Europese Commissie > EJN > Procestermijnen > Hongarije

Laatste aanpassing: 30-10-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Procestermijnen - Hongarije

 

INHOUDSOPGAVE

1. Welke termijnen worden gehanteerd? 1.
2. Lijst van feestdagen die worden aangemerkt als niet-werkdag krachtens Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van 3 juni 1971 2.
3. Waar zijn de algemene regels over termijnen in de verschillende procedures te vinden? 3.
4. Vanaf welk moment begint een termijn voor een formele handeling te lopen? 4.
4.a) Is het moment waarop een termijn begint te lopen afhankelijk van de manier waarop het document wordt bezorgd (zelf bezorgen, per deurwaarder of per post)? 4.a)
5. Vanaf wanneer begint een termijn te lopen? 5.
5.a) Als de termijn is uitgedrukt in dagen, begint de termijn dan te lopen vanaf de datum van de handeling, de bezorging, of de gebeurtenis? Is het voor het begin van de termijn op enige wijze van belang of de geadresseerde daadwerkelijk informatie over de handeling heeft ontvangen of ervan op de hoogte is? Zo ja, hoe? 5.a)
5.b) Als de termijn is uitgedrukt in dagen, omvat het aantal aangegeven dagen kalenderdagen of slechts werkdagen? 5.b)
5.c) Als een termijn geldt van maanden of jaren? 5.c)
5.d) Wanneer verstrijken dergelijke termijnen? (Zijn er aanvangsmomenten voor termijnen die bij wijze van uitzondering of in het bijzonder van toepassing zijn in bepaalde burgerlijke procedures?) 5.d)
6. Als de termijn verstrijkt op een zaterdag, zondag of erkende feestdag, wordt deze dan verlengd tot de eerstvolgende werkdag? Geldt een dergelijke verlenging ook als de termijn in kwestie pas start na een toekomstige gebeurtenis? 6.
7. Indien het verzoek wordt gericht aan een gerecht met zetel op het vasteland van de lidstaat (in lidstaten die gebieden buiten het vasteland of geografisch gescheiden gebieden hebben), worden de termijnen verlengd voor personen die in een van deze gebieden wonen of verblijven of voor personen die in het buitenland wonen of verblijven? Zo ja, hoe lang worden de termijnen dan verlengd? 7.
8. Omgekeerd, indien het verzoek wordt gericht aan een gerecht met zetel in een van de geografisch gescheiden gebieden, worden de termijnen verlengd voor personen die niet in een van deze gebieden wonen of verblijven of voor personen die in het buitenland wonen of verblijven? 8.
9. Gelden afwijkende termijnen voor bepaalde civielrechtelijke zaken? 9.
10. Kunnen gerechten in noodgevallen of wegens een andere oorzaak, de dagvaardingstermijn verkorten of een bepaalde dag stellen voor de zitting? En het tegenovergestelde, kan de dagvaardingstermijn worden verlengd? 10.
11. Als een betekening bestemd voor een partij met een vaste woonplaats waarvoor een verlengde termijn geldt, geschiedt op een plaats waar voor de bewoners geen verlengde termijn geldt, verliest deze partij dan het voordeel van de verlenging van de termijn? 11.
12. Wat zijn de gevolgen van niet-naleven van termijnen? 12.
13. Als de termijn is verstreken, welke rechtsmiddelen hebben de niet-verschenen partijen? 13.

 

1. Welke termijnen worden gehanteerd?

In het algemeen is de verrichting van proceshandelingen met het oog op het gewenste rechtsgevolg gebonden aan bij wet bepaalde specifieke termijnen. Dergelijke bepalingen komen zowel voor binnen het materiële als het formele recht.

  1. In het materieel recht zijn de betreffende voorwaarden deels vastgelegd in de regels over rechtsmiddelen en deels in de voorschriften die aangeven welke termijnen van toepassing zijn op het aanhangig maken van burgerlijke rechtszaken. De wet staat uitzonderingen op dergelijke restricties uitsluitend toe waar het gaat om de onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging van vorderingen (dus bijvoorbeeld in verband met vorderingen ten aanzien van bezittingen).
  2. Het wetboek van rechtsvordering bepaalt de duur van proceshandelingen die in de loop van een rechtszaak worden verricht. Het wetboek voorziet uitsluitend in termijnen voor speciale procedures, dat wil zeggen, voor rechtszaken ten aanzien van de herziening van bestuursbesluiten op het gebied van sociale zekerheid (artikelen 330, lid 1 en 341, lid 1 van wet III van 1952 betreffende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) en voor rechtszaken wegens smaad of laster (artikel 343, lid 3 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Proceshandelingen:

  • sommige proceshandelingen kunnen uitsluitend rechtsgeldig worden verricht binnen een bepaalde termijn (uiterste datum). De duur van de termijn is in bepaalde gevallen duidelijk in de wet vastgelegd, zoals voor de instelling van rechtsmiddelen (wettelijke termijn), terwijl de duur in andere gevallen - bijvoorbeeld als het gaat om het herstellen van gebreken - afhangt van de beslissing van de rechter (rechterlijke termijn).
  • de verrichting van proceshandelingen wordt in andere gevallen beperkt door het wetboek van burgerlijke rechtsvordering onder verwijzing naar de fase van de procedure. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tegenvorderingen (artikel 147, lid 1 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) of verzoeken tot interventie (artikel 51, lid 1 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).
  • bepaalde proceshandelingen kunnen uitsluitend op een vastgestelde datum worden verricht. De bepaling van dergelijke data behoort tot de bevoegdheid van de rechter, of waar van toepassing, tot die van een deskundige (bijvoorbeeld in verband met hoorzittingen of deskundigenrapporten).

De gebruikte berekeningsmethode voor de bepaling van termijnen is in het materieel recht anders dan in het formele recht en dat geldt ook voor de rechtsgevolgen van het verzuim om deze twee soorten termijnen in acht te nemen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Termijnen in het materieel recht

Termijnen die van toepassing zijn op materieel recht verstrijken exact op de in de wetgeving aangegeven datum. De berekening ervan is vastgelegd in de bepalingen van de artikelen 3 en 4 van wetsbesluit nr. 11 van 1960.

Niet-inachtneming van de termijn in het materieel recht doet het recht tenietgaan en kan niet met een rechtvaardigingsgrond worden hersteld. Verzachtende omstandigheden kunnen uitsluitend in het geval van verjaringstermijnen worden aangevoerd. Deze termijnen zijn onderworpen aan de desbetreffende regels van het materieel recht.

Termijnen in het formele recht

Termijnen in het formele recht worden beheerst door de wetboeken van rechtsvordering. Deze termijnen kunnen worden uitgedrukt in dagen, maanden of jaren dan wel betrekking hebben op een bepaalde datum of een vastgestelde periode. De eerste dag is doorgaans de dag waarop de handeling of een eventuele andere gebeurtenis plaatsvindt die ten grondslag ligt aan de aanvang van de termijn. Indien de proceshandeling die aan de termijn is gebonden, plaatsvindt op basis van een rechterlijk besluit (rectificatie enzovoorts) telt de datum van kennisgeving als de eerste dag.

In de rechtspraktijk worden bij onderzoek naar de inachtneming van termijnen, de zaterdag en zondag, de twee wekelijkse rustdagen, beschouwd als niet-werkdagen indien de termijn op een dergelijke dag verstrijkt.

Procestermijnen worden daarnaast ingedeeld in subjectieve en objectieve termijnen. Subjectieve termijnen omvatten die termijnen waarbij de termijn begint te lopen zodra de betreffende partij op de hoogte is gesteld en waarvoor in het algemeen een verzoek tot verlenging kan worden ingediend. Bij objectieve termijnen daarentegen speelt kennisneming geen rol en kan de niet-inachtneming niet worden hersteld door een verzoek tot verlenging.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

2. Lijst van feestdagen die worden aangemerkt als niet-werkdag krachtens Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van 3 juni 1971

De lijst van niet-werkdagen is vastgelegd in artikel 125, lid 3 van wet XXII van 1992 betreffende het wetboek van arbeid.

De volgende dagen worden beschouwd als niet-werkdagen: 1 januari, 15 maart, paasmaandag, 1 mei, pinkstermaandag, 20 augustus, 23 oktober, 1 november en 25 en 26 december.

3. Waar zijn de algemene regels over termijnen in de verschillende procedures te vinden?

De algemene regels over termijnen in burgerlijke procedures zijn vastgelegd in de artikelen 103 tot en met 111 van wet III van 1952 betreffende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

4. Vanaf welk moment begint een termijn voor een formele handeling te lopen?

De aanvang van dergelijke termijnen wordt geregeld in artikel 103, lid 2 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering:

“Bij termijnen die worden uitgedrukt in dagen, telt de eerste dag niet mee. De eerste dag is de dag waarop de handeling of een eventuele andere gebeurtenis (bijvoorbeeld betekening, kennisgeving) plaatsvindt die ten grondslag ligt aan de aanvang van de termijn.”

Het aanvangsmoment voor de termijn waarbinnen een verzoek tot herziening van een beslissing kan worden ingediend – tenzij de termijn begint te lopen vanaf de datum van kennisneming of opheffing van het beletsel – is de dag waarop de nadelige uitspraak definitief wordt (artikel 261 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De termijn voor het instellen van rechtsmiddelen tegen besluiten die definitief worden door de uitspraak van het gerecht van tweede aanleg (verzoek om herziening) begint echter te lopen vanaf de dag waarop de uitspraak in de beroepszaak is medegedeeld aan de betrokken partij (er heeft betekening of kennisgeving aan de betrokken partij plaatsgevonden).

4.a) Is het moment waarop een termijn begint te lopen afhankelijk van de manier waarop het document wordt bezorgd (zelf bezorgen, per deurwaarder of per post)?

Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering maakt geen enkel onderscheid tussen de verschillende manieren van bezorging.

5. Vanaf wanneer begint een termijn te lopen?

5.a) Als de termijn is uitgedrukt in dagen, begint de termijn dan te lopen vanaf de datum van de handeling, de bezorging, of de gebeurtenis? Is het voor het begin van de termijn op enige wijze van belang of de geadresseerde daadwerkelijk informatie over de handeling heeft ontvangen of ervan op de hoogte is? Zo ja, hoe?

De aanvang van dergelijke termijnen wordt geregeld in artikel 103, lid 2 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Bij termijnen die worden uitgedrukt in dagen, telt de eerste dag niet mee. Dat wil zeggen, de datum van de handeling, de gebeurtenis, de uitspraak, de betekening en/of de kennisgeving. Er is in dit opzicht geen onderscheid op basis van de wijze waarop de ontvanger van de handeling kennis heeft genomen.

5.b) Als de termijn is uitgedrukt in dagen, omvat het aantal aangegeven dagen kalenderdagen of slechts werkdagen?

Elke termijn die wordt bepaald door het wetboek van burgerlijke rechtsvordering betreft kalenderdagen. Indien de laatste dag van de termijn echter een niet-werkdag is, verstrijkt de termijn op de eerstvolgende werkdag. In de rechtspraktijk worden bij onderzoek naar de inachtneming van termijnen, de zaterdag en zondag, de twee wekelijkse rustdagen, beschouwd als niet-werkdagen indien de termijn op een dergelijke dag verstrijkt. Artikel 103, lid 4 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering heeft dus ook betrekking op zaterdagen en zondagen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

5.c) Als een termijn geldt van maanden of jaren?

Het aanvangsmoment van termijnen die worden uitgedrukt in maanden of jaren is gelijk aan die van termijnen die worden uitgedrukt in dagen. De termijn verstrijkt op de dag waarvan het volgnummer overeenkomt met dat van de aanvangsdag, of op de laatste dag van de maand indien die maand geen dag met dat nummer kent.

5.d) Wanneer verstrijken dergelijke termijnen? (Zijn er aanvangsmomenten voor termijnen die bij wijze van uitzondering of in het bijzonder van toepassing zijn in bepaalde burgerlijke procedures?)

Termijnen verstrijken aan het eind van de laatste dag. Termijnen die zijn bepaald voor het indienen van verzoekschriften bij het gerecht of voor het verrichten van handelingen ter zitting, verstrijken reeds aan het eind van de kantooruren. Termijnen die worden uitgedrukt in maanden of jaren verstrijken op de dag waarvan het volgnummer overeenkomt met dat van de aanvangsdag, of op de laatste dag van de maand indien die maand geen dag met dat nummer kent. Er zijn geen afwijkende termijnen.

6. Als de termijn verstrijkt op een zaterdag, zondag of erkende feestdag, wordt deze dan verlengd tot de eerstvolgende werkdag? Geldt een dergelijke verlenging ook als de termijn in kwestie pas start na een toekomstige gebeurtenis?

De algemene regel die geldt voor alle gebeurtenissen – ook als die in de toekomst liggen – is dat indien de laatste dag van de termijn een niet-werkdag is, de termijn verstrijkt op de eerstvolgende werkdag. In de rechtspraktijk worden de zaterdag en zondag, de twee wekelijkse rustdagen, beschouwd als niet-werkdagen indien de termijn op een dergelijke dag verstrijkt.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

7. Indien het verzoek wordt gericht aan een gerecht met zetel op het vasteland van de lidstaat (in lidstaten die gebieden buiten het vasteland of geografisch gescheiden gebieden hebben), worden de termijnen verlengd voor personen die in een van deze gebieden wonen of verblijven of voor personen die in het buitenland wonen of verblijven? Zo ja, hoe lang worden de termijnen dan verlengd?

8. Omgekeerd, indien het verzoek wordt gericht aan een gerecht met zetel in een van de geografisch gescheiden gebieden, worden de termijnen verlengd voor personen die niet in een van deze gebieden wonen of verblijven of voor personen die in het buitenland wonen of verblijven?

Gelet op de geografische eigenschappen van het land zijn de vragen 7 en 8 niet van toepassing op het Hongaarse formele recht.

9. Gelden afwijkende termijnen voor bepaalde civielrechtelijke zaken?

Er zijn geen afwijkende regels voor termijnen in bepaalde burgerlijke zaken. In de algemene bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn de termijnen vastgesteld voor het verrichten van specifieke proceshandelingen. De sectorale wetten kunnen daarvan afwijken. Tegelijkertijd verschilt het deel van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering waarin bepaalde speciale procedures worden geregeld van de algemene bepalingen wat betreft de termijnen die in de algemene bepalingen voor de verschillende gerechtelijke instellingen zijn vastgelegd. Deze verschillen hebben echter uitsluitend betrekking op de duur van de termijn; de berekeningswijze blijft voor alle burgerlijke procedures hetzelfde.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

10. Kunnen gerechten in noodgevallen of wegens een andere oorzaak, de dagvaardingstermijn verkorten of een bepaalde dag stellen voor de zitting? En het tegenovergestelde, kan de dagvaardingstermijn worden verlengd?

Gerechten stellen doorgaans een specifieke datum vast voor de verschijning van de partijen. In een noodgeval kunnen ze een dergelijke procedure bespoedigen door mondelinge kennisgeving van de verschijningsdatum tijdens de zitting of per telefoon.

Zowel ten aanzien van de verlenging als de verkorting van termijnen moet er een onderscheid worden gemaakt tussen rechterlijke termijnen die de rechter heeft bepaald in overeenstemming met de betreffende wettelijke bepalingen en wettelijke termijnen die bij wet zijn bepaald.

Termijnen die de rechter heeft bepaald in zijn beslissing over de verrichting van handelingen in de rechtszaak kunnen niet worden verkort. Wettelijke termijnen kunnen alleen worden verkort in de gevallen waarin de wet voorziet. Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering staat verkorting van termijnen uitsluitend toe voor de termijn van acht dagen waarbinnen een beroep tegen een rechterlijk bevel kan worden gemotiveerd (artikel 257, lid 1).

De verlenging van termijnen wordt geregeld in artikel 104 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Zo “mag de rechter in één geval de door hem gestelde termijn om zwaarwegende redenen verlengen; de termijn – inclusief verlenging – mag de vijfenveertig dagen niet overschrijden, tenzij een langere termijn noodzakelijk is voor de overlegging van een deskundigenadvies. Wettelijke termijnen kunnen alleen worden verlengd in de gevallen waarin de wet voorziet. Indien een van de partijen om verlenging heeft verzocht, dient het betreffende verzoekschrift voor het verstrijken van de termijn te worden ingediend. De rechter kan het verzoek toewijzen zonder de wederpartij te horen.”

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt dus ook een onderscheid gemaakt tussen rechterlijke en wettelijke termijnen in de bepalingen over verlenging. In elk geval waarin de wetgeving voorziet in een onmiddellijke uitspraak is het algemene standpunt in de rechtspraktijk dat rechterlijke termijnen op zodanige wijze dienen te worden vastgesteld dat de periode die de betreffende partij nodig heeft om de noodzakelijke handelingen te verrichten niet wordt overschreden.

De rechter dient het verzoek tot verlenging toe te wijzen bij formele uitspraak (bevelschrift), waarvan kennis wordt gegeven aan de verzoeker. Het is aan de rechter om te beslissen of hij de wederpartij wenst te raadplegen voordat hij over het verzoek beslist. Er is geen beroep mogelijk tegen het bevelschrift (artikel 233, lid 3, onder b) van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering); niettemin hebben de partijen het recht hiertegen bezwaar te maken bij hun beroep tegen het vonnis.

Een partij kan slechts één keer een verzoek indienen tot verlenging van de rechterlijke termijn. Indien een partij verzuimt de termijn voor de betreffende handeling in acht te nemen, kan deze partij in het algemeen deze handeling niet langer rechtsgeldig verrichten. Deze zware sanctie kan slechts worden voorkomen door een verzoek tot verlenging.

Wettelijke termijnen kunnen uitsluitend op grond van een speciale wettelijke voorziening worden gewijzigd. Het wetboek van rechtsvordering kent geen regel die verlenging in dit opzicht mogelijk maakt.

11. Als een betekening bestemd voor een partij met een vaste woonplaats waarvoor een verlengde termijn geldt, geschiedt op een plaats waar voor de bewoners geen verlengde termijn geldt, verliest deze partij dan het voordeel van de verlenging van de termijn?

Deze vraag is niet van toepassing op Hongarije.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

12. Wat zijn de gevolgen van niet-naleven van termijnen?

De sancties die zijn gesteld op het niet in acht nemen van termijnen zijn neergelegd in artikel 105 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Deze luiden als volgt:

“Tenzij de wet anders voorschrijft, kunnen de partijen de verzuimde handeling niet langer rechtsgeldig verrichten. De gevolgen van het verzuim – met uitzondering van de gevallen waarin de wet voorziet – treden zonder voorafgaande kennisgeving van rechtswege in. Indien de gevolgen van het verzuim volgens de wet uitsluitend intreden na voorafgaande kennisgeving of op verzoek van de wederpartij, kan de verzuimde handeling worden verricht tijdens de in de kennisgeving aangegeven periode of tot aan de indiening van het verzoek, of, indien een dergelijk verzoek tijdens de zitting wordt gedaan, tot het moment waarop de betreffende beslissing wordt genomen. Indien enige partij wordt belemmerd in de verrichting van een handeling door een natuurverschijnsel van algemene bekendheid of enige andere vorm van overmacht, wordt dit niet als verzuim beschouwd. De gevolgen van het niet in acht nemen van de termijn zijn niet van toepassing indien het verzoek aan het gerecht niet later dan op de laatste dag van de termijn aangetekend is verzonden."

Bepaalde wetsartikelen regelen de termijnen van handelingen zonder te bepalen welke rechtsgevolgen het verzuim heeft. In deze gevallen stelt de rechter de rechtsgevolgen van het verzuim vast door de algemene regels toe te passen.

De wet voorziet in verschillende uitzonderingen op de algemene regel van artikel 105 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Door een partij veroorzaakte vertraging is geen verzuim indien de vertraging is gerechtvaardigd door een verzoek om verlenging (artikel 109, lid 3 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), of indien deze vertraging optrad als gevolg van een natuurverschijnsel van algemene bekendheid of enige andere vorm van overmacht. Met betrekking tot het laatstgenoemde geval dient het criterium “van algemene bekendheid” op beide gebeurtenissen van toepassing te zijn. Indien het verzuim van een partij niet wordt veroorzaakt door een natuurverschijnsel of een andere vorm van overmacht, kunnen de rechtsgevolgen daarvan slechts worden voorkomen door een verzoek om verlenging.

Voor bepaalde vormen van verzuim sluit de wet de mogelijkheid uit om het desbetreffende rechtsgevolg toe te passen (bijvoorbeeld de artikelen 288 en 265 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter kan op verzoek van de wederpartij een zaak niet-ontvankelijk verklaren indien een buitenlandse partij verzuimt de verplichting tot het stellen van zekerheid voor de kosten te voldoen (artikel 157, onder c) van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) of indien de eiser verzuimt de eerste zitting bij te wonen (artikel 157, onder d) van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Het toepasselijke gevolg van afwezigheid ter zitting wordt op verzoek van de wederpartij ook toegepast, indien de partij die niet ter zitting verscheen, heeft verzuimd aan te geven dat hij zich laat vertegenwoordigen. (artikel 135, leden 4 en 5). In dit geval kan de niet-verschenen partij haar verzuim herstellen tot aan de uitspraak van de rechter.

13. Als de termijn is verstreken, welke rechtsmiddelen hebben de niet-verschenen partijen?

In het geval aan een partij of haar vertegenwoordiger niet kan worden verweten dat deze partij of haar vertegenwoordiger niet ter zitting verschijnt of een termijn overschrijdt, kunnen de gevolgen van het verzuim - met uitzondering van de hieronder genoemde gevallen - door middel van een rechtvaardigingsgrond worden hersteld. Er is geen sprake van een rechtvaardigingsgrond indien:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. de wet uitsluit dat rechtvaardiging mogelijk is;
  2. de gevolgen van verzuim kunnen worden voorkomen zonder het inroepen van een rechtvaardigingsgrond of indien het verzuim geen enkel nadeel met zich meebrengt dat in een vonnis tot uitdrukking komt;
  3. de partij verzuimt om de volgende uiterste datum in acht te nemen die is gesteld naar aanleiding van het verzoek tot verlenging, en
  4. de eiser geen rechtvaardigingsgrond heeft in het geval van een vordering tot opheffing van beslag.

Krachtens het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan alleen verzuim door overmacht, oftewel onbedoeld verzuim, door middel van een rechtvaardigingsgrond worden hersteld. Onschuld houdt in dat er geen sprake is van verwijtbaarheid. Verzuim als gevolg van onachtzaamheid of onzorgvuldigheid kan derhalve wel degelijk aan iemands eigen schuld worden geweten. De eis van billijkheid van het vonnis volgens artikel 109, lid 3 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, kan echter in voorkomende gevallen op deze strikte bepaling een uitzondering vormen.

Verzoekschriften tot verlenging kunnen binnen vijftien dagen worden ingediend. De termijn begint te lopen vanaf de gemiste sluitingsdatum of vanaf de laatste dag van de gemiste termijn. Indien een partij of haar vertegenwoordiger zich echter op een latere datum bewust wordt van het verzuim of indien het beletsel op een latere datum is opgeheven, begint de termijn voor indiening van een verzoek tot verlenging te lopen op het moment van kennisneming of opheffing van het beletsel. Na het verstrijken van drie maanden vanaf het intreden van het verzuim kan geen verzoek tot verlenging meer worden ingediend. In het verzoekschrift tot verlenging dient de oorzaak van het verzuim te worden vermeld, alsmede de omstandigheden die het aannemelijk maken dat het verzuim onopzettelijk is. In geval van verzuim om de termijn te halen dient bij het indienen van het verzoekschrift tot verlenging eveneens de verzuimde handeling te worden verricht.

Verzoekschriften tot verlenging hebben geen opschortende werking voor de procedure en evenmin voor de tenuitvoerlegging. Indien het echter voldoende waarschijnlijk is dat het verzoek tot verlenging zal worden toegewezen, kan de rechter ambtshalve en zonder de wederpartij te horen de procedure of de tenuitvoerlegging van de beslissing opschorten.

Het verzoek tot verlenging wordt behandeld door het gerecht waar de zaak waarin het verzuim zich voordeed aanhangig was. In het geval van het te laat instellen van beroep wordt het verzoek behandeld door het gerecht van tweede aanleg. Indien een verzoek tot verlenging door de rechter wordt toegewezen, wordt de handeling die alsnog door de in verzuim zijnde partij is verricht, geacht tijdig te zijn verricht en wordt opnieuw een zittingsdag bepaald. Er is eveneens een beslissing nodig over de vraag of de uitspraak op basis van de gemiste zitting dient te worden aangehouden dan wel geheel of gedeeltelijk vernietigd moet worden in verband met de uitkomst van de opnieuw geplande zitting.

« Procestermijnen - Algemene informatie | Hongarije - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 30-10-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk