en instandhoudingsmaatregelen voor een Natura 2000-gebied kan rekening worden gehouden met de standpunten van de mensen die in het gebied wonen en werken of het gebied gebruiken. Het is een gelegenheid bij uitstek om een sociale atmosfeer te creëren die milieubehoud bevordert. De kans op succes wordt veel groter indien de verschillende belanghebbenden worden geïnformeerd en geraadpleegd over het beheer van het gebied. Het kan ook de kans bieden om een multidisciplinaire en professionele aanpak te ontwikkelen, alsmede samenwerking en mogelijke synergieën tussen verschillende actoren.

Door niet-bosactoren hierbij te betrekken kunnen eventuele conflicten vermeden of opgelost worden (bijv. excessieve belasting door wild) en kan geprofiteerd worden van kennis en ervaring van anderen. Ermee rekening houdend dat de staat van instandhouding van beschermde habitattypen en soorten vaak beïnvloed wordt door de activiteiten van een reeks belanghebbenden (boswachters, jagers, toeristensector, enz.) is de communicatie met en tussen hen essentieel om op een evenwichtige wijze een geïntegreerd beheer te bereiken en instandhoudings- en andere doelstellingen te verwezenlijken.

67. Welke stappen moet een inspraakproces inhouden?

Aanbeveling
Doelgroep: brede publiek, bosbeheerders/-eigenaren, autoriteiten

Er zijn meerdere methoden om inspraakprocessen uit te voeren38. De belangrijkste stappen in een inspraakproces binnen het kader van het beheer van Natura 2000-bosgebieden kunnen zijn:

  • bepalen wie alle relevante belanghebbenden zijn.
  • een werkgroep of comité, al naar gelang, voor meerdere belanghebbenden oprichten.
  • waarden, rechten, bronnen, grond en gebieden karteren en effecten beoordelen.
  • participatieve effectenbeoordeling – positieve en negatieve effecten vaststellen.
  • gedetailleerde en publieke informatie over instandhoudingsdoelstellingen en bespreken van geplande maatregelen. Gerichte informatie aan alle direct betrokkene belanghebbenden.
  • de beste manier en mechanismen voor de toepassing van noodzakelijke maatregelen bespreken, en deze vaststellen, rekening houdend met financiële middelen, remuneratie en verdeling van de voordelen.
  • facilitatie ingeval van conflicterende vorderingen, daarbij gebruikmakend van adequate geschillenbeslechtingsprocedures.
  • een inspraaktoezichtmodel opzetten met van meet af aan betrokkenheid van alle belanghebbenden: waarop toezicht houden, hoe, wanneer, waar, door wie.
  • adviesdiensten inzetten.

38 Zie bijv. een toolbox over het betrekken van het publiek bij planning voor bossen en bebost gebied, gepubliceerd door de bosbouwcommissie in het Verenigd Koninkrijk. https://www.forestry.gov.uk/forestry/INFD-5XMDS8

68. Welke soort informatie moet openbaar worden gemaakt?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Open, publieke toegang tot informatie is uitermate belangrijk, met name informatie over instandhoudingsdoelstellingen, verplichtingen, aanbevelingen, overeenkomsten, zowel op het niveau van de afzonderlijke gebieden, alsook op nationaal/regionaal niveau. Op grond van de noodzakelijke raadplegingen moeten boseigenaren en bosbeheerders terdege geïnformeerd worden over de redenen en het belang van gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen in Natura 2000-bossen. Het is daarom raadzaam dat de gedetailleerde beschrijving van de instandhoudingsdoelstellingen en –maatregelen, en passende informatie over de locatie van de belangrijkste natuurlijke elementen en de respectieve instandhoudingsmaatregelen aan het publiek beschikbaar worden gesteld. In tegenstelling tot sommige bosbeheerplannen (die privé- en gevoelige informatie kunnen bevatten), is een Natura 2000-beheerplan normaliter een voor het publiek beschikbaar document (zie tevens vraag 33).

Communicatie van relevante en begrijpelijke informatie is uitermate belangrijk om wederzijds begrip te verbeteren en dialoog tussen belanghebbenden te bevorderen. Het is ook een noodzakelijke voorwaarde voor vruchtbare discussies over instandhoudingsdoelstellingen en instandhoudingsmaatregelen. Een goed communicatieplan vereist de ontwikkeling van passende communicatie- en informatiestrategieën over de algemene doelstellingen van Natura 2000, de instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen van gebieden enz. Daarbij kan het gaan om de oprichting van een werkgroep of comité voor meerdere belanghebbenden, indien mogelijk, en de ontwikkeling van een transparant proces voor vergaderingen en raadplegingen (rondetafels, nieuwsbrieven, enz.). Het is van belang dat belanghebbenden naar behoren worden geïnformeerd, niet alleen over de beperkingen, maar ook over de door Natura 2000 geboden mogelijkheden.

69. Boseigenaren vinden Natura 2000 vaak moeilijk te begrijpen. Hoe kan die situatie verbeterd worden?

Aanbeveling
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

Alhoewel er in de Habitatrichtlijn geen expliciete communicatieverplichtingen staan, heeft de Commissie benadrukt dat het belangrijk en nodig is om de doelstellingen van Natura 2000 te communiceren en uit te leggen aan het bredere publiek en met name aan de belanghebbenden die direct verbonden zijn met het gebied voor het beheer van de gebieden. De Commissie heeft nuttige richtsnoeren opgesteld over de algemene bepalingen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen, en richtsnoeren die specifiek bedoeld zijn voor bepaalde economische sectoren (zie: /environment/nature/natura2000/management/guidance_en.htm).

Meerdere instrumenten zijn beschikbaar om bewustzijn te versterken, advies te geven en lokale capaciteit voor het beheer van een Natura 2000-gebied op te bouwen en om een inspraakproces te ontwikkelen (zie ook vraag 25).

De bescherming van soorten en habitats van EU-belang in hun hele verspreidingsgebied, buiten de Natura 2000-gebieden

70. Hebben de bossen buiten het Natura 2000-netwerk een rol bij de instandhouding van soorten en habitats van EU-belang?

Informatie (I)/ Aanbeveling (A)
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

(I) Ja, de bossen buiten het Natura 2000-netwerk hebben een belangrijke rol in de instandhouding van habitats en soorten van EU-belang, met name geldt dat voor diegenen die door fragmentatie of isolatie bedreigd worden. Die bossen kunnen ertoe bijdragen dat de ecologische samenhang van het netwerk en de functionele connectiviteit tussen Natura 2000-gebieden sterk verbeterd worden.

De gebieden buiten het Natura 2000-netwerk kunnen ook meer toevluchtsoorden bieden voor soorten en habitattypen buiten de aangewezen gebieden. Dat is bijzonder nuttig voor bossoorten en habitats die een groot verspreidingsgebied hebben (e.g. beren en lynxen) of die wijd verspreid zijn (bijv. ooibossen) aangezien hun bronnen slechts deels in het Natura 2000-netwerk zijn opgenomen (soms minder dan 50 %). Die gebieden buiten het Natura 2000-netwerk zijn nodig om een gunstige staat van instandhouding te bereiken.

(A) Artikel 10 van de Habitatrichtlijn moedigt de lidstaten ertoe aan de landschapselementen te beheren die van groot belang zijn voor de migratie, geografische verdeling en de genetische uitwisseling van wilde soorten van fauna en flora. Die maatregelen kunnen ook bossen en bosland omvatten die niet zijn aangewezen als Natura 2000-gebieden. Artikel 10 heeft alleen praktische gevolgen voor boseigenaren en -beheerders wanneer lidstaten daarvoor specifieke maatregelen hebben getroffen. Sommige landen pakken deze kwestie aan middels nationale of regionale strategieën (e.g. Ecobossen in Letland, "Schémas Régionaux de Cohérence Ecologique" in Frankrijk). Het initiatief Groene Infrastructuur van de Europese Commissie zal de lidstaten er nog meer toe aanzetten dergelijke maatregelen te treffen.

Het belang van gebieden buiten het Natura 2000-netwerk voor vogels is vastgelegd in artikel 3, onder b) en artikel 4 van de Vogelrichtlijn die vereisen dat lidstaten ernaar moeten streven habitats binnen en buiten de beschermingszones te onderhouden en te beheren overeenkomstig de ecologische eisen, en vervuiling of verslechtering van habitats te vermijden.

71. Welke wettelijke vereisten hebben de bescherming van soorten buiten Natura 2000 als doel?

Wettelijke verplichting
Doelgroep: autoriteiten, boseigenaren/-beheerders

De twee EU-Natuurrichtlijnen vereisen tevens dat bepaalde soorten in de hele EU beschermd worden, binnen en buiten de Natura 2000-gebieden om hun instandhouding in hun hele verspreidingsgebied binnen de EU te waarborgen. Het gaat hier om alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten in de EU, en om andere in bijlage IV en V bij de Habitatrichtlijn opgenomen soorten die ook aan boshabitats gelinkt worden.

Bovendien wordt van lidstaten ook vereist een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen (artikel 3 van de Vogelrichtlijn). Dat vereiste kan habitatbeschermingsmaatregelen buiten het Natura 2000-netwerk impliceren.

Aangaande de bepalingen betreffende soortenbescherming in hun hele verspreidingsgebied, vereisen de twee richtlijnen dat de lidstaten het volgende verbieden:

  • ongeacht de gebruikte methode, beschermde soorten opzettelijk doden of vangen;
  • opzettelijk eieren of nesten vernielen of eieren rapen of nesten wegnemen, of beschermde plantensoorten plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen;
  • voortplantings- of rustgebieden beschadigen of vernielen;
  • opzettelijk verstoren vooral tijdens de perioden van voortplanting, opzettelijk verstoren van afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
  • het in bezit hebben, te koop aanbieden en vervoeren van aan de natuur onttrokken soorten.

Deze in nationale wetgeving omgezette verboden moeten alle boseigenaren, -gebruikers en –beheerders ook respecteren.

Afwijkingen van deze bepalingen zijn onder bepaalde omstandigheden toegestaan (e.g. om ernstige schade aan gewassen, vee, bossen, visbestanden en water te voorkomen) mits er geen andere bevredigende oplossing is en de gevolgen van deze afwijkingen niet indruisen tegen de globale doelstellingen van de richtlijnen. De voorwaarden voor de afwijkingen zijn vastgelegd in artikel 9 van de Vogelrichtlijn en artikel 16 van de Habitatrichtlijn.

Nadere richtsnoeren betreffende de bescherming van soorten krachtens de Habitatrichtlijn zijn beschikbaar op: /environment/nature/conservation/species/guidance/index_en.htm.