Navigation path

High level navigation

Page navigation

Veelgestelde vragen over Natura 2000

Wat is Natura 2000?

1. Wat is Natura 2000? Wat is het verschil tussen een Natura 2000-gebied en een nationaal natuurreservaat of nationaal park?

Natura 2000-gebieden zijn specifiek aangewezen om kerngebieden te beschermen voor een subgroep van soorten of habitattypen die zijn opgenomen in de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn. Ze zijn van Europees belang omdat ze bedreigd, kwetsbaar, zeldzaam of endemisch zijn of perfecte voorbeelden vormen van de typische kenmerken van een of meer van de negen biogeografische regio’s in Europa. In totaal zijn er ongeveer 2 000 soorten en 230 habitattypen waarvoor kerngebieden moeten worden aangewezen als Natura 2000-gebieden.

Natuurreservaten, nationale parken en andere op nationaal of regionaal niveau beschermde gebieden worden daarentegen uitsluitend aangewezen uit hoofde van nationale of regionale wetgeving, die van land tot land kan verschillen. Deze gebieden kunnen voor verschillende doeleinden worden aangewezen en kunnen ook betrekking hebben op andere soorten/habitats dan degene waarop het Natura 2000-netwerk zich richt.

Ze hebben niet dezelfde status als Natura 2000-gebieden. Toch kan het zijn dat sommige op nationaal of regionaal niveau beschermde gebieden ook worden aangewezen als Natura 2000-gebieden, omdat het ook belangrijke gebieden zijn voor soorten en habitats van EU-belang. In dergelijke gevallen zijn de bepalingen van de EU-richtlijnen van toepassing, tenzij er strengere regels gelden uit hoofde van de nationale wetgeving.

Meer informatie:

Het Natura 2000-netwerk opbouwen
De Eunis-database van Natura 2000

2. Hoe worden de gebieden geselecteerd?

Natura 2000-gebieden worden geselecteerd met als doel te garanderen dat soorten en habitats die worden beschermd in het kader van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn, op de lange termijn kunnen overleven. De gebieden worden op basis van wetenschappelijke criteria geselecteerd.

Op grond van de vogelrichtlijn moeten EU-lidstaten de "meest geschikte gebieden", zowel in aantal als in oppervlakte, aanwijzen om de vogelsoorten die zijn opgenomen in bijlage I bij de richtlijn en ook trekvogels te beschermen.

In overeenstemming met de habitatrichtlijn moeten de lidstaten de gebieden aanwijzen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de in bijlage I opgenomen typen natuurlijke habitats en de habitats van de in bijlage II opgenomen soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding worden behouden of, in voorkomend geval, hersteld.

De gebieden worden geselecteerd en voorgesteld door de lidstaten. Het Europees Milieuagentschap (EEA) helpt de Europese Commissie met het analyseren van de voorgestelde gebieden en de evaluatie van de bijdrage die de voorgestelde gebieden op biogeografisch niveau leveren aan de staat van instandhouding van elk type habitat en elke soort. Zodra er in het kader van de habitatrichtlijn voldoende gebieden zijn voorgesteld, worden de lijsten met gebieden door de Commissie goedgekeurd en moeten de lidstaten deze gebieden zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen zes jaar, aanwijzen als speciale beschermingszones (SAC's).

Meer informatie:

Aanwijzing van Natura 2000-gebieden
Het Natura 2000-netwerk opbouwen

3. Welke soorten ecosystemen worden opgenomen in Natura 2000?

Er zijn verschillende soorten ecosystemen opgenomen in de Natura 2000-gebieden, waaronder terrestrische, zoetwater- en mariene ecosystemen. Een ecosysteem kan een of meerdere habitats bevatten en gewoonlijk is er een diverse gemeenschap van planten en dieren te vinden.

Binnen het Natura 2000-netwerk komen sommige ecosystemen meer voor dan andere. Zo vertegenwoordigen bosecosystemen ongeveer 50 % van de oppervlakte van het netwerk terwijl landbouw (grasland en andere landbouwgebieden) ongeveer 40 % van het netwerk bestrijkt.

Momenteel (2016) is bijna 6 % van de mariene gebieden in de EU opgenomen in het Natura 2000-netwerk. Er wordt op dit moment gewerkt aan de afronding van de aanwijzing van mariene gebieden die de instandhouding zullen garanderen van habitattypen en soorten die worden beschermd door de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn.

4. Is er een openbare raadpleging gehouden over de selectie van gebieden voor het Natura 2000-netwerk?

In de richtlijnen wordt het raadplegingsproces dat moet worden gevolgd voor de selectie van gebieden niet gedetailleerd beschreven. Als gevolg daarvan hebben de lidstaten, afgestemd op hun administratieve systemen, zeer afwijkende procedures gevolgd. In sommige gevallen ging de identificatie van de gebieden gepaard met gedetailleerde discussies met eigenaren en gebruikers, maar in andere gevallen werden belanghebbenden niet of nauwelijks geraadpleegd.

Dit heeft in sommige lidstaten geleid tot controverses en verschillende administratieve en juridische uitdagingen die de indiening van de voorstellen vertraagden. De Commissie was echter niet bij deze fase betrokken en had geen bevoegdheden om in te grijpen in de verschillende procedures die in de lidstaten werden gevolgd.

De analyses van de nationale lijsten met gebieden van communautair belang en hun selectie op biogeografisch niveau zijn op transparante wijze uitgevoerd door middel van wetenschappelijke seminars die door de Commissie werden georganiseerd en door het Europees Milieuagentschap werden ondersteund. Lidstaten en deskundigen die de belangen behartigden van de relevante belanghebbenden - eigenaren, gebruikers en milieu-ngo's - werd de kans geboden aan deze seminars deel te nemen.

Waarom wordt er geen rekening gehouden met sociaaleconomische overwegingen bij de selectie van gebieden voor het Natura 2000-netwerk?

De identificatie en selectie van gebieden voor opneming in het Natura 2000-netwerk hebben op wetenschappelijke gronden plaatsgevonden, in overeenstemming met de selectiecriteria van de twee richtlijnen. Door een wetenschappelijke basis te gebruiken voor de selectie van gebieden, wordt gegarandeerd dat:

  • alleen de meest geschikte gebieden worden geselecteerd voor aanwijzing als Natura 2000-gebied (en niet alle gebieden waar bepaalde soorten of habitats te vinden zijn) en
  • er voldoende gebieden worden opgenomen in het Natura 2000-netwerk om te garanderen dat alle soorten en habitats op de lijst op de lange termijn in stand worden gehouden in hun hele verspreidingsgebied binnen de EU.

Als de beste gebieden niet worden opgenomen of als er voor bepaalde soorten of habitattypen onvoldoende gebieden zijn, is het netwerk niet ecologisch samenhangend en zal het niet in staat zijn om zijn doelstellingen uit hoofde van de twee natuurrichtlijnen te realiseren.

Daarom worden sociaaleconomische overwegingen niet meegenomen tijdens het proces van de selectie van gebieden. Ze vormen echter een fundamentele overweging wanneer wordt besloten hoe een Natura 2000-gebied moet worden beschermd en beheerd. Artikel 2 van de habitatrichtlijn maakt duidelijk dat alle maatregelen die worden genomen op grond van de richtlijn zo moeten worden ontworpen dat zij natuurlijke habitats en soorten van EU-belang in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen, waarbij rekening wordt gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.

6. Hoeveel gebieden zijn er en waar?

Het Natura 2000-netwerk bevat momenteel (2016) meer dan 27 000 gebieden in alle EU lidstaten, met een totale oppervlakte van ongeveer 1 150 000 km2. Het gaat hierbij om zowel gebieden op het land als mariene gebieden. De totale grondoppervlakte van Natura 2000 vertegenwoordigt ongeveer 18 % van de totale grondoppervlakte in de EU. De nationale dekking van Natura 2000-gebieden varieert van ongeveer 9 % tot bijna 38 %, afhankelijk van het land. Dit verschil is gedeeltelijk te verklaren door de hoeveelheid natuurlijke en semi-natuurlijke habitats die in elk land te vinden is. Zo is bijvoorbeeld een veel groter deel van de habitattypen en soorten die in het kader van de richtlijnen worden beschermd, te vinden in de mediterrane, continentale en alpiene regio's dan in de Atlantische regio. Bovendien is er in sommige landen in het verleden sprake geweest van zeer intensief grondgebruik en fragmentatie, wat als gevolg heeft dat er minder natuurlijke hulpbronnen zijn die in het kader van de richtlijnen worden beschermd. Er zijn over het algemeen veel meer, en op veel meer plekken, natuurlijke en semi-natuurlijke habitats en soorten als grote carnivoren te vinden in de Centraal- en Oost-Europese lidstaten die in en na 2004 bij de EU zijn gekomen dan in sommige van de oudere lidstaten. Een andere oorzaak is dat de lidstaten verschillende benaderingen hebben gekozen voor de afbakening van de gebieden die zijn geselecteerd om te worden aangewezen. Sommige lidstaten hebben in een meer holistische aanpak voor breed afgebakende, grote Natura 2000-gebieden gekozen, waar ook delen met niet in aanmerking komende habitat deel van uitmaken. Andere lidstaten hebben hun gebieden exacter afgebakend door ze meer te beperken tot gebieden met in aanmerking komende habitats.

In de Natura 2000-barometer wordt de informatie over het aantal gebieden en de gedekte oppervlakte in elk land en op EU-niveau regelmatig geactualiseerd.

De Natura 2000-viewer is een online-voorziening waarmee de gebruiker Natura 2000-gebieden overal in de EU kan lokaliseren en verkennen met een druk op de knop.

Meer informatie:

Lijst met Natura 2000-gebieden die zijn goedgekeurd door de Commissie in elke biogeografische regio.
Natura 2000 in alle lidstaten

7. Wat is het verschil tussen een speciale beschermingszone (special area of conservation, SAC), een gebied van communautair belang (site of Community importance, SCI), een speciale beschermingszone (special protection area, SPA) en een Natura 2000-gebied?

Naar SAC's, SCI's en SPA's wordt collectief verwezen als Natura 2000-gebieden. SPA's zijn Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen uit hoofde van de vogelrichtlijn, terwijl SCI's en SAC's gebieden zijn die uit hoofde van de habitatrichtlijn zijn aangewezen. SCI's en SAC's verwijzen naar hetzelfde gebied. Het enige verschil tussen de twee is het beschermingsniveau.

SCI's zijn gebieden die officieel door de Europese Commissie zijn goedgekeurd en daarom onder de beschermingsbepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4, vallen. SAC's zijn SCI's die door de lidstaten zijn aangewezen door middel van een rechtshandeling en waarin de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen worden toegepast om te garanderen dat de aanwezige soorten en habitattypen van EU-belang in stand worden gehouden.

Zie: Nota van de Commissie over de aanwijzing van speciale beschermingszones

8. Is het Natura 2000-netwerk voltooid? Zullen er in de toekomst nieuwe gebieden worden toegevoegd?

Het Natura 2000-netwerk van de EU omvat meer dan 27 000 gebieden in alle 28 EU lidstaten (status 2016). Samen bestrijken ze een oppervlakte van meer dan 1 miljoen vierkante kilometer, wat gelijkstaat aan ongeveer een vijfde van de grondoppervlakte van Europa (18,36 %) en een belangrijk deel van de omliggende zeeën. Dit maakt het tot een van de grootste gecoördineerde netwerken van beschermde gebieden ter wereld.

De Europese Commissie moet zowel op nationaal als op biogeografisch niveau beoordelen of elke soort en elk habitattype voldoende wordt gedekt door de bestaande gebieden in het netwerk en zij wordt hierbij geholpen door het Europees Thematisch Centrum voor biodiversiteit. De Commissie heeft geconcludeerd dat het Natura 2000-netwerk nu grotendeels voltooid is op het land, maar heeft bepaalde lidstaten verzocht meer gebieden voor te stellen voor een aantal soorten en habitats om het netwerk op hun grondgebied te vervolledigen.

De aanwijzing van Natura 2000-gebieden in het mariene milieu vordert echter veel langzamer dan op het land. Tot op dit moment (juni 2016) zijn er meer dan 3 000 mariene Natura 2000-gebieden aangewezen, die bijna 6 % van de totale mariene oppervlakte van de EU (meer dan 360 000 km²) vertegenwoordigen. Een van de belangrijkste redenen dat het aanwijzen van mariene gebieden zo langzaam gaat, is het gebrek aan wetenschappelijke informatie over de verspreiding van in de EU beschermde mariene habitats en soorten, in het bijzonder met de gedetailleerdheid die nodig is om gebieden te kunnen identificeren en passend beheer te kunnen invoeren.

De Europese Commissie en lidstaten hebben recentelijk hun inspanningen geïntensiveerd om nieuwe mariene gebieden aan te wijzen, met name in offshore mariene jurisdictionele zones buiten de territoriale wateren van de lidstaten.

Meer informatie:

Natura 2000
Natura 2000 in het mariene milieu

9. Kunnen gebieden worden gewijzigd of van de Natura 2000-lijst worden verwijderd?

Een gebied kan alleen van de lijst worden gehaald als het als gevolg van natuurlijke ontwikkelingen zijn instandhoudingswaarde heeft verloren en niet kan worden hersteld door middel van beheermaatregelen. Het is echter belangrijk niet te vergeten dat verslechtering van een gebied, bijvoorbeeld als gevolg van inadequaat beheer, een schending van artikel 6, lid 2, vormt. Dergelijke gebieden kunnen niet uit het netwerk worden verwijderd simpelweg omdat men hun verslechtering heeft toegestaan en zij niet goed zijn beheerd in overeenstemming met de eisen van de twee natuurrichtlijnen. Gebieden die zijn vernietigd en waarvoor naar behoren compenserende maatregelen zijn genomen overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn, kunnen wel van de lijst worden verwijderd. Ook gebieden waarvan de oorspronkelijke aanwijzing of afbakening lijkt te zijn gebaseerd op foutieve wetenschappelijke informatie, kunnen worden gewijzigd of van de lijst worden verwijderd. Een voorstel voor een dergelijke wijziging door een lidstaat zal door de Commissie alleen worden geautoriseerd indien deze naar behoren wetenschappelijk is onderbouwd.

Meer informatie: Arrest HvJ-EU C-301/12.

10. Hoe kan ik meer te weten komen over Natura 2000-gebieden in de lidstaten? Hoe kan ik weten of mijn grond is opgenomen in Natura 2000 of niet?

De Europese Commissie heeft met hulp van het Europees Milieuagentschap een openbaar toegankelijk online GIS-mapping-systeem - de Natura 2000-viewer - gecreëerd, waarin de exacte locatie van elk Natura 2000-gebied binnen het EU-netwerk wordt aangegeven. De gebruiker kan zoeken naar en zoekopdrachten ingeven voor elk gebied overal in de EU. Dankzij de grote schaal van de kaarten zijn gebiedsgrenzen en belangrijke landschapselementen goed zichtbaar.

De Natura 2000-viewer biedt ook toegang tot het standaardgegevensformulier (SGF) dat bij elk gebied hoort. Op het SGF worden alle soorten en habitattypen van EU-belang geregistreerd waarvoor het gebied is aangewezen, evenals hun geschatte populatie-omvang en de mate van instandhouding binnen dat gebied op het moment van aanwijzing.

Gedetailleerdere informatie over Natura 2000-gebieden is ook beschikbaar bij de bevoegde natuurbehoudsinstanties in elke lidstaat.

Meer informatie:

Natura 2000-viewer
Toegang tot Natura 2000-gegevens
Natura 2000 in alle lidstaten

11. Betekent een aanwijzing als Natura 2000-gebied dat ik alle economische activiteiten in het gebied moet stopzetten? Heeft het gevolgen voor mijn eigendom?

Mensen associëren natuurbehoud vaak met strikte natuurreserves waar menselijke activiteiten systematisch worden uitgesloten. Natura 2000 past een andere benadering toe. Het netwerk erkent dat de mens integraal deel uitmaakt van de natuur en dat de twee maar beter kunnen samenwerken.

Daarom betekent een aanwijzing als Natura 2000-gebied niet dat alle economische activiteiten moeten worden stopgezet. In sommige gevallen zullen er inderdaad aanpassingen of veranderingen nodig zijn om de soorten en habitats waarvoor het gebied is aangewezen te beschermen of om hun staat van instandhouding te herstellen. Maar in veel gevallen zullen de bestaande activiteiten gewoon kunnen worden voortgezet.

In het geval van sommige gebieden zullen de aanwezige soorten en habitats mogelijk volledig afhankelijk zijn van de voortzetting van dergelijke activiteiten om op de lange termijn te kunnen overleven en in die gevallen is het belangrijk om manieren te vinden om dergelijke activiteiten te blijven ondersteunen en, indien gepast, uit te breiden. Voorbeelden hiervan zijn het regelmatig maaien of begrazen van graslanden of het snoeien van struiken.

Het is daarom niet mogelijk om te generaliseren. Het hangt grotendeels af van de specifieke ecologische, maar ook sociale en economische omstandigheden van elk gebied en de exacte ecologische vereisten van de soorten en habitattypen die er aanwezig zijn. Dit moet voor elk geval apart worden beoordeeld.

12. Zal een aanwijzing als Natura 2000-gebied een eind maken aan traditionele activiteiten zoals turfwinning en houthakken?

Traditionele activiteiten mogen als voorheen worden voortgezet als ze geen negatief effect hebben op de soorten of habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. Dit moet echter wederom voor ieder geval apart worden beoordeeld. Dan pas zal duidelijk worden of er sprake is van een impact of niet. Als er sprake is van een negatief effect, zal aan de hand van studies worden bepaald wat de omvang daarvan is en hoe dit effect het best kan worden afgezwakt of weggenomen (bijv. door de activiteiten naar een ander deel van het gebied te verplaatsen of de werkwijzen en het moment waarop deze worden uitgevoerd aan te passen) zodat deze activiteiten niet langer leiden tot een verslechtering of aantasting van de soorten en habitats waarvoor het gebied werd aangewezen.

13. Is jagen toegestaan in Natura 2000-gebieden?

Jagen is een typisch voorbeeld van een activiteit die kan worden toegestaan in een Natura 2000-gebied, mits deze geen negatieve consequenties heeft voor de soorten of habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. In de vogel- en de habitatrichtlijn wordt de legitimiteit van jagen erkend als een vorm van duurzaam gebruik en wordt jagen binnen Natura 2000-gebieden niet a priori verboden. In plaats daarvan bieden de richtlijnen een kader om jachtactiviteiten zo te beheersen dat kan worden gekomen tot een evenwicht tussen de jacht als zodanig en de lange-termijnvoordelen van de instandhouding van gezonde en levensvatbare populaties van bejaagbare soorten.

Meer informatie: Initiatieven op het gebied van duurzaam jagen

14. Zijn recreatieve activiteiten nog toegestaan in Natura 2000-gebieden?

Mensen zoeken de natuur om allerlei verschillende redenen op. Velen willen tot rust komen in een vreedzame, rustige omgeving met een mooi uitzicht, sommigen willen nieuwe gebieden ontdekken en andere doen graag activiteiten in de natuur, zoals zwemmen, wandelen, fietsen, vissen, jagen enz. Wat hun beweegredenen ook zijn, Natura 2000 biedt mensen een unieke kans om het rijke natuurlijke erfgoed van Europa te ontdekken en ervan te genieten.

Deze recreatieve activiteiten zijn verenigbaar met de bepalingen van de habitat- en de vogelrichtlijn zolang ze geen nadelige gevolgen hebben voor de aanwezige soorten en habitats. De sleutel daarvoor ligt vaak in het goed plannen en wijs gebruiken van hulpbronnen om te garanderen dat deze activiteiten uiteindelijk niet de elementen vernietigen waarop ze zijn gebaseerd.

Opstellen van instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden

15. Wat zijn instandhoudingsdoelstellingen en hoe worden ze opgesteld?

De instandhoudingsdoelstellingen moeten zo nauwkeurig mogelijk de gewenste staat of mate van instandhouding vaststellen die in een bepaald gebied moet worden bereikt. Er moeten doelstellingen worden geformuleerd voor alle relevante in het gebied aanwezige habitattypen en soorten.

Ze worden vaak als kwantitatieve doelen voorgesteld, bijvoorbeeld de populatie van een bepaalde soort op een bepaald minimumaantal exemplaren houden of het verbeteren van de mate van instandhouding van een habitattype van categorie C naar B in 10 jaar.

Het opstellen van instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 is belangrijk om te waarborgen dat elk gebied in het netwerk zo effectief mogelijk bijdraagt aan het algehele doel van de twee natuurrichtlijnen, namelijk het bereiken van een gunstige staat van instandhouding voor alle habitattypen en soorten die zij in hun hele verspreidingsgebied in de EU beschermen1.

Instandhoudingsdoelstellingen gelden specifiek voor elk gebied en moeten zijn gebaseerd op gefundeerde kennis van het gebied en van de aldaar aanwezige soorten en habitats, hun ecologische vereisten en alle bedreigingen voor en druk op hun blijvende aanwezigheid in het gebied. Dat is zo omdat elk Natura 2000-gebied zijn eigen unieke combinatie heeft van biotische, abiotische en sociaaleconomische voorwaarden die per gebied aanzienlijk kunnen verschillen, zelfs indien zij het leefgebied vormen voor dezelfde soorten en habitats.

Het is tevens raadzaam bredere instandhoudingsdoelstellingen vast te stellen voor een hele reeks van gebieden of voor bepaalde soorten of habitats binnen een specifieke regio of een specifiek land (nationale of regionale instandhoudingsdoelstellingen). Dat ondersteunt niet alleen de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen op het niveau van het afzonderlijke gebied, maar ondersteunt ook de vaststelling van strategische instandhoudingsprioriteiten binnen en tussen de verschillende gebieden. Aldus kan prioriteit worden toegekend aan de maatregelen die de staat van instandhouding van een specifieke soort of habitat binnen die regio of dat land het beste kunnen verbeteren of kunnen handhaven.

De Commissie heeft een interpretatieve nota gepubliceerd die dient als nadere uitleg verschaffende leidraad voor de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000.

1 De doelstelling van de vogelrichtlijn is enigszins anders geformuleerd, maar de ambitie is dezelfde.

16. Wie is verantwoordelijk voor de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen? Worden grondeigenaren/-beheerders geraadpleegd?

In elke lidstaat zijn de bevoegde autoriteiten verantwoordelijk voor de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen. De natuurrichtlijnen beschrijven niet hoe dit moet worden gedaan, aangezien iedere lidstaat de vorm en de methoden voor de toepassing van de bepalingen van de natuurrichtlijnen kan vaststellen. De natuurrichtlijnen willen evenwel de gunstige staat van instandhouding voor de soorten en habitats van communautair belang bereiken en het Natura 2000-netwerk daarvoor gebruiken.

De Commissie beveelt echter niet alleen aan dat de instandhoudingsdoelstellingen zijn gebaseerd op degelijke kennis, maar ook dat alle betrokken partijen, zij het grondeigenaren of -beheerders of ngo's op het gebied van natuurbehoud, worden betrokken bij de opstelling van instandhoudingsdoelstellingen. Dat zal ertoe bijdragen dat realistische en haalbare instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld.

Grondeigenaren en -beheerders weten in het algemeen niet alleen heel goed wat het gebiedsbeheer inhoudt dat in het verleden instandhoudingssuccessen of -mislukkingen heeft opgeleverd, maar het is ook van belang dat de bevoegde autoriteiten en de belangrijkste belanghebbenden een dialoog aangaan over hoe gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen het best kunnen worden vastgesteld. Het bespreken en duidelijk communiceren van het belang, de rol en instandhoudingsdoelstellingen van een specifiek gebied zal het bewustzijn en de betrokkenheid van alle betrokkenen helpen verbeteren.

17. Waar kan ik meer informatie over de instandhoudingsdoelstellingen van een bepaald gebied vinden?

Elk land heeft zijn eigen publicatieregelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen van zijn gebieden. Zij kunnen worden vastgelegd in besluiten of wetten, of de begeleidende documentatie daarbij, waarin zij de wettelijke status van gebied toegewezen krijgen. Zij kunnen worden gepubliceerd op de website van de bevoegde autoriteiten. Zij worden normaliter ook opgenomen in de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden of in gelijkaardige instrumenten, indien die bestaan, en in die plannen verder uitgewerkt. De Commissie heeft lidstaten aanbevolen gemakkelijk toegankelijke informatie over Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen te verstrekken op een manier die relevant en begrijpelijk is voor grondeigenaren en -beheerders.

18. Hoe weet ik welke activiteiten wel of niet verenigbaar zijn met Natura 2000 als er geen instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld?

Voor alle Natura 2000-gebieden moeten de autoriteiten instandhoudingsdoelstellingen vaststellen. Het proces kan zijn vertraagd en instandhoudingsdoelstellingen kunnen nog steeds ontbreken.

Dan moeten de bevoegde autoriteiten de belanghebbenden informeren over de consequenties van de aanwijzing tot Natura 2000-gebied. Zij moeten met name meedelen of bepaalde activiteiten moeten worden aangepast of mogelijk worden uitgesloten om verslechtering in het gebied te vermijden, of welke activiteiten moeten worden gestimuleerd om de staat van instandhouding van het gebied te verbeteren. Het standaardgegevensformulier (SGF) is een nuttige bron van informatie om te begrijpen waarom een bepaald gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het moet steeds worden geraadpleegd als er beheerbeslissingen worden genomen (bijvoorbeeld als er nieuwe beheerdocumenten worden opgesteld of bij het plannen van nieuwe investeringen).

Overeenkomstig het SGF moet verslechtering van alle significant voorkomende habitats en soorten in het gebied worden voorkomen. Als wetenschappelijke informatie ontbreekt, moet het voorzorgsbeginsel worden gevolgd.

Gedetailleerdere informatie over de vereisten van het gebied kan worden gevonden in de bestaande Natura 2000-beheerplannen of in andere relevante documenten (bijv. documenten over instandhoudingsdoelstellingen, akten over aanwijzing van gebieden enz.).

De lidstaten verstrekken normaal gezien gedetailleerde informatie over de Natura 2000-gebieden, waaronder de redenen voor de aanwijzing, instandhoudingsdoelstellingen, beheerplannen en instandhoudingsmaatregelen, die openbaar toegankelijk zijn gemaakt via websites of op andere wijze (bijvoorbeeld via de lokale overheid). Sommige landen verstrekken ook specifieke en gedetailleerde informatie aan grondeigenaren en belangrijke grondgebruikers voor alle Natura 2000-gebieden (bijvoorbeeld door specifieke kennisgevingen, zoals in het Verenigd Koninkrijk, of door het oprichten van lokale groepen of comités waarin belangrijke belanghebbenden, vanaf het begin, zijn betrokken bij het beheer van de gebieden, zoals dat het geval is in Frankrijk en andere EU-lidstaten). Grondeigenaren en -gebruikers kunnen zich ook tot lokale natuurbeschermingsinstanties richten om meer informatie over Natura 2000-gebieden te krijgen.

Beheer van Natura 2000-gebieden

19. Wie is verantwoordelijk voor het vaststellen van de instandhoudingsmaatregelen?

In elke lidstaat zijn de bevoegde autoriteiten verantwoordelijk voor het vaststellen van instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden. De habitatrichtlijn (artikel 6, lid 1) zegt hierover het volgende: "De lidstaten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen."

De lidstaten moeten voor alle speciale beschermingszone (SAC's) de nodige instandhoudingsmaatregelen vaststellen en deze algemene instandhoudingsregeling geldt voor alle typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in het gebied aanwezig zijn, behalve voor degene die worden geclassificeerd als niet-significant in het standaardgegevensformulier van Natura 2000.

De Commissie heeft richtsnoeren verschaft over de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen voor Natura 2000-gebieden en heeft een evaluatie gepubliceerd over de bepalingen van artikel 6, lid 1, en hun praktische uitvoering in de verschillende lidstaten.

Een compilatie van de belangrijkste vonnissen van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot artikel 6 van de habitatrichtlijn is beschikbaar, waarin onder meer wordt ingegaan op de verplichting om de nodige instandhoudingsmaatregelen te treffen in Natura 2000-gebieden.

20. Hoe worden instandhoudingsmaatregelen voor een Natura 2000-gebied vastgesteld en getroffen? Wanneer moeten ze zijn ingevoerd?

Instandhoudingsmaatregelen zijn de praktische acties die moeten worden toegepast om de instandhoudingsdoelstellingen in het gebied te kunnen bereiken. Ze moeten voldoen aan de ecologische vereisten van de aanwezige habitattypen en soorten. Bij het treffen van instandhoudingsmaatregelen moet ook rekening worden gehouden met de economische, sociale en culturele context, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden. Dit beginsel is verankerd in de habitatrichtlijn (artikel 2).

Om de benodigde instandhoudingsmaatregelen te kunnen vaststellen, is het van vitaal belang dat er een degelijke informatiebasis bestaat over de heersende omstandigheden in het gebied, alsmede over de staat van instandhouding, bedreigingen, druk en behoeften van de aanwezige soorten en habitattypen en betreffende de gehele sociaaleconomische context (bestaand grondgebruik en grondeigendom, belangen van belanghebbenden, lopende economische activiteiten enz.).

Net zoals instandhoudingsdoelstellingen gelden instandhoudingsmaatregelen in het algemeen specifiek voor ieder gebied en moeten zij per gebied worden getroffen. Dat is zo omdat elk Natura 2000-gebied zijn eigen unieke combinatie heeft van biotische, abiotische en sociaaleconomische voorwaarden die per gebied aanzienlijk kunnen verschillen, zelfs indien zij het leefgebied vormen voor dezelfde soorten en habitats.

Vanaf het moment dat een gebied als een gebied van communautair belang is aangenomen, heeft de lidstaat tot 6 jaar de tijd om de benodigde instandhoudingsmaatregelen te treffen en het gebied als speciale beschermingszone aan te wijzen. Deze 6 jaar moeten niet alleen worden gebruikt om alle benodigde informatie over het gebied te verzamelen, maar ook om alle belangengroeperingen te informeren en met hen te discussiëren en te onderhandelen over welke maatregelen het best kunnen worden toegepast om de voor het gebied opgestelde instandhoudingsdoelstellingen te halen.

De natuurrichtlijnen beschrijven niet hoe dit moet worden gedaan, aangezien iedere lidstaat de vorm en de methoden voor de toepassing van de bepalingen van de natuurrichtlijnen kan vaststellen.

De Commissie heeft richtsnoeren verschaft over de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen voor Natura 2000-gebieden.

21. Welke soorten instandhoudingsmaatregelen kunnen worden getroffen?

Zoals eerder werd aangegeven, moet dit per geval apart worden bepaald, rekening houdend met de ecologische en sociaaleconomische omstandigheden in het gebied. Instandhoudingsmaatregelen kunnen variëren van:

  • "niets doen" omdat er geen aanvullende maatregelen nodig zijn behalve het gebied te blijven beheren zoals dat tot nu toe is gebeurd;
  • over "eenvoudige maatregelen", zoals het voorkomen van verstoring tijdens het broedseizoen, het doorgaan met het regelmatig maaien van gras of snijden van stro of het verhogen van de hoeveelheid dood hout in het bos;
  • tot "grote" herstelactiviteiten zoals het geheel verwijderen van inheemse soorten of het hydrologisch herstel van een waterrijk gebied.

In sommige gevallen kan non-interventie en strikte bescherming ook worden beschouwd als instandhoudingsmaatregel, in het bijzonder voor habitats en soorten die erg gevoelig zijn voor elke vorm van menselijke interventie en derhalve strikte rustgebieden nodig hebben om te kunnen overleven.

De Commissie heeft een evaluatie gepubliceerd van benaderingen voor het vaststellen van instandhoudingsmaatregelen in verschillende lidstaten evenals een groot aantal voorbeelden van verschillende instandhoudingsmaatregelen die zijn getroffen onder verschillende sociaaleconomische omstandigheden in de hele EU.

Er kunnen verschillende soorten maatregelen nodig zijn in Natura 2000-gebieden, waaronder herstelactiviteiten waarvoor werkzaamheden moeten worden uitgevoerd op bepaalde specifieke momenten, zoals werkzaamheden om de hydrologie van een waterrijk gebied te herstellen, het herplanten van sommige soorten, herintroductie of versterking van populaties, installatie van benodigde infrastructuur enz. Mogelijk moeten er ook periodiek terugkerende activiteiten worden uitgevoerd in het gebied om de staat van instandhouding van sommige habitats of de populatie van bepaalde soorten in stand te houden of te verbeteren. Voorbeelden van acties zijn bijvoorbeeld het maaien of begrazen van graslanden, het regelmatig opruimen van struikgewas, beheer van hydrologische regelingen voor waterrijke gebieden enz. Toezichts- en bewakingsdiensten zullen mogelijk ook nodig zijn om ervoor te zorgen dat bepaalde gebieden adequaat worden beschermd.

Om de noodzakelijke maatregelen voor te bereiden is een zorgvuldige planning nodig, waarbij gedetailleerde blauwdrukken en technische specificaties moeten worden opgesteld om de juiste uitvoering van de maatregelen te garanderen. Monitoring maakt meestal ook deel uit van de geplande instandhoudingsmaatregelen, aangezien de behaalde resultaten moeten worden opgevolgd en geëvalueerd om de doeltreffendheid van de maatregelen te beoordelen en indien nodig aanpassingen te doen.

Ten slotte is de uitvoering van instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden vaak het meest succesvol als hierbij passende informatie wordt verstrekt aan en bewustzijn wordt gekweekt onder de bevolking die in het gebied woont, in het bijzonder onder de belangrijkste belanghebbenden en belangengroepen op wie de acties betrekking hebben of die zijn betrokken bij de uitvoering ervan. Het kweken van bewustzijn is ook bijzonder nuttig wanneer gebieden vrij toegankelijk zijn en kunnen worden gebruikt door derden, ofwel personen die niet de grondeigenaren, huurders of openbare autoriteiten zijn. Het kweken van bewustzijn en begrip onder de personen die het gebied gebruiken, is mogelijk een van de belangrijkste beheerbenaderingen.

22. Wat zijn Natura 2000-beheerplannen en zijn ze verplicht?

De Europese Commissie moedigt de lidstaten sterk aan om in nauwe samenwerking met lokale belanghebbenden Natura 2000-beheerplannen uit te werken opdat gebieden efficiënt en transparant worden beheerd. De voor Natura 2000 bevoegde autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het opstellen van Natura 2000-beheerplannen. Een beheerplan biedt een solide en efficiënt kader voor de toepassing en de opvolging van instandhoudingsmaatregelen.

Alhoewel zij krachtens de habitatrichtlijn niet verplicht zijn, zijn de Natura 2000-beheerplannen zeer nuttige instrumenten omdat zij:

  • een volledig overzicht bieden van de instandhoudingsdoelstellingen, en ecologische omstandigheden en de vereisten van de in het gebied aanwezige habitats en soorten, zodat het voor iedereen duidelijk is wat in stand wordt gehouden en waarom;
  • de sociaaleconomische en culturele context van het gebied en de interacties tussen de verschillende vormen van grondgebruik en de aanwezige soorten en habitats analyseren;
  • een kader bieden voor een open debat tussen alle belangengroeperingen en kunnen helpen volledige overeenstemming te bereiken over het langetermijnbeheer van het gebied, alsmede het creëren van een gevoel van gedeelde betrokkenheid ten aanzien van het uiteindelijke resultaat;
  • helpen bij het vinden van praktische beheeroplossingen die duurzaam zijn en beter geïntegreerd zijn in andere praktijken van grondgebruik;
  • een middel zijn om de respectievelijke verantwoordelijkheden van de verschillende sociaaleconomische belanghebbenden, autoriteiten en ngo's vast te leggen bij de toepassing van de vastgestelde benodigde instandhoudingsmaatregelen.

Beheerplannen voor Natura 2000 kunnen specifiek voor het betrokken gebied worden ontworpen of worden geïntegreerd in andere ontwikkelingsplannen, mits de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen duidelijk in dergelijke plannen worden vermeld.

23. Zijn er hulpmiddelen om de voorbereiding van Natura 2000-beheerplannen te ondersteunen?

Ondersteuning voor de voorbereiding van Natura 2000-beheerplannen, voor de formulering van instandhoudingsmaatregelen en bij de uitvoering van het beheerplanproces in Natura 2000-gebieden is beschikbaar op de website van de Europese Commissie2, en in veel landen.

Er kan ook financiële steun voor het opstellen, actualiseren en uitvoeren van beheerplannen voor Natura 2000-gebieden beschikbaar zijn via de structuurfondsen van de EU (het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het LIFE-programma.

In het verleden is voor de voorbereiding van Natura 2000-beheerplannen substantieel gebruikgemaakt van deze Europese fondsen, bijvoorbeeld Elfpo in Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal en sommige Duitse deelstaten; Efro in Griekenland, Polen, Hongarije en Italië; het Cohesiefonds in Litouwen; en LIFE-financiering in Cyprus, Hongarije, Litouwen en veel andere landen. Deze fondsen zullen in de toekomst, afhankelijk van de nationale uitvoeringsprogramma's, worden blijven gebruikt voor de herziening en actualisering van beheerplannen.

24. Hoe worden de ecologische vereisten van habitattypen en soorten vastgesteld? Betekent de aanwezigheid van een soort/habitattype van EU-belang automatisch dat er beheerveranderingen in een gebied moeten plaatsvinden?

De ecologische vereisten van habitattypen en soorten omvatten alle ecologische behoeften, waaronder abiotische en biotische factoren die noodzakelijk worden geacht om de instandhouding van de habitattypen te waarborgen (d.w.z. de habitatspecifieke structuur en functies die noodzakelijk zijn voor het overleven op lange termijn, de typische soorten enz.), en de in het gebied aanwezige soorten, en hun verhouding met de leefomgeving (lucht, water, bodem, vegetatie enz.).

Deze vereisten berusten op wetenschappelijke kennis en moeten per geval worden bepaald, wat betekent dat de ecologische vereisten per soort of habitattype in een gebied kunnen verschillen, maar ook voor dezelfde soorten of habitattypen in verschillende gebieden. Ze staan los van sociaaleconomische overwegingen.

Om het beheer van deze habitattypen en soorten te ondersteunen kunnen beschikbare nationale en regionale bronnen worden geraadpleegd om relevante en gedetailleerde informatie te verzamelen over ecologische vereisten van habitattypen en soorten van EU-belang. De Commissie heeft ook richtsnoeren voor het beheer van sommige habitats en soorten, gepubliceerd, die in dit opzicht relevante informatie verschaffen.

25. In Natura 2000-gebieden bevinden zich vaak soorten en habitats die niet onder de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn vallen. Moeten er voor zulke soorten en habitats specifieke instandhoudingsmaatregelen worden getroffen?

Meestal niet; met betrekking tot de bepalingen in de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn moeten er alleen voor de soorten en habitattypen die krachtens deze twee richtlijnen worden beschermd en die aanwezig zijn in het Natura 2000-gebied, instandhoudingsmaatregelen worden getroffen. Maar ook soorten die niet als zodanig worden beschermd krachtens de habitatrichtlijn maar kenmerkend zijn voor een habitattype uit bijlage I of noodzakelijk zijn voor de instandhouding van een soort van communautair belang (bijvoorbeeld: voor vogels de bescherming van mierenhopen) verdienen aandacht. De bevoegde autoriteiten moeten relevante informatie kunnen verstrekken.

De beheerders van het gebied kunnen verder rekening houden met andere soorten en habitats die niet krachtens de EU-natuurrichtlijnen worden beschermd. Lidstaten, en zeker de individuele eigenaren en beheerders, zijn helemaal vrij om ook instandhoudingsdoelstellingen en/of -maatregelen op te stellen voor soorten en habitats die niet onder deze twee richtlijnen vallen, bijvoorbeeld voor habitats en soorten die op nationaal of regionaal niveau worden beschermd of bedreigd.

26. Zijn instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden verplicht?

Het proces voor het treffen van de vereiste instandhoudingsmaatregelen voor elk Natura 2000-gebied is geen facultatieve bepaling; het is verplicht voor alle lidstaten. Dat betekent dat voor elk Natura 2000-gebied de nodig geachte instandhoudingsmaatregelen, moeten worden vastgesteld en uitgevoerd (Zaak HvJ-EU C-508/04).

Het is echter nuttig onderscheid te maken tussen de maatregelen die men nodig vindt voor de instandhouding en het herstel van de in het gebied aanwezige soorten en habitattypen en de maatregelen die men wenselijk vindt en "waarvan het goed zou zijn als ze worden uitgevoerd als de nodige middelen en mogelijkheden voorhanden zijn". Dit laatste kan in het ideale geval worden teruggevonden in het Natura 2000-beheerplan, omdat ze worden beschouwd als maatregelen op basis van beste praktijken, die het algehele niveau van de biodiversiteit in het gebied moeten verbeteren en daarbij verdergaan dan de voor het gebied verplichte vereisten.

Het treffen van instandhoudingsmaatregelen betekent niet altijd dat er sprake is van actief beheer of herstelmaatregelen, zoals het verwijderen van invasieve niet-inheemse soorten of de diversificatie van de leeftijdsstructuur van bosbestanden. Het kan ook beschermende maatregelen betreffen zoals het vermijden van voor een soort storende factoren tijdens het voortplantingsseizoen.

Een compilatie van de belangrijkste vonnissen van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot artikel 6 van de habitatrichtlijn is beschikbaar, waarin onder meer wordt ingegaan op de verplichting om de nodige instandhoudingsmaatregelen te treffen in Natura 2000-gebieden.

27. Hoe worden instandhoudingsmaatregelen geformuleerd?

De instandhoudingsmaatregelen moeten voldoende gedetailleerd worden beschreven om hun doeltreffende uitvoering te garanderen. Hun locatie moet worden vermeld en er moet een beschrijving van de vereiste middelen en instrumenten voor hun toepassing worden verstrekt, alsmede informatie over de rol en verantwoordelijkheid van de verschillende betrokken spelers. De bewoording die wordt gebruikt voor het beschrijven van instandhoudingsmaatregelen moet duidelijk zijn, zodat deze maatregelen voor een breed publiek te begrijpen zijn.

Instandhoudingsmaatregelen moeten wanneer nodig worden herzien en aangepast, bijvoorbeeld op basis van de huidige resultaten van reeds uitgevoerde maatregelen. Het is belangrijk een indicatie van de geschatte kosten en beschikbare financiering te geven en een tijdschema op te stellen voor de herziening van de nu getroffen instandhoudingsmaatregelen, inzake hun daadwerkelijke toepassing en hun geschiktheid om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.

28. Wie beslist er welke instandhoudingsmaatregelen nodig zijn? Worden belanghebbenden geraadpleegd?

De bevoegde autoriteiten van ieder land zijn bevoegd om te beslissen welke instandhoudingsmaatregelen nodig zijn. De natuurrichtlijnen schrijven niet voor welke instandhoudingsmaatregelen moeten worden getroffen, alleen dat ze moeten voldoen aan de ecologische vereisten van de in een gebied aanwezige soorten en habitattypen. Elke lidstaat kan zelf beslissen welk soort maatregelen het meest geschikt en effectief zijn om te worden ontworpen en ingevoerd in zijn Natura 2000-gebieden.

De Commissie beveelt echter sterk aan dat enerzijds wordt gewaarborgd dat de instandhoudingsmaatregelen zijn gebaseerd op gefundeerde kennis en dat anderzijds grondbeheerders of-eigenaren en relevante andere belanghebbende partijen (zoals vertegenwoordigers van lokale gemeenschappen of ngo's die zich bezighouden met natuurbehoud) actief worden betrokken bij het vaststellen van de benodigde instandhoudingsmaatregelen en de voorbereiding van de Natura 2000-beheerplannen.

In het bijzonder moeten grondeigenaren en -beheerders in een vroeg stadium worden betrokken bij de ontwikkeling van gebiedspecifieke instandhoudingsmaatregelen. Dankzij hun deelname aan de planning en de voorbereiding van instandhoudingsmaatregelen voor een Natura 2000-gebied kan hun deskundigheid worden gebruikt. Bovendien is hun deelname een uitstekende mogelijkheid om hen ook actief bij de toepassing van deze instandhoudingsmaatregelen te betrekken. Het is momenteel een goede praktijk om de actieve bijdrage van alle relevante belanghebbenden te waarborgen, bijvoorbeeld door het opzetten van stuurgroepen of comités.

Goede communicatie vanaf het begin helpt ook bij het vinden van compromissen en synergieën tussen wat reeds is gedaan en wat kan worden verbeterd. Het resultaat kan een kosteneffectiever en minder tijdrovend proces zijn. De kans op succes wordt hierdoor sterk vergroot omdat de verschillende belanghebbenden worden aangemoedigd en in staat worden gesteld om actiever bij te dragen aan en zich in te zetten voor het beheer van hun Natura 2000-gebied.

Als de instandhoudingsmaatregelen zijn getroffen, moeten deze ook aan het algemene publiek wordt meegedeeld (bijvoorbeeld op websites, in de lokale pers, in officiële registers bij lokale autoriteiten).

29. Hoe moet men kiezen tussen instandhoudingsmaatregelen die positieve gevolgen voor een bepaalde habitat of soort kunnen hebben, maar tegelijkertijd kunnen bijdragen tot de verslechtering van een ander habitattype of andere soort?

Het kan voorkomen dat een soort of habitat profiteert van een bepaalde instandhoudingsmaatregel, terwijl een andere soort of habitat daarvan negatieve gevolgen ondervindt. Het verwijderen van een invasieve soort kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat een habitat voor bepaalde vogels verdwijnt. Alhoewel kleinere compromissen vaak voorkomen, helpen weldoordachte instandhoudingsdoelstellingen bij het nemen van de juiste beslissing. Het is belangrijk om de weldoordachte instandhoudingsdoelstellingen te raadplegen, de gebiedspecifieke prioriteiten voor de instandhoudingsmaatregelen te bekijken en te beoordelen wat positieve en negatieve gevolgen van de beoogde maatregelen op deze prioriteiten kunnen zijn.

Compromissen kunnen vaak worden voorkomen of beperkt door een goede timing, door ze vast te stellen voor bepaalde delen van het gebied of zelfs door de gevolgen voor een deel van het gebied te compenseren door instandhoudingsmaatregelen voor dezelfde habitat of soort in een ander deel.

30. Kunnen instandhoudingsmaatregelen voor verschillende Natura 2000-gebieden hetzelfde zijn?

Instandhoudingsmaatregelen moeten voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen die voor ieder gebied zijn vastgesteld en zijn meestal gebiedspecifiek. Maar er kunnen vergelijkbare maatregelen nodig zijn in verschillende Natura 2000-gebieden met vergelijkbare karakteristieken en doelstellingen. In dergelijke gevallen kunnen instandhoudingsmaatregelen gemeenschappelijk worden toegepast (zo kan een Natura 2000-beheerplan bijvoorbeeld verschillende gebieden bestrijken waarvoor dezelfde maatregelen vereist zijn).

31. Hoe zullen de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen worden uitgevoerd?

De bevoegde autoriteiten bepalen hoe de voor hun Natura 2000-gebieden noodzakelijke vastgestelde instandhoudingsmaatregelen het best kunnen worden toegepast. De Richtlijn vermeldt slechts dat het daarbij kan gaan om passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen. Welke maatregel wordt gekozen, wordt overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel overgelaten aan de lidstaten.

Lidstaten moeten echter ten minste een van de drie categorieën kiezen en garanderen dat ze de instandhoudingsdoelstellingen kunnen realiseren met de volgende maatregelen:

  • Wettelijke maatregelen: ze volgen over het algemeen een patroon zoals neergelegd in het procesrecht en kunnen specifieke eisen stellen aan activiteiten die in het gebied kunnen worden toegestaan, beperkt of verboden.
  • Administratieve maatregelen: ze kunnen relevante bepalingen vaststellen voor de toepassing van instandhoudingsmaatregelen of de autorisatie van andere activiteiten in het gebied.
  • Op een overeenkomst berustende maatregelen: ze omvatten het opstellen van overeenkomsten of akkoorden, normaal gezien tussen beheerautoriteiten en grondeigenaren of -gebruikers in het gebied.

Er bestaat geen hiërarchie tussen deze drie categorieën. De lidstaten kunnen daarom voor een Natura 2000-gebied kiezen voor slechts één categorie maatregelen (bijvoorbeeld alleen op een overeenkomst berustende maatregelen) of voor een combinatie van maatregelen (bijvoorbeeld een combinatie van wettelijke maatregelen en maatregelen die op een overeenkomst berusten). Voorwaarde is wel dat het gaat om passende maatregelen om verslechtering van de habitats of het optreden van storende factoren te voorkomen voor de soorten waarvoor een gebied is aangewezen (overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn) en dat zij voldoen aan de ecologische vereisten van de in het gebied aanwezige habitats en soorten (overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de habitatrichtlijn). Dergelijke ecologische vereisten kunnen variëren van eenvoudige bescherming tegen verslechtering tot actief herstel van gunstige ecosysteemstructuren en -functies, afhankelijk van de actuele mate van instandhouding van de betrokken soorten en habitats.

Proactieve instandhoudings- of herstelmaatregelen kunnen worden bereikt door contractuele overeenkomsten met grondeigenaren en -beheerders, waaronder overeenkomsten over de kostendekking van maatregelen die verder gaan dan de wettelijke verplichting. Extra kosten moeten zoveel mogelijk met adequate fondsen worden opgevangen en door opgelegde gebruiksbeperkingen gederfde inkomsten moeten worden gecompenseerd. Hoeveel wordt gecompenseerd, hangt af van de aard van de opgelegde beperkingen en het daadwerkelijk geleden verlies, alsmede van de lokale omstandigheden.

In het kader van het beleid voor plattelandsontwikkeling zijn Natura 2000-betalingen en ook bosmilieumaatregelen goede voorbeelden van hoe contracten en overeenkomsten met grondeigenaren kunnen worden gesloten over het beheer van grond om de instandhouding van habitats en soorten te waarborgen. Met Natura 2000-maatregelen kunnen extra kosten en gederfde inkomsten worden bekostigd die uit Natura 2000-verplichtingen voortkomen, terwijl met landbouw- en bosmilieumaatregelen extra verplichtingen die verder gaan dan het basisniveau kunnen worden bekostigd.

32. Hoe kunnen grondeigenaren/-beheerders meedoen of bijdragen?

Grondeigenaren en lokale grondbeheerders spelen een belangrijke rol bij de toepassing van Natura 2000. Ze kennen hun grond en hebben uitgebreide kennis over de toepassing van praktische maatregelen aldaar. Zij zijn derhalve essentiële partners bij de ontwikkeling en de succesvolle toepassing van Natura 2000.

Natura 2000 erkent dat de mens integraal deel uitmaakt van de natuur en dat partnerschap essentieel is voor het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen. Iedereen heeft een rol in het succes van Natura 2000: de overheid, particuliere grondeigenaren en -gebruikers, ontwikkelaars, ngo's op het gebied van natuurbehoud, wetenschappers, deskundigen, lokale gemeenschappen en burgers in het algemeen.

Praktisch gezien is het ook zinnig partnerschappen te vormen en mensen samen te brengen. In veel gebieden in Natura 2000 wordt al langere tijd een of andere vorm van actief grondgebruik uitgeoefend die integraal deel uitmaakt van het platteland in het algemeen. Veel gebieden zijn waardevol voor de natuur, juist omdat ze tot nog toe op een bepaalde manier zijn beheerd en het is belangrijk ervoor te zorgen dat dit in de toekomst nog lang zo blijft.

Zo steunt de habitatrichtlijn het beginsel van duurzame ontwikkeling en geïntegreerd beheer. Het is niet de bedoeling sociaaleconomische activiteiten te verbieden in een Natura 2000-gebied, maar wel ervoor te zorgen dat deze activiteiten zodanig worden uitgevoerd dat ze de aanwezige waardevolle soorten beschermen en ondersteunen en de algemene gezondheid van de natuurlijke ecosystemen in stand houden.

Hier moet echter wel worden opgemerkt dat sommige Natura 2000-bossen door natuurlijke processen zijn gevormd met weinig of geen menselijke invloed, zodat het beheer zich moet richten op het behoud van hun hoge mate van natuurlijkheid.

In de habitatrichtlijn worden het actiekader en de globale te bereiken doelstellingen vastgesteld, maar elke lidstaat is vrij om in overleg met de lokale belanghebbenden te beslissen hoe de eigen Natura 2000-gebieden het best kunnen worden beheerd. Het gaat er vooral om dat lokale oplossingen voor lokale beheerproblemen worden gevonden en dat tegelijkertijd wordt gewerkt aan een gedeeld globaal doel: het behoud van habitattypen en soorten van communautair belang of het herstel ervan in een gunstige staat van instandhouding.

33. Bestaan er hulpmiddelen om de toepassing van instandhoudingsmaatregelen, bewustmaking of de capaciteitsopbouw tussen de belanghebbenden te ondersteunen?

De uitvoering van Natura 2000 moet processen omvatten om lokale capaciteiten op te bouwen voor het beheer van de Natura 2000-gebieden. Het wordt sterk aanbevolen dat de bevoegde nationale of regionale autoriteiten toegankelijke adviesdiensten aanbieden voor alle bij de toepassing van Natura 2000-beheerplannen of -instandhoudingsmaatregelen betrokken partijen. Sommige lidstaten bieden dergelijke diensten al aan.

Planning met inspraak vereist het aanbieden van relevante informatie aan alle belanghebbende partijen en het stimuleren van interdisciplinaire, technisch goed onderbouwde acties. Waarneming gaat uit van de beschikbare hoeveelheid informatie en de kwaliteit ervan. Hiervoor is de identificatie van doelgroepen en ad-hocinformatieplanning met verschillende, voor iedere groep geschikte instrumenten en materiaal nodig. Het is belangrijk om rekening te houden met de inzichten van de groepen en mogelijke misverstanden met betrekking tot de instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen van Natura 2000 te corrigeren.

Het biogeografische proces van Natura 2000 is opgezet om de uitwisseling van informatie en goede praktijken over het beheer van Natura 2000 te vereenvoudigen en samenwerking in de lidstaten en de regio's te bevorderen. Met name in het kader van Elfpo, maar ook in het kader van LIFE en andere financieringsprogramma's, zijn financiële middelen uit EU-fondsen beschikbaar om de capaciteit te vergroten voor de toepassing van geschikte instandhoudingsmaatregelen waarbij belangrijke lokale belanghebbenden zoals boeren en boseigenaren worden betrokken.

De niet-verslechtering van een Natura 2000-gebied waarborgen

34. Wat betekent het in de praktijk dat in het gebied geen verslechtering mag optreden?

Overeenkomstig de habitatrichtlijn (artikel 6, lid 2) moeten de lidstaten passende maatregelen treffen om te voorkomen dat de natuurlijke habitats verslechteren en dat er significante storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De vogelrichtlijn (artikel 4, lid 4) verlangt dat in het algemeen wordt vermeden dat in de habitats van de vogels verslechtering optreedt.

In dit kader betekent "het treffen van passende maatregelen" dat de lidstaat de nodige wettelijke en/of contractuele maatregelen treft om te garanderen dat verslechtering van natuurlijke habitats en significante storende factoren voor de soorten waarvoor een gebied is aangewezen, worden voorkomen.

Grondeigenaren/-beheerders/-gebruikers zullen natuurlijk op nationaal, regionaal of lokaal niveau daarvoor vastgestelde juridisch bindende bepalingen (bijv. vergunningprocedures) moeten naleven. Als een lidstaat alleen contractuele maatregelen neemt, is het de verantwoordelijkheid van deze lidstaat om niet alleen te garanderen dat dergelijke maatregelen "passend" zijn in de betekenis van artikel 6, lid 2, maar dat zij ook worden uitgevoerd op een manier die ervoor zorgt dat er geen sprake zal zijn van verslechtering van natuurlijke habitats of significante storende factoren voor soorten.

  • De door de lidstaten te treffen "passende maatregelen" zijn niet beperkt tot opzettelijke handelingen, maar moeten ook ingaan op toevallige gebeurtenissen (brand, overstroming enz.), zolang dergelijke gebeurtenissen voorspelbaar zijn en voorzorgsmaatregelen kunnen worden genomen om de risico’s voor het gebied te minimaliseren. Onvoorspelbare, natuurlijke storende factoren die deel uitmaken van de ecosysteemdynamiek (stormen, branden, overstromingen enz.) moeten niet als verslechtering worden beschouwd.
  • De vereiste dat de lidstaten "passende maatregelen" treffen betekent derhalve niet alleen dat menselijke activiteiten moeten worden aangepakt, maar omvat ook bepaalde natuurlijke ontwikkelingen die de staat van instandhouding van de soorten en de habitats in het gebied kunnen doen verslechteren. Ingeval van natuurlijke successie in semi-natuurlijke habitattypen zouden bijvoorbeeld maatregelen moeten worden getroffen om dit proces te stoppen, indien dat negatieve gevolgen kan hebben voor soorten of habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen (Arrest HvJ-EU C-06/04). De bepaling is niet van toepassing indien actief beheer het proces niet kan beïnvloeden (bijv. door klimaatverandering veroorzaakte verslechtering).
  • De vereiste is tevens van toepassing op activiteiten die reeds bestonden in het gebied voordat het werd opgenomen in Natura 2000. Dat betekent dat lopende activiteiten wellicht moeten worden verboden of gewijzigd indien zij negatieve gevolgen hebben voor het gebied (Arrest HvJ-EU C-404/09).
  • Indien zich negatieve gevolgen voor de habitats of soorten in de gebieden kunnen voordoen, moeten de lidstaten zich er, indien nodig, van vergewissen dat passende maatregelen ter vermijding van verslechtering ook buiten het gebied worden toegepast.
  • Maatregelen die noodzakelijk zijn om verslechtering in een gebied te voorkomen, moeten worden toegepast voordat evidente verslechteringssymptomen zich voordoen (Arresten HvJ-EU C-355/90 en C-117/00).

In de praktijk betekent dit dat grondeigenaren/-beheerders/-gebruikers in Natura 2000 acties moeten voorkomen die een negatieve impact hebben op de ecologische structuur en functies van de beschermde habitats of de geschiktheid van habitats voor beschermde soorten (bijv. als voerder-, rust- of broedplaatsen). Het betekent ook dat acties moeten worden voorkomen die kunnen leiden tot significante storende factoren voor beschermde soorten, met name tijdens hun broed-, rust- of voederperioden.

Of een specifieke activiteit daadwerkelijk al dan niet zal leiden tot verslechtering van een gebied zal ook afhangen van de globale ecologische omstandigheden in het gebied en de mate van instandhouding van de daar aanwezige soorten en habitattypen. Indien voor hen negatieve gevolgen kunnen ontstaan, moeten preventieve maatregelen worden getroffen. Bestaan er twijfels over de gevolgen van een bepaalde maatregel, dan moet een voorzorgbenadering worden toegepast.

Een analyse per geval wordt derhalve altijd aanbevolen. Passende maatregelen, voorschriften of voorwaarden kunnen worden opgenomen in de uitwerking van beheerplannen, om aldus te verzekeren dat door bepaalde lopende activiteiten geen storende factoren optreden voor soorten en verslechtering van de habitats van EU-belang wordt vermeden.

Ook moet rekening worden gehouden met indirecte effecten. Mogelijk zijn bepaalde preventieve maatregelen nodig om verslechtering te voorkomen die wordt veroorzaakt door externe factoren of risico's, zoals bosbranden, watervervuiling stroomopwaarts enz., die buiten het Natura 2000-gebied kunnen voorvallen maar wel gevolgen hebben voor het gebied.

Er is een compilatie van de belangrijkste arresten van het Europees Hof van Justitie met betrekking tot artikel 6 van de habitatrichtlijn beschikbaar, waarin onder meer wordt ingegaan op de verplichting om passende maatregelen te treffen om verslechtering van natuurlijke habitats en significante storende factoren voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, te voorkomen.

35. Moet het bestaande beheer stroken met de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied?

Ja, dat klopt. Uit hoofde van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn moeten verslechtering van habitats en storende factoren voor soorten waarvoor het gebied is aangewezen, worden vermeden. Dit geldt ook voor activiteiten die al bestonden toen een gebied werd opgenomen in Natura 2000. Indien een bestaande activiteit in een Natura 2000-gebied verslechtering veroorzaakt van natuurlijke habitats of storende factoren oplevert voor soorten waarvoor het gebied is aangewezen, moet daar iets aan worden gedaan, hetzij door passende maatregelen om verslechtering overeenkomstig artikel 6, lid 2, een halt toe te roepen of door middel van overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de habitatrichtlijn opgestelde proactieve maatregelen. Het kan zijn dat daarom in voorkomend geval de negatieve gevolgen moeten worden beëindigd door de activiteiten te stoppen of door verzachtende maatregelen te treffen. Sommige economische prikkels of vormen van compensatie kunnen in aanmerking worden genomen indien de aan boseigenaren opgelegde inspanningen verder gaan dan normale duurzame bosbeheerpraktijk.

Het kan bijvoorbeeld zijn dat sommige vogelsoorten die in het gebied nestelen een aanpassing vergen van de timing of een beperking van bepaalde activiteiten om storende factoren voor de soorten gedurende die gevoelige perioden of in bijzonder gevoelige gebieden te vermijden en verslechtering van specifieke habitats of in het gebied aanwezige natuurlijke elementen te voorkomen.

Anderzijds moeten deze, indien positief wordt bijgedragen aan de bestaande activiteiten, worden versterkt of geoptimaliseerd om de potentiële bijdrage van het lopende beheer aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen te maximaliseren.

36. Wie is verantwoordelijk voor de toepassing en verificatie van de verplichting tot vermijding van verslechtering?

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het treffen van passende maatregelen om verslechtering van habitattypen en significante storende factoren voor soorten in Natura 2000-gebieden te vermijden overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn. Volgens recente arresten van het Europees Hof van Justitie moeten lidstaten specifieke, samenhangende en volledige wettelijke regeling opzetten waardoor de effectieve bescherming van de betrokken gebieden kan worden gewaarborgd. Voor dat doel zijn puur administratieve of vrijwillige maatregelen wellicht niet voldoende.

De nationale of regionale bevoegde autoriteiten moet ook verifiëren dat maatregelen ter vermijding van verslechtering en significante storende factoren adequaat worden gehandhaafd. Het uitgangspunt voor de vaststelling van een verslechtering of storende factoren is de mate van instandhouding van de habitats en soorten op het moment dat een gebied wordt voorgedragen als gebied van communautair belang. Dat moet worden beoordeeld op grond van die initiële voorwaarden die worden beschreven in het Natura 2000-standaardgegevensformulier. Indien nodig kunnen lidstaten de Europese Commissie berichten dat het standaardgegevensformulier van een gebied om bepaalde redenen (bijv. betere wetenschappelijke kennis of natuurlijke ontwikkelingen) moet worden bijgewerkt. Indien de Commissie dat aanvaardt, wordt de in het bijgewerkte standaardgegevensformulier weergegeven situatie het nieuwe uitgangspunt voor de beoordeling van mogelijke verslechtering of storende factoren. Ingeval van verslechtering zal herstel worden vereist.

Er is een compilatie van de belangrijkste arresten van het Europees Hof van Justitie met betrekking tot artikel 6 van de habitatrichtlijn beschikbaar, waarin onder meer wordt ingegaan op de verplichting om passende maatregelen te treffen om verslechtering van natuurlijke habitats en significante storende factoren voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, te voorkomen.

Nieuwe activiteiten in Natura 2000

37. Welke soorten activiteiten vereisen een procedure overeenkomstig artikel 6, lid 3? Wat wordt beschouwd als een plan of project in de context van de habitat- en vogelrichtlijn?

De habitatrichtlijn omschrijft "plan" of "project" niet, maar uit jurisprudentie blijkt dat deze termen breed moet worden uitgelegd aangezien de enige initiërende factor voor de toepassing van artikel 6, lid 33, van de habitatrichtlijn is of plannen of projecten al dan niet significante gevolgen voor een gebied kunnen hebben. Voor een project wordt de in de richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling gebruikte definitie nu ook toegepast voor de habitatrichtlijn, waarin een project de uitvoering van bouwactiviteiten betreft, dan wel andere installatie-activiteiten of regelingen, en enige andere ingreep in de natuurlijke leefomgeving en het landschap.

De Waddenzee-zaak (C-127/02) verduidelijkte voorts dat activiteiten die regelmatig gedurende meerdere jaren in het gebied werden uitgeoefend, maar waarvoor elk jaar voor een beperkte periode een vergunning wordt verleend, waarbij telkens opnieuw wordt beoordeeld of, en zo ja in welk gebied, de activiteit mag worden uitgeoefend, ten tijde van iedere aanvraag vallen onder het begrip "plan" of "project" zoals bedoeld in de habitatrichtlijn.

Het Europees Hof van Justitie heeft tevens beschikt dat onder project vallen:

  • terugkerende en kleinschalige activiteiten (C-127/02, C-226/08)
  • de intensivering van activiteiten (C-127/02)
  • wijzigingen van activiteiten (C-72/95)
  • activiteiten buiten het gebied, maar die significante gevolgen voor het gebied kunnen hebben (C-98/03, C-418/04)

En dat:

  • de mogelijkheid voor bepaalde activiteiten een algemene vrijstelling te verlenen, niet strookt met de bepalingen van artikel 6, lid 3 (C-256/98), C-6/04, C-241/08, C-418/04, C-538/09);
  • de omvang van het project niet relevant is, aangezien de omvang van het project op zich de mogelijkheid niet uitsluit dat het project significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied (C-98/03, C-418/04).

Het woord "plan" heeft derhalve binnen het kader van artikel 6, lid 3, potentieel een zeer brede betekenis. Analoog verwijzend naar de SMB-richtlijn 2001/42/EG, omschrijft artikel 2, onder a), van die richtlijn plannen en programma’s als:

"plannen en programma's, met inbegrip van die welke door de Gemeenschap worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan:

  • die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of die door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld en
  • die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven".

De noodzaak van een passende beoordeling voor een plan moet derhalve worden beoordeeld op grond van de aard, het doel en de inhoud van het plan en niet simpelweg op basis van de vraag of het een "plan" wordt genoemd. Voorbeelden van plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor een gebied: grondgebruikplannen en bosbeheerplannen die betrekking hebben op Natura 2000-gebieden enz.

Het is aan te raden in dergelijke plannen rekening te houden met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 en deze volledig te integreren om waarschijnlijke significante effecten op de gebieden te voorkomen. Dat zich waarschijnlijk geen significante negatieve gevolgen voordoen, moet hoe dan ook worden beoordeeld op grond van objectieve argumenten (planscreening) en moet naar behoren worden gedocumenteerd. Indien aan deze voorwaarde is voldaan, hoeft voor het plan geen volledige passende beoordeling, zoals bedoeld in artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, te worden uitgevoerd.

Het is nuttig eraan te herinneren dat plannen of projecten die direct zijn gekoppeld aan of noodzakelijk zijn voor het instandhoudingsbeheer van een Natura-gebied (d.w.z. Natura 2000-beheerplan) het vergunningsproces van de habitatrichtlijn niet hoeven te doorlopen. In zijn algemeenheid wordt ervan uitgegaan dat de gevolgen van die maatregelen voor een Natura 2000-gebied volledig zijn meegenomen in het Natura 2000-beheerplanningproces en dat deze beoordeling derhalve niet hoeft te worden herhaald. Desalniettemin kan het plan of project, indien het ook een niet-instandhoudingscomponent omvat, nog altijd een passende beoordeling vergen (C-241/08) indien mogelijke significante gevolgen voor het gebied niet kunnen worden uitgesloten.

Een compilatie van de belangrijkste vonnissen van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot artikel 6 van de habitatrichtlijn is beschikbaar, waarin onder meer wordt ingegaan op de naleving van de procedure van artikel 6, lid 3.

3 Zie de richtsnoeren over de bepalingen van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn op: https://ec.europa.eu/environment/nature/natura2000/management/docs/art6/natura_2000_assess_en.pdf

38. Indien een plan of project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt het dan automatisch geweigerd? Als dat niet zo is, welke procedures moeten dan worden gevolgd? Hoe werkt de vergunningsprocedure voor nieuwe plannen en projecten?

Plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied worden niet automatisch geweigerd. De implicaties van die plannen of projecten voor het gebied moeten stap voor stap worden beoordeeld op grond van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.

Het gaat om de volgende stappen:

  • Stap één: screening – in deze initiële stap moet worden bepaald of voor een plan of project een passende beoordeling (PB) moet worden gemaakt. Indien een plan of een project significante negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben of die mogelijke significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. Het is raadzaam de belangrijkste elementen van de screeningfase op schrift te stellen, voor het geval daar later navraag naar wordt gedaan.
  • Stap twee: passende beoordeling – zodra besloten is dat een PB nodig is, moet een gedetailleerde analyse worden gemaakt van de effecten die het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, kan hebben op de natuurlijke kenmerken van het/de Natura 2000-gebied(en), rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied of die gebieden.
  • Stap drie: besluitvorming – als de conclusie van de passende beoordeling is dat sprake is van negatieve gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van het gebied, dan moet worden onderzocht of preventieve of mitigerende maatregelen kunnen worden ingevoerd om deze effecten weg te nemen.

Deze mitigerende maatregelen moeten direct worden gekoppeld aan de in de passende beoordeling (PB) vastgestelde mogelijke gevolgen; deze mitigerende maatregelen kunnen pas worden vastgesteld nadat die gevolgen volledig zijn beoordeeld en beschreven in de passende beoordeling. Net zoals de effectbeoordeling zelf, moet de vaststelling van de mitigerende maatregelen worden gebaseerd op een goed begrip van de betrokken soorten en habitats. Mitigerende maatregelen mogen bijvoorbeeld een verandering of beperking inhouden van de data en het tijdschema voor de toepassing van sommige activiteiten (bijvoorbeeld het vermijden van bepaalde werkzaamheden tijdens het broedseizoen van een bepaalde soort). Indien deze mitigerende maatregelen de vastgestelde negatieve gevolgen kunnen wegnemen of afbouwen, kan het project worden goedgekeurd. Zo niet, dan moet het project worden afgewezen.

  • Stap vier: afwijkingen – artikel 6, lid 4, voorziet in bepaalde afwijkingen van deze algemene regel. Indien wordt vastgesteld dat het plan of project significante negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied zal hebben, kan het plan of project derhalve onder uitzonderlijke omstandigheden toch worden goedgekeurd bij ontstentenis van alternatieven, indien het plan of project noodzakelijk wordt geacht om dwingende redenen van groot openbaar belang en indien de noodzakelijke compenserende maatregelen worden genomen om de samenhang van het Natura 2000-netwerk te beschermen. In die gevallen moet de Europese Commissie worden geïnformeerd en, indien er gevolgen zijn voor de prioritaire soorten of habitattypen in het gebied, is een Commissie-advies vereist.

Zie het stroomdiagram over de procedure van artikel 6, lid 3.

39. Welk verband bestaat er tussen de niet-verslechteringsvereiste uit hoofde van artikel 6, lid 2, en de procedure van artikel 6, lid 3?

Deze twee bepalingen zijn in feite "twee zijden van dezelfde medaille". Artikel 6, lid 2, en artikel 6, lid 3, beogen beide significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden te voorkomen. Artikel 6, lid 2, behelst dat passende maatregelen moeten worden getroffen om verslechtering of significante storende factoren te vermijden. Artikel 6, lid 3, richt zich meer specifiek op nieuwe plannen of projecten die de natuurlijke kenmerken van een gebied zouden kunnen aantasten. In tegenstelling tot artikel 6, lid 2, waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn, is in artikel 6, lid 4, een uitzonderingsregeling vastgelegd die plannen en projecten met negatieve gevolgen toestaat onder strikt beperkte voorwaarden (ontstentenis van alternatieve oplossingen, dwingende redenen van groot openbaar belang, compenserende maatregelen enz.). De doelstellingen van artikel 6, lid 2, en artikel 6, lid 3, zijn dus grosso modo vergelijkbaar.

Derhalve kan er, wanneer een plan of project is goedgekeurd zonder dat het voldoet aan artikel 6, lid 3, ook sprake zijn van een inbreuk op artikel 6, lid 2. Daarvan is sprake indien verslechtering van een habitat of het optreden van storende factoren voor een soort waarvoor de zone in kwestie is aangewezen, is vastgesteld (Zaak C-304/05, C-388/05, en C-404/09). Plannen of projecten die overeenkomstig artikel 6, lid 3, en artikel 6, lid 4, zijn goedgekeurd, voldoen ook aan artikel 6, lid 2.

Een compilatie van de belangrijkste vonnissen van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot artikel 6 van de habitatrichtlijn is beschikbaar, waarin onder meer wordt ingegaan op de naleving van artikel 6, leden 2 en 3.

40. Wat wordt het begrip "dwingende redenen van groot openbaar belang" geacht te betekenen?

Het begrip "dwingende redenen van groot openbaar belang" verwijst naar situaties waarin een beoogd plan of project aantoonbaar onontbeerlijk is. Het woord "dwingend" betekent dat een plan of project essentieel is en niet alleen wenselijk. Er zit ook een element van urgentie in besloten: het plan of project moet in het publieke belang zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd.

Wat betreft de bewoording "van groot openbaar belang" kunnen alleen openbare belangen, of deze nu worden behartigd door openbare of particuliere organen, worden afgewogen tegen de instandhoudingsdoelen van de richtlijn. Het openbare belang moet ook groot zijn: dit betekent dat het plan of project van voldoende belang moet zijn om te kunnen worden afgewogen tegen de algemene instandhoudingsdoelstelling van de habitat- en de vogelrichtlijn.

Indien een plan of project negatieve gevolgen heeft voor de integriteit van een Natura 2000-gebied waar "prioritaire" habitattypen en/of soorten van EU-belang zijn te vinden, zijn de voorwaarden voor groot openbaar belang strikter. Ze kunnen alleen worden gerechtvaardigd als de dwingende redenen van groot openbaar belang betrekking hebben op volksgezondheid en openbare veiligheid of grote gunstige consequenties hebben voor het milieu of als er andere dwingende redenen zijn waarover de Commissie, voordat het plan of project wordt goedgekeurd, een positief advies heeft uitgebracht.

41. Vergen plannen of projecten buiten Natura 2000-gebieden ook een procedure overeenkomstig artikel 6, lid 3?

Op grond van de bepalingen van artikel 6, lid 3, is een passende beoordeling niet alleen vereist voor activiteiten binnen een Natura 2000-gebied, maar "voor elk plan of project … significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied".

De procedure van artikel 6, lid 3, is derhalve van toepassing op alle plannen of projecten, ongeacht of zij binnen of buiten een Natura 2000-gebied gesitueerd zijn (bijv. drainage stroomopwaarts).

42. Wat is het verschil tussen een passende beoordeling (PB) en een milieueffectbeoordeling (MEB) of een strategische milieueffectbeoordeling (SMEB)?

Er zijn meerdere overeenkomsten tussen de passende beoordeling uit hoofde van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn en de andere milieueffectbeoordelingen die worden uitgevoerd uit hoofde van de MEB- en de SMEB-richtlijn. De twee worden ook vaak samen uitgevoerd als onderdeel van een geïntegreerde procedure en er zijn analoge stappen mee gemoeid (screening, beoordeling, openbare raadpleging en besluitvorming). Maar er zijn ook een paar belangrijke verschillen.

Elk van de beoordelingen heeft een ander doeleinde en legt de nadruk bij het beoordelen van de effecten anders. In het geval van MEB/SMEB wordt bij de beoordeling gekeken naar de effecten voor de flora en fauna in het algemeen, terwijl de PB zich expliciet concentreert op de beschermde soorten en habitattypen van EU-belang binnen Natura 2000. De SMEB en MEB mogen derhalve niet in de plaats komen van of als substituut dienen voor een passende beoordeling en de procedures stellen elkaar niet buiten werking.

Ook het resultaat van elke beoordelingsprocedure is verschillend. In het geval van een MEB of SMEB moeten de autoriteiten en indieners simpelweg rekening houden met de effecten. Bij een PB is de uitkomst van de beoordeling echter juridisch bindend voor de bevoegde autoriteit. Als uit de PB naar voren komt dat er sprake is van een negatief effect op de integriteit van het Natura 2000-gebied of dat een dergelijk effect niet kan worden uitgesloten, dan mag de bevoegde autoriteit het plan of het project in die vorm derhalve niet goedkeuren.

De vergunningsprocedure voor Natura 2000 is ook niet beperkt tot bepaalde soorten plannen en projecten. Het geldt voor elk plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Financiering van de instandhouding en het beheer van Natura 2000-gebieden

43. Brengen Natura 2000-instandhoudingsmaatregelen altijd kosten met zich mee?

Niet altijd. Dat hangt erg af van het type maatregel en het specifieke gebied waar deze wordt toegepast. Er zijn bepaalde instandhoudingsmaatregelen die geen kosten of gederfde inkomsten veroorzaken of die direct zonder extra kosten of gederfde inkomsten in de dagelijkse beheeractiviteiten kunnen worden opgenomen (bijv. de wijziging van soortensamenstelling van bosbestanden, indien die samenstelling economisch en ecologisch onhoudbaar is, door de invoering van productieve bossoorten die overeenkomen met de natuurlijke vegetatie, of eenvoudigweg door ervoor te zorgen dat de bestaande bosbeheerpraktijken worden voortgezet indien zij aantoonbaar bijdragen aan het bereiken of handhaven van een goede mate van instandhouding van in een gebied aanwezige soorten en habitattypen).

Sommige instandhoudingsmaatregelen kunnen op korte of langere termijn zelfs economische voordelen opleveren (bijv. het scheppen van betere jachtomstandigheden voor wildsoorten, minder wildschade, betere hengelsportmogelijkheden resulterende uit riviervriendelijkere houtteelt, meer toerisme, natuurvriendelijkere en goedkopere bosbouwmethoden, verbeterde bodemomstandigheden enz.).

Het is onvermijdelijk dat een aantal instandhoudingsmaatregelen wel kosten veroorzaakt, omdat zij voor de toepassing extra mankracht vereisen, nieuwe investeringen in nieuwe infrastructuur of uitrusting vereisen of omdat zij commerciële mogelijkheden voor de eigenaren verminderen. Die moeten per geval worden bekeken.

De Commissie beveelt sterk aan dat de Natura 2000-beheerplannen ook een raming omvatten van de toepassingskosten voor elke voor het betreffende gebied vastgestelde instandhoudingsmaatregel en dat tevens alle mogelijke financieringsbronnen uit overheids- en particuliere bron op lokaal, nationaal en EU-niveau worden nagegaan. Hierbij moet ook de mogelijke toepassing van innovatieve zelffinancieringsregelingen worden onderzocht (bijv. door de verkoop van Natura 2000-producten, ecotoerisme, heffingen voor het behoud van waterkwaliteit enz., zie voorbeelden in vraag nr. 45).

44. Hoeveel kost het Natura 2000-netwerk in totaal?

Het effectieve beheer en herstel van gebieden in het Natura 2000-netwerk in de hele EU 28 vergt aanzienlijke financiële investeringen. In 2007 raamde de Commissie dat de EU 27 circa 5,8 miljard EUR per jaar nodig zal hebben voor het beheer en herstel van de gebieden in het netwerk. Het gebruik van verschillende EU instrumenten heeft tot nu toe evenwel veel lager gelegen dan de door de lidstaten omschreven financiële behoeften van Natura 2000: slechts 20 % van die behoeften werd afgedekt4.

De veelvoudige sociaaleconomische voordelen die de in het netwerk opgenomen gebieden genereerden, wogen evenwel ruimschoots op tegen deze kosten. Naast de cruciale rol van Natura 2000-gebieden in de bescherming van de Europese biodiversiteit, bieden Natura 2000-gebieden een brede waaier van andere ecosysteemvoordelen en -diensten aan de maatschappij. Volgens recente Commissiestudies worden de baten die de als Natura 2000-gebieden aangewezen gebieden genereren geschat op ongeveer 200 tot 300 miljard EUR per jaar.

Alhoewel deze cijfers slechts een voorlopige raming zijn, tonen de voorlopige resultaten al aan dat de economische voordelen voor de maatschappij die voortvloeien uit het Natura 2000-netwerk zeer gunstig afsteken tegen de met het beheer en de bescherming van deze belangrijke bron gemoeide kosten, die slechts een fractie vormen van zijn potentiële voordelen.

De exacte kosten-batenverhouding zal uiteraard afhangen van een reeks factoren, waaronder de locatie van de gebieden en hun grondgebruik, maar alles wijst er tot op heden op dat een goed beheerd Natura 2000-netwerk de met zijn onderhoud gemoeide kosten ruimschoots zal terugbetalen.

Voorbeelden van de economische baten van Natura 2000:

TOERISME:

Natura 2000 blijkt al een belangrijke motor van menig lokale economie te zijn door toeristen aan te trekken, die met hun uitgaven lokale economieën ondersteunen. De uitgaven van bezoekers aan Natura 2000-gebieden worden geraamd op 50–85 miljard EUR per jaar (in 2006). Wordt alleen rekening gehouden met de uitgaven van de bezoekers met affiniteit voor Natura 2000-aanwijzing (in tegenstelling tot natuurgebieden in het algemeen), dan genereren ongeveer 350 miljoen bezoekersdagen in 2006 een bedrag van 9–20 miljard EUR op jaarbasis.

De totale uitgaven door toerisme en recreatie zijn goed voor 4,5 tot 8 miljoen voltijdse banen (FTE). De baten die bezoekers met affiniteit voor Natura 2000 genereren, zouden goed zijn voor 800 000 tot 2 miljoen FTE-banen. Dit is vergelijkbaar met een totaal van ongeveer 13 miljoen FTE-banen in de toeristische sector binnen de EU 27 (in 2008). Voorts kunnen beschermingszones extra baten opleveren voor de lokale en regionale economie doordat zij investeringen van buitenaf aantrekken en lokale profilering en levenskwaliteit versterken.

WATER:

Er kan geld worden bespaard door te werken met natuurlijk kapitaal, hetgeen waterzuiveringskosten en watervoorzieningskosten bespaart. Waterzuivering en -voorziening zijn belangrijke ecosysteemdiensten die worden geleverd door natuurlijke ecosystemen, waaronder beschermingszones zoals Natura 2000. Een aantal grote Europese steden, waaronder München, Berlijn, Wenen, Oslo, Madrid, Sofia, Rome en Barcelona, profiteren allemaal op uiteenlopende wijze van natuurlijke filtratie. Deze gemeenten besparen geld op waterbehandeling vanwege de natuurlijke behandeling door ecosystemen. De besparingen kunnen worden doorgegeven aan de consumenten, wat leidt tot lagere nutsvoorzieningskosten voor EU-ingezetenen.

Informatie uit de vier Europese steden Berlijn, Wenen, Oslo en München illustreert de voordelen van beschermingszones voor waterzuivering en -voorziening. Via batenoverdracht kunnen de jaarlijkse economische baten van waterzuivering worden geschat op tussen 7 en 16 miljoen EUR en die van watervoorziening op tussen 12 en 91 miljoen EUR per stad. De gemiddelde baten per capita bedragen tussen 15 en 45 EUR per jaar voor waterzuivering en -voorziening gecombineerd voor de vier geanalyseerde Europese steden. Dit is vergelijkbaar met een gemiddelde waterrekening voor huishoudens van 200 EUR per jaar in Duitsland.

45. Wie is verantwoordelijk voor het waarborgen van de financiering van het netwerk? Zijn er EU-middelen beschikbaar voor de ondersteuning van het instandhoudingsbeheer van Natura 2000-gebieden?

Als EU-wijd netwerk is Natura 2000 gebaseerd op het beginsel van solidariteit tussen lidstaten. Het is een belangrijke gedeelde bron die voor de maatschappij en de Europese economie meerdere voordelen kan opleveren. Maar het is ook een gedeelde verantwoordelijkheid die voldoende financiële investeringen vergt om volledig operationeel te worden.

Enerzijds zijn de lidstaten hoofdverantwoordelijk voor de financiering van Natura 2000, anderzijds erkent artikel 8 van de habitatrichtlijn dat steun op EU-niveau nodig is voor het beheer van Natura 2000 en koppelt het de totstandkoming van de noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen expliciet aan de verstrekking van EU-cofinanciering.

Beheervereisten van Natura 2000 zijn geïntegreerd in verschillende EU-financieringsstromen, zoals de structuurfondsen (Efro), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), LIFE enz.

Deze geïntegreerde benadering werd om meerdere redenen gekozen:

  • deze benadering verzekert dat het beheer van Natura 2000-gebieden deel uitmaakt van het bredere grondbeheerbeleid van de EU;
  • door deze benadering kunnen lidstaten prioriteiten stellen en beleidsvormen en beleidsmaatregelen ontwikkelen die hun nationale en regionale eigenheden weerspiegelen;
  • deze benadering voorkomt duplicatie en overlap van verschillende EU-financieringsinstrumenten en de met die duplicatie verbonden administratieve complicaties.

In het kader van de nieuwe EU-fondsen zijn er voor de periode 2014 2020 verschillende financieringsopties beschikbaar, maar het hangt af van de autoriteiten van de lidstaten of en hoe deze opties in het specifieke land/de specifieke regio beschikbaar worden gesteld.

De Commissie heeft de lidstaten aangemoedigd om voor de Natura 2000-financiering een meer strategische meerjarenplanning te volgen om optimaal gebruik van de beschikbare EU-middelen te kunnen maken. Dat gebeurt in de vorm van prioritaire actiekaders (PAF's) die de financieringsbehoeften en strategische prioriteiten voor Natura 2000 op een nationaal of regionaal niveau voor de periode 2014 2020 omschrijven. Deze PAF's zijn specifiek ontworpen om de integratie van passende instandhoudingsmaatregelen, waaronder die voor bossen, in de nieuwe operationele programma's voor de verschillende EU-financieringsinstrumenten te bevorderen (SEC(2011) 1573 definitief).

46. Zijn er specifieke maatregelen krachtens de EU-verordening inzake plattelandsontwikkeling voor de ondersteuning van Natura 2000?

Ja, er is een specifieke maatregel die betrekking heeft op betalingen in het kader van Natura 2000 en de kaderrichtlijn water. Op grond van de nieuwe Elfpo-verordening (1305/2013), worden Natura 2000-betalingen jaarlijks per hectare toegekend om de begunstigden te compenseren voor extra kosten en gederfde inkomsten die voortvloeien uit nadelen in de betrokken gebieden die verband houden met de toepassing van de habitat- en de vogelrichtlijn. De steun wordt verleend aan landbouwers en particuliere bosbezitters, alsmede aan organisaties waarin particuliere bosbezitters zijn verenigd. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de steun tevens worden verleend aan andere grondbeheerders (artikel 30).

Natura 2000-betalingen zijn beschikbaar voor activiteiten die verband houden met nadelen en opgelegde beperkingen in de aangewezen Natura 2000-gebieden en zijn omschreven in beheerplannen of andere gelijkwaardige instrumenten. Die beperkingen moeten een bindend karakter hebben, d.w.z. dat alle grondbeheerders in de betrokken gebieden aan die beperkingen moeten voldoen en dat de beperkingen zijn gekoppeld aan de bepalingen betreffende behoud of herstel van de habitats en soorten en betreffende de vermijding van hun verslechtering en het optreden van storende factoren.

Deze maatregel zou ook beschikbaar zijn voor boseigenaren mits de lidstaten de maatregel opnemen in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s.

47. Zijn er andere maatregelen krachtens de EU-plattelandsontwikkeling die ook zouden kunnen bijdragen aan de financiering van Natura 2000? Wie profiteert er van deze financiering?

Ja, er zijn andere maatregelen krachtens de nieuwe Elfpo-verordening die ook aan de financiering van Natura 2000 zouden kunnen bijdragen. De belangrijkste zijn de volgende maatregelen:

Artikel 21: Investeringen in de ontwikkeling van bosgebieden en verbetering van de levensvatbaarheid van bossen, waaronder:

  • bebossing en de aanleg van beboste gebieden (art. 22)
  • de invoering van boslandbouwsystemen (art. 23)
  • de preventie en het herstel van schade die aan bossen wordt toegebracht door bosbranden en natuurrampen, met inbegrip van uitbraken van plagen en ziekten, rampzalige gebeurtenissen en klimaatgerelateerde bedreigingen (art. 24)
  • investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde alsmede van het mitigatiepotentieel van bosecosystemen (art. 25)
  • investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, de mobilisering en de afzet van bosproducten (art. 26)

Artikel 34: Bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding.

Artikel 35: Samenwerking.

De nieuwe verordening verlangt dat minstens 30 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het plattelandsontwikkelingsprogramma wordt gereserveerd voor milieukwesties en klimaatveranderingmitigatie en -aanpassing via steun voor milieu- en klimaatgerelateerde investeringen, investeringen in bossen (artikel 21 en 34), agromilieu- en klimaatmaatregelen, biologische landbouw, gebieden die te maken hebben met natuurlijke of andere beperkingen en betalingen in Natura 2000.

48. Moeten gemaakte extra kosten of gederfde inkomsten alleen worden gedragen door grondeigenaren/ -beheerders?

Overwegende dat de voordelen uit de toepassing van specifieke instandhoudingsmaatregelen ten goede komen aan de maatschappij als geheel, zou het onrechtvaardig zijn dat de toepassingskosten van die maatregelen, hetzij de directe kosten of de legitieme gederfde inkomsten, door de grondeigenaren/-beheerders zouden moeten worden gedragen.

Lidstaten kunnen wat dat betreft hun eigen regels hanteren en in veel gevallen steunen zij de grondeigenaren en -beheerders indien zij een bepaalde vorm van beheer willen bevorderen die extra kosten of gederfde inkomsten inhoudt. Er zijn financiële middelen beschikbaar om die kosten te dekken, bijv. uit EU-fondsen, met name Elfpo.

49. Moeten de kosten van Natura 2000-beheermaatregelen altijd financieel worden gecompenseerd?

Het moet worden onderzocht of bepaalde instandhoudingsmaatregelen financieel kunnen worden gecompenseerd, met name maatregelen die de eigenaar inkomsten onthouden die hij had kunnen verwachten in het kader van duurzaam bosbeheer of die extra investeringen vergen zonder dat daar iets tegenover staat. Subsidies, contractuele overeenkomsten, belastingvoordelen, technische ondersteuning enz. zijn mogelijkheden om eigenaren voor gederfde inkomsten te compenseren, wegens aan de maatschappij als geheel verleende diensten en, indien toepasselijk, afschrijving.

Verslechtering vermijden is een uit de habitatrichtlijn afgeleide verplichting die in beginsel niet hoeft te worden gecompenseerd. Beslissingen over het geven van economische prikkels of compensatiebetalingen moeten afhankelijk van de nationale context op lidstaatniveau worden genomen. Bijvoorbeeld, indien beperkingen of verplichtingen worden opgelegd aan een bepaald soort beheer dat traditioneel was in een gebied, en gederfde inkomsten of extra kosten veroorzaken, kan passende compensatie van de betrokken grondeigenaren raadzaam zijn. Dat kan tevens het geval zijn wanneer een verplichting erop toe te zien dat geen verslechtering optreedt, verder gaat dan de dagelijkse waakzaamheid om verslechtering tegen te gaan en belangrijke proactieve maatregelen vergt (bijv. het verwijderen van invasieve soorten die zich hebben verspreid).

50. Welke maatregelen zijn beschikbaar krachtens het EU-instrument LIFE om de financiering van de instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden te ondersteunen?

LIFE heeft in het verleden een groot aantal projecten op het gebied van natuurbehoud gefinancierd en zal instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden blijven financieren, met name via LIFE Natuur & Biodiversiteit-projecten.

Elk jaar is er een oproep tot het indienen van voorstellen waarbij ongeveer 100 miljoen EUR beschikbaar is voor projecten die de instandhouding van natuur en biodiversiteit in het algemeen ondersteunen. LIFE cofinanciert de kosten van geselecteerde LIFE Natuur & Biodiversiteit-projecten tot 60 % van de kosten.

Het is ook mogelijk natuurbehoud te bevorderen door middel van projecten die voornamelijk communicatie betreffen, in welk geval de aanvragers het aanvraagpakket voor LIFE Milieu Bestuur en Informatie moeten raadplegen.

Ten slotte kan men zich ook richten op instandhouding van Natura 2000-gebieden als onderdeel van een veel groter project dat zich richt op het Natura 2000-netwerk als geheel op regionaal of nationaal niveau. Voor nadere details moeten aanvragers (in het algemeen nationale/regionale overheden) het aanvraagpakket voor Geïntegreerde LIFE-projecten raadplegen.

51. Zijn er andere financieringsmogelijkheden en -prikkels voor Natura 2000 op nationaal of regionaal niveau?

Ja, er is ook een groot potentieel voor het bijdragen aan natuurbehoud via nationale en regionale programma’s, aangezien de afzonderlijke lidstaten hoofdverantwoordelijk zijn voor de financiering van Natura 2000-gebieden. In een aantal lidstaten bestaan vrijwillige overeenkomsten om Natura 2000-gebieden op een manier te beheren die bevorderlijk is voor de instandhouding van het gebied en/of beheercontracten voor het behouden van soorten en habitats die via nationale fondsen worden gefinancierd.

In sommige landen kunnen grondeigenaren ook profiteren van prikkels zoals vrijstellingen van onroerendgoedbelasting en andere belastingvoordelen (bijv. in België).

Bovendien hebben grondeigenaren in sommige lidstaten recht op volledige compensatie voor extra kosten en gederfde inkomsten in Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld wanneer de aanwijzing van boshabitats in Zweden bepaalde beperkingen voor houtproductie met zich meebrengt.

Toezicht en rapportage

52. Hoe weet ik of de staat van instandhouding van habitats of soorten in het hele verspreidingsgebied binnen de EU is verbeterd?

Uit hoofde van artikel 11 van de habitatrichtlijn zien de lidstaten toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang. De staat van instandhouding van alle soorten en habitats van EU-belang wordt regelmatig beoordeeld binnen het kader van de 6 jaarlijkse voortgangsverslagen die de lidstaten indienen bij de Commissie overeenkomstig artikel 17 van de habitatrichtlijn en artikel 12 van de vogelrichtlijnen. Beoogd wordt de staat van instandhouding van elke soort of elk habitattype in zijn hele verspreidingsgebied binnen de EU vast te stellen. Er zijn vier categorieën van staat van instandhouding vastgesteld: gunstig (FV), ongunstig-ontoereikend (U1), ongunstig-slecht (U2), onbekend (XX).

In een aantal lidstaten (bijv. Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk) is een systematisch programma ontwikkeld voor toezicht op de mate van instandhouding in verschillende gebieden.

Het ultieme doel is natuurlijk dat alle habitattypen en soorten een gunstige staat van instandhouding, zoals gedefinieerd in de habitatrichtlijn, bereiken. Maar het kost tijd om dat te bereiken. De habitattypen en soorten werden geselecteerd omdat zij worden bedreigd of zeldzaam zijn, hetgeen betekent dat zij sowieso grotendeels al een slechte staat van instandhouding kennen. Er zal dus enige tijd verstrijken voor de toegepaste instandhoudingsmaatregelen "hun vruchten zullen afwerpen", d.w.z. dat de globale staat van instandhouding van de soort of habitat in de hele EU verbetert.

Alles wordt gedaan om deze doelstelling te bereiken en de meest recente beoordelingen van staten van instandhouding werden in 2015 gepubliceerd.

53. Welke toezichtverplichtingen gelden voor afzonderlijke Natura 2000-gebieden? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Hoe kan ik de meest recente staat van instandhouding vinden van een specifieke soort of habitattype in mijn gebied?

Elke lidstaat kan zelf beslissen hoe het beste toezicht kan worden uitgeoefend op de toestand van de habitattypen en soorten van EU-belang in hun land op het niveau van elk Natura 2000-gebied. De bevoegde autoriteiten in elk land zijn hiervoor verantwoordelijk. De laatste resultaten van het toezicht op nationaal of regionaal niveau moeten openbaar worden gemaakt, bijvoorbeeld op de website van de autoriteiten.

Particuliere grondeigenaren of -beheerders zijn evenwel niet verplicht om toezicht uit te oefenen op de toestand van de op hun grond aanwezige soorten en habitattypen. Uiteraard wordt het graag gezien dat zij dat wel doen, aangezien dat altijd zeer waardevolle informatie is, bijvoorbeeld kunnen op die manier signalen worden opgetekend die wijzen op een mogelijke verslechtering.

De mate van instandhouding van een specifieke soort of specifiek habitattype in een Natura 2000-gebied wordt geregistreerd en bijgewerkt in het standaardgegevensformulier dat publiekelijk beschikbaar is voor elk Natura 2000-gebied. Bevoegde autoriteiten en gebiedbeheerders kunnen daarover ook gedetailleerde informatie verstrekken.

54. Welke verplichtingen gelden voor het toezicht op instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden?

Artikel 11 van de habitatrichtlijn verplicht de lidstaten toe te zien op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang. Artikel 17, lid 1, vereist dat lidstaten informatie verstrekken over de in Natura 2000-gebieden getroffen instandhoudingsmaatregelen en een beoordeling verstrekken van het effecten van die maatregelen.

In het nieuwe rapportageformaat van artikel 17 (vastgesteld voor de rapportage over de periode 2007 2012) wordt verzocht om informatie waarmee de bijdrage van het Natura 2000-netwerk aan de staat van instandhouding van habitats en soorten en de globale effectiviteit van het netwerk moeten kunnen worden beoordeeld.

Dit nieuwe rapportageformaat omvat de vereiste een verslag op te stellen over de toepassing van beheerplannen of andere instrumenten waarmee de lidstaten hun netwerk beheren, alsook de gebieden waarvoor projecten/plannen gevolgen hebben waarvoor compensatiemaatregelen noodzakelijk waren en de belangrijkste maatregelen die werden getroffen om de coherentie van het Natura 2000-netwerk overeenkomstig artikel 10 te waarborgen.

Gezien de verplichting van lidstaten om verslag uit te brengen van de uitvoering van instandhoudingsmaatregelen en de effecten van de maatregelen op de staat van instandhouding, wordt het aangeraden in elk gebied een mechanisme voor toezicht op instandhoudingsmaatregelen te hebben. Een dergelijk mechanisme moet meetbare en duidelijk controleerbare criteria en indicatoren bevatten om de opvolging en evaluatie van resultaten te vergemakkelijken.

Normaliter zijn de bevoegde autoriteiten verantwoordelijk voor toezicht in het kader van Natura 2000. Het is raadzaam dat autoriteiten op het gebied van natuurbehoud en grondeigenaren en -beheerders nauw samenwerken.

Toezicht op en beoordeling van resultaten zijn essentieel om instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen te kunnen aanpassen aan belangrijke natuurlijke of andere ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor de instandhouding van in het gebied aanwezige habitats en soorten van communautair belang.

De bescherming van soorten en habitats van EU-belang in hun hele verspreidingsgebied, buiten de Natura 2000-gebieden

55. Speelt grond buiten het Natura 2000-netwerk een rol in de instandhouding van soorten en habitats van EU-belang?

Ja, grond buiten het Natura 2000-netwerk speelt een belangrijke rol in de instandhouding van habitats en soorten van EU-belang, met name degene die door fragmentatie of isolatie worden bedreigd. Die grond kan ertoe bijdragen dat de ecologische samenhang van het netwerk en de functionele connectiviteit tussen Natura 2000-gebieden sterk worden verbeterd.

De gebieden buiten het Natura 2000-netwerk kunnen ook meer toevluchtsoorden bieden voor soorten en habitattypen buiten de aangewezen gebieden. Dat is bijzonder nuttig voor soorten en habitats die een groot verspreidingsgebied hebben (bijv. beren en lynxen) of die wijd zijn verspreid (bijv. ooibossen), aangezien hun bronnen slechts deels in het Natura 2000-netwerk zijn opgenomen (soms minder dan 50 %). Die gebieden buiten het Natura 2000-netwerk zijn nodig om een gunstige staat van instandhouding te bereiken.

Artikel 10 van de habitatrichtlijn moedigt de lidstaten aan de landschapselementen te beheren die van groot belang zijn voor de migratie, geografische verdeling en genetische uitwisseling van wilde soorten flora en fauna. Die maatregelen kunnen ook betrekking hebben op grond die niet is aangewezen als Natura 2000-gebied. Artikel 10 heeft alleen praktische gevolgen voor grondeigenaren en -beheerders wanneer lidstaten daarvoor specifieke maatregelen hebben getroffen. Sommige landen pakken deze kwestie aan door middel van nationale of regionale strategieën (bijv. het "Natuurnetwerk Nederland" in Nederland, "ecoforests" in Letland, de "Schémas Régionaux de Cohérence Ecologique" in Frankrijk en de strategie van ecologische connectiviteit in Spanje). Het initiatief aGroene infrastructuur van de Europese Commissie zal de lidstaten er nog meer toe aanzetten dergelijke maatregelen te treffen.

Het belang van gebieden buiten het Natura 2000-netwerk voor vogels is vastgelegd in artikel 3, onder b), en artikel 4 van de vogelrichtlijn, die vereisen dat lidstaten ernaar streven habitats binnen en buiten de beschermingszones te onderhouden en te beheren overeenkomstig de ecologische eisen en vervuiling of verslechtering van habitats te vermijden.

56. Worden bedreigde soorten ook buiten de Natura 2000-gebieden beschermd?

De twee EU-natuurrichtlijnen vereisen tevens dat bepaalde soorten in de hele EU worden beschermd, binnen en buiten de Natura 2000-gebieden, om hun instandhouding in hun hele verspreidingsgebied binnen de EU te waarborgen. Dit geldt voor alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten in de EU alsmede andere soorten die opgenomen zijn in bijlage IV en V bij de habitatrichtlijn.

Bovendien wordt van lidstaten geëist dat zij een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan beschermen, in stand houden of herstellen (artikel 3 van de vogelrichtlijn). Op grond van die vereiste kunnen habitatbeschermingsmaatregelen buiten het Natura 2000-netwerk nodig zijn.

Aangaande de bepalingen betreffende soortenbescherming in hun hele verspreidingsgebied, vereisen de twee richtlijnen dat de lidstaten het volgende verbieden:

  • ongeacht de gebruikte methode, beschermde soorten opzettelijk doden of vangen;
  • opzettelijk eieren of nesten vernielen of eieren rapen of nesten wegnemen of beschermde plantensoorten plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen;
  • voortplantings- of rustgebieden beschadigen of vernielen;
  • opzettelijk storen vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
  • het in bezit hebben, te koop aanbieden en vervoeren van aan de natuur onttrokken soorten.

Deze in nationale wetgeving omgezette verboden moeten alle grondeigenaren, -gebruikers en -beheerders ook respecteren.

Er zijn nadere richtsnoeren betreffende de bepalingen inzake soortenbescherming krachtens de habitatrichtlijn beschikbaar.

57. Zijn er afwijkingen toegestaan op de bepalingen inzake soortenbescherming?

Afwijkingen van de bepalingen betreffende soortenbescherming in hun hele verspreidingsgebied (zie vraag 46) zijn onder bepaalde omstandigheden toegestaan (bijv. om ernstige schade aan gewassen, vee, bossen, visbestanden en water te voorkomen) mits er geen andere bevredigende oplossing is en de gevolgen van deze afwijkingen niet indruisen tegen de globale doelstellingen van de richtlijnen.

De voorwaarden voor afwijkingen zijn vastgelegd in artikel 9 van de vogelrichtlijn en artikel 16 van de habitatrichtlijn.

Er zijn nadere richtsnoeren betreffende de bepalingen inzake soortenbescherming krachtens de habitatrichtlijn beschikbaar.

Communicatie, samenwerking, actieve betrokkenheid van belanghebbenden

58. Welke rol kunnen grondeigenaren en -beheerders spelen bij de toepassing van Natura 2000?

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de toepassing van Natura 2000, maar die toepassing heeft zeer belangrijke gevolgen voor grondeigenaren en -beheerders en daarom is hun deelname van groot belang. Grondeigenaren en -beheerders hier in een vroeg stadium bij betrekken, is werkelijk noodzakelijk en heeft zijn waarde. Grondeigenaren kennen hun land, hebben hun eigen beheerdoelstellingen en spelen een essentiële rol in de opstelling en toepassing van de beheermaatregelen op hun grond. Zij zijn derhalve belangrijke partners bij de ontwikkeling en de succesvolle toepassing van Natura 2000.

Het is zeer raadzaam beheerplannen voor te bereiden en te ontwikkelen die gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen behandelen en instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden omvatten. Het is van belang alle betrokken belanghebbenden hierbij te betrekken om de keuzemogelijkheden, die voldoen aan uiteenlopende verwachtingen, zover mogelijk te verkennen, om mogelijke conflicten aan te spreken en te vermijden en om oplossingen te vinden voor de compensatie van geleden schade (aanvullende kosten en gederfde inkomsten) die bepaalde instandhoudingsmaatregelen zouden kunnen veroorzaken die verder gaat dan wat gebruikelijk is onder duurzaam grondbeheer.

59. Waarom is het belangrijk verschillende groepen van belanghebbenden te betrekken bij de opstelling van natuurbehouddoelstellingen en Natura 2000-beheerplannen?

Overwegende dat Natura 2000 beoogt bij te dragen aan de bescherming van biodiversiteit, daarbij rekening houdend met de sociaaleconomische en culturele vereisten, is het zeer raadzaam vooraf te bepalen wie alle relevante belanghebbenden zijn en ervoor te zorgen dat zij worden betrokken bij de voorbereiding en ontwikkeling van maatregelen die betrekking hebben op de instandhouding van habitats en soorten in Natura 2000-gebieden.

Verschillende soorten belanghebbenden hebben wellicht meer of minder direct belang bij het beheer van Natura 2000-gebieden. Autoriteiten, grondeigenaren en -beheerders zijn de meest relevante belanghebbenden in het besluitvormingsproces, maar met de standpunten van andere belanghebbenden moet ook rekening worden gehouden, met name de lokale gemeenschappen en andere grondgebruikers, ngo’s, jagers, hengelaars enz. die wellicht aan het proces kunnen bijdragen met hun kennis en ervaring.

Door inspraak bij de planning en voorbereiding van gebiedspecifieke instandhoudings-doelstellingen en instandhoudingsmaatregelen voor een Natura 2000-gebied kan rekening worden gehouden met de standpunten van de mensen die in het gebied wonen en werken of het gebied gebruiken. Het is een gelegenheid bij uitstek om een sociale atmosfeer te creëren die milieubehoud bevordert. De kans op succes wordt veel groter indien de verschillende belanghebbenden worden geïnformeerd en geraadpleegd over en, indien mogelijk, betrokken bij het beheer van het gebied. Het kan ook de kans bieden om een multidisciplinaire en professionele aanpak te ontwikkelen, alsmede samenwerking en mogelijke synergieën tussen verschillende actoren.

Door alle relevante spelers hierbij te betrekken kunnen eventuele conflicten worden vermeden of opgelost en kan worden geprofiteerd van de kennis en ervaring van anderen. Ermee rekening houdend dat de staat van instandhouding van beschermde habitattypen en soorten vaak wordt beïnvloed door de activiteiten van een reeks belanghebbenden (landbouwers, boswachters, jagers, toeristische sector enz.) is de communicatie met en tussen hen essentieel om op evenwichtige wijze een geïntegreerd beheer te bereiken en instandhoudings- en andere doelstellingen te verwezenlijken.

60. Welke stappen moet een inspraakproces inhouden?

Er zijn meerdere methoden om inspraakprocessen uit te voeren. De belangrijkste stappen in een inspraakproces binnen het kader van het beheer van Natura 2000-bosgebieden kunnen zijn:

  • bepalen wie alle relevante belanghebbenden zijn;
  • in voorkomend geval een werkgroep of stuurgroep voor meerdere belanghebbenden oprichten;
  • waarden, rechten, bronnen, grond en gebieden in kaart brengen en effecten beoordelen;
  • participatieve effectbeoordeling: positieve en negatieve effecten vaststellen;
  • gedetailleerde en publieke informatie over instandhoudingsdoelstellingen en bespreken van geplande maatregelen; gerichte informatie aan alle direct betrokken belanghebbenden;
  • de beste manieren en mechanismen voor de toepassing van noodzakelijke maatregelen bespreken en vaststellen, rekening houdend met financiële middelen, compensatie en verdeling van de voordelen;
  • facilitatie ingeval van conflicterende vorderingen, daarbij gebruikmakend van adequate geschillenbeslechtingsprocedures;
  • een inspraaktoezichtmodel opzetten met van meet af aan betrokkenheid van alle belanghebbenden: waarop toezicht houden, hoe, wanneer, waar, door wie;
  • adviesdiensten inzetten.

61. Welke soort informatie moet openbaar worden gemaakt?

Vrije, publieke toegang tot informatie is uitermate belangrijk, met name tot informatie over instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen, verplichtingen, aanbevelingen, overeenkomsten, zowel op het niveau van de afzonderlijke gebieden, alsook op nationaal/regionaal niveau. Op grond van de noodzakelijke raadplegingen moeten grondeigenaren en -beheerders terdege worden geïnformeerd over de redenen en het belang van gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen in Natura 2000-gebieden. Het is daarom raadzaam dat de gedetailleerde beschrijving van de instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen en passende informatie over de locatie van de belangrijkste natuurlijke elementen en de respectieve instandhoudingsmaatregelen aan het publiek beschikbaar worden gesteld. In tegenstelling tot sommige andere plannen, die privé- en gevoelige informatie kunnen bevatten, is een Natura 2000-beheerplan normaliter een voor het publiek beschikbaar document (zie tevens vraag 22).

Communicatie van relevante en begrijpelijke informatie is uitermate belangrijk om wederzijds begrip te verbeteren en dialoog tussen belanghebbenden te bevorderen. Het is ook een noodzakelijke voorwaarde voor vruchtbare discussies over instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen. Een goed communicatieplan vereist de ontwikkeling van passende communicatie- en informatiestrategieën over de algemene doelstellingen van Natura 2000, de instandhoudingsdoelstellingen en -maatregelen van gebieden enz. Daarbij kan het gaan om de oprichting van een werkgroep of comité voor meerdere belanghebbenden, indien dit mogelijk is, en de ontwikkeling van een transparant proces voor vergaderingen en raadplegingen (rondetafels, nieuwsbrieven enz.). Het is van belang dat belanghebbenden naar behoren worden geïnformeerd, niet alleen over de beperkingen, maar ook over de door Natura 2000 geboden mogelijkheden.

62. Grondeigenaren vinden Natura 2000 vaak moeilijk te begrijpen. Hoe kan die situatie worden verbeterd?

Alhoewel er in de habitatrichtlijn geen expliciete communicatieverplichtingen staan, heeft de Commissie benadrukt dat het belangrijk en nodig is om de doelstellingen van Natura 2000 te communiceren en uit te leggen aan het bredere publiek en met name aan de belanghebbenden die direct zijn verbonden met het gebied voor het beheer van de gebieden. De Commissie heeft nuttige richtsnoeren opgesteld over de algemene bepalingen van de vogel- en habitatrichtlijnen, en richtsnoeren die specifiek zijn bedoeld voor bepaalde economische sectoren (zie artikel 6 - sectorspecifieke richtsnoeren).

Er zijn meerdere instrumenten beschikbaar om het bewustzijn te versterken, advies te geven, lokale capaciteit voor het beheer van een Natura 2000-gebied op te bouwen en om een inspraakproces te ontwikkelen (zie ook vraag 34).

Natura 2000 in een bredere context van duurzame ontwikkeling

63. Hoe wordt in bredere plannen en beleidsmaatregelen op het gebied van ruimtelijke ordening en ontwikkeling rekening gehouden met de instandhoudingsvereisten van Natura 2000?

Bij de voorbereiding van bredere plannen en beleidsmaatregelen op het gebied van ruimtelijke ordening en ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de instandhoudingsvereisten van Natura 2000. Dit wordt meestal gedaan tijdens het opstellen van dergelijke plannen, door middel van raadpleging van de relevante autoriteiten die nuttige informatie kunnen verschaffen waarmee eventuele effecten op die instandhoudingsvereisten kunnen worden geanticipeerd en voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door een passende locatie voor de geplande activiteiten te kiezen, bijvoorbeeld door de meest gevoelige gebieden te vermijden.

Elk plan dat waarschijnlijk een significant effect heeft op een Natura 2000-gebied moet worden onderworpen aan een passende beoordeling van de potentiële effecten op de natuurlijke kenmerken van het gebied met het oog op de instandhoudingsdoelstellingen.

De strategische milieueffectbeoordeling vormt een hulpmiddel om de potentiële effecten op de instandhoudingsvereisten van Natura 2000-gebieden te beoordelen, voorkomen en mitigeren indien er naar behoren rekening wordt gehouden met de potentiële effecten op de gebieden en de bepalingen van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn inzake de passende beoordeling. (Zie ook vragen nr. 39 en 43.)

64. Wat zijn de raakvlakken tussen de habitat- en de vogelrichtlijn enerzijds en andere milieuwetgeving van de EU (KRW, MEB, SMEB, KRMS) anderzijds?

De vogel- en de habitatrichtlijn hebben meerdere raakvlakken met andere EU-milieuwetgeving die ook als doel heeft een goede ecologische toestand van zoetwater- en mariene ecosystemen te bewerkstelligen, zoals de kaderrichtlijn water (KRW) en de kaderrichtlijn mariene strategie (KRMS).

Zowel met de natuurrichtlijnen als met de KRW wordt beoogd gezonde aquatische ecosystemen te bewerkstelligen en tegelijkertijd een evenwicht te garanderen tussen de bescherming van water/natuur en het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Er zijn veel synergieën, aangezien de uitvoering van maatregelen in het kader van de KRW over het algemeen gunstig zal zijn voor de doelstellingen van de natuurrichtlijnen. Er is een reeks richtsnoeren opgesteld om de uitvoering van de vogel- en de habitatrichtlijn en die van de KRW in de hele Europese Unie te ondersteunen en harmoniseren. Er is een compilatie van de belangrijkste vragen over de verbanden tussen de water- en natuurwetgeving van de EU beschikbaar.

De natuurrichtlijnen houden ook duidelijk verband met de KRMS, in de zin dat zij zich allemaal bezighouden met aspecten van de instandhouding van biodiversiteit in het mariene milieu, met inbegrip van een vereiste om een goede toestand te bewerkstelligen voor de elementen van biodiversiteit die onder elke richtlijn vallen. Ook al zijn de begrippen "goede milieutoestand" (in de KRMS), "gunstige staat van instandhouding" (in de habitatrichtlijn) en "status van de populatie" (vogelrichtlijn) niet noodzakelijkerwijs gelijkwaardig, ze kunnen elkaar wel ondersteunen. De maatregelen die in het kader van de natuurrichtlijnen worden getroffen, kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bredere doelstellingen van de KRMS en vice versa. Er zijn veelgestelde vragen over het verband tussen de kaderrichtlijn mariene strategie en de natuurrichtlijnen beschikbaar.

Wat betreft de beoordeling van de effecten van plannen en projecten op Natura 2000, zijn er overeenkomsten en synergieën tussen de passende beoordeling (PB) de wordt uitgevoerd uit hoofde van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn en de beoordelingen die worden uitgevoerd uit hoofde van de richtlijnen inzake de milieueffectbeoordeling en de strategische milieueffectbeoordeling. Deze beoordelingen worden vaak samen uitgevoerd als onderdeel van een geïntegreerde procedure.

De PB moet echter expliciet worden gericht op de beschermde soorten en habitattypen van EU-belang binnen Natura 2000. Indien projecten of plannen worden onderworpen aan de MEB- en SMEB-richtlijnen, kan de beoordeling overeenkomstig artikel 6 deel uitmaken van deze beoordelingen, maar moet deze binnen een milieuverklaring wel duidelijk te onderscheiden en identificeren zijn. Zo niet, dan moet er apart over worden gerapporteerd. (Zie ook vraag 43.)

Verdere informatie:

Casestudies over synergieën tussen de KRW, KRMS en natuurrichtlijnen en "Startersgids".

65. Wat zijn de raakvlakken tussen de habitat- en de vogelrichtlijn enerzijds en ander EU-beleid (regionale ontwikkeling, GLB, GVB, vervoer, energie enz.) anderzijds?

De natuurrichtlijnen hebben verschillende raakvlakken met ander EU-beleid. In dit EU-beleid wordt rekening gehouden met de bepalingen inzake natuurbescherming die in de Europese Unie gelden en het ondersteunt de uitvoering ervan.

Met name in de EU-fondsen die de belangrijkste beleidslijnen van de EU ondersteunen (regionale ontwikkeling; cohesie; sociale, landbouw- en plattelandsontwikkeling; maritiem en visserijbeleid) zijn relevante doelstellingen en maatregelen geïntegreerd die de uitvoering en ontwikkeling van de habitat- en de vogelrichtlijn en het Natura 2000-netwerk ondersteunen.

Binnen het huidige financiële kader steunen de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) een aantal thematische doelstellingen, waaronder: bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen. Deze thematische doelstellingen worden omgezet in prioriteiten die specifiek zijn voor elk van de ESI-fondsen.

Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (Efro) en het Cohesiefonds (CF) hebben onder andere als investeringsprioriteit: het beschermen en herstellen van de biodiversiteit en de bodem en het bevorderen van ecosysteemdiensten, onder meer door Natura 2000 en groene infrastructuur.

Het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ondersteunt de bescherming en het herstel van aquatische biodiversiteit en ecosystemen en omvat meerdere maatregelen waarmee wordt beoogd bij te dragen aan de instandhouding van soorten en habitats die worden beschermd uit hoofde van de natuurrichtlijnen, en aan het beheer en herstel van en het toezicht op Natura 2000-gebieden.

Het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) heeft onder andere als prioriteit: herstel, instandhouding en verbetering van ecosystemen die verbonden zijn met de landbouw en de bosbouw, met bijzondere aandacht voor het herstellen, in stand houden en versterken van biodiversiteit, met inbegrip van Natura 2000-gebieden.

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) heeft een reeks bepalingen opgenomen om de biodiversiteit en natuurlijke ecosystemen te beschermen en versterken, waarnaar wordt verwezen met de term "vergroening". Een van de maatregelen bestaat uit het aanhouden van permanente graslanden en ecologisch gunstige elementen in "ecologische aandachtsgebieden".

Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) bevat ook een reeks maatregelen voor de instandhouding van mariene ecosystemen, waaronder specifieke bepalingen voor het vaststellen van maatregelen op het gebied van visserijbeheer voor Natura 2000-gebieden en andere mariene beschermde gebieden.

Wat betreft het vervoers- en energiebeleid worden de bepalingen inzake natuurbehoud in acht genomen op planningsniveau en met name bij de milieubeoordelingen van plannen en programma's. De Commissie heeft ook een specifieke leidraad gepubliceerd over de binnenvaart en Natura 2000 en over de ontwikkeling van windenergie en Natura 2000.

Er zijn ook richtsnoeren beschikbaar over landbouw, bosbouw en aquacultuur in Natura 2000 en over infrastructuur voor energietransmissie en Natura 2000 (zie artikel 6 - sectorspecifieke richtsnoeren op: https://ec.europa.eu/environment/nature/natura2000/management/guidance_en.htm)

66. Wat voor soort ecosysteemdiensten bieden de Natura 2000-gebieden de samenleving?

Het Natura 2000-netwerk biedt de samenleving en de economie voordelen in de vorm van de levering van verschillende ecosysteemdiensten. Het gaat hierbij onder andere om de levering van tastbare hulpbronnen zoals water en duurzaam geproduceerde gewassen en hout (bevoorradingsdiensten) en processen die de water- en luchtkwaliteit reguleren, natuurlijke gevaren als overstroming en bodemerosie voorkomen en klimaatverandering mitigeren door koolstof op te slaan en vast te leggen (regulerende diensten). Natura 2000-gebieden bieden ook culturele diensten, bijvoorbeeld door recreatie en toerisme te ondersteunen en de culturele identiteit en het plaatsbesef in stand te houden. Jaarlijks bezoeken naar schatting 1,2 tot 2,2 miljard mensen de Natura 2000-gebieden, wat per jaar tussen 5 tot 9 miljard euro aan inkomsten uit recreatieve activiteiten oplevert.

In recente studies die de Europese Commissie heeft laten uitvoeren, zijn schattingen gemaakt van de totale economische baten die voortvloeien uit Natura 2000. De waarde van de baten van het (terrestrische) Natura 2000-netwerk wordt - op basis van de opschaling van bestaande studies op gebiedsniveau en de waarde van de diensten die worden geleverd door de verschillende habitats - geschat op tussen 200 en 300 miljard EUR per jaar (2 tot 3 % van het bbp van de EU). Deze waarde moet worden gezien als een eerste, illustratieve schatting van de schaal van de jaarlijkse baten en niet als een robuust, exact resultaat.

In Europa zijn ongeveer 4,4 miljoen banen en jaarlijkse inkomsten van 405 miljard EUR rechtstreeks afhankelijk van de instandhouding van gezonde ecosystemen, waarvan een aanzienlijk deel binnen Natura 2000 valt. Alhoewel deze cijfers slechts een voorlopige raming zijn, tonen de voorlopige resultaten al aan dat de economische voordelen die voortvloeien uit het Natura 2000-netwerk zeer gunstig afsteken bij de met het beheer en de bescherming van deze belangrijke bron gemoeide kosten. Die kosten worden geschat op zo'n 5,8 miljard EUR/jaar, een fractie van de waarde van de voordelen voor de samenleving.

Door Natura 2000-gebieden te beschermen en instandhoudingsacties te vereisen, verbetert het netwerk de werking van ecosystemen, die op hun beurt weer voordelen voor de samenleving en economie opleveren.

Meer informatie:

Kosten en baten van Natura 2000
Sociaaleconomische baten van het mariene Natura 2000-netwerk

Right navigation