Language selector

 
left
  slide
right
transtrans
 

es da de el en fr it nl pt fi sv

Voedselveiligheid

BSE

Brussel, 2 april 2001

BSE: De situatie in derde landen - Vragen en antwoorden

Hoe zit het op dit moment met het BSE-risico van rundvlees en rundvleesproducten uit derde landen?

Behalve in Zwitserland zijn er in landen buiten de EU geen inheemse BSE-gevallen geconstateerd. Wel heeft de wetenschappelijke stuurgroep (WS) geconcludeerd dat er een risico kan bestaan in verband met factoren als de vroegere invoer van levende runderen en vleesbeendermeel uit het Verenigd Koninkrijk of andere landen waar BSE heerst, het voeren van vleesbeendermeel van zoogdieren aan herkauwers, de wijze van destructie van dierlijke bijproducten, de bewaking en bewustmaking ten aanzien van BSE, enz. Daarom heeft de Commissie besloten dat de bescherming van de Europese consumenten wat ingevoerde producten betreft op hetzelfde peil moet staan als bij producten uit de EU het geval is.

Waarom beperkt de EU de invoer uit derde landen?

Deze beperkingen zijn nodig omdat volgens de WHO/FAO in bepaalde derde landen BSE kan voorkomen, een opvatting die door de wetenschappelijke stuurgroep van de Commissie wordt gedeeld. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat voor de invoer van vlees en vleesproducten uit derde landen dezelfde beschermingsmaatregelen gelden als voor producten die uit de EU afkomstig zijn. Op dit moment moet gespecificeerd risicomateriaal (SRM) in alle lidstaten worden verwijderd en vernietigd, ook in lidstaten waar het volgens de wetenschappelijke stuurgroep onwaarschijnlijk is dat er BSE voorkomt.

Welke gevolgen heeft dit voorstel voor de volksgezondheid?

Het voorstel biedt een extra beveiliging tegen BSE. Momenteel zijn er geen communautaire maatregelen om de invoer uit derde landen van gespecificeerd risicomateriaal of vleesproducten die dergelijk materiaal bevatten te verbieden. Vanaf 1 april 2001 wordt die invoer verboden, behalve uit landen waar volgens de wetenschappelijke stuurgroep BSE hoogst onwaarschijnlijk is.

Is dit voorstel protectionistisch?

Nee, het staat in verhouding tot het nagestreefde doel en is niet discriminerend. De wetenschappelijke stuurgroep heeft de risicostatus van derde landen geëvalueerd net zoals zij dat met de lidstaten van de EU heeft gedaan. De risicostatus is de enige factor die bepaalt welke bescherming tegen SRM nodig is. Van tien landen wordt aangenomen dat BSE er hoogst onwaarschijnlijk is en voor die landen gelden geen beperkingen. Geen van de lidstaten is als zodanig ingedeeld. De beschikking van de Commissie om gespecificeerd risicomateriaal te verwijderen is voor het eerst in juli 1997 bij de WTO gemeld; daarop werd van verscheidene kanten commentaar ontvangen, maar om een aantal redenen is die beschikking nooit in werking getreden. Ook de beschikking van juni 2000 is aangemeld en daarop is geen commentaar van derde landen gekomen.

Wel blijft de EU de wetenschappelijke ontwikkelingen nauwgezet volgen, zodat nieuwe aanwijzingen altijd geëvalueerd zullen worden.

Worden er klachten van derde landen verwacht?

Nieuwe voorschriften brengen natuurlijk kosten met zich mee. De wetenschappelijke stuurgroep heeft echter in alle transparantie een zorgvuldige risico-evaluatie uitgevoerd op basis van informatie die door de bevoegde autoriteiten van de betrokken landen was verstrekt, en ook is de maatregel niet onevenredig en niet discriminerend, zodat eventuele klachten geen steek houden. De regelgeving maakt trouwens een uitzondering voor derde landen die onder categorie I (BSE onwaarschijnlijk) van de geografische risico-evaluatie van de WS vallen.

Wat zijn de gevolgen voor de handel?

De handel in runderkarkassen kan gewoon doorgaan aangezien bepaald is dat de wervelkolom (die als SRM wordt aangemerkt) in de EU verwijderd mag worden in plaats van vóór de uitvoer uit het derde land. Wel moeten de derde landen ervoor zorgen dat bij het slachten van de dieren geen technieken gebruikt worden die in de EU verboden zijn. Overigens is het meeste rundvlees dat wordt verhandeld ontbeend en dat ondervindt geen gevolgen.

Weten de derde landen wat de gevolgen van deze beschikking zijn?

Beschikking 418/2000 van de Commissie, die de invoer van SRM uit derde landen verbiedt, is in juni 2000 goedgekeurd. Deze beschikking is zoals te doen gebruikelijk aan de WTO gemeld, maar de handelspartners van de EU hebben er geen commentaar op geleverd. Verder heeft de Commissie de derde landen die vergunning hebben om de betrokken producten naar de EU te exporteren in 1998 verzocht om dossiers in te dienen over hun epidemiologische BSE-status. Ook zijn er tal van contacten met derde landen geweest om hen op het standpunt van de Gemeenschap ten aanzien van BSE en de gevolgen daarvan voor de invoer te wijzen.

Hoe is de risico-evaluatie van de Commissie tot stand gekomen?

De wetenschappelijke stuurgroep heeft op initiatief van de Commissie een geografische risico-evaluatie uitgevoerd met betrekking tot de BSE-situatie in de lidstaten en in derde landen. De evaluatiemethodiek, waaraan meer dan twee jaar is gewerkt, is in december 1998 voor het eerst op internet openbaar gemaakt. De evaluatie was gebaseerd op dossiers die de betrokken landen hadden ingediend ingevolge een aanbeveling van de Commissie van 1998 waarin was aangegeven welke gegevens voor die evaluatie nodig waren. Deze gegevens hadden in het bijzonder betrekking op de invoer van runderen en vleesbeendermeel uit het Verenigd Koninkrijk en andere landen waar BSE heerst, de normen voor de destructie van dierlijke bijproducten, het gebruik van gespecificeerd risicomateriaal, het gebruik van vleesbeendermeel als voer voor herkauwers, enz.

Wat zijn de verschillende risicocategorieën?

De wetenschappelijke stuurgroep onderscheidt vier categorieën:

categorie I BSE hoogst onwaarschijnlijk

categorie II BSE onwaarschijnlijk maar niet uitgesloten

categorie III BSE waarschijnlijk maar niet bevestigd, of op kleine schaal bevestigd

categorie IV BSE op grotere schaal bevestigd.

Wat doet het ertoe in welke categorie een derde land is ingedeeld?

In de hier beschouwde beschikking worden slechts twee categorieën onderscheiden: landen waar BSE onwaarschijnlijk is (categorie I) en die daardoor kunnen worden vrijgesteld van de verplichting om te garanderen dat het vlees vrij van gespecificeerd risicomateriaal is, en andere landen waar BSE aanwezig is of niet kan worden uitgesloten. Dezelfde criteria zijn toegepast op de lidstaten van de EU, die allemaal in de categorieën II tot en met IV vallen en dus verplicht zijn om gespecificeerd risicomateriaal te verwijderen.

Is de geografische risicostatus van een land een indicator voor de veiligheid van rundvlees?

Nee. Al het rundvlees dat op de markt komt moet veilig zijn, ongeacht de geografische risico-evaluatie van het land waar het geproduceerd is. Dit vereist een reeks beschermende maatregelen, met name de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal en actieve bewaking om te voorkomen dat BSE-gevallen in de voedselketen terechtkomen. Deze maatregelen kunnen soms strenger zijn al naar de risicostatus van het land in kwestie. Zo hoeven landen in categorie I gespecificeerd risicomateriaal niet te verwijderen, terwijl dat bij de overige risicocategorieën wel het geval is.

Bestaan er vergelijkbare internationale risicoclassificaties?

Het Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE) werkt al enige tijd aan een BSE-classificatie en heeft vijf categorieën vastgesteld, die sterk overeenkomen met het systeem van de wetenschappelijke stuurgroep. Het zal echter nog wel even duren voordat het OIE afzonderlijke landen in risicocategorieën gaat indelen. Daarom heeft de Commissie haar eigen systeem opgezet aan de hand van wetenschappelijke risico-evaluatieprincipes die door de WS zijn opgesteld. De Commissie is van plan haar systeem aan dat van het OIE aan te passen wanneer haar voorstel voor een verordening inzake overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) door de Raad en het Europees Parlement is goedgekeurd.

Is er voor consumenten in derde landen reden om aan de veiligheid van hun rundvlees te twijfelen?

Het is niet aan de Commissie om zich over de veiligheid van rundvlees in derde landen uit te spreken. Hoewel er buiten de EU afgezien van Zwitserland geen inheemse BSE-gevallen geconstateerd zijn, kan de risico-evaluatie van de WS voor de volksgezondheidsautoriteiten in derde landen van groot nut zijn bij het uitwerken van hun eigen strategieën ten aanzien van BSE. Zo hebben al veel derde landen maatregelen getroffen die ook in de EU gelden, zoals een verbod op het voeren van vleesbeendermeel van zoogdieren aan herkauwers, het testen van runderen op BSE, intensievere bewaking en voorlichting inzake BSE. Opgemerkt moet overigens worden dat nog nooit geconstateerd is dat de ziekte via het vlees wordt overgebracht. De gevaarlijke weefsels zijn het zogeheten gespecificeerd risicomateriaal, met name de hersenen en het ruggenmerg van oudere dieren.

Top

BSE
VOEDSELVEILIGHEID | VOLKSGEZONDHEID | CONSUMENTENZAKEN | DIRECTORAAT-GENERAAL GEZONDHEIDS-EN CONSUMENTENBESCHERMING

 
lefttranspright

 

  Print  
Public HealthFood SafetyConsumer Affairs