Contact  |  Zoeken   
Inleiding
Wetenschap & governance
Ethiek
Wetenschappelijk bewustzijn
Jeugd & wetenschap
Vrouwen & wetenschap
Actieprogramma
FP6 Calls
Wetenschap en Samenleving
Wetenschap en Samenleving Laatste updates Hoogtepunten Dokumente Links Contactgegevens Graphic element
 

3.3   Het gebruik van deskundigheid

Wij hebben deskundigen nodig om ons gerust te stellen, te waarschuwen en hun licht te laten schijnen over complexe en vaak controversiële actuele onderwerpen. Deskundigen helpen bij de probleemomschrijving, de beleidsvorming en het aanzwengelen van het openbaar debat over uiteenlopende onderwerpen, zoals klimaatverandering en genetisch gemodificeerde organismen.

De adviezen van deskundigen kunnen langs allerlei kanalen in een wetenschappelijk onderbouwde beleidsvorming worden verwerkt. Het goed gestructureerde systeem van wetenschappelijke comités, dat op communautair niveau tot stand is gebracht voor risicobeoordelingen op het gebied van de gezondheid van de consumenten en de voedselveiligheid, kwam reeds ter sprake in punt 3.2. Verder zijn er allerlei internationale en Europese mechanismen op beleidsgebieden zoals de luchtkwaliteit (1), de klimaatverandering en de visserij. Deze worden aangevuld door ad hoc regelingen, al naargelang de aard, de urgentie of de kennis van de te behandelen onderwerpen. Op nationaal niveau bestaan eveneens verschillende lagen en vormen van adviesstructuren.

Binnen dit kader kan een onderscheid worden gemaakt tussen collectieve, formele adviezen die worden uitgebracht door comités of adviesgroepen die door beleidsmakers zijn gemandateerd en ingesteld, en al dan niet gevraagde meningen of resultaten, zoals wetenschappelijke informatie, verstrekt door personen of organisaties die buiten officiële processen staan (maar die officiële adviesgroepen kunnen helpen om tot conclusies te komen).

Wetenschappelijk advies voor het gemeenschappelijk visserijbeleid

De belangrijkste doelstelling van het gemeenschappelijk visserijbeleid is de bevordering van een duurzame en verantwoordelijke exploitatie van de visbestanden binnen en buiten de communautaire wateren. Om regelgeving te ontwikkelen in het licht van de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen, steunt de Commissie op de Internationale Raad voor het onderzoek der zee (ICES), die verantwoordelijk is voor het verzamelen en analyseren van biologische gegevens over de visvoorraden in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan.

Het advies van het ICES-comité voor het beheer van de visstand wordt vervolgens besproken door het eigen wetenschappelijk, technisch en economisch comité voor de visserij van de Commissie. Op basis daarvan stelt de Commissie haar voorstellen voor regelgeving op, die vervolgens worden voorgelegd aan een afzonderlijk adviescomité dat de standpunten van de belanghebbende groeperingen vertegenwoordigt (visserijsector, consumenten, NGO's, enz.).

Tegen deze achtergrond kan niettemin de tendens worden geconstateerd dat het inschakelen van deskundigen op weerstand en wantrouwen stuit.

Ten eerste wordt wetenschap vaak gezien als een activiteit waarin zekerheid en harde feiten centraal staan, terwijl dat in de praktijk zelden het geval is, en zeker niet bij zeer geavanceerd onderzoek. Wetenschappers zijn van nature voorzichtig, en hun adviezen zijn dan ook vaak verpakt in allerlei voorbehouden. Bovendien bestaan er meerdere wetenschappelijke stromingen, en vaak worden ook dissidente stemmen gehoord die tegen de heersende opvattingen ingaan. Als deskundigen niet met eenvoudige antwoorden op ogenschijnlijk simpele vragen komen, kan frustratie of zelfs wanhoop ontstaan. De conclusie ligt dan voor de hand: “Zelfs de deskundigen weten niet waar ze over praten!”. Daarom moet er een coherentere “interface” komen tussen de verstrekkers en de ontvangers van advies, met wederzijds begrip en duidelijke communicatie tussen deze twee.

Ten tweede vinden de beleidsmakers op alle niveaus het niet altijd gemakkelijk om in de uiteenlopende wetenschappelijke culturen en de veelheid aan gespecialiseerde kenniscentra in Europa de juiste bronnen aan te boren. In het ergste geval laden ze de schijn op zich dat ze alleen maar “tamme” deskundigen raadplegen, die erom bekend staan voorgebakken beleidsbeslissingen te ondersteunen. Er moet een systematischer en opener benadering op nationaal en Europees niveau komen voor het identificeren van de beste deskundigheid op het juiste moment.

Ten derde kan advies onrealistisch blijken te zijn als het publiek en de belanghebbenden zijn buitengesloten en niet of nauwelijks mogelijkheden hebben om een bijdrage aan het debat te leveren en om de deskundigen en hun adviezen kritisch te benaderen. Het gehele proces moet worden geopend door mogelijkheden te scheppen voor het uiten van alternatieve standpunten (“een wedstrijd van ideeën”), en voor kritisch onderzoek en constructieve discussie. De ervaring leert dat, wanneer wetenschappelijke netwerken verbanden aangaan met nationale regelgevers, vertegenwoordigers van de diverse belangengroeperingen, inclusief de civiele maatschappij, en werken volgens transparante procedures, mogelijke conflicten over bepaalde punten grotendeels worden voorkomen en de aanvaarding van de latere regelgeving wordt vergemakkelijkt (2).

Het doel is dan ook niet alleen om een gevoel van vertrouwen te wekken maar ook om een robuuster beleid te ontwikkelen.

Zoals gezegd heeft de Commissie op deze problemen gereageerd door haar wetenschappelijke comités op het gebied van de gezondheid van de consument en de voedselveiligheid nieuw leven in te blazen en door het plan voor de binnenkort op te richten Europese Voedselautoriteit.

De Commissie is voornemens goede praktijken te verspreiden en haar voordeel te doen met de lessen die zijn opgedaan in de verschillende beleidssectoren. Er kan bijvoorbeeld veel worden gedaan om systematischer en goed toegankelijke informatie voor het publiek te verstrekken over het mandaat, het lidmaatschap, het overleg of de aanbevelingen van deze verschillende structuren op alle beleidsgebieden (studie over transparantie en openheid in wetenschappelijke adviescomités: STOA, Europees Parlement, oktober 1998, EP 167 327/ Fin. St.). In dit verband zou een centraal punt waar deze gegevens worden samengebracht nuttig zijn voor het publiek.

Bij de ontwikkeling en de uitvoering van de hierna volgende maatregelen zal de Commissie de dialoog met de overheden van de lidstaten, adviesorganen en andere actoren continueren en intensiveren.

Richtsnoeren voor het gebruik van deskundigheid op communautair niveau

In het Witboek over Europese governance werd gewezen op de behoefte aan richtsnoeren betreffende het gebruik van deskundigheid (dit vloeit voort uit de voorbereidende werkzaamheden op het gebied van deskundigheid: Democratising expertise and establishing scientific reference systems (groep 1b), Europese Commissie, juli 2001). Deze richtsnoeren, die door een interdepartementale werkgroep worden uitgewerkt, zullen vanaf juni 2002 worden gepubliceerd. Zij vormen een aanvulling op andere maatregelen in het kader van het Witboek, zoals de minimumnormen voor de raadpleging van de civiele maatschappij. Voortbouwend op de bestaande praktijken en ervaringen, worden in de richtsnoeren de centrale beginselen neergelegd, met name voor een grotere openheid en verantwoordingsplicht bij het gebruik van deskundigheid bij wetenschappelijk onderbouwde beleidsontwikkeling. Het belangrijkste doel is het creëren en bewaren van het vertrouwen van iedereen die bij het proces betrokken kan raken of erop aangewezen is. De richtsnoeren moeten bijvoorbeeld ingaan op de aanwezigheid van publiek bij deskundigenvergaderingen, publicatie en kritisch onderzoek van adviezen, en de wijze waarop de Commissie uitlegt hoe in verdere beleidsvoorstellen rekening is gehouden met het uitgebrachte advies. Tevens moeten ze een verbreding van de deskundigheidsbasis mogelijk maken door het gebruik van multidisciplinaire en multisectorale knowhow aan te moedigen, en door het suggereren van mechanismen ter bevordering van de betrokkenheid van het publiek, de belanghebbenden en de georganiseerde civiele maatschappij.

Actie 36

Voor de eigen praktijk van de Commissie bij het selecteren en het gebruiken van deskundigheid voor beleidsvorming, zal een reeks richtsnoeren worden opgesteld. Deze kunnen vervolgens de basis vormen van een voorstel inzake een gemeenschappelijke benadering voor andere instellingen en de lidstaten, en uiteindelijk ook de nieuwe lidstaten. Door samenwerking met lidstaten in een netwerk, workshops en andere dialoog- en uitwisselingsmechanismen, kunnen ervaringen worden gedeeld en beste praktijken worden verspreid.

Verbetering van de wetenschappelijke ondersteuning van beleidsmakers

De Commissie zal verder werken aan de ontwikkeling van verbeterde mechanismen voor wetenschappelijke ondersteuning ten behoeve van beleidsmakers.

Deze mechanismen moeten het volledige spectrum van de in Europa aanwezige deskundigheid ten volle benutten. Ze zijn bedoeld om de wetenschappelijke ondersteuning van de beleidsvorming, in het verlengde van de uitvoering van formele regelgevingsprocedures, te verbeteren. Waar nodig kunnen ze gebaseerd zijn op netwerken van onderzoekers, zoals die in het kader van de OTO-kaderprogramma’s, inclusief het GCO. Dergelijke netwerken moeten de communicatie tussen wetenschappers onderling en wetenschappers en beleidsmakers vergemakkelijken. Ze zouden in overeenstemming met de bovengenoemde richtsnoeren moeten functioneren, in het bijzonder wat betreft de noodzakelijke onafhankelijkheid, transparantie en de breedte van de knowhow, maar er zullen diverse modellen nodig zijn om tegemoet te komen aan de behoefte van de verschillende sectoren en tijdpaden. Op dit moment kunnen twee modellen worden aangegeven:

Het eerste model is een combinatie van een netwerk van bronnen van wetenschappelijke informatie met een database van eerder bereikte wetenschappelijke conclusies over onderwerpen van openbaar belang. De Commissie kan gebruikmaken van een dergelijk instrument om informatie te verkrijgen over specifieke beleidsgerelateerde vragen. Op langere termijn kan dit instrument beschikbaar worden gesteld aan andere beleidsvormende instanties en aan burgers en de civiele maatschappij.

Actie 37

Er zal een proefstudie worden uitgevoerd naar de totstandbrenging van een open op internet gebaseerd netwerk van wetenschappers en organisaties die zich bezighouden met wetenschappelijke vraagstukken: SINAPSE (Scientific Information for Policy Support in Europe).

Het tweede model gaat uit van organisaties of netwerken die gevalideerde gegevens, geharmoniseerde informatie of ondersteuning voor beleidsvorming kunnen leveren. Dergelijke gemeenschappelijke Europese wetenschappelijke referentiesystemen (European Common Scientific Rreference Systems - ECSRS) zouden een ondersteunende rol kunnen spelen bij probleemomschrijving, beleidsvorming of implementatie op lange termijn van regelgeving. Bij de totstandbrenging van zulke ECSRS zal het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek als katalysator fungeren op de kerngebieden van zijn deskundigheid.

Actie 38

De Commissie zal een blauwdruk voor gemeenschappelijke Europese wetenschappelijke referentiesystemen (ECSRS) publiceren met een beschrijving van hun taakgebieden en functie, tezamen met uitvoeringsvoorstellen waarin rekening wordt gehouden met zaken als kwaliteitsborging en de relaties met internationale systemen. Door een inventarisatie van de deskundigheidsbronnen die momenteel worden gebruikt, kunnen ECSRS-prototypen die gespecialiseerd zijn in prioritaire thema’s, worden aangewezen. De verdere utvoering zal worden ondersteund uit hoofde van het volgende kaderprogramma (2002-2006).

Beide modellen zullen bovendien voorzien in een kanaal waarlangs individuele wetenschappers in een vroeg stadium nieuwe ontwikkelingen en thema’s onder de aandacht kunnen brengen. Deze vorm van “verkennen van de horizon” kan aanvullend onderzoek op gang brengen om de eerdere resultaten te bevestigen of te weerleggen, en om informatie vooraf te verstrekken bij officiële risicobeoordelingen en risicobeheersingsmechanismen, voor zover deze in de betrokken sector reeds bestaan. De netwerken kunnen ook een snelle mobilisering van deskundigheid vergemakkelijken (zoals de “scientific help desk”), als antwoord op plotselinge of onverwachte behoeften, bijvoorbeeld in verband met bioterrorisme.


(1) De Commissie heeft onlangs het programma “Air pur pour l'Europe” (CAFE) gelanceerd, in het kader waarvan een geïntegreerde langetermijnstrategie moet worden uitgewerkt voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de gevolgen van atmosferische verontreiniging. Het programma is met name gericht op de coördinatie van de productie, het verzamelen en het valideren van de nodige wetenschappelijke en technische informatie voor het uitstippelen van beleid op dit gebied.

(2) Enkele netwerken die het GCO heeft opgezet op verzoek van de lidstaten, zoals het netwerk van GMO-laboratoria of het netwerk op het gebied van geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zijn goede voorbeelden van dit soort interactie.

 

<< vorige
terug naar index
volgende >>
 
Line
     
Laatste updates | Hoogtepunten | Documenten | Links | Contactgegevens bovenkant pagina