Navigation path

De toekomst van het ESF: 2014-2020

In oktober 2011 diende de Commissie het voorstel in met de nieuwe prioriteiten en regels die zullen bepalen hoe het ESF er in de periode 2014-2020 uit zal zien. Dit voorstel biedt het ESF de mogelijkheden om concrete steun te blijven bieden aan mensen die hulp nodig hebben bij het vinden van werk of bij het doorgroeien in hun huidige baan.

Het voorstel van de Commissie is onderdeel van een overkoepelend wetgevingspakket voor het toekomstige cohesiebeleid van de Unie (zie de korte inleiding op video).

Welke wijzigingen zijn voorgesteld voor het ESF?

De rol van het Europees Sociaal Fonds is het verbeteren van arbeidskansen, het stimuleren van onderwijs en een leven lang leren, het vergroten van sociale insluiting, het bijdragen aan het bestrijden van armoede en het ontwikkelen van de institutionele capaciteit van overheidsdiensten, zodat burgers en werkzoekenden beter geholpen kunnen worden. Met het nieuwe voorstel wordt de rol van het ESF sterker:

  • er wordt een minimumaandeel van de begroting toegewezen aan iedere categorie van regio’s. Dat aandeel is hoger dan voorheen (minstens 25 % voor minder ontwikkelde regio’s, 40 % voor overgangsregio’s en 52 % voor meer ontwikkelde regio’s). Dit aandeel cohesiefinanciering komt overeen met minstens 84 miljard euro voor de ESF-begroting, ten opzichte van de huidige 75 miljard euro.
  • lidstaten moeten ESF-financiering richten op een beperkt aantal doelstellingen en investeringsprioriteiten die in overstemming zijn met de Europa 2020-strategie, teneinde een kritische massa te bereiken en meer effect te sorteren.
  • een minimumaandeel van 20 % van het ESF moet bestemd zijn voor projecten voor sociale insluiting.
  • er wordt meer nadruk gelegd op het bestrijden van werkloosheid onder jongeren, het stimuleren van actief en gezond ouder worden en het ondersteunen van de meest kansarme groepen en buitengesloten gemeenschappen, zoals de Roma. Het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief biedt met name ondersteuning aan jongeren zonder scholing, werk of stage en helpt hen bij het integreren in de arbeidsmarkt.
  • er wordt voorzien in meer steun voor sociale vernieuwing, dat wil zeggen het toetsen en op grotere schaal toepassen van innovatieve oplossingen om sociale behoeften aan te pakken, bijvoorbeeld om sociale insluiting te ondersteunen.
  • meer participatie van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld bij het uitvoeren van ESF-projecten, en met name participatie van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), wordt aangemoedigd door middel van capaciteitsopbouw, het stimuleren van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën op initiatief van de gemeenschap en de vereenvoudiging van de leveringsprocedure (zie ook: Europese gedragscode voor partnerschappen). Eenvoudiger regels regelen de terugbetaling van projecten door het ESF, met name voor de kleine begunstigden, die voor minstens 50 % deel uitmaken van de ontvangers van ESF-financiering. Het gaat dan om ngo’s, kleine en middelgrote ondernemingen en andere organisaties.
  • benodigdheden die gekoppeld zijn aan investeringen in sociaal en menselijk kapitaal, bijvoorbeeld computers voor scholen, zullen in aanmerking komen voor steun door het ESF.

Het ESF kan ook gebruikt worden als waarborg voor leningen die door organen in lidstaten zijn aangegaan om maatregelen te financieren die binnen het toepassingsgebied van het ESF vallen.

Belangrijke vernieuwingen voor EU-fondsen voor cohesiebeleid

Alle EU-regio’s blijven steun ontvangen binnen drie bepaalde categorieën:

  • minder ontwikkelde regio’s waarvan het bbp per hoofd van de bevolking minder is dan 75 % van het gemiddelde in de Unie, blijven de hoogste prioriteit voor het beleid.
  • overgangsregio’s waarvan het bbp per hoofd van de bevolking tussen 75 % en 90 % ligt van het gemiddelde van de 27 EU-landen.
  • meer ontwikkelde regio’s, waarvan het bbp per hoofd van de bevolking boven 90 % ligt van het gemiddelde van de 27 EU-landen.

De tweede categorie, waaronder 51 regio’s en meer dan 72 miljoen mensen vallen, vergemakkelijkt de overgang van regio’s die de afgelopen jaren meer concurrentievermogen hebben gekregen, maar nog wel gerichte ondersteuning nodig hebben. Naar verwachting zullen vanaf 2014 twintig regio’s de huidige ‘convergentiedoelstelling’ verlaten (minder ontwikkelde regio’s) en dat weerspiegelt het succes van het cohesiebeleid.

Partnerschapscontracten, die de Commissie afsluit met de lidstaten, bepalen de nationale inzet die vereist is om de doelstellingen van Europa 2020 te halen. ESF-investeringen zullen volledig op één lijn worden gebracht met de doelstellingen en streefcijfers van Europa 2020 met betrekking tot werkgelegenheid, onderwijs en armoedebestrijding.

Het Gemeenschappelijk Strategisch Kader, waarin de topprioriteiten van de EU zijn opgenomen, is van toepassing op alle financieringen, met inbegrip van plattelandsontwikkeling en visserij. Lidstaten mogen financieringen uit EFRO, ESF en Cohesiefonds combineren in ‘multifondsprogramma’s’ om de coördinatie van de uitvoering te verbeteren en geïntegreerde ontwikkeling te bereiken.

Er worden nieuwe voorwaarden ingevoerd om ervoor te zorgen dat EU-financiering doeltreffend bijdraagt tot het bereiken van de doelstellingen van Europa 2020. Sommige voorwaarden moeten aanwezig zijn voordat de financiering wordt uitbetaald, bijvoorbeeld, het goed functioneren van het systeem van overheidsopdrachten.

Volgende stappen

Deze voorstellen worden nu door de Raad en het Europees Parlement bekeken met de bedoeling ze begin 2013 aan te nemen. Zo kan de nieuwe generatie programma’s in het kader van het cohesiebeleid in 2014 van start gaan.

Belangrijkste mijlpalen in het adviesproces