Europese Commissie > EJN > Ouderlijke verantwoordelijkheid > Gemeinscheftsrecht

Laatste aanpassing: 08-02-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Ouderlijke verantwoordelijkheid - Gemeinscheftsrecht

EJN logo

Deze pagina is vervallen. De pagina wordt bijgewerkt en verplaatst naar het Europees e-justitieportaal.


Samenwerking ter bescherming van kinderen in de Europese Unie

De Europese Unie stelt zich ten doel een klimaat van rechtszekerheid voor kinderen te scheppen door het vrije verkeer van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid binnen de Europese Unie mogelijk te maken. Dit doel is vastgelegd in het programma voor de wederzijdse erkenning van beslissingen. De eerste fase in de richting van de wederzijdse erkenning van beslissingen op het gebied van het familierecht was Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad, waarin geharmoniseerde regels waren vastgelegd betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van bepaalde beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. Sindsdien is, ingevolge een voorstel van de Commissie, een nieuwe stap gezet door de vaststelling van Verordening nr. 2201/2003 die Verordening nr. 1347/2000 vanaf 1 maart 2005 vervangt. Er is een handleiding PDF File (PDF File 674 KB) beschikbaar betreffende de toepassing van Verordening nr. 2201/2003 (“de nieuwe verordening Brussel II”), die op 1 maart 2005 van kracht is geworden. Deze handleiding is opgesteld door de diensten van de Commissie in overleg met het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.

Aangezien burgers steeds vaker van de ene lidstaat naar de andere verhuizen, neemt het aantal gevallen waarin familieleden niet dezelfde nationaliteit hebben en/of niet in dezelfde lidstaat wonen voortdurend toe. Deze maatschappelijke werkelijkheid schept de behoefte eenvormige regels vast te leggen aangaande de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.

Als eerste stap keurde de Raad op 29 mei 2000 Verordening nr. 1347/2000 van de Raad goed. Deze verordening is op 1 maart 2001 in werking getreden en was van toepassing op beslissingen die na deze datum zijn gegeven. Zij is van toepassing op beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid die in een lidstaat in het kader van een echtscheidingsprocedure waren gegeven. Als een beslissing niets te maken had met een echtscheidingsprocedure, viel zij niet onder de verordening. De verordening was wel van toepassing op beslissingen waarbij bijvoorbeeld wordt vastgesteld bij welke ouder de kinderen zouden wonen (gezagsrecht) en of de andere ouder het recht had zijn kinderen te bezoeken (omgangsrecht). (Zie "Ouderlijke verantwoordelijkheid - Algemene informatie"). Zij was niet van toepassing op beslissingen inzake onderhoudsverplichtingen die worden behandeld in een verordening van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Tot slot was de verordening alleen van toepassing op beslissingen betreffende gemeenschappelijke kinderen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De verordening was van toepassing in alle lidstaten, met uitzondering van Denemarken.

Voornaamste doelstellingen van de nieuwe verordening Brussel II

De verordening garandeert dat een beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid in een andere lidstaat via een eenvormige en eenvoudige procedure kan worden erkend en uitgevoerd. In de verordening zijn tevens eenvormige regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid vastgelegd. Er wordt een antwoord gegeven op de vragen:

  • in welke lidstaat de rechtbanken bevoegd zijn om beslissingen te geven betreffende de echtscheiding en betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.
  • hoe een beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid in een andere lidstaat wordt erkend en ten uitvoer gelegd.

Welke rechtbanken zijn bevoegd?

De rechtbanken van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, zijn bevoegd uitspraak te doen over de ouderlijke verantwoordelijkheid.

Hoe kan een beslissing in een andere lidstaat worden erkend en ten uitvoer gelegd?

Elke belanghebbende partij kan vragen dat een beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid in een andere lidstaat wordt erkend en ten uitvoer gelegd.

In de door de lidstaten meegedeelde lijst PDF File (PDF File 175 KB) wordt aangegeven bij welke rechterlijke instantie een dergelijk verzoek moet worden ingediend.

De rechtbank verklaart de beslissing onverwijld uitvoerbaar in die lidstaat. De rechtbank weigert evenwel de beslissing uitvoerbaar te verklaren wanneer:

  • dit kennelijk strijdig is met de openbare orde in die lidstaat,
  • behalve in spoedeisende gevallen, het kind niet de gelegenheid heeft gekregen te worden gehoord,
  • de persoon die beweert dat de beslissing in de weg staat aan de uitoefening van zijn of haar ouderlijke verantwoordelijkheid niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord,
  • de beslissing is genomen in afwezigheid van een partij die de documenten niet voldoende tijdig en op zodanige wijze heeft ontvangen als met het oog op zijn of haar verdediging noodzakelijk was,
  • de beslissing onverenigbaar is met een andere beslissing (onder bepaalde voorwaarden).

Een persoon die om de tenuitvoerlegging van een beslissing verzoekt, komt in aanmerking voor rechtsbijstand, wanneer hij of zij in de lidstaat van herkomst voor dergelijke bijstand in aanmerking kwam.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De Europese regeling ter bescherming van de kinderen van gescheiden ouders

In 1999 hebben de ministers van Justitie bevestigd dat het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen de hoeksteen vormt voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte. Daarnaast hebben zij het omgangsrecht als een prioriteit aangemerkt. In mei 2000 werd Verordening nr. 1347/2000 van de Raad aangenomen (zie hierboven). In aansluiting daarop werd in juli 2000 door Frankrijk een initiatief betreffende het omgangsrecht ingediend. In november 2000 werd een programma inzake de wederzijdse erkenning van beslissingen goedgekeurd, waarvan een van de actiegebieden betrekking had op beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.

In het kader van een voorstel van de Europese Commissie van mei 2002 werd op 27 november 2003 een verordening betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid vastgesteld. Door deze verordening, die vanaf 1 maart 2005 van toepassing is:

  • worden de regels inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van Verordening nr. 1347/2000 uitgebreid tot alle beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid,
  • wordt het kind het recht gewaarborgd om contacten met beide ouders te onderhouden, en
  • wordt ontvoering van kinderen door de ouders binnen de Europese Unie ontmoedigd.

Vrij verkeer van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid

Zoals hiervoor is uiteengezet, is Verordening nr. 1347/2000 van de Raad enkel van toepassing op een beperkt aantal beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. Zij is bijvoorbeeld niet van toepassing op beslissingen als de ouders ongehuwd zijn of als de beslissing is gegeven na de beëindiging van de echtscheidingsprocedure. Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen, strekt het toepassingsgebied van de nieuwe verordening zich uit tot alle beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, ongeacht of de kinderen uit het huwelijk zijn geboren of niet.

Het kind het recht waarborgen contacten met beide ouders te onderhouden

De nieuwe verordening houdt de garantie in dat elk kind na een echtscheiding contact kan houden met beide ouders, ook wanneer de ouders in verschillende lidstaten wonen. In sommige gevallen kunnen ouders ertegen gekant zijn hun kind naar een andere lidstaat te laten reizen, hoewel aan de andere ouder omgangsrecht is toegekend. Met de nieuwe tekst wordt getracht dit te voorkomen door ervoor te zorgen dat beslissingen betreffende het omgangsrecht automatisch in een andere lidstaat worden erkend en ten uitvoer gelegd. Als een moeder haar kind bijvoorbeeld niet naar een andere lidstaat laat reizen om de vader overeenkomstig de beslissing te bezoeken, kan de vader vragen dat de beslissing in de andere lidstaat ten uitvoer wordt gelegd, alsof deze in die lidstaat is gegeven. Een aanvullende procedure om de beslissing uitvoerbaar te verklaren, zoals is aangegeven in Verordening nr. 1347/2000, is dan niet langer nodig.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Ontvoering van kinderen door de ouders binnen de Europese Unie ontmoedigen

In de nieuwe verordening zijn regels vastgelegd die ten doel hebben het probleem van kinderontvoering binnen de Europese Unie op doeltreffende wijze op te lossen. Teneinde een afschrikkend effect te waarborgen, legt de nieuwe tekst de uiteindelijke beslissing bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het kind vóór de ontvoering woonde. Op die manier zullen ouders niet langer in de verleiding worden gebracht om hun kind te ontvoeren opdat de zaak aan een rechter met hun eigen nationaliteit wordt voorgelegd, in de hoop dat een in een andere lidstaat gegeven beslissing ongedaan wordt gemaakt. De rechterlijke instanties van de lidstaat waarnaar het kind is ontvoerd, zouden kunnen beslissen het kind niet meteen te doen terugkeren als dit nodig is omdat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer aan gevaar wordt blootgesteld of als het kind een bepaalde leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt en niet wil terugkeren. Het is evenwel aan de rechterlijke instanties van het land waar het kind vóór de ontvoering woonde om de definitieve beslissing in verband met de woonplaats van het kind te geven. Het kind moet tijdens de procedure worden gehoord wanneer dit gezien zijn leeftijd en mate van rijpheid gerechtvaardigd is. De centrale autoriteiten zullen de verplichting hebben de opsporing en de terugzending van het kind te garanderen. Zij verlenen ook bijstand aan de ouders die slachtoffer zijn van een ontvoering, moedigen bemiddeling aan en bevorderen de communicatie tussen de rechterlijke instanties.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Het recht van het kind om te worden gehoord is een fundamenteel recht dat is vastgelegd in artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In aangelegenheden die een kind betreffen wordt passend belang gehecht aan zijn mening in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid. In genoemd artikel is tevens bepaald dat bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

Referentiedocumenten

  • Programma van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
  • Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen
  • Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
  • Voorstel voor een Verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 en tot wijziging, wat betreft onderhoudsverplichtingen, van Verordening (EG) nr. 44/2001
  • Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
  • Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000
  • Handleiding PDF File (PDF File 674 KB)betreffende de toepassing van Verordening (EG) nr. 2201/2003 ("de nieuwe verordening Brussel II")·
  • Lijst PDF File (PDF File 175 KB) van bevoegde gerechten, gepubliceerd in PB C 40 van 17 februari 2005

« Ouderlijke verantwoordelijkheid - Algemene informatie | Gemeinscheftsrecht - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 08-02-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk