Kruimelpad

Convergentie

De convergentieverslagen gaan na of lidstaten voldoen aan de voorwaarden om de gemeenschappelijke munt in te voeren. Het EG-Verdrag bepaalt dat de Commissie en de Europese Centrale Bank deze verslagen minstens om de twee jaar opstellen of op verzoek van een EU-land dat tot de eurozone wil toetreden.

De vereisten waaraan de lidstaten moeten voldoen en die in de verslagen worden onderzocht, zijn:

  • de convergentiecriteria (prijsstabiliteit, gezonde overheidsfinanciën, wisselkoersstabiliteit en convergentie van de langetermijnrentes)
  • de verenigbaarheid van de nationale wetgeving met het "acquis" (de bestaande EU-wetgeving) wat betreft de nationale centrale bank en in het bijzonder de onafhankelijkheid ervan, de onafhankelijkheid van de leden van de besluitvormingsorganen, de doelstellingen en de integratie van de centrale bank in het Europese Systeem van centrale banken

Artikel 122, lid 2, van het EG-Verdrag bepaalt dat de Commissie en de ECB ten minste om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat die geen lid is van de eurozone aan de Raad verslag uitbrengen over de vorderingen op het gebied van de convergentie.

Op dit ogenblik zijn 11 EU-landen geen lid van de eurozone: Bulgarije, Denemarken, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.

Met Denemarken en het Verenigd Koninkrijk zijn regelingen getroffen waardoor zij niet deel hoeven te nemen en over hen ook geen convergentiebeoordeling wordt opgesteld tenzij zij daar zelf om vragen.

Er worden sinds 1996 convergentieverslagen opgesteld. De verslagen van de Commissie en het Europees Monetair Instituut (de voorganger van de Europese Centrale Bank) uit 1998 stonden aan de basis van de beslissing van de Raad om de euro in de eerste elf landen in te voeren.

In 2000 hebben de Commissie en de ECB verslagen opgesteld over Zweden en Griekenland (dit laatste land had zelf om een convergentiebeoordeling gevraagd), waarbij werd vastgesteld dat Griekenland voldeed aan de voorwaarden voor de invoering van de euro. De Raad besloot vervolgens dat op grond daarvan de euro in januari 2001 in Griekenland zou worden ingevoerd.

In 2002 werd alleen over Zweden een convergentiebeoordeling opgesteld. Er werd evenwel geconcludeerd dat Zweden niet aan de voorwaarden voldeed.

De tien landen die op 1 mei 2004 lid van de Europese Unie zijn geworden, zijn in oktober 2004 voor de eerste keer beoordeeld. Hoewel de periode van twee jaar uit het Verdrag in 2004 voor deze landen nog niet verstreken was, werd de verplichte herbeoordeling van Zweden aangegrepen als een gelegenheid om ook de convergentie in de nieuwe lidstaten te onderzoeken. De conclusie luidde dat geen van de elf onderzochte landen op dat moment voldeed aan de voorwaarden voor de invoering van de euro.

In 2006 vonden twee reeksen van convergentiebeoordelingen plaats. Op eigen verzoek werd in mei 2006 van Litouwen en Slovenië onderzocht of beide landen klaar waren voor de euro. Terwijl Slovenië aan alle convergentiecriteria bleek te voldoen en de euro in januari 2007 kon invoeren, suggereerde het verslag over Litouwen dat het zijn status van niet-euroland diende te behouden. De resterende negen landen (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Malta, Polen, Slowakije, Tsjechië en Zweden) werden in december 2006 beoordeeld. Hoewel uit het verslag bleek dat in veel landen vooruitgang was geboekt, was geen van hen klaar voor de invoering van de gemeenschappelijke munt.

Cyprus en Malta willen in 2008 op de euro overstappen en hebben in voorjaar 2007 een herbeoordeling aangevraagd. Uit de convergentieverslagen van de Commissie en de ECB van mei 2007 is gebleken dat deze beide landen aan de voorwaarden voor de invoering voldoen. De Raad heeft daarom besloten dat de euro op 1 januari 2008 in Cyprus en Malta zal worden ingevoerd.

De volgende periodieke convergentiebeoordeling voor alle EU-landen met een derogatie zal in 2008 plaatsvinden.

Extra tools

  • Printbare versie 
  • Tekst kleiner 
  • Tekst groter