Energieproductie en –invoer


Gegevens geëxtraheerd in juni 2017. Recentste gegevens: Meer informatie van Eurostat, Hoofdtabellen en Databank. Geplande update van het artikel: december 2018.
Tabel 1: Energieproductie, 2005 en 2015
(miljoen ton olie-equivalenten)
Bron: Eurostat (nrg_100a)
Figuur 1: Productie van primaire energie, EU-28, 2015
(% van het totaal, op basis van tonnen olie-equivalenten)
Bron: Eurostat (nrg_100a) en (nrg_107a)
Figuur 2: Ontwikkeling van de productie van primaire energie (naar brandstoftype), EU-28, 2005-2015
(2005 = 100, op basis van tonnen olie-equivalenten)
Bron: Eurostat (nrg_100a)
Tabel 2: Netto-invoer van primaire energie, 2005-2015
Bron: Eurostat (nrg_100a) en (demo_pjan)
Tabel 3: Voornaamste herkomst van de invoer van primaire energie, EU-28, 2005-2015
(% van invoer van buiten de EU-28)
Bron: Eurostat (nrg_122a), (nrg_123a) en (nrg_124a)
Figuur 3: Energieafhankelijkheid, EU-28, 2005-2015
(percentage van netto-invoer in bruto binnenlands verbruik en bunkerolie, op basis van tonnen olie-equivalent)
Bron: Eurostat (nrg_100a), (nrg_102a) en (nrg_103a)
Figuur 4: Energieafhankelijkheid — alle producten, 2005 en 2015
(percentage netto-invoer in bruto binnenlands verbruik en bunkerolie, op basis van tonnen olie-equivalent)
Bron: Eurostat (tsdcc310)

De afhankelijkheid van de Europese Unie (EU) van ingevoerde energie, met name van olie en meer recentelijk ook van aardgas, vormt de achtergrond voor beleid op het gebied van energievoorzieningszekerheid. Dit artikel gaat over de primaire productie van energie in de EU en de toenemende afhankelijkheid van de EU van energie-invoer uit derde landen, doordat zij meer verbruikt dan zij produceert. Meer dan de helft (54,0 %) van het bruto binnenlands energieverbruik van de EU-28 in 2015 was afkomstig uit invoer.

Belangrijkste statistische resultaten

Primaire productie

De primaire energieproductie in de EU-28 bedroeg in 2015 in totaal 767 miljoen ton olie-equivalent (Mtoe) — zie tabel 1. Dit was 0,8 % lager dan het jaar ervoor. Daarmee zette de algemene neerwaartse trend van de afgelopen jaren zich voort. De belangrijkste uitzondering daarop deed zich voor in 2010, toen de productie opleefde na een relatief sterke daling in 2009 — een daling die samenviel met de financiële en economische crisis. Over een langere periode beschouwd, was in 2015 de productie van primaire energie in de EU-28 15,2 % lager dan tien jaar ervoor. De algemene neerwaartse trend in de productie van primaire energie van de EU-28 kan, ten minste gedeeltelijk, worden geweten aan het feit dat de grondstoffenvoorraad uitgeput raakte en/of producenten de exploitatie van beperkte hulpbronnen niet rendabel vonden.

Van alle EU-lidstaten was de productie van primaire energie in 2015 het hoogste in Frankrijk, met een aandeel van 17,8 % van het totaal van de EU-28, gevolgd door Duitsland (15,6 %) en het Verenigd Koninkrijk (15,4 %). Vergeleken met tien jaar ervoor bestonden de grootste veranderingen uit een daling met 7,1 respectievelijk 1,4 procentpunten van het aandeel van het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, en een stijging van 2,8 respectievelijk 1,4 procentpunten in het aandeel van Frankrijk en Italië. De aandelen van de overige lidstaten daalden of stegen met hoogstens 1,0 procentpunt. Behalve dat van het Verenigd Koninkrijk en Denemarken daalde ook het Nederlandse, Belgische en Litouwse aandeel in de desbetreffende periode.

In absolute zin nam bij de helft van de EU-lidstaten de productie van primaire energie toe in de tienjarige periode tot 2015. Italië had de grootste productietoename (met 5,9 Mtoe), gevolgd door Spanje (3,4 Mtoe), Oostenrijk (2,2 Mtoe), Portugal en Estland (beide 1,7 Mtoe). De productie van primaire energie in het Verenigd Koninkrijk daalde daarentegen met wel 85,7 Mtoe, terwijl ook Duitsland (-17,0 Mtoe), Denemarken (-15,1 Mtoe), Nederland (-14,9 Mtoe) en Polen (-10,5 Mtoe) dalingen van meer dan 10,0 Mtoe meldden.

De productie van primaire energie in de EU-28 was in 2015 verspreid over een groot aantal verschillende energiebronnen, waarvan kernenergie qua omvang de belangrijkste was, namelijk (28,9 % van het totaal). Het belang van kernenergie was zeer groot in Frankrijk, waar hij meer dan vier vijfde (82,5 %) vormde van de nationale productie van primaire energie. In België lag het percentage op iets minder dan twee derde (65,0 %) en in Slowakije was het meer dan drie vijfde (62,6 %). In andere landen was het aandeel kernenergie in de primaire productie minder dan de helft van het totaal; 14 EU-lidstaten produceren geen kernenergie. De Duitse overheid heeft aangekondigd dat alle nucleaire reactors in 2022 worden gesloten.

In 2014 was meer dan een kwart (26,7 %) van de totale productie van primaire energie van de EU-28 afkomstig van hernieuwbare energiebronnen. Het aandeel van vaste brandstoffen (18,9 %, voornamelijk steenkool) lag net onder een vijfde en het aandeel van aardgas lag iets lager (14,0 %). Ruwe olie (9,8 %) was de enige andere belangrijke bron van productie van primaire energie (zie Figuur 1).

De groei van de primaire productie uit hernieuwbare energiebronnen in de EU-28 was hoger dan die van alle andere soorten energie. Deze groei was relatief gelijkmatig in de periode 2005-2015, met een kleine productiedaling in 2011 (zie Figuur 2). In deze tien jaar steeg de productie uit hernieuwbare bronnen met 71,0 %, en verving daarmee deels de productie uit andere energiebronnen. Voor de andere primaire energiebronnen is de productie in deze periode daarentegen over de gehele linie gedaald. De grootste afname van de productie van primaire energie werd geregistreerd voor aardolie (-43,9 %), aardgas (-43,5 %) en vaste brandstoffen (-25,7 %); de productie van kernenergie daalde minder sterk, namelijk met 14,1 %.

Invoer

De terugval van de primaire productie van steenkool, bruinkool, aardolie, aardgas en meer recentelijk kernenergie heeft geleid tot een situatie waarin de EU steeds afhankelijker wordt van de invoer van primaire energie om aan de vraag te kunnen voldoen, hoewel deze situatie zich in de nasleep van de wereldwijde financiële en economische crisis stabiliseerde. In 2015 lag de invoer van primaire energie in de EU-28 ongeveer 902 Mtoe hoger dan de uitvoer. De grootste netto-importeurs van primaire energie waren over het algemeen de EU-lidstaten met de grootste bevolking, met uitzondering van Polen (dat nog over eigen steenkoolreserves beschikt). Denemarken was sinds 2005 van alle lidstaten de enige netto-exporteur van primaire energie, maar in 2013 overschreed de Deense energie-invoer de uitvoer zodanig dat geen enkele EU-lidstaat netto-exporteur van energie meer was (zie tabel 2). In verhouding tot de bevolkingsomvang waren de grootste netto-importeurs in 2015 Luxemburg, Malta en België.

De herkomst van de energie-invoer van de EU-28 is de afgelopen jaren enigszins veranderd, waarbij Rusland zijn positie als grootste leverancier van aardolie en aardgas heeft behouden (hoewel zijn aandeel de afgelopen jaren enigszins is afgenomen) en de belangrijkste leverancier van vaste brandstoffen is geworden (zie tabel 3).

In 2015 kwam ongeveer 25,8 % van de invoer van vaste brandstoffen in de EU-28 uit Rusland. In 2006 heeft Rusland de plaats van Zuid-Afrika als grootste leverancier van vaste brandstoffen overgenomen. Het Russische aandeel in de invoer van vaste brandstoffen in de EU-28 steeg geleidelijk, van 20,2 % in 2005 tot een relatieve piek van 26,2 % in 2009, een snelle daling in 2010 en daarna een nieuwe stijging tot 25,9 % in 2013. In de twee jaar erna is het aandeel vrijwel ongewijzigd gebleven. Tussen 2005 en 2015 is het aandeel van Colombiaanse en Amerikaanse invoer van vaste brandstoffen in de EU-28 meer dan verdubbeld. Die uit Colombia stegen van 10,0 % tot 21,3 % van het totaal, en de Amerikaanse van 6,5 % tot 14,0 % van het totaal. Zuid-Afrika, dat in 2005 de grootste leverancier van vaste brandstoffen was voor de EU-28, (21,4 % van het totaal) zag zijn aandeel dalen tot 6,9 % in 2011, waarna het stabiel bleef.

Rusland was ook de belangrijkste leverancier voor de invoer van ruwe olie in de EU-28. Het aandeel van Rusland was 30,5 % in 2005 en steeg geleidelijk tot een piek van 32,8 % in 2011, waarna het daalde tot 27,7 % in 2015. In dezelfde periode vond er een relatief langzame daling plaats in het aandeel van de invoer van ruwe olie in de EU-28 uit Noorwegen, namelijk van 15,6 % in 2005 tot 11,4 % in 2015. Er vond tussen 2005 en 2015 een snelle relatieve stijging plaats van de invoer van ruwe olie in de EU-28 uit Azerbeidzjan (meer dan vier keer), Irak (3,7 keer), Angola (3,5 keer) en Nigeria (2,7 keer).

Het Russische aandeel in de invoer van aardgas in de EU-28 daalde echter van 34,6 % tot 26,8 % tussen 2005 en 2010, gevolgd door een stijging en een relatieve piek van 32,4 % in 2013. Hierna daalde het aandeel enigszins, tot net onder 30,0 %. In de tien jaar die tabel 3 bestrijkt, is Noorwegen voor de EU de tweede grootste leverancier van aardgas gebleven. Het aandeel nam toe van iets meer dan een vijfde (20,2 % in 2005) tot meer dan een kwart (25,9 % in 2015). Het aandeel van de aardgasinvoer in de EU-28 uit Algerije werd tussen 2005 en 2015 bijna gehalveerd. Het aandeel van Qatar steeg bijna vijf keer.

De zekerheid van de primaire-energievoorziening van de EU kan in gevaar komen als een groot deel van de invoer in de handen van een klein aantal partners komt te liggen. In 2015 was bijna twee derde (64,1 %) van de invoer van aardgas in de EU-28 afkomstig uit Rusland, Noorwegen of Algerije. Uit een vergelijkbare analyse blijkt dat 61,0 % van de invoer van vaste brandstoffen in de EU-28 uit Rusland, Colombia en de Verenigde Staten afkomstig was. De invoer van ruwe olie was iets minder geconcentreerd was bij de belangrijkste leveranciers; Rusland, Noorwegen en Nigeria leverden 47,1 % van de invoer in de EU-28.

De afhankelijkheid van de EU-28 van ingevoerde energie nam toe van iets meer dan 40 % van het bruto-energieverbruik in 1990 tot 54,0 % in 2015 (zie figuur 3). Sinds 2004 is de netto energie-invoer van de EU-28 groter dan de primaire productie. Met andere woorden: Meer dan de helft van het bruto binnenlandse energieverbruik van de EU-28 werd ingevoerd en de afhankelijkheid was meer dan 50,0 %.

Het cijfer voor 2015 wees op een lichte daling van de afhankelijkheid, die in 2008 een relatief hoogtepunt bereikte van 54,5 %. Toch steeg de energieafhankelijkheid van de EU-28 tussen 2013 en 2015 met meer dan 0,9 procentpunt. Nadere beschouwing leert dat de hoogste percentages in 2015 golden voor ruwe olie (88,8 %) en voor aardgas (69,1 %),terwijl het meest recente percentage vaste brandstoffen op 42,8 % lag.

In de afgelopen tien jaar (tussen 2005 en 2015) is de afhankelijkheid van de Europese Unie ten opzichte van derde landen voor de levering van aardgas gestegen met 12,0 procentpunten, sneller dan die voor de levering van ruwe olie (6,4 procentpunten) en vaste brandstoffen (3,4 procentpunten).

Aangezien Denemarken niet langer een netto-exporteur was, werd de energieafhankelijkheid van dit land in 2013 positief en bleef deze positief in 2014 en 2015, net als alle andere EU-lidstaten (zie Figuur 4). De laagste energieafhankelijkheid in 2015 werd geregistreerd voor Estland, Denemarken, Roemenië en Polen (de enige andere lidstaten die een afhankelijkheid van minder dan 30,0 % rapporteerden). Cyprus, Malta en Luxemburg waren (vrijwel) helemaal afhankelijk van de invoer van primaire energie, met afhankelijkheidscijfers van meer dan 90,0 %.

Uit een analyse van de ontwikkelingen tussen 2005 en 2015 blijkt dat Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Litouwen, Nederland en Polen meer afhankelijk werden van energie-invoer om te kunnen voldoen aan het bruto binnenlandse verbruik. Dit patroon staat grotendeels in verband met een daling van de primaire energieproductie (omdat grondstoffenvoorraden uitgeput raken). Ook in België, Tsjechië, Griekenland en Duitsland nam de afhankelijkheid toe, hoewel minder sterk. In alle overige EU-lidstaten daalde de energieafhankelijkheid tussen 2005 en 2015. De grootste daling vond plaats in Estland, van 26,1 % naar 7,4 %. Ook in Letland, Bulgarije, Portugal, Oostenrijk en Roemenië daalde de afhankelijkheid met meer dan 10,0 procentpunt, door een combinatie van stijgende energie-efficiëntie en/of een verandering in de energiemix ten gunste van primaire productie uit hernieuwbare bronnen.

Gegevensbronnen en -beschikbaarheid

Energieproducten die rechtstreeks uit natuurlijke hulpbronnen worden gewonnen of gedolven, worden primaire energiebronnen genoemd; energieproducten die in een energiecentrale worden geproduceerd uit primaire energiebronnen worden afgeleide producten genoemd. Primaire-energieproductie omvat de nationale productie van primaire energiebronnen en vindt plaats wanneer natuurlijke hulpbronnen worden geëxploiteerd, bijvoorbeeld in steenkoolmijnen, aardolievelden en waterkrachtcentrales, of bij de fabricage van biobrandstoffen. Wanneer het verbruik groter is dan de primaire productie, moet het tekort worden aangevuld door de invoer van primaire of afgeleide producten.

De warmte die in een reactor wordt geproduceerd als gevolg van kernsplijting wordt beschouwd als primaire productie van nucleaire warmte, ook wel kernenergie genoemd. Deze wordt berekend op basis van de werkelijk geproduceerde warmte of op basis van de geregistreerde bruto-elektriciteitsproductie en het thermisch rendement van de kerncentrale. De primaire productie van steenkool en bruinkool bestaat uit hoeveelheden gewonnen of geproduceerde brandstoffen, berekend na eventuele verwijdering van inert materiaal.

De omzetting van energie van de ene in de andere vorm, zoals elektriciteit of warmteopwekking door thermische krachtcentrales of cokesproductie door cokesovens, wordt niet als primaire productie beschouwd.

De netto-invoer wordt berekend als de omvang van de invoer verminderd met de equivalente omvang van de uitvoer. Alles wat op het nationale grondgebied binnenkomt is invoer, behalve de doorvoer (met name via gas- en oliepijpleidingen). Alles wat vanaf het nationale grondgebied wordt uitgevoerd, valt onder de uitvoer.

Context

Energiezekerheid

Meer dan de helft van de energie van de EU-28 is afkomstig van derde landen en dit aandeel is de afgelopen decennia doorgaans gestegen (hoewel er aanwijzingen bestaan dat de mate van afhankelijkheid zich de afgelopen jaren gestabiliseerd heeft). Een groot deel van die energie komt uit Rusland; door zijn geschillen met doorvoerlanden dreigde de levering de afgelopen jaren te worden onderbroken. Zorgen over de continuïteit van de energievoorziening vanuit Rusland zijn verder versterkt door het conflict in Oekraïne. Er zijn nieuwe maatregelen voor de aardolie- en aardgasmarkt genomen, die ervoor moeten zorgen dat alle partijen doeltreffende maatregelen nemen om de gevolgen van potentiële verstoringen van de leveringen te voorkomen en te beperken en tevens mechanismen tot stand brengen zodat EU-lidstaten kunnen samenwerken om doeltreffend te reageren op eventuele grote verstoringen van de aardolie- of aardgasleveringen; er werd een coördinatiemechanisme opgezet zodat de lidstaten onmiddellijk en op uniforme wijze kunnen reageren in geval van een noodsituatie.

In november 2010 is het initiatief met de naam Energie 2020 — Een strategie voor een concurrerende, duurzame en continu geleverde energie (COM(2010) 639 definitief) goedgekeurd door de Europese Commissie. In deze strategie worden energieprioriteiten voor een periode van tien jaar bepaald en worden de maatregelen beschreven die nodig zijn om verschillende uitdagingen aan te gaan, waaronder de totstandbrenging van een markt met concurrerende tarieven en een veilige energievoorziening, de versterking van het technologisch leiderschap, en doeltreffende onderhandelingen met internationale partners (om bijvoorbeeld goede relaties te onderhouden met de externe energieleveranciers van de EU en met energiedoorvoerlanden). Dit werk is verder ontwikkeld door middel van een 2030 energiestrategie (in het Engels) die voorziet in een beleidskader voor klimaat- en energiebeleid tot 2030, en een 2050 energie-stappenplan (in het Engels) dat als lange-termijndoel het terugdringen van de emissie van broeikasgassen in de EU met 80 tot 95 % voor 2050 heeft.

Via de Energy Community (opgericht in oktober 2005, link in het Engels), werkt de EU ook aan de integratie van buurlanden in haar interne energiemarkt. Een breed scala aan energiebronnen en diversiteit van leveranciers, transportroutes en transportmechanismen kunnen een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de energievoorziening. Er lopen bijvoorbeeld verschillende initiatieven voor het ontwikkelen van gaspijpleidingen tussen Europa en zijn oostelijke en zuidelijke buurlanden. Het gaat hierbij onder andere om de Nord Stream-pijpleiding (tussen Rusland en de Europese Unie via de Oostzee), die in november 2011 operationeel is geworden; om de Trans-Adriatische pijpleiding (die Turkije en Italië via Griekenland en Albanië met elkaar verbindt voor de levering van aardgas uit de regio rond de Kaspische Zee aan de Europese Unie). Het opbouwen van betrouwbare partnerschappen met landen die energie leveren, doorvoeren en verbruiken, wordt gezien als een manier om de risico's van de energieafhankelijkheid van de EU te beperken; in september 2011 heeft de Europese Commissie een mededeling gedaan met de titel Het energiebeleid van de EU: verbintenissen met partners buiten onze grenzen (COM(2011) 539 definitief).

In reactie op de aanhoudende bezorgdheid over de afhankelijkheid van de EU van ingevoerde energie, heeft de Europese Commissie in mei 2014 haar energiezekerheidsstrategie (in het Engels) (COM(2014) 330 final) gepubliceerd, die is gericht op een stabiele en overvloedige toevoer van energie. Naast kortetermijnmaatregelen die zien op de impact van een einde aan de Russische invoer van gas of een verstoring van de invoer door de Oekraïne, richt de strategie zich op de uitdagingen van voorzieningszekerheid op de lange termijn en heeft zij maatregelen voorgesteld op vijf gebieden, waaronder: het verhogen van de energieproductie in de EU en diversificatie van leverende landen en routes, en met één stem spreken in het externe energiebeleid. In 2015 heeft de Europese Commissie een mededeling gepubliceerd betreffende Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering (COM(2015) 80 definitief), waarin wordt aangevoerd dat een belangrijk element voor het waarborgen van de energiezekerheid (vooral voor gas) volledige naleving is van de overeenkomsten die betrekking hebben op de inkoop van energie uit derde landen. Deze werd in februari 2016 gevolgd door voorstellen van de Europese Commissie voor nieuwe regels voor de leveringszekerheid van gas aan de EU (COM(2016) 52 definitief) en nieuwe regels voor energie-overeenkomsten tussen de EU en derde landen (COM(2016) 53 definitief).

Zie ook

Meer informatie van Eurostat

Publicaties

Hoofdtabellen

Energy statistics - quantities (t_nrg_quant)

Databank

Energy statistics - quantities, annual data (nrg_quant)
Energy statistics - supply, transformation and consumption (nrg_10)
Energy statistics - imports (nrg_12)
Energy statistics - exports (nrg_13)

Speciale sectie

Methodologie / Metadata

Brongegevens voor de tabellen en figuren (MS Excel)

Externe links