Rechtsorde
Organisatie van de rechtspraak
Juridische beroepen
Rechtsbijstand
Bevoegdheid van de rechtbanken
Aanhangigmaking van zaken bij de rechter
Procestermijnen
Toepasselijk recht
Betekening en kennisgeving van stukken
Verkrijging van bewijs en bewijsvoering
Voorlopige en bewarende maatregelen
Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Vereenvoudigde procedures en spoedprocedures
Echtscheiding
Ouderlijke verantwoordelijkheid
Alimentatie-
Faillissement
Alternatieve wijzen van geschillenbeslechting
Schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
Geautomatiseerde verwerking
Ouderlijk gezag houdt in de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van het kind. De ouder met gezag heeft het recht en de plicht om het kind zelf op te voeden. Hierbij hoort dat de ouder met gezag belangrijke beslissingen in het leven van het kind neemt, zoals waar het kind woont en naar welke school het gaat. De minderjarige krijgt naarmate hij ouder wordt wèl een steeds grotere eigen verantwoordelijkheid met een daarbij behorende beslissingsbevoegdheid op bepaalde terreinen, zoals bijvoorbeeld besteding van zijn geld en het sluiten van arbeidscontracten.
De ouder met gezag is de wettelijke vertegenwoordiger van het kind. Minderjarige kinderen mogen in veel gevallen niet zelfstandig officiële handelingen verrichten, zoals bijvoorbeeld het voeren van juridische processen of het zetten van een handtekening op de aanvraag van een paspoort. Degene die het gezag uitoefent doet dit dan voor of namens het kind.
De wettelijk vertegenwoordiger is in beginsel tot het kind 16 jaar is, ook aansprakelijk voor het doen en laten van het kind, bijvoorbeeld als het schade berokkent.
Degene die het gezag uitoefent beheert het geld en de goederen van het kind, afgezien van door de minderjarige zelf te besteden zakgelden en eventueel loon.
De ouder met gezag is, net als de ouder zonder gezag, onderhoudsplichtig tot drie jaar na de meerderjarigheid op 18-jarige leeftijd, dus totdat het kind 21 jaar wordt.Het (ouderlijk) gezag kan ook uitgeoefend worden door een niet-ouder, daarom is het beter te spreken van “gezag over een minderjarige”. In Nederland staan alle minderjarigen onder gezag. Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag of voogdij. Het Nederlandse recht kent de volgende begrippen.
Ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door twee ouders gezamenlijk of door één ouder.
Gezamenlijk gezag wordt uitgeoefend door een ouder en een niet-ouder samen. Dit kan bijvoorbeeld de vriend of vriendin van de ouder zijn die het kind samen met de ouder verzorgt en opvoedt. Gezamenlijk gezag kan ook uitgeoefend worden door de ouder samen met de verzorger (pleegouder) van het kind.
Als een ander dan de ouder(s) het gezag uitoefent, wordt dit voogdij genoemd.
Voogdij is gezag dat wordt uitgeoefend door één voogd. Deze voogd is altijd een niet-ouder. De voogdij kan ook berusten bij een voogdij-instelling.
Gezamenlijke voogdij Gezag dat wordt uitgeoefend door de voogd en zijn of haar partner. Het gaat hier om twee niet-ouders. Een voogdij-instelling kan niet samen met een ander de voogdij uitoefenen.
Ouders, niet-ouders
Met ouders bedoelen we in dit verband de moeder en de vader volgens de wet. In het dagelijks spraakgebruik bedoelen we met ouders meestal de biologische moeder en vader; dat zijn niet altijd de ouders in de zin van de wet.
De moeder van het kind is de vrouw
- uit wie het kind is geboren;
- die het kind heeft geadopteerd.
De vader van het kind is in ieder geval:
- de echtgenoot van de moeder, als de moeder wanneer het kind wordt geboren, getrouwd is;
- de man die het kind heeft erkend of geadopteerd.
- de man wiens vaderschap door de rechter is vastgesteld.
De ouders van het kind zijn de moeder en de vader zoals hierboven omschreven.
De niet-ouders zijn de partners van een van de ouders of de voogd(en).
Normaal gesproken kunnen drie situaties worden onderscheiden.
Gehuwde ouders/geregistreerde partners
Uitgangspunt is dat de ouders gedurende het huwelijk het gezag over hun minderjarige kinderen samen uitoefenen. Dit begint van rechtswege (dat wil zeggen automatisch) bij de geboorte van het kind (artikel 1: 251 lid 1 BW). Ook ouders die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan hebben vanaf de geboorte van het kind automatisch samen het gezag. Voorwaarde is wel dat de mannelijke partner het kind heeft erkend (artikel 1: 253aa BW).
Ongehuwde ouders
Ongehuwde ouders kunnen samen het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Dit gaat niet van rechtswege: zij moeten daar om vragen (zie vraag 5).
Ongehuwde moeder
De ongehuwde moeder krijgt van rechtswege bij de geboorte het gezag over het kind, tenzij zij op dat moment onbevoegd was tot het uitoefenen van het gezag, bijvoorbeeld wanneer zij nog minderjarig is.
Dit is inderdaad mogelijk. Er zijn verschillende situaties.
Als beide ouders, die samen het gezag over het kind hebben, tijdelijk niet in staat zijn om het gezag uit te oefenen, bijvoorbeeld door het vertrek naar het buitenland, óf als de woonplaats van de ouders met gezag onbekend is, dan kan door de rechter een (tijdelijke) voogd benoemd worden. Dit is dus een derde. Vaak wordt er binnen de familie- en kennissenkring gekeken wie bereid is om de voogdij op zich te nemen. Ook is het mogelijk dat een voogdij-instelling met de voogdij wordt belast. Het gezag is dan geschorst.
Wanneer het gezag wordt uitgeoefend door één ouder en deze is tijdelijk niet in staat om het gezag uit te oefenen, bijv. door een langdurige opname in een psychiatrische inrichting, dan belast de rechter de ándere ouder met het gezag. Wanneer de rechter vreest dat de belangen van de minderjarige door die andere ouder ernstig worden verwaarloosd, benoemt hij (in plaats van die andere ouder) een voogd. Ook in deze situatie is het gezag geschorst.
Als de beide ouders met het ouderlijk gezag zijn belast en één van hen komt te overlijden, dan houdt de overlevende ouder alleen het gezag. Dit gebeurt op grond van de wet. Een rechterlijke beslissing is dus niet nodig. Als een ouder en een niet-ouder het gezamenlijk gezag uitoefenen en de ouder overlijdt, dan houdt de niet-ouder het gezag in de vorm van voogdij.
Ook na het overlijden van één ouder met gezag kan er een voogd benoemd worden. Dit gebeurt alléén als de andere ouder niet in staat of bereid is het gezag uit te oefenen, of indien het tegen het belang van het kind zou zijn als de andere ouder met het gezag belast wordt.
Verder bestaan er bepaalde maatregelen ter bescherming van minderjarigen. Dit zijn de ontheffing van het gezag en de ontzetting uit het gezag. Een minder zware maatregel is de ondertoezichtstelling.
Een ondertoezichtstelling is een gezagsbeperkende maatregel. De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling. Dit gebeurt wanneer de belangen van het kind of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd. De ouders houden het gezag, maar zij worden in de uitoefening daarvan beperkt. Het kind blijft in beginsel wel in het gezin wonen. De gezinsvoogdij-instelling houdt toezicht op het kind en biedt hulp en steun aan de ouders. De gezinsvoogdij-instelling kan hierbij schriftelijke aanwijzingen geven aan ouders en kind, die deze aanwijzingen moeten opvolgen.
De ontheffing wordt uitgesproken op grond van het feit dat een ouder ongeschikt of niet in staat is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen (artikel 1: 268 BW). De rechtbank kan een ouder van het gezag over een of meer kinderen ontheffen mits het belang van het kind of de kinderen zich daartegen niet verzet. Een ontheffing kan in beginsel alleen uitgesproken worden als de ouder hieraan mee werkt (vrijwillige ontheffing). In een aantal gevallen is een gedwongen ontheffing mogelijk, bijvoorbeeld wanneer een voorafgaande ondertoezichtstelling is mislukt.
Ontzetting uit het gezag over een of meer kinderen kan wordt uitgesproken op grond van ernstig laakbaar gedrag, bijvoorbeeld misbruik van het gezag, grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van het kind. Deze kinderbeschermingsmaatregel wordt zelden en slechts in heel ernstige situaties uitgesproken.
Ook na een scheiding blijven de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, als zij dat tijdens het huwelijk ook al deden. Dit hoeft niet door de rechter te worden geregeld. Dit betekent niet dat zij daadwerkelijk samen voor het kind moeten blijven zorgen. Ook één van de ouders kan dit doen. Wel moeten zij dan belangrijke beslissingen over het kind samen nemen. Slechts in uitzonderingsgevallen zullen de ouders na de echtscheiding het gezamenlijk gezag niet uitoefenen. De rechter moet hierover beslissen. Het verzoek tot gezag door slechts één ouder kan worden gedaan door beide ouders of door één van hen. Als zo’n verzoek om het gezag aan één van de ouders toe te wijzen wordt gedaan, bepaalt de rechter welke ouder voortaan het gezag uitoefent. Zijn er meer kinderen, dan wordt dit voor ieder kind afzonderlijk bepaald. Hoe de beslissing van de rechter uitvalt, hangt vanzelfsprekend af van de situatie. Slechts als de rechter van oordeel is dat het in het belang van het kind is, zal hij het verzoek toewijzen. Als de ouders (of een van hen) het niet eens zijn met de beslissing van de rechter kunnen zij in hoger beroep gaan. Zowel voor de procedure bij de rechtbank als voor hoger beroep hebben zij een advocaat nodig.
Belang van het kind
In alle gevallen gaat de rechter bij zijn beslissing uit van het belang van het kind. Als het kind 12 jaar of ouder is, zal de rechter het kind altijd in de gelegenheid moeten stellen zijn mening te geven.
Alimentatie
Als de ouders na de scheiding samen het gezag blijven uitoefenen, is het de bedoeling dat zij samen afspraken maken over de financiën. Zij kunnen de rechter vragen deze afspraken vast te leggen. Komen ze er niet uit, dan kan de rechter een bijdrage vaststellen. Krijgt een van de ouders het gezag, dan gaat de rechter op verzoek na hoeveel de andere ouder moet bijdragen in de kosten voor de kinderen. De ouders moeten in beginsel zelf de betaling regelen.
Meer informatie over dit onderwerp vindt u in de Factsheet Alimentatie en op de website van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (www.lbio.nl).
Meestal krijgen de ouders meteen bij de geboorte het gezag en hoeven zij hiervoor niets te doen. De ongehuwde moeder krijgt in elk geval (tenzij zij minderjarig is of onder curatele staat) bij de geboorte van haar kind het gezag. Zie vraag 2.
Als de ouders niet met elkaar gehuwd zijn of niet geregistreerde partners zijn, dan moet het gezamenlijk ouderlijk gezag gevestigd worden. Zij kunnen op eenvoudige wijze samen aan de griffier van de rechtbank verzoeken in het gezagsregister aan te tekenen dat zij samen het gezag over het kind willen uitoefenen. Het gezagsregister is een register waarin rechtsfeiten met betrekking tot het gezag over minderjarigen worden aangetekend. Het gezagsregister wordt gehouden bij de rechtbank. Voor minderjarigen die buiten Nederland zijn geboren of van wie de woonplaats onbekend is, worden deze feiten geregistreerd in het gezagsregister van de rechtbank in Amsterdam.
Bij het verzoek van beide ouders moet worden gevoegd een uittreksel uit het geboorteregister waaruit voor de griffier blijkt dat het verzoek wordt gedaan door de moeder en de juridische vader. De griffier kan alleen in bepaalde gevallen weigeren zo’n aantekening te maken, bijvoorbeeld wanneer één van de ouders onbevoegd is het gezag uit te oefenen omdat hij minderjarig is.
Als het gaat om het verkrijgen van gezamenlijk gezag van een ouder samen met een niet-ouder, dan beslist de rechter op hun verzoek. Zie verder vraag 10.
Het is mogelijk buiten de rechter om een bemiddelaar in te schakelen.
Indien ouders die gezamenlijk het gezag hebben het ook op deze manier niet eens kunnen worden over een zaak die de verzorging en opvoeding betreft, kunnen zij het conflict aan de rechter voorleggen. Als het de rechter niet lukt om de ouders op één lijn te krijgen, zal hij een beslissing nemen die hij in het belang van het kind het beste vindt. Hij kan daarbij aansluiting zoeken bij de wens van één van de ouders, maar ook een eigen oplossing geven.
Als ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, kunnen zij geschillen op verzoek van hen beiden of van één van hen aan de rechtbank voorleggen. Dit geschil kan heel verschillende onderwerpen betreffen, zoals bijvoorbeeld waar het kind zou moeten wonen, naar welke school het dient te gaan, de omgangsregeling, een medische behandeling van het kind waar de ouders verschillend over denken, de naamskeuze, de alimentatie enz.. Een minderjarige van 12 jaar en ouder wordt, tenzij het over de alimentatie gaat, door de rechter gehoord.
Ook kan een kind zelf aan de rechter verzoeken om het benoemen van een bijzondere curator als zijn belangen in strijd komen met de belangen van de ouders. De bijzondere curator kan dan bemiddelen en in rechte optreden voor het kind.
De ouder die het gezag heeft over het kind, is verplicht de ouder die niet met het gezag belast is op de hoogte te houden van belangrijke zaken aangaande de persoon en het vermogen van het kind. De ouder zonder gezag heeft dus recht op informatie over het kind. De niet met het gezag belaste ouder heeft onder bepaalde voorwaarden, ook recht op informatie van derden over het kind.
De ouder met gezag dient de ouder zonder gezag te raadplegen over het nemen van belangrijke beslissingen die het kind betreffen, zoals de schoolkeuze.
Als het geven van informatie of het raadplegen van de ouder zonder gezag schadelijk geacht wordt voor het kind kan de rechter de ouder met gezag ontheffen van deze plicht. Ook is het mogelijk dat de rechter op verzoek van een ouder een regeling betreffende de consultatie en het geven van informatie vaststelt.
Het betekent dat de ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en verzorging van de kinderen. Zie ook vraag 1.
Bij welke rechtbank moet het verzoek worden ingediend?
Het verzoek moet worden ingediend bij de rechtbank binnen welks rechtsgebied degene woont die het gezag over het kind heeft. In de Europese gerechtelijke atlas op deze website vindt u de rechtbank (en zijn adres) die bevoegd is voor de desbetreffende woonplaats. Is het kind niet in Nederland geboren of is de geboorteplaats van het kind onbekend, dan moeten de ouders hun verzoek indienen bij de griffie van de rechtbank in Amsterdam.
Hoe ziet zo’n verzoek eruit?
De ongehuwde ouders kunnen bij de griffie van elke rechtbank een formulier ‘tot het uitoefenen van gezamenlijk gezag’ halen. Dit leveren zij ingevuld weer in bij de juiste rechtbank, samen met een aantal ‘bewijsstukken’ (bijvoorbeeld om de meerderjarigheid van de verzoeker) aan te tonen. De griffier kijkt of aan alle voorwaarden is voldaan.
Voorwaarden
De belangrijkste voorwaarden zijn:
- Het verzoek moet door beide ouders gezamenlijk worden gedaan (beide ouders moeten het formulier ondertekenen);
- De ouders zijn meerderjarig. Soms kan de moeder als zij ouder is dan 16 jaar en zelf voor haar kind zorgt meerderjarig worden verklaard;
- De vader heeft het kind erkend;
- De ouders zijn niet met elkaar getrouwd en zijn ook nooit met elkaar getrouwd geweest;
- Beide ouders zijn bevoegd tot het uitoefenen van het gezag.
Welke papieren moet u meenemen?
Samen met het formulier moet u meenemen:
- een afschrift van de geboorteakte van het kind;
- een geldig identiteitsbewijs van de beide ouders;
- akte van erkenning;
- een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van de ouders (dit betreft de gegevens over adres en woonplaats).
Wanneer het gaat om gezamenlijk gezag van een ouder samen met een ander dan een ouder (dus samen met een niet-ouder) dan beslist de rechter hierover. De rechterlijke beslissing wordt verkregen op gezamenlijk verzoek van de ouder die alleen het gezag heeft en de niet-ouder, bijvoorbeeld door de moeder die na echtscheiding alleen het gezag heeft en haar nieuwe vriend. Voor deze procedure hebben zij een advocaat nodig. De toekenning van het gezamenlijk gezag werkt vanaf de dag dat de beslissing van de rechter in kracht van gewijsde is gegaan.
Voorwaarden
De belangrijkste voorwaarden zijn:
- De ouder oefent alleen het gezag uit op het moment dat het verzoek wordt gedaan;
- De partner (bijvoorbeeld de nieuwe vriend van de moeder) staat in een nauwe persoonlijke relatie tot het kind;
- Het belang van het kind mag niet in gevaar komen;
Wijziging van het ouderlijk gezag
De rechter beslist over het gezag. De voorkeur gaat er naar uit dat de vader en de moeder samen met het gezag belast zijn. Als dit echter tot zodanige conflicten aanleiding geeft dat dit schadelijk is voor het kind, dan kan het gezag op verzoek van één van beide ouders of van beide ouders gewijzigd worden in de zin dat nog slechts één oude met het gezag belast is. Zo’n verzoek moet worden ingediend bij de rechtbank; men heeft hiervoor een advocaat nodig indien het gaat om een gezagswijziging na een echtscheiding. Als men nooit gehuwd is geweest kan men dit verzoek doen zonder advocaat.
De niet met gezag belaste ouder kan naderhand, als de omstandigheden wijzigen, een verzoek doen bij de rechter om hem/haar met het gezag te belasten in plaats van de andere ouder.
Het Nederlandse recht schrijft voor deze zaken een verzoekschriftprocedure voor.
In spoedeisende gevallen is een zogeheten voorlopige voorziening mogelijk. In dat geval wordt de beslissing genomen door de voorzieningenrechter van de rechtbank.
Ja, afhankelijk van het inkomen.
Ja, dat is mogelijk bij het gerechtshof. Er zijn verspreid over het land 5 gerechtshoven.
De beschikking van de rechtbank met betrekking tot het gezag is voldoende om het gezag "ten uitvoer te leggen". Dus bv. om de politie te vragen om het kind weer terug te brengen.
In Nederland dient een zogeheten exequatur (verklaring van uitvoerbaarheid) te worden verkregen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.
Hoger beroep tegen een uitspraak, gedaan in een EG-staat, kan alleen worden ingesteld bij de gerechten in het land waar de uitspraak is gedaan.
Een nieuwe uitspraak kan in Nederland worden verkregen bij de rechtbank, als deze zijn bevoegdheid kan ontlenen aan de Verordening Brussel II, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (Trb.1968, 62) of, wanneer geen van deze instrumenten van toepassing is, artikel 4 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Deze regelingen hebben als uitgangspunt dat bevoegd zijn de gerechten van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Gaat het om gezag en omgangsrecht in het kader van een echtscheidingsprocedure, dan is in bepaalde gevallen de echtscheidingsrechter bevoegd om ook over deze bijkomende verzoeken te oordelen.
Wanneer het kind in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, zal de Nederlandse rechter in beginsel het Nederlandse recht toepassen. Dit gebeurt ook wanneer het kind niet de Nederlandse nationaliteit heeft of wanneer de ouders van het kind in het buitenland wonen.
Wanneer het kind niet in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, zal de Nederlandse rechter zich onbevoegd achten om een uitspraak te doen. In een enkel uitzonderingsgeval is dit anders, bijvoorbeeld wanneer het om een Nederlands kind gaat dat op korte termijn naar Nederland zal verhuizen. Wanneer de rechter dit in het belang van het kind acht neemt hij een beslissing met betrekking tot het gezag en past daarbij het Nederlandse recht toe.
« Ouderlijke verantwoordelijkheid - Algemene informatie | Nederland - Algemene informatie »
Laatste aanpassing: 15-02-2005

