Europese Commissie > EJN > Ouderlijke verantwoordelijkheid > België

Laatste aanpassing: 15-01-2009
Printversie Voeg toe aan favorieten

Ouderlijke verantwoordelijkheid - België

EJN logo

Deze pagina is vervallen. De pagina wordt bijgewerkt en verplaatst naar het Europees e-justitieportaal.


 

INHOUDSOPGAVE

1. Wat betekent de juridische uitdrukking "ouderlijk gezag" in de praktijk? Wat zijn de rechten en plichten van de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent? 1.
2. Wie heeft over het algemeen het ouderlijk gezag over een kind? 2.
3. Als de ouders het ouderlijk gezag over hun kinderen niet kunnen of willen uitoefenen, kan dan in hun plaats een andere persoon worden aangewezen? 3.
4. Hoe wordt de kwestie van het ouderlijk gezag voor de toekomst geregeld wanneer de ouders hun huwelijk laten ontbinden of uit elkaar gaan? 4.
5. Aan welke formaliteiten moet worden voldaan om een overeenkomst tussen de ouders over het ouderlijk gezag juridisch bindend te maken? 5.
6. Wat zijn, naast de gang naar de rechter, de overige mogelijkheden om conflicten op te lossen wanneer de ouders niet tot overeenstemming kunnen komen over het ouderlijk gezag? 6.
7. Over welke kwesties met betrekking tot het kind kan het gerecht beslissen wanneer de ouders naar de rechter stappen? 7.
8. Wanneer het gerecht beslist dat een van de ouders het ouderlijk gezag over een kind heeft, betekent dat dan ook dat hij kan beslissen over alle kwesties met betrekking tot het kind, zonder eerst te overleggen met de andere ouder? 8.
9. Wat betekent het in de praktijk wanneer het gerecht beslist dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over een kind hebben? 9.
10. Tot welk gerecht of welke instantie moet ik me wenden om een verzoek in te dienen met betrekking tot het ouderlijk gezag? Welke formaliteiten moeten in acht worden genomen en welke stukken moet ik bijvoegen bij mijn verzoek? 10.
11. Welke procedure is in deze gevallen van toepassing? Is er ook een spoedprocedure? 11.
12. Kan ik in aanmerking komen voor rechtsbijstand om de kosten van de procedure te dekken? 12.
13. Is het mogelijk beroep in te stellen tegen een beslissing met betrekking tot het ouderlijk gezag? 13.
14. In bepaalde gevallen kan het noodzakelijk zijn dat men zich richt tot een gerecht of een andere instantie om een beslissing over het ouderlijk gezag ten uitvoer te leggen. Welke procedure is in dergelijke gevallen van toepassing? 14.
15. Wat moet ik doen om te bewerkstelligen dat een beslissing over het ouderlijk gezag die in een andere lidstaat is gegeven, in België wordt erkend en ten uitvoer wordt gelegd? Welke procedure is in dergelijke gevallen van toepassing? 15.
16. Tot welk gerecht in België moet ik mij wenden om beroep in te stellen tegen de erkenning van een beslissing over het ouderlijk gezag die door een gerecht in een andere EU lidstaat is gegeven? Welke procedure is in deze gevallen van toepassing? 16.
17. Welk recht is in een procedure over het ouderlijk gezag van toepassing wanneer het kind of de partijen niet in België wonen of een verschillende nationaliteit hebben? 17.

 

1. Wat betekent de juridische uitdrukking "ouderlijk gezag" in de praktijk? Wat zijn de rechten en plichten van de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent?

De belangrijkste regels inzake ouderlijk gezag zijn opgenomen in de artikelen 371 tot en met 387 ter van het burgerlijk wetboek. In artikel 203, lid 1, van het burgerlijk wetboek wordt ook verwezen naar een aantal verplichtingen van de ouders (huisvesting, levensonderhoud, toezicht, opvoeding en opleiding – deze laatste verplichting kan doorlopen na de meerderjarigheid van het kind).

Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid (18 jaar) of zijn ontvoogding. Wat de verschillende aan het ouderlijk gezag verbonden bevoegdheden betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen het gezag over de persoon van het kind, het beheer van de goederen van het kind en tot slot bepaalde prerogatieven van het ouderlijk gezag. Het gezag over de persoon van het kind is onderverdeeld in het "recht van bewaring" (met het kind "samenwonen", d.w.z. de zorg voor het kind, het toezicht op het kind, de opvoedkundige beslissingen die verband houden met de aanwezigheid van het kind bij de betrokken persoon) en het "opvoedingsrecht" (d.w.z. beslissingen met betrekking tot het levensonderhoud, het onderwijs en de opleiding van het kind). Wat het beheer van de goederen van het kind betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen het recht op wettelijk beheer en het recht op wettelijk genot. Wat tot slot de bijzondere prerogatieven betreft, kan worden verwezen naar de bevoegdheden van de ouders inzake het huwelijk, de adoptie en de ontvoogding van het kind.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

2. Wie heeft over het algemeen het ouderlijk gezag over een kind?

Het ouderlijk gezag over de persoon van het minderjarige kind wordt normaliter gezamenlijk uitgeoefend door beide ouders van het kind. Wanneer de afstamming ten aanzien van beide ouders is vastgesteld, oefenen zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, ongeacht of zij samenwonen of niet, en ongeacht of zij gehuwd zijn of niet (de artikelen 373 en 374 van het burgerlijk wetboek).

Indien de afstamming niet is vastgesteld ten aanzien van een van de ouders of indien een van de ouders overleden is of afwezig is dan wel in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven, oefent de andere ouder dat gezag alleen uit.

In sommige gevallen kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag echter uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.

3. Als de ouders het ouderlijk gezag over hun kinderen niet kunnen of willen uitoefenen, kan dan in hun plaats een andere persoon worden aangewezen?

Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer de bereikte overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders; de andere ouder onderhoudt op de door de rechter bepaalde wijze persoonlijk contact met het kind en behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Indien er van beide ouders geen overblijft die in staat is het ouderlijk gezag uit te oefenen, moet een voogdijregeling worden uitgewerkt (artikel 375 van het burgerlijk wetboek).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

4. Hoe wordt de kwestie van het ouderlijk gezag voor de toekomst geregeld wanneer de ouders hun huwelijk laten ontbinden of uit elkaar gaan?

De scheiding of echtscheiding van de ouders heeft in beginsel - het is immers wel mogelijk dat het ouderlijk gezag als gevolg van de scheiding niet meer gezamenlijk kan worden uitgeoefend - geen gevolgen voor de regels inzake het overgaan van het ouderlijk gezag. Overeenkomstig het desbetreffende juridische beginsel wordt het ouderlijk gezag gezamenlijk uitgeoefend door elk van beide ouders van het kind (zie punt 2). Conform artikel 374 van het burgerlijk wetboek en wanneer de in dat artikel genoemde omstandigheden voorhanden zijn, kan de rechter echter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders (zie punt 3).

De ouders kunnen uiteraard zelf een overeenkomst sluiten over de wijze waarop het ouderlijk gezag zal worden uitgeoefend, rekening houdend met het belang van het kind.

Er moet overeenstemming worden bereikt over de wijze waarop het kind wordt gehuisvest, over de plaats waar het in de bevolkingsregisters wordt ingeschreven, en over de wijze waarop de ouders bijdragen aan het onderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind.

5. Aan welke formaliteiten moet worden voldaan om een overeenkomst tussen de ouders over het ouderlijk gezag juridisch bindend te maken?

De partijen zijn niet verplicht voor de rechter te verschijnen en kunnen een onderhandse overeenkomst sluiten ter regeling van het ouderlijk gezag. Indien zij deze overeenkomst willen laten uitvoeren, moeten zij haar wel voorleggen aan de bevoegde rechter, die zal nagaan of het belang van het kind in acht is genomen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Zij wenden zich, afhankelijk van het geval en van het soort scheiding, tot de vrederechter, die dringende voorlopige maatregelen betreffende de voorlopige scheiding van de echtgenoten of de wettelijk samenwonenden beveelt (de artikelen 223 en 1479 van het burgerlijk wetboek) of tot de jeugdrechtbank, die alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag oplegt (artikel 387 bis van het burgerlijk wetboek), of ook tot de rechtbank van eerste aanleg of de rechter waarbij de echtscheidingsprocedure van de partijen aanhangig is.

In het geval van echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting (zie het thema "Echtscheiding - België") kunnen de partijen de rechter op elk ogenblik verzoeken hun overeenkomst over de voorlopige maatregelen met betrekking tot het kind te homologeren. De rechter kan weigeren de overeenkomst te homologeren als deze in strijd is met het belang van het kind. Bij gebrek aan een overeenkomst of in geval van een gedeeltelijke overeenkomst is de kortgedingrechter bevoegd. De partijen kunnen zich ook rechtstreeks tot de kortgedingrechter wenden. Na de echtscheiding worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door degene aan wie ze werden toevertrouwd conform eerdere beschikkingen, onverminderd de mogelijkheid van de jeugdrechtbank om, op verzoek van beide ouders of van één van hen, dan wel van de procureur des Konings, alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag te wijzigen.

In het geval van echtscheiding door onderlinge toestemming (zie het thema "Echtscheiding - België") moeten de partijen vooraf overeenstemming bereiken over de maatregelen betreffende het ouderlijk gezag (uitoefening van het ouderlijk gezag, recht op persoonlijk contact, beheer van de goederen van het kind) alsook over de bijdrage van elk van hen aan het onderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind, zowel gedurende de proeftijd als na de echtscheiding. De procureur des Konings brengt advies uit en de rechter kan bepalingen die strijdig zijn met de belangen van het minderjarige kind laten schrappen of wijzigen. De rechter spreekt de echtscheiding uit en homologeert de overeenkomsten met betrekking tot het minderjarige kind.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

6. Wat zijn, naast de gang naar de rechter, de overige mogelijkheden om conflicten op te lossen wanneer de ouders niet tot overeenstemming kunnen komen over het ouderlijk gezag?

De reeds geadieerde rechter kan de partijen voorstellen om met hun instemming een beroep te doen op bemiddeling in familiezaken of de partijen kunnen daarom zelf verzoeken (artikel 1734 van het gerechtelijk wetboek). De bemiddelaar tracht een volledig of gedeeltelijk akkoord te bereiken. De rechter kan de homologatie van het akkoord alleen weigeren indien het strijdig is met de openbare orde of indien het akkoord dat werd bereikt na een bemiddeling in familiezaken strijdig is met het belang van het kind. Elke partij mag, onverminderd elke gerechtelijke procedure, ook voorstellen om een beroep te doen op de bemiddelingsprocedure (artikel 1730 van het gerechtelijk wetboek). Een door een erkende bemiddelaar bereikt akkoord kan onder de bovengenoemde voorwaarden ook worden gehomologeerd.

Tot slot kunnen de partijen ook deskundigen (sociaal assistent, psycholoog, jeugdpsychiater) raadplegen met het oog op een weloverwogen advies; ook kunnen zij in het kader van de gerechtelijke procedure om de aanstelling van een deskundige verzoeken. In het kader van die procedure kan de procureur des Konings, door bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, alle dienstige inlichtingen over het kind inwinnen; de rechter houdt ook rekening met de mening van het kind (artikel 931 van het gerechtelijk wetboek).

7. Over welke kwesties met betrekking tot het kind kan het gerecht beslissen wanneer de ouders naar de rechter stappen?

De rechter moet zich uitspreken over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Daarbij wordt uiteraard rekening gehouden met de wensen van de ouders en van het kind (voor zover het kind de daartoe vereiste leeftijd heeft), en met de concrete situatie en omstandigheden. Wanneer de ouders geen overeenstemming kunnen bereiken over het kind (huisvesting van het kind, belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding, zijn ontspanning, en godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes) of wanneer de bereikte overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders. Deze rechter kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen. Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Deze ouder kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.

In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in de bevolkingsregisters wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.

De rechter zal zich soms ook moeten uitspreken over de wijze waarop wordt bijgedragen aan het onderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind.

De partijen kunnen de rechter ook vragen zich uit te spreken over specifieke kwesties zoals de vakantieregeling voor het kind, de verdeling van bepaalde kosten, de inschrijving in een school, enz. Hierover wordt op ad hoc basis beslist.

8. Wanneer het gerecht beslist dat een van de ouders het ouderlijk gezag over een kind heeft, betekent dat dan ook dat hij kan beslissen over alle kwesties met betrekking tot het kind, zonder eerst te overleggen met de andere ouder?

Het feit dat het ouderlijk gezag uitsluitend aan een van de ouders is opgedragen, verleent die ouder geen blanco cheque met betrekking tot de beslissingen over het kind. Er moet worden nagegaan wat er concreet is afgesproken. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind (zie punt 7). Wanneer een ouder met het kind verhuist zonder de andere ouder daarvan in kennis te stellen, kan dit gevolgen hebben voor de huisvesting van het kind, voor het omgangsrecht, enz. In dat geval kan de niet in kennis gestelde ouder of de ouder die niet akkoord is zich tot de jeugdrechter wenden (de artikelen 374 en 387 bis van het burgerlijk wetboek) of in geval van spoedeisendheid tot de kortgedingrechter (artikel 584 van het gerechtelijk wetboek).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

9. Wat betekent het in de praktijk wanneer het gerecht beslist dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over een kind hebben?

Dat wil zeggen dat zij elk het ouderlijk gezag uitoefenen en blijven uitoefenen (het recht van "bewaring" van het kind, het opvoedingsrecht, het recht op wettelijk beheer en op wettelijk genot van de goederen van het kind) en dat een beslissing die de uitoefening van het ouderlijk gezag door een ouder zou belemmeren niet door de andere ouder alleen mag worden genomen. Hij moet dus de instemming van de andere ouder verkrijgen en anders mag hij niet handelen. Wat bijvoorbeeld de "bewaring" van het kind betreft, neemt de ouder waarbij het kind verblijft echter de beslissingen over de tijdsbesteding van het kind, over de beleefdheidsregels, enz. Ten opzichte van derden (te goeder trouw) wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met het ouderlijk gezag verband houdt (artikel 373 van het burgerlijk wetboek).

10. Tot welk gerecht of welke instantie moet ik me wenden om een verzoek in te dienen met betrekking tot het ouderlijk gezag? Welke formaliteiten moeten in acht worden genomen en welke stukken moet ik bijvoegen bij mijn verzoek?

Dit verschilt van geval tot geval (zie punt 5). Het kan gaan om de jeugdrechtbank (artikel 387 bis van het burgerlijk wetboek) - meer bepaald de jeugdrechtbank van de woonplaats van het kind -; de vrederechter (de artikelen 223 en 1479 van het burgerlijk wetboek en artikel 594, punt 19, van het gerechtelijk wetboek, de vrederechter is ook bevoegd inzake de voogdij van minderjarigen - artikel 594, punt 6, van het gerechtelijk wetboek); de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding, in het kader van een echtscheiding (artikel 1280 van het gerechtelijk wetboek), of de echtscheidingsrechter. Afhankelijk van het geval wordt het verzoek ingediend bij verzoekschrift of dagvaarding. Afhankelijk van de ingestelde vordering, moeten bepaalde stukken bij het verzoek worden gevoegd.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

11. Welke procedure is in deze gevallen van toepassing? Is er ook een spoedprocedure?

De rechter beslist op verzoek van de partijen. De minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, kan in elk geding dat hem betreft, op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter, worden gehoord (artikel 931 van het gerechtelijk wetboek). Er kan om toepassing van een spoedprocedure worden verzocht bij de voorzitter van de rechtbank, die uitspraak doet bij voorraad (artikel 584 van het gerechtelijk wetboek).

12. Kan ik in aanmerking komen voor rechtsbijstand om de kosten van de procedure te dekken?

De regeling van het gemene recht is van toepassing (zie thema "Rechtsbijstand - België").

13. Is het mogelijk beroep in te stellen tegen een beslissing met betrekking tot het ouderlijk gezag?

Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming hebben de partijen overeenstemming bereikt over de wijze waarop het ouderlijk gezag zal worden uitgeoefend, heeft de procureur des Konings advies uitgebracht, en heeft de rechter de overeenkomsten gehomologeerd en de echtscheiding uitgesproken; in beginsel zal er dan dus geen beroep worden ingesteld.

Tegen beslissingen inzake ouderlijk gezag kan beroep worden ingesteld binnen een termijn van (gewoonlijk) een maand. Deze termijn gaat in op de datum van betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan (beroep tegen een beschikking op eenzijdig verzoekschrift). Soms gaat de termijn in op de datum van de uitspraak van het vonnis (bijvoorbeeld beroep van het openbaar ministerie).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

14. In bepaalde gevallen kan het noodzakelijk zijn dat men zich richt tot een gerecht of een andere instantie om een beslissing over het ouderlijk gezag ten uitvoer te leggen. Welke procedure is in dergelijke gevallen van toepassing?

De rechter die heeft beslist gedurende welke periodes het kind wordt gehuisvest bij een van beide ouders of die het omgangsrecht van een ouder of zelfs een derde heeft geregeld, is bevoegd om later dwangmaatregelen ter uitvoering van zijn beslissing vast te stellen (voor zover de zaak later niet bij een andere rechter aanhangig is gemaakt). Hij bepaalt de aard van deze maatregelen en de nadere regels betreffende de uitoefening ervan, rekening houdend met het belang van het kind en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing. De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de te nemen beslissing zal worden nageleefd.

Op welke wijze de zaak bij de rechter aanhangig moet worden gemaakt, hangt af van de vraag welke rechter bevoegd is voor de uitvoering van de beslissing (bij de jeugdrechter of de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg: neerlegging van conclusies of brief aan de griffie; bij de vrederechter of de jeugdrechter in het geval van schending van overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming: een verzoekschrift op tegenspraak, en in het geval van uiterste noodzaak: een eenzijdig verzoekschrift). De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad. De inschrijving van het verzoekschrift is kosteloos.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

15. Wat moet ik doen om te bewerkstelligen dat een beslissing over het ouderlijk gezag die in een andere lidstaat is gegeven, in België wordt erkend en ten uitvoer wordt gelegd? Welke procedure is in dergelijke gevallen van toepassing?

Sinds 1 maart 2005 worden alle in de lidstaten (met uitzondering van Denemarken) gegeven beslissingen inzake ouderlijk gezag krachtens Verordening (EG) nr. 2201/2003 ("Brussel II bis") in beginsel van rechtswege erkend. Wat de tenuitvoerlegging van beslissingen betreft - met uitzondering van beslissingen inzake omgangsrecht en inzake terugkeer van ontvoerde kinderen –, moet een aanvraag tot uitvoerbaarverklaring worden ingediend bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die uitspraak doet naar de vormen van het kortgeding.

Deze vereenvoudigde procedure geldt echter niet voor beslissingen die vóór die datum zijn gegeven buiten het kader van een echtscheidingsprocedure. In dat geval moet de gewone procedure inzake erkenning en tenuitvoerlegging worden gevolgd.

16. Tot welk gerecht in België moet ik mij wenden om beroep in te stellen tegen de erkenning van een beslissing over het ouderlijk gezag die door een gerecht in een andere EU lidstaat is gegeven? Welke procedure is in deze gevallen van toepassing?

Elke belanghebbende kan zich bij de rechtbank van eerste aanleg verzetten tegen de erkenning van een in het buitenland gegeven beslissing. Deze rechterlijke instantie kan haar uitspraak aanhouden wanneer in het land van herkomst beroep is ingesteld tegen de betrokken beslissing.

17. Welk recht is in een procedure over het ouderlijk gezag van toepassing wanneer het kind of de partijen niet in België wonen of een verschillende nationaliteit hebben?

De Belgische rechterlijke instanties passen in beginsel het recht van de gewone verblijfplaats van het kind toe.

Indien dit recht niet de mogelijkheid biedt de bescherming te waarborgen die de betrokken persoon of diens goederen vereisen, wordt echter het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit heeft toegepast. Het Belgisch recht is van toepassing indien het materieel of juridisch onmogelijk blijkt om de maatregelen te nemen waarin het toepasselijk buitenlands recht voorziet.

Nadere inlichtingen

Weblink: http://www.juridat.be/pyramide_nl2.php

« Ouderlijke verantwoordelijkheid - Algemene informatie | België - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 15-01-2009

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk