Visserij

INSEPARABLE - Eat, Buy and Sell Sustainable FishINSEPARABLE - Eat, Buy and Sell Sustainable FishINSEPARABLE - Eat, Buy and Sell Sustainable FishINSEPARABLE - Eat, Buy and Sell Sustainable Fish

Zoeken
Links
Nieuws
In response to the concerns raised by several citizens about animal welfare in fish farming, the European Commission would like to clarify that the health and welfare of farmed fish is important for EU aquaculture.
One of the world's fastest growing food sectors, aquaculture accounts for about half of the fish eaten worldwide every year.
Fish farming is healthy and can help tackle overfishing and protect wild fish stocks. That is the message to be delivered today by European Commissioner for Maritime Affairs and Fisheries, Maria Damanaki, at a specially organised event at the Seafood Expo Global held in Brussels.

Aquacultuurtechnieken

Er bestaan in Europa vele vormen van aquacultuur die van elkaar te onderscheiden zijn door de onderlinge tegenstellingen die zij vertonen: extensief of intensief, in de natuur of in bassins, in zoet water of zeewater, met continue doorstroming of recirculatie, traditioneel of modern, klassiek of organisch, beschut of in open water enz.Op basis van deze dichotomieën zijn alle nuances en alle combinaties mogelijk. Voor de presentatie van de verschillende vormen is het het eenvoudigst om simpelweg de historische ontwikkeling van de Europese aquacultuur te volgen.

Infoblad pdf - 725 KB [725 KB] български (bg) čeština (cs) dansk (da) Deutsch (de) eesti keel (et) ελληνικά (el) English (en) español (es) français (fr) Gaeilge (ga) italiano (it) latviešu valoda (lv) lietuvių kalba (lt) magyar (hu) Malti (mt) polski (pl) português (pt) română (ro) slovenčina (sk) slovenščina (sl) suomi (fi) svenska (sv)

Extensieve aquacultuur

De eerste vorm van aquacultuur die werd beoefend bestond erin om wilde waterdieren te strikken in lagunes, vijvers of ondiepe meertjes, zodat ze op elk moment beschikbaar waren.
Karperteelt in Tsjechië. © Zbynek Mejta

Deze kweekwijze dateert al van de neolithische periode, toen de mens de natuurlijke hulpbronnen begon te beïnvloeden, wat in Europa zo’n 4 000 jaar vóór onze jaartelling gebeurde. Deze minimalistische praktijk bestaat tegenwoordig niet meer in Europa, want alle kweektechnieken houden wel enige vorm van technische interactie met het milieu of het dier in.

De tweede etappe in de evolutie van de aquacultuur vangt aan wanneer we niet langer alleen op de natuur rekenen maar het watermilieu zo inrichten dat de populaties vissen, weekdieren en/of schaaldieren beter tot ontwikkeling kunnen komen. De meest geraffineerde vorm van deze aquacultuur is de karperteelt in vijvers in China, waarvan een spoor is gevonden in de beroemde Verhandeling van Fan-Li uit de 5de eeuw voor Christus.

En in Europa? De Romeinen hielden al oesters en legden zich toe op het afmesten van vissen in speciaal daarvoor aangelegde visvijvers. Maar pas in de Middeleeuwen verschenen echte technieken voor de visteelt in vijvers, vooral in de kloosters, waar men behoefte had aan mager voedsel voor de vele vastendagen die door het christelijk geloof werden opgelegd. In het zuiden van Europa dateert de visteelt in brak water uit dezelfde tijd, toen men de lagunes en de kustvijvers zo begon in te richten dat de vissen die op de stroming meedreven, zoals zeebaarzen, zeebrasems en harders, daar konden worden gehouden. Vaak werd deze visteelt afwisselend met de zoutwinning beoefend.

Deze van eeuwenoude praktijken afgeleide vormen van aquacultuur bestaan ook nu nog in Europa. Dit is bijvoorbeeld het geval met de traditionele extensieve visteelt, die wordt beoefend van Lapland tot Sicilië en van Kerry tot Thracië. Deze bestaat erin de vijvers (natuurlijke of kunstmatige) en lagunes zo te onderhouden dat de ontwikkeling van waterfauna daar beter tot ontwikkeling komt. Elke winter wordt het water gezuiverd en met meststoffen behandeld om de waterbeplanting te stimuleren en op die manier de aanwezigheid van micro-organismen, week- en schaaldiertjes, larven en wormen te bevorderen die in het water de basis van de voedselpiramide vormen. Dit komt uiteindelijk ook de ontwikkeling van „commerciële” dieren ten goede, die zo een beter rendement hebben dan in het natuurlijke ecosysteem.

In de zoetwaterteelt zijn de soorten die op deze manier worden geproduceerd, al naargelang de regio’s, de beekforel, houting, riddervis, paling, snoekbaars, snoek en verschillende soorten karpers, dwergmeervallen, steuren, rivierkreeftjes en kikkers. In het verleden leidde deze activiteit tot de introductie van talrijke uitheemse soorten in het Europese ecosysteem, zoals de regenboogforel, bronforel, karper en verschillende soorten kikkers en rivierkreeftjes. In brak water leveren de lagunes en kustvijvers, naargelang van hun geografische ligging, zeebaarzen, palingen en verschillende soorten zeebrasems, harders, steuren, garnalen en schelpdieren.





Karperteelt in Tsjechië. © Zbynek Mejta

Deze kweekwijze dateert al van de neolithische periode, toen de mens de natuurlijke hulpbronnen begon te beïnvloeden, wat in Europa zo’n 4 000 jaar vóór onze jaartelling gebeurde. Deze minimalistische praktijk bestaat tegenwoordig niet meer in Europa, want alle kweektechnieken houden wel enige vorm van technische interactie met het milieu of het dier in.

De tweede etappe in de evolutie van de aquacultuur vangt aan wanneer we niet langer alleen op de natuur rekenen maar het watermilieu zo inrichten dat de populaties vissen, weekdieren en/of schaaldieren beter tot ontwikkeling kunnen komen. De meest geraffineerde vorm van deze aquacultuur is de karperteelt in vijvers in China, waarvan een spoor is gevonden in de beroemde Verhandeling van Fan-Li uit de 5de eeuw voor Christus.

En in Europa? De Romeinen hielden al oesters en legden zich toe op het afmesten van vissen in speciaal daarvoor aangelegde visvijvers. Maar pas in de Middeleeuwen verschenen echte technieken voor de visteelt in vijvers, vooral in de kloosters, waar men behoefte had aan mager voedsel voor de vele vastendagen die door het christelijk geloof werden opgelegd. In het zuiden van Europa dateert de visteelt in brak water uit dezelfde tijd, toen men de lagunes en de kustvijvers zo begon in te richten dat de vissen die op de stroming meedreven, zoals zeebaarzen, zeebrasems en harders, daar konden worden gehouden. Vaak werd deze visteelt afwisselend met de zoutwinning beoefend.

Deze van eeuwenoude praktijken afgeleide vormen van aquacultuur bestaan ook nu nog in Europa. Dit is bijvoorbeeld het geval met de traditionele extensieve visteelt, die wordt beoefend van Lapland tot Sicilië en van Kerry tot Thracië. Deze bestaat erin de vijvers (natuurlijke of kunstmatige) en lagunes zo te onderhouden dat de ontwikkeling van waterfauna daar beter tot ontwikkeling komt. Elke winter wordt het water gezuiverd en met meststoffen behandeld om de waterbeplanting te stimuleren en op die manier de aanwezigheid van micro-organismen, week- en schaaldiertjes, larven en wormen te bevorderen die in het water de basis van de voedselpiramide vormen. Dit komt uiteindelijk ook de ontwikkeling van „commerciële” dieren ten goede, die zo een beter rendement hebben dan in het natuurlijke ecosysteem.

In de zoetwaterteelt zijn de soorten die op deze manier worden geproduceerd, al naargelang de regio’s, de beekforel, houting, riddervis, paling, snoekbaars, snoek en verschillende soorten karpers, dwergmeervallen, steuren, rivierkreeftjes en kikkers. In het verleden leidde deze activiteit tot de introductie van talrijke uitheemse soorten in het Europese ecosysteem, zoals de regenboogforel, bronforel, karper en verschillende soorten kikkers en rivierkreeftjes. In brak water leveren de lagunes en kustvijvers, naargelang van hun geografische ligging, zeebaarzen, palingen en verschillende soorten zeebrasems, harders, steuren, garnalen en schelpdieren.





Schelpdierenteelt

De schelpdierenteelt blijft een extensieve kweekactiviteit. Deze teelt steunt voor het merendeel op in de natuur geboren exemplaren en op door de natuur geleverde voedingstoffen, zonder enige andere input.
Mosselteelt in Ierland. © Lionel Flageul

Dankzij een diepgaande verfijning van het proces en de technieken wordt optimaal profijt getrokken uit alles wat de natuur te bieden heeft. In Europa maken de oester- en de mosselteelt 90 % van de schelpdierenproductie uit. Het gaat hier om zeer oude kweektechnieken die terug gaan tot in de Oudheid.

De oesterteelt kan inmiddels een traditionele activiteit worden genoemd in een aantal landen van de EU, zoals Frankrijk (90% van de EU-productie) en Nederland. In andere landen is de oesterteelt recenter, zoals in Ierland. De verschillende kweekmethoden zijn gebaseerd op traditionele methoden. Er worden twee soorten in Europa gekweekt: de Europese platte oester (Ostrea edulis) en de Japanse oester (Crassostrea gigas), de meest gebruikelijke. Het duurt drie tot vier jaar voordat oesters hun commerciële grootte bereiken.

De mosselteelt legt zich eveneens toe op twee soorten, naargelang van het productiegebied: de gewone mossel (Mytilus edulis), die kleiner is, in het noorden, en de dikkere Middellandse-Zeemossel (Mytilus galloprovincialis), ook wel Spaanse mossel genoemd, in het zuiden. De kweekmethoden variëren naargelang van de soorten en regio’s.

Maar er worden in Europa ook nog andere soorten schelpdieren gekweekt, zoals venusschelpen, kokkels, mediterrane Sint-Jacobsschelpen en zeeoren.

De teelt van venusschelpen (gewone tapijtschelpen of Japanse tapijtschelpen) is een stuk recenter. Deze teeltvorm dateert uit de jaren ’80, toen de strand- en de korvisserij niet langer gewaardeerd werden omdat de bestanden moesten worden beschermd. Voortplanting gebeurt op natuurlijke wijze op de productiesites of langs gecontroleerde weg in de broedbanken. Het zaad groeit in bakken onderin bassins vol zeewater of rechtstreeks op kweekpercelen. Na 3 maanden worden de jonge venusschelpen uitgezaaid op het getijdengebied (Normandië, Bretagne, Cantabrië, Galicië) of in lagunes (Poitou-Charentes, Emilia-Romagna, Venetië), en twee jaar later opgevist. Het merendeel van de Europese productie vindt plaats in Italië.





Mosselteelt in Ierland. © Lionel Flageul

Dankzij een diepgaande verfijning van het proces en de technieken wordt optimaal profijt getrokken uit alles wat de natuur te bieden heeft. In Europa maken de oester- en de mosselteelt 90 % van de schelpdierenproductie uit. Het gaat hier om zeer oude kweektechnieken die terug gaan tot in de Oudheid.

De oesterteelt kan inmiddels een traditionele activiteit worden genoemd in een aantal landen van de EU, zoals Frankrijk (90% van de EU-productie) en Nederland. In andere landen is de oesterteelt recenter, zoals in Ierland. De verschillende kweekmethoden zijn gebaseerd op traditionele methoden. Er worden twee soorten in Europa gekweekt: de Europese platte oester (Ostrea edulis) en de Japanse oester (Crassostrea gigas), de meest gebruikelijke. Het duurt drie tot vier jaar voordat oesters hun commerciële grootte bereiken.

De mosselteelt legt zich eveneens toe op twee soorten, naargelang van het productiegebied: de gewone mossel (Mytilus edulis), die kleiner is, in het noorden, en de dikkere Middellandse-Zeemossel (Mytilus galloprovincialis), ook wel Spaanse mossel genoemd, in het zuiden. De kweekmethoden variëren naargelang van de soorten en regio’s.

Maar er worden in Europa ook nog andere soorten schelpdieren gekweekt, zoals venusschelpen, kokkels, mediterrane Sint-Jacobsschelpen en zeeoren.

De teelt van venusschelpen (gewone tapijtschelpen of Japanse tapijtschelpen) is een stuk recenter. Deze teeltvorm dateert uit de jaren ’80, toen de strand- en de korvisserij niet langer gewaardeerd werden omdat de bestanden moesten worden beschermd. Voortplanting gebeurt op natuurlijke wijze op de productiesites of langs gecontroleerde weg in de broedbanken. Het zaad groeit in bakken onderin bassins vol zeewater of rechtstreeks op kweekpercelen. Na 3 maanden worden de jonge venusschelpen uitgezaaid op het getijdengebied (Normandië, Bretagne, Cantabrië, Galicië) of in lagunes (Poitou-Charentes, Emilia-Romagna, Venetië), en twee jaar later opgevist. Het merendeel van de Europese productie vindt plaats in Italië.





Semi-extensieve aquacultuur

De traditionele gemengde teelt in vijvers en lagunes evolueert steeds vaker naar meer georganiseerde productiewijzen, die gekwalificeerd worden als semi-extensieve aquacultuur.

Drijvende kooien in Cyprus. © Lionel Flageul

De producenten stellen zich niet langer tevreden met het stimuleren van de natuurlijke ontwikkeling van de vijver of lagune, maar steken de natuur de helpende hand toe door in de broedbank geboren pootvissen te introduceren en voedingscomplementen te verstrekken. Het meest illustratieve voorbeeld is de karperteelt in vijvers, die wijdverbreid is in de Midden-Europese landen. Maar ook de aquacultuur in brak water in Zuid-Europa maakt steeds vaker gebruik van broedbanken en industriële voeding, waarmee de daling in natuurlijke aanwas gecompenseerd wordt. Voor de Italiaanse kweek in lagunes, in de delta’s van de Po en de Adige, worden pootvisjes van zeebaars en zeebrasem uitgezet, omdat deze soorten in de natuur steeds zeldzamer zijn geworden. Ook wordt zo het verdwijnen van de paling gecompenseerd. In de Spaanse esteros en ook in Portugal konden dankzij deze praktijk nieuwe soorten zoals de tarbot, de tong en de Senegalese tong worden onderzocht.

Om helemaal compleet te zijn, moeten we ook de kweek in visvijvers, in drijvende kooien op zee of in bassins op het land niet vergeten. Deze praktijk hangt samen met de visserij. Zo kunnen gevangen dieren worden bewaard en afgemest voor latere verkoop. Deze methoden worden vooral gebruikt voor dieren die hun smaakkwaliteit verliezen bij de klassieke conserveringsmethoden zoals wecken, sterilisatie of bevriezing. Het bekendste voorbeeld is dat van de grote schaaldieren zoals de kreeft, de langoest en de Noordzeekrab, die in het voorjaar gevangen moeten worden, maar traditioneel geconsumeerd worden tijdens de eindejaarsfeesten, in de winter. Een ander, polemischer voorbeeld is het „afmesten van tonijn” in drijvende kooien. Deze praktijk deed zijn intrede voor het eerst in de jaren ’90 in de Middellandse Zee. In dit geval gaat het er zuiver om, om de tijdens het vangstseizoen in het voorjaar gevangen exemplaren in de winter voor een betere prijs te verkopen.





Drijvende kooien in Cyprus. © Lionel Flageul

De producenten stellen zich niet langer tevreden met het stimuleren van de natuurlijke ontwikkeling van de vijver of lagune, maar steken de natuur de helpende hand toe door in de broedbank geboren pootvissen te introduceren en voedingscomplementen te verstrekken. Het meest illustratieve voorbeeld is de karperteelt in vijvers, die wijdverbreid is in de Midden-Europese landen. Maar ook de aquacultuur in brak water in Zuid-Europa maakt steeds vaker gebruik van broedbanken en industriële voeding, waarmee de daling in natuurlijke aanwas gecompenseerd wordt. Voor de Italiaanse kweek in lagunes, in de delta’s van de Po en de Adige, worden pootvisjes van zeebaars en zeebrasem uitgezet, omdat deze soorten in de natuur steeds zeldzamer zijn geworden. Ook wordt zo het verdwijnen van de paling gecompenseerd. In de Spaanse esteros en ook in Portugal konden dankzij deze praktijk nieuwe soorten zoals de tarbot, de tong en de Senegalese tong worden onderzocht.

Om helemaal compleet te zijn, moeten we ook de kweek in visvijvers, in drijvende kooien op zee of in bassins op het land niet vergeten. Deze praktijk hangt samen met de visserij. Zo kunnen gevangen dieren worden bewaard en afgemest voor latere verkoop. Deze methoden worden vooral gebruikt voor dieren die hun smaakkwaliteit verliezen bij de klassieke conserveringsmethoden zoals wecken, sterilisatie of bevriezing. Het bekendste voorbeeld is dat van de grote schaaldieren zoals de kreeft, de langoest en de Noordzeekrab, die in het voorjaar gevangen moeten worden, maar traditioneel geconsumeerd worden tijdens de eindejaarsfeesten, in de winter. Een ander, polemischer voorbeeld is het „afmesten van tonijn” in drijvende kooien. Deze praktijk deed zijn intrede voor het eerst in de jaren ’90 in de Middellandse Zee. In dit geval gaat het er zuiver om, om de tijdens het vangstseizoen in het voorjaar gevangen exemplaren in de winter voor een betere prijs te verkopen.





Kweek van pootvissen voor de wederopbouw van de visstand

In de 17de eeuw begonnen de visreserves in zoet water op sommige plaatsen terug te lopen, waarschijnlijk als gevolg van de bevolkingstoename. De autoriteiten besloten toen in gevangenschap geboren pootvissen te gaan uitzetten in de rivieren.

Viskwekerij. © Lionel Flageul

In de natuur leggen vissen zeer veel eitjes, waarvan er maar enkele volwassen worden, als zij erin slagen te ontsnappen aan roofdieren, ziekten, voedseltekort, vervuiling, thermische schokken enz. De rol van een broedbank is daarom niet alleen om bevruchte eitjes te verkrijgen, maar om alle parameters zodanig te controleren dat zoveel mogelijk exemplaren het jonge stadium bereiken en met goede overlevingskansen in de natuur worden losgelaten.

In 1741 zet Stephan Ludwig Jacobi, een Duitse multidisciplinaire wetenschapper, de eerste broedbank voor forellen op in Westfalen. Maar het zou nog een eeuw duren voordat zijn ontdekking op grote schaal werd doorgevoerd om de visbestanden aan te vullen in de wateren die als eerste te maken kregen met de schadelijke gevolgen van de Industriële Revolutie in Europa, de Verenigde Staten en Japan.

Het wetenschappelijk onderzoek breidt zich vanaf dat moment uit naar de riddervis, de houting en de zalm, evenals de regenboogforel in de Verenigde Staten, die dankzij zijn goede prestaties vanaf 1874 ook in Europa wordt geïntroduceerd. Al deze vorderingen blijven echter beperkt tot zalmachtigen, die blijkbaar relatief eenvoudig te reproduceren zijn in gevangenschap.

In 1934 wordt in Brazilië de techniek van hormoonopwekking ontdekt en op lokale vissen getest. Deze techniek bestaat erin bepaalde hormonen in het lichaam van de vis te spuiten om op commando vrouwelijke en mannelijke geslachtscellen vrij te maken. Deze ontdekking opent nieuwe perspectieven voor de broedbanken en maakt het mogelijk nieuwe soorten uit te proberen die tot dan toe door de stress van de gevangenschap steriel werden. Vanaf 1935 slagen Sovjetonderzoekers er in de USSR in pootvissen te creëren van verscheidene soorten steur. Zij beginnen zelfs hybride stammen te creëren.

Het uitzetten van vis in het ecosysteem wordt ook nu nog op grote schaal beoefend in zoet water én zeewater. De broedbanken die hierbij betrokken zijn worden meestal gefinancierd door wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s van de overheid en werken voornamelijk met inheemse soorten. Sinds de waterkwaliteit is verbeterd en de infrastructuur werd aangepast om de bewegingsvrijheid van migrerende soorten te herstellen, werken bijvoorbeeld verscheidene Europese broedbanken mee aan het uitzetten van zalmen en steuren in rivieren.

Andere broedbanken van openbaar belang worden opgezet in het kader van „sea ranching” projecten. Deze praktijk dateert uit de 19de eeuw en bestaat erin een natuurlijk bestand te versterken met jonge exemplaren uit een broedbank teneinde de economische visserijactiviteit in stand te houden die van dit bestand afhankelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval met zalm in de Oostzee en tong in de Noordzee. De ontdekkingen van deze wetenschappelijke broedbanken worden vervolgens vaak gebruikt in de commerciële aquacultuur.





Viskwekerij. © Lionel Flageul

In de natuur leggen vissen zeer veel eitjes, waarvan er maar enkele volwassen worden, als zij erin slagen te ontsnappen aan roofdieren, ziekten, voedseltekort, vervuiling, thermische schokken enz. De rol van een broedbank is daarom niet alleen om bevruchte eitjes te verkrijgen, maar om alle parameters zodanig te controleren dat zoveel mogelijk exemplaren het jonge stadium bereiken en met goede overlevingskansen in de natuur worden losgelaten.

In 1741 zet Stephan Ludwig Jacobi, een Duitse multidisciplinaire wetenschapper, de eerste broedbank voor forellen op in Westfalen. Maar het zou nog een eeuw duren voordat zijn ontdekking op grote schaal werd doorgevoerd om de visbestanden aan te vullen in de wateren die als eerste te maken kregen met de schadelijke gevolgen van de Industriële Revolutie in Europa, de Verenigde Staten en Japan.

Het wetenschappelijk onderzoek breidt zich vanaf dat moment uit naar de riddervis, de houting en de zalm, evenals de regenboogforel in de Verenigde Staten, die dankzij zijn goede prestaties vanaf 1874 ook in Europa wordt geïntroduceerd. Al deze vorderingen blijven echter beperkt tot zalmachtigen, die blijkbaar relatief eenvoudig te reproduceren zijn in gevangenschap.

In 1934 wordt in Brazilië de techniek van hormoonopwekking ontdekt en op lokale vissen getest. Deze techniek bestaat erin bepaalde hormonen in het lichaam van de vis te spuiten om op commando vrouwelijke en mannelijke geslachtscellen vrij te maken. Deze ontdekking opent nieuwe perspectieven voor de broedbanken en maakt het mogelijk nieuwe soorten uit te proberen die tot dan toe door de stress van de gevangenschap steriel werden. Vanaf 1935 slagen Sovjetonderzoekers er in de USSR in pootvissen te creëren van verscheidene soorten steur. Zij beginnen zelfs hybride stammen te creëren.

Het uitzetten van vis in het ecosysteem wordt ook nu nog op grote schaal beoefend in zoet water én zeewater. De broedbanken die hierbij betrokken zijn worden meestal gefinancierd door wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s van de overheid en werken voornamelijk met inheemse soorten. Sinds de waterkwaliteit is verbeterd en de infrastructuur werd aangepast om de bewegingsvrijheid van migrerende soorten te herstellen, werken bijvoorbeeld verscheidene Europese broedbanken mee aan het uitzetten van zalmen en steuren in rivieren.

Andere broedbanken van openbaar belang worden opgezet in het kader van „sea ranching” projecten. Deze praktijk dateert uit de 19de eeuw en bestaat erin een natuurlijk bestand te versterken met jonge exemplaren uit een broedbank teneinde de economische visserijactiviteit in stand te houden die van dit bestand afhankelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval met zalm in de Oostzee en tong in de Noordzee. De ontdekkingen van deze wetenschappelijke broedbanken worden vervolgens vaak gebruikt in de commerciële aquacultuur.





Intensieve visteelt in zoet water

Een intensieve viskwekerij in zoet water bestaat meestal uit meerdere rechthoekige betonnen bassins, met uiteenlopende grootten en diepten, overeenkomstig de verschillende groeistadia van de vissen. Zij worden gevoed via een toevoerkanaal dat het water stroomopwaarts uit de rivier haalt en het stroomafwaarts teruggeeft wanneer het door alle bassins is gestroomd. Dit wordt het systeem van continue doorstroming genoemd.

Forelteelt in Ierland. © Lionel Flageul

Sinds eind 19de eeuw is de regenboogforel het „proefdier” van de Europese visteelt. Deze Amerikaanse soort blijkt namelijk beter geschikt voor aquacultuur dan zijn Europese neef: hij is robuuster, groeit sneller en verdraagt een hogere bezettingsdichtheid. Toch doet de aquacultuur het tot halverwege de 20ste eeuw nog niet erg goed, door de weinig aangepaste voeding (voor het merendeel onverwerkt visafval) en de te grote kwetsbaarheid voor epidemieën. Men houdt immers te veel vissen op een te klein oppervlak, waar aanvallen van buitenaf vrij spel hebben. Maar dankzij de vooruitgang van de 20ste eeuw verandert alles nu snel.

Men ontdekt dat vissen niet alleen een specifieke voeding per soort nodig hebben, maar ook per stadium van hun ontwikkeling. Veel larven verdragen slechts levend plankton, dat in gevangenschap moet worden gekweekt, ver van microben en virussen. Voor jonge én volwassen exemplaren blijkt de productie van droge korrels een aanzienlijke vooruitgang, maar dan nog moet voor elke soort de juiste dosering dierlijke en plantaardige eiwitten, vetten, minerale zouten, vitaminen en andere additieven worden bepaald, evenals de vorm van deze korrels en de regelmaat waarmee de vissen gevoed moeten worden… Op gezondheidsgebied hebben de ontdekkingen inzake geneesmiddelen, vaccinatie en preventie een einde gemaakt aan veel ziekten.

Dankzij deze vooruitgang kon vanaf de jaren ’60 de intensieve kweek van regenboogforellen op commerciële schaal worden ontwikkeld, eerst in Denemarken en later in heel Europa. Inmiddels heeft de Europese visteelt zich sterk gediversifieerd, zowel wat betreft de kwaliteit van de producten als de geproduceerde soorten. Naast de regenboogforel, die het segment blijft beheersen, worden nu ook andere zoetwatervissen op een intensieve manier gekweekt: beekforel, bronforel, riddervis, houting, tilapia, snoekbaars, Siberische steur enz.

Maar continue doorstroming maakt tegenwoordig steeds vaker plaats voor waterrecirculatiesystemen. In deze systemen blijft het water in een gesloten circuit, waar het voortdurend wordt gerecycleerd en steeds opnieuw door de bassins wordt gepompt, met behulp van een omvangrijk buizenstelsel. Een van de voordelen van dit systeem is het isolement ten opzichte van de buitenwereld, waardoor alle parameters die van invloed zijn op het water onder controle kunnen worden gehouden: temperatuur, zuurtegraad, zoutgehalte, desinfectie enz. Bovendien kan in dit systeem het organisch afval worden gezuiverd alvorens het in de natuur wordt gedumpt. De nadelen van het systeem zijn, los van de investeringskosten, de energiekosten en de afhankelijkheid van een complexe technologie.

Recirculatie is geen recente innovatie. Het systeem wordt al heel lang gebruikt in aquaria en broedbanken. Sinds de jaren ’80 verovert het ook steeds meer afmestingsbedrijven, met redelijk succes, vooral in landen met een extreem klimaat, omdat het de watertemperatuur in zomer én winter controleert. In zoet water wordt het vooral gebruikt voor regenboogforellen, dwergmeervallen en palingen, maar het leent zich voor alle soorten, inclusief zeevissen zoals tarbot.





Forelteelt in Ierland. © Lionel Flageul

Sinds eind 19de eeuw is de regenboogforel het „proefdier” van de Europese visteelt. Deze Amerikaanse soort blijkt namelijk beter geschikt voor aquacultuur dan zijn Europese neef: hij is robuuster, groeit sneller en verdraagt een hogere bezettingsdichtheid. Toch doet de aquacultuur het tot halverwege de 20ste eeuw nog niet erg goed, door de weinig aangepaste voeding (voor het merendeel onverwerkt visafval) en de te grote kwetsbaarheid voor epidemieën. Men houdt immers te veel vissen op een te klein oppervlak, waar aanvallen van buitenaf vrij spel hebben. Maar dankzij de vooruitgang van de 20ste eeuw verandert alles nu snel.

Men ontdekt dat vissen niet alleen een specifieke voeding per soort nodig hebben, maar ook per stadium van hun ontwikkeling. Veel larven verdragen slechts levend plankton, dat in gevangenschap moet worden gekweekt, ver van microben en virussen. Voor jonge én volwassen exemplaren blijkt de productie van droge korrels een aanzienlijke vooruitgang, maar dan nog moet voor elke soort de juiste dosering dierlijke en plantaardige eiwitten, vetten, minerale zouten, vitaminen en andere additieven worden bepaald, evenals de vorm van deze korrels en de regelmaat waarmee de vissen gevoed moeten worden… Op gezondheidsgebied hebben de ontdekkingen inzake geneesmiddelen, vaccinatie en preventie een einde gemaakt aan veel ziekten.

Dankzij deze vooruitgang kon vanaf de jaren ’60 de intensieve kweek van regenboogforellen op commerciële schaal worden ontwikkeld, eerst in Denemarken en later in heel Europa. Inmiddels heeft de Europese visteelt zich sterk gediversifieerd, zowel wat betreft de kwaliteit van de producten als de geproduceerde soorten. Naast de regenboogforel, die het segment blijft beheersen, worden nu ook andere zoetwatervissen op een intensieve manier gekweekt: beekforel, bronforel, riddervis, houting, tilapia, snoekbaars, Siberische steur enz.

Maar continue doorstroming maakt tegenwoordig steeds vaker plaats voor waterrecirculatiesystemen. In deze systemen blijft het water in een gesloten circuit, waar het voortdurend wordt gerecycleerd en steeds opnieuw door de bassins wordt gepompt, met behulp van een omvangrijk buizenstelsel. Een van de voordelen van dit systeem is het isolement ten opzichte van de buitenwereld, waardoor alle parameters die van invloed zijn op het water onder controle kunnen worden gehouden: temperatuur, zuurtegraad, zoutgehalte, desinfectie enz. Bovendien kan in dit systeem het organisch afval worden gezuiverd alvorens het in de natuur wordt gedumpt. De nadelen van het systeem zijn, los van de investeringskosten, de energiekosten en de afhankelijkheid van een complexe technologie.

Recirculatie is geen recente innovatie. Het systeem wordt al heel lang gebruikt in aquaria en broedbanken. Sinds de jaren ’80 verovert het ook steeds meer afmestingsbedrijven, met redelijk succes, vooral in landen met een extreem klimaat, omdat het de watertemperatuur in zomer én winter controleert. In zoet water wordt het vooral gebruikt voor regenboogforellen, dwergmeervallen en palingen, maar het leent zich voor alle soorten, inclusief zeevissen zoals tarbot.





Intensieve visteelt in zeewater

Vanuit Japan doet in de jaren ’60 een belangrijke innovatie voor de visteelt zijn intrede: de drijvende kooi.

Zalmteelt in Ierland. © Lionel Flageul

De vissen worden hierbij gevangen gehouden in een groot zakvormig net dat aan de bodem wordt vastgemaakt, en dat aan het wateroppervlak wordt gehouden door een rechthoekig of rond, drijvend kader. Oorspronkelijk werd het van bamboe gemaakt, maar dit materiaal werd al snel vervangen door kunststof. De Japanners gebruiken het voor de afmesting van geelstaarten en zeebrasems. Dit idee wordt geëxporteerd naar Europa, waar drijvende kooien aanvankelijk vooral worden gebruikt voor de kweek van regenboogforellen in de beschutte wateren van de Noorse fjorden.

Maar aan het einde van de jaren ’60 komen de kooien als geroepen voor de bestudering van een nieuwe soort: de zalm. De broedbank van de zalm functioneert al jaren en produceert een groot aantal jonge zalmen („smolts”), d.w.z. jonge exemplaren die het vermogen hebben ontwikkeld om op zee te leven. De weg is nu vrij voor afmesting van deze jonge zalmen op zee, in drijvende kooien, totdat zij een volwassen grootte hebben bereikt. De Europese zalmteelt wordt een van de succesverhalen van de jaren ’70 en ’80. Doordat zalm zo zeldzaam was geworden in het wild, was het een bijzonder luxeproduct geworden. De nieuwe beschikbaarheid tegen een redelijke prijs betekent een ongeëvenaard commercieel succes, dat de visteelt in zeewater tot een van toekomstsectoren van Europa maakt. De fjorden en baaien van de Noordzee en het westen van de Britse eilanden vullen zich met kwekerijen, vooral in Noorwegen en Schotland.

Dit Noord-Europese succes vindt navolging in de mediterrane landen, die zich gaan toeleggen op de bestudering en ontwikkeling van de kweek van pootvissen voor zeebaars en goudbrasem. In de loop van de jaren ’90 verspreidt de teelt van deze vissen zich over het hele Middellandse-Zeegebied en de Canarische Eilanden. Zalm, zeebaars en zeebrasem zijn nog altijd de hoofdproducten van de Europese visteelt in zeewater, met een kwalitatieve diversificatie dankzij de toenemende segmentering van de markt. Maar daarnaast verschijnen ook steeds meer andere soorten in kooien, zoals de ombervis in het zuiden en de kabeljauw in het noorden van Europa.

In de jaren ’90 en 2000 zien we er weer een andere vorm van intensieve visteelt op zee bijkomen: de platvisteelt. Drijvende kooien lenen zich niet voor deze vissen, die immers op een zandbodem moeten kunnen rusten. Daarom wordt gekozen voor bassins aan land, die gevoed worden met zeewater. Dankzij deze techniek kan in Galicië de tarbotteelt tot ontwikkeling worden gebracht. Maar de vooruitgang op het gebied van de recirculatietechnologie opent weer nieuwe perspectieven voor de zeewaterteelt aan land. Nieuwe soorten worden bestudeerd, zoals de tong, die in opgestapelde, platte bakken kan worden gekweekt. Daarnaast maakt de mogelijkheid om de waterparameters, en in het bijzonder de temperatuur, te controleren, het mogelijk om klimatologische beperkingen te laten varen. Zo schuift de kweek van tarbot, zeebaars en zeebrasem langzaam op naar Noord-Europa.

Maar het begin van de 21ste eeuw brengt alweer een nieuwe, enorme uitdaging voor de aquacultuur met zich mee. Het Europese kustgebied is overvol en biedt geen mogelijkheden meer voor expansie. De visteelt in zeewater zal het dus noodgedwongen verder van de kust moeten zoeken. Hetzij in het binnenland, met behulp van de recirculatietechniek, met alle extra kosten die de kunstmatige nabootsing van zeewater met zich meebrengt. Hetzij verder de zee op, ver van de beschutte kustgebieden. De visteelt op volle zee is het nieuwe onderzoeksterrein van de Europese aquacultuur. Maar de technologische uitdagingen zijn enorm groot. De Middellandse Zee is een van de diepste zeeën ter wereld en het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan is een van de winderigste gebieden, met de hoogste golven. Er zullen dus nieuwe systemen moeten worden ontwikkeld om de vis op zijn plaats te houden, zoals kooien die ondergedompeld kunnen worden, maar ook om de vis op afstand te kunnen voeden en bewaken...





Zalmteelt in Ierland. © Lionel Flageul

De vissen worden hierbij gevangen gehouden in een groot zakvormig net dat aan de bodem wordt vastgemaakt, en dat aan het wateroppervlak wordt gehouden door een rechthoekig of rond, drijvend kader. Oorspronkelijk werd het van bamboe gemaakt, maar dit materiaal werd al snel vervangen door kunststof. De Japanners gebruiken het voor de afmesting van geelstaarten en zeebrasems. Dit idee wordt geëxporteerd naar Europa, waar drijvende kooien aanvankelijk vooral worden gebruikt voor de kweek van regenboogforellen in de beschutte wateren van de Noorse fjorden.

Maar aan het einde van de jaren ’60 komen de kooien als geroepen voor de bestudering van een nieuwe soort: de zalm. De broedbank van de zalm functioneert al jaren en produceert een groot aantal jonge zalmen („smolts”), d.w.z. jonge exemplaren die het vermogen hebben ontwikkeld om op zee te leven. De weg is nu vrij voor afmesting van deze jonge zalmen op zee, in drijvende kooien, totdat zij een volwassen grootte hebben bereikt. De Europese zalmteelt wordt een van de succesverhalen van de jaren ’70 en ’80. Doordat zalm zo zeldzaam was geworden in het wild, was het een bijzonder luxeproduct geworden. De nieuwe beschikbaarheid tegen een redelijke prijs betekent een ongeëvenaard commercieel succes, dat de visteelt in zeewater tot een van toekomstsectoren van Europa maakt. De fjorden en baaien van de Noordzee en het westen van de Britse eilanden vullen zich met kwekerijen, vooral in Noorwegen en Schotland.

Dit Noord-Europese succes vindt navolging in de mediterrane landen, die zich gaan toeleggen op de bestudering en ontwikkeling van de kweek van pootvissen voor zeebaars en goudbrasem. In de loop van de jaren ’90 verspreidt de teelt van deze vissen zich over het hele Middellandse-Zeegebied en de Canarische Eilanden. Zalm, zeebaars en zeebrasem zijn nog altijd de hoofdproducten van de Europese visteelt in zeewater, met een kwalitatieve diversificatie dankzij de toenemende segmentering van de markt. Maar daarnaast verschijnen ook steeds meer andere soorten in kooien, zoals de ombervis in het zuiden en de kabeljauw in het noorden van Europa.

In de jaren ’90 en 2000 zien we er weer een andere vorm van intensieve visteelt op zee bijkomen: de platvisteelt. Drijvende kooien lenen zich niet voor deze vissen, die immers op een zandbodem moeten kunnen rusten. Daarom wordt gekozen voor bassins aan land, die gevoed worden met zeewater. Dankzij deze techniek kan in Galicië de tarbotteelt tot ontwikkeling worden gebracht. Maar de vooruitgang op het gebied van de recirculatietechnologie opent weer nieuwe perspectieven voor de zeewaterteelt aan land. Nieuwe soorten worden bestudeerd, zoals de tong, die in opgestapelde, platte bakken kan worden gekweekt. Daarnaast maakt de mogelijkheid om de waterparameters, en in het bijzonder de temperatuur, te controleren, het mogelijk om klimatologische beperkingen te laten varen. Zo schuift de kweek van tarbot, zeebaars en zeebrasem langzaam op naar Noord-Europa.

Maar het begin van de 21ste eeuw brengt alweer een nieuwe, enorme uitdaging voor de aquacultuur met zich mee. Het Europese kustgebied is overvol en biedt geen mogelijkheden meer voor expansie. De visteelt in zeewater zal het dus noodgedwongen verder van de kust moeten zoeken. Hetzij in het binnenland, met behulp van de recirculatietechniek, met alle extra kosten die de kunstmatige nabootsing van zeewater met zich meebrengt. Hetzij verder de zee op, ver van de beschutte kustgebieden. De visteelt op volle zee is het nieuwe onderzoeksterrein van de Europese aquacultuur. Maar de technologische uitdagingen zijn enorm groot. De Middellandse Zee is een van de diepste zeeën ter wereld en het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan is een van de winderigste gebieden, met de hoogste golven. Er zullen dus nieuwe systemen moeten worden ontwikkeld om de vis op zijn plaats te houden, zoals kooien die ondergedompeld kunnen worden, maar ook om de vis op afstand te kunnen voeden en bewaken...