Europese Commissie > EJN > Organisatie van de rechtspraak > België

Laatste aanpassing: 30-07-2004
Printversie Voeg toe aan favorieten

Organisatie van de rechtspraak - België

Dit informatieblad bestaat uit drie grote delen. Na een algemene inleiding over de organisatie van de rechterlijke macht in België in het eerste deel volgt in het tweede deel een nadere beschrijving van de burgerlijke gerechten. In het laatste deel wordt in de vorm van organisatieschema's een overzicht gegeven van de verschillende niveaus van de rechterlijke macht, van het laagste gerechtelijk niveau tot de voorziening bij het Hof van Cassatie.

1. Inleiding

a) Beginselen

Voorafgaand aan het overzicht van de rechterlijke organisatie in België is het van belang enkele grondwettelijke en algemene beginselen met betrekking tot de organisatie van de rechterlijke macht uiteen te zetten.

De Grondwet [1] heeft op gelijke voet met de twee andere machten, de wetgevende macht en de uitvoerende macht, een rechterlijke macht ingesteld, die wordt uitgeoefend door de hoven en rechtbanken. De hoven en rechtbanken vormen aldus een onafhankelijke macht, naast de andere constitutionele machten.

De rechterlijke macht wordt door de gerechten uitgeoefend in het kader van constitutionele en wettelijke bepalingen.

Volgens het bepaalde in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken en behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

Artikel 146 van de Grondwet bepaalt dat geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet, en voorts dat geen buitengewone rechtbanken of commissies, onder welke benaming ook, in het leven kunnen worden geroepen.

De terechtzittingen van de rechtbanken zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden; in dit geval wordt zulks door de rechtbank bij vonnis verklaard (artikel 148, eerste lid, van de Grondwet). Het beginsel van openbaarheid van de terechtzittingen vormt onder meer een waarborg voor de transparantie van de justitie.

Elk vonnis wordt met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken (artikel 149 van de Grondwet). De in de Grondwet en in artikel 780 van het Gerechtelijk Wetboek neergelegde motiveringsplicht houden in dat de rechter moet ingaan op de argumenten, feitelijk en rechtens, in de conclusies van de partijen. De motivering moet volledig, duidelijk, nauwkeurig en adequaat zijn. Net als de onafhankelijkheid van de rechter vormt de verplichting tot motivering van de vonnissen voor de rechtzoekende een garantie tegen eventuele willekeur van de rechter; ze stelt hem tevens in staat, aan de hand van de motivering, af te wegen of hij beroep zal instellen bij de appelrechter of bij het Hof van Cassatie.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Artikel 151, § 1, van de Grondwet waarborgt zowel de onafhankelijkheid van de rechters in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden als die van het openbaar ministerie in de individuele opsporing en vervolging, onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen.

Volgens § 4 van ditzelfde artikel worden de vrederechters, de rechters in de rechtbanken, de raadsheren in de hoven en in het Hof van Cassatie door de Koning benoemd onder de voorwaarden en op de wijze bepaald bij de wet.

De rechters worden voor het leven benoemd. Zij worden in ruste gesteld op de bij de wet bepaalde leeftijd en genieten het bij de wet bepaalde pensioen. Geen rechter kan uit zijn ambt worden ontzet of worden geschorst dan door een vonnis. De overplaatsing van een rechter kan niet geschieden dan door een nieuwe benoeming en met zijn toestemming (artikel 152 van de Grondwet). De Koning benoemt en ontslaat de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken (artikel 153 van de Grondwet).

De wedden van de leden der rechterlijke orde worden door de wet vastgesteld (artikel 154 van de Grondwet).

Bovendien mag geen rechter van een regering bezoldigde ambten aanvaarden, tenzij hij die onbezoldigd uitoefent en behoudens de gevallen van onverenigbaarheid bij de wet bepaald (artikel 155 van de Grondwet).

b) Enkele opmerkingen over het Arbitragehof [2]

De invoering van de federale structuur in België heeft in 1983 tot de oprichting van het Arbitragehof geleid.

Er bestaat voor geheel België één Arbitragehof, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de wet worden bepaald (art. 142, eerste lid, van de Grondwet).

Het Arbitragehof doet uitspraak over (art. 142, tweede lid, van de Grondwet):

  • de in artikel 141 van de Grondwet bedoelde conflicten, dat wil zeggen de conflicten tussen wetten, decreten en regelen, alsook tussen decreten onderling, en tussen regelen onderling wegens schending van de regels die bij of krachtens de Grondwet zijn gesteld om de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten te bepalen;
  • de schending door een wet, een decreet of een regel van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, dat wil zeggen de constitutionele bepalingen over het gelijkheidsbeginsel, het verbod van discriminatie en het beginsel van de vrijheid van onderwijs.

Een zaak kan bij het Arbitragehof aanhangig worden gemaakt door de Ministerraad, de regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten, de voorzitters van de federale wetgevende kamers, van de parlementen van de Gemeenschappen en van de Gewesten (op verzoek van tweederde van hun leden) waarvoor het bestaan van een belang wordt aangenomen, en door iedere natuurlijke of rechtspersoon die doet blijken van een belang, of, prejudicieel, door ieder rechtscollege (art. 142, derde lid, van de Grondwet en artikel 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Zo kan iedere belanghebbende overheid of particulier een beroep tot vernietiging indienen bij het Arbitragehof, ten aanzien van een norm die als discriminerend of in strijd met de vrijheid van onderwijs wordt beschouwd. Het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie zijn niet alleen van toepassing op de door de interne wetgeving erkende rechten en vrijheden, maar ook op de rechten en vrijheden die zijn opgenomen in internationale verdragen die rechtstreeks toepasselijk zijn in de Belgische rechtsorde, met name in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950.

2. Beschrijving van de verschillende rechterlijke instanties

a) Beginselen inzake de organisatie van de hoven en rechtbanken

De hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn volgens een hiërarchische structuur opgezet.

Aan de top van deze structuur staat het Hof van Cassatie. Het Hof van Cassatie staat als hoogste rechtscollege boven alle rechterlijke instanties van het Koninkrijk. Het Hof treedt niet in de beoordeling van de zaken zelf, maar stelt vast of de aan hem voorgelegde beslissingen niet in strijd zijn met de wet of met de voorgeschreven vormen (art. 608 van het Gerechtelijk Wetboek). Zijn rechtsmacht strekt zich uit over het gehele grondgebied.

Een niveau lager dan het Hof van Cassatie bevinden zich de hoven van beroep die in de grondwet worden genoemd. Er zijn vijf hoven van beroep, waarvan het rechtsgebied wordt bepaald door de grondwet. De vijf hoven van beroep zijn de volgende: het Hof van Beroep van Brussel, voor de provincies Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; het Hof van Gent, voor de provincies West- en Oost-Vlaanderen; het Hof van Antwerpen, voor de provincies Antwerpen en Limburg; het Hof van Luik voor de provincies Luik, Namen en Luxemburg en tenslotte het Hof van Bergen voor de provincie Henegouwen.

Als beroepsinstantie en op hetzelfde niveau als de Hoven van Beroep zijn er de arbeidshoven, die in de bovengenoemde rechtsgebieden van de hoven van beroep gevestigd zijn.

Weer een niveau hieronder bevinden zich de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, de arbeidsrechtbank en de politierechtbank. De territoriale bevoegdheid van deze gerechten is gebaseerd op het arrondissementsgebied. Er zijn zevenentwintig arrondissementen in heel België. In de meeste gerechtelijke arrondissementen is per arrondissement een politierechtbank; in enkele daarvan, met name in Brussel, zijn meerdere politierechtbanken [3].

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Op het laagste niveau van de piramide staan de vredegerechten. België heeft 187 vredegerechten. Deze gerechten zijn bevoegd voor het kanton waartoe zij behoren. Er is een vredegerecht in elk gerechtelijk kanton.

Naast de constitutionele regels van hoofdstuk VI met betrekking tot de "rechterlijke macht" wordt de rechterlijke organisatie geregeld in het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek, met name in de artikelen 58 tot en met 555quater van dat wetboek.

Het eerste boek van het tweede deel is gewijd aan de "Organen van de rechterlijke macht". Boek II gaat over de "Gerechtelijke ambten", de zaken met betrekking tot de "Balie" worden in Boek III behandeld en tenslotte bevat Boek IV, het laatste boek van het tweede deel, bepalingen over de "Gerechtsdeurwaarders".

De organisatie van de vredegerechten, de politierechtbanken, de arrondissementsrechtbanken [4], de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel, de hoven van beroep, de arbeidshoven, de hoven van assisen en het Hof van Cassatie wordt geregeld in specifieke artikelen van het Gerechtelijk Wetboek (art. 58 van het Gerechtelijk Wetboek).

Daarnaast moet worden vermeld dat, naast de burgerlijke gerechten, de correctionele kamers van het hof van beroep, het hof van assisen [5], de correctionele kamers van de rechtbank van eerste aanleg (correctionele rechtbank) en de politierechtbank (rechtsprekend in strafzaken) eveneens bevoegd zijn voor het behandelen van burgerlijke vorderingen (hoofdzakelijk inzake schadevergoeding) die zijn ingesteld door de civiele partijen, dat wil zeggen de slachtoffers van strafbare feiten in ruime zin.

Hieronder treft u de piramidestructuur van de (burgerlijke) rechterlijke instanties aan:

Hof van Cassatie

Hof van beroep Arbeidshof
  • Rechtbank van eerste aanleg
  • Rechtbank van koophandel
  • Arbeidsrechtbank
Vredegerecht Politierechtbank

b) Taak van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken

Bij het Hof van Cassatie, het hof van beroep en het arbeidshof wordt de taken van het openbaar ministerie uitgeoefend door de procureur-generaal. Bij de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, de politierechtbank en de vrederechter worden deze taken uitgeoefend door de procureur des Konings en bij de arbeidsrechtbank door de arbeidsauditeur.

In burgerlijke zaken komt het openbaar ministerie tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt (art. 138, derde lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek).

Het openbaar ministerie oefent zijn functie dus uit in zaken die aanhangig worden gemaakt bij het hof van beroep, het arbeidshof, de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, de politierechtbank en de vrederechter.

Een van de belangrijkste taken van het openbaar ministerie op burgerlijk gebied is het uitbrengen van adviezen. Zaken met betrekking tot specifieke terreinen die in artikel 764, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn opgesomd, moeten voor advies aan het openbaar ministerie worden meegedeeld. Het kan tevens voor advies mededeling krijgen van alle andere zaken en daarin zitting houden wanneer het zulks dienstig acht; de rechtbank of het hof kan de mededeling ook ambtshalve bevelen (art. 764, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Veel bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek maar ook andere wettelijke bepalingen leggen de verplichting op bepaalde zaken voor advies aan het openbaar ministerie mee te delen. Artikel 764 van het Gerechtelijk Wetboek, dat in dezen de basisbepaling vormt, bepaalt dat op straffe van nietigheid met name voor advies meegedeeld moeten worden vorderingen betreffende de staat van personen wanneer minderjarigen of onbekwamen bij het geding betrokken zijn, vorderingen betreffende de akten van de burgerlijke stand, vorderingen inzake rechtsbijstand en akkoordaanvragen, vorderingen tot faillietverklaring, tot verdaging van de datum van staking van betaling, alsook de rechtsplegingen tot herroeping van de opschorting van betaling en tot sluiting van het faillissement.

Bij het Hof van Cassatie wordt het openbaar ministerie in alle zaken gehoord (art. 1105, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

c) Nadere bijzonderheden over de rechterlijke instanties (pdf 120 KB)

3. Organisatieschema's

a) Opmerkingen vooraf

In het positieve recht zijn de beroepsmiddelen, dat wil zeggen de bij de wet geregelde procedures die de betrokken partijen of in sommige gevallen derden de mogelijkheid geven een nieuwe beslissing te krijgen in een zaak waarin al door een rechterlijke instantie een uitspraak is gedaan, in twee categorieën verdeeld: gewone rechtsmiddelen en buitengewone rechtsmiddelen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Er zijn twee gewone rechtsmiddelen: verzet en hoger beroep (art. 21, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Deze gewone rechtsmiddelen staan in beginsel altijd open voor de partijen.

Naast de gewone rechtsmiddelen zijn er "buitengewone" rechtsmiddelen, waarvan de voorziening in cassatie bij het Hof van Cassatie het belangrijkste is (art. 21, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Het buitengewone rechtsmiddel dat bij het Hof van Cassatie wordt ingesteld, is geen derde aanleg. Het Hof van Cassatie toetst de naleving van de wet, maar onderzoekt niet de feiten van de zaak die hem wordt voorgelegd.

Verzet (art. 1047 tot en met 1049 van het Gerechtelijk Wetboek)

Tegen ieder bij verstek gewezen vonnis (wanneer de gedaagde niet verschijnt) kan verzet worden gedaan. Het verzet wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat dagvaarding inhoudt om te verschijnen voor de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen. De partijen kunnen ook besluiten vrijwillig te verschijnen (art. 1047, eerste drie leden, van het Gerechtelijk Wetboek) - Zie hieromtrent "Aanhangigmaking van zaken bij de rechter - België". Het enige gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van het verzet is het gerecht dat het verstekvonnis heeft gewezen (art. 1047, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

De termijn om verzet aan te tekenen is een maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving daarvan. Deze termijn wordt verlengd wanneer de niet verschenen partij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft (art. 1048 en 55 van het Gerechtelijk Wetboek).

Hoger beroep (art. 1050 tot en met 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek)

Hoger beroep is de procedure die de partij die zich door een uitspraak benadeeld acht, in staat stelt om herziening van deze uitspraak door een hoger gerecht te vragen. Rechters van hogere gerechten kunnen daardoor eventuele door de rechters in eerste aanleg gemaakte fouten corrigeren, maar ook de fouten herstellen die in eerste aanleg bij de behartiging van de belangen van partijen zijn opgetreden. De procedure in hoger beroep is een nieuwe autonome aanleg, los van de aanleg voor de eerste rechter die beëindigd is door de beslissing waartegen het hoger beroep is gericht. Hoger beroep kan in alle zaken worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis (art. 1050 van het Gerechtelijk Wetboek).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De termijn om hoger beroep aan te tekenen is één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving daarvan. Net als bij verzet wordt deze termijn verlengd wanneer een van de partijen aan wie het vonnis wordt betekend of ter kennis gebracht of op wier verzoek het is betekend geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft (art. 1051, eerste, derde en vierde lid, en art. 55 van het Gerechtelijk Wetboek).

De voorziening in cassatie (art. 1073 tot en met 1121 van het Gerechtelijk Wetboek)

De voorziening in cassatie bij het Hof van Cassatie kan worden ingesteld tegen eindbeslissingen in alle zaken die in laatste aanleg zijn gewezen (art. 608 en 609 van het Gerechtelijk Wetboek). De beslissingen worden voor het Hof van Cassatie gebracht wegens overtreding van de wet of schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.

Behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan. Indien de eiser geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft, wordt de genoemde termijn van drie maanden verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1073, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

b) Organisatieschema's

1) Organisatieschema 1 (pdf 61.4 KB)

Het traject van een beslissing in eerste aanleg gewezen door de vrederechter of de politierechtbank, gevolgd door hoger beroep bij de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel en, daarna en eventueel, door een voorziening bij het Hof van Cassatie:

De beslissingen gewezen door de vrederechter en de politierechtbank

Hoger beroep tegen de in eerste aanleg door de vrederechter gewezen vonnissen en, in de gevallen bepaald bij artikel 601bis, door de politierechtbank, moet worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg (art. 577 van het Gerechtelijk Wetboek).

Hoger beroep tegen de door de vrederechter in eerste aanleg gewezen beslissingen inzake geschillen tussen kooplieden en betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, wordt gebracht voor de rechtbank van koophandel (art. 577 van het Gerechtelijk Wetboek).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Vonnissen van de vrederechter en vonnissen van de politierechtbank in geval van een vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek, worden in laatste aanleg gewezen wanneer uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 1 240 EUR niet overschrijdt. Dit betekent met andere woorden dat voor vorderingen waarvan het bedrag 1 240 EUR niet overschrijdt, tegen de beslissingen van de vrederechter en van de politierechtbank in de genoemde zaken geen hoger beroep mogelijk is.

Tegen vonnissen in laatste aanleg gewezen door de vrederechter of de politierechtbank staat echter wel een voorziening bij het Hof van Cassatie open.

2) Organisatieschema 2 (pdf 57.7 KB)

Het traject van een beslissing in eerste aanleg gewezen door de rechtbank van koophandel of de rechtbank van eerste aanleg, gevolgd door hoger beroep bij het hof van beroep en, daarna en eventueel, door een voorziening bij het Hof van Cassatie:

De beslissingen gewezen door de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel

Hoger beroep tegen de in eerste aanleg door de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel gewezen beslissingen, alsmede tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en door de voorzitter van de rechtbank van koophandel wordt ingesteld bij het hof van beroep (art. 602, 1° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek).

3) Organisatieschema 3 (pdf 57.2 KB)

Het traject van een beslissing in eerste aanleg gewezen door de arbeidsrechtbank, gevolgd door hoger beroep bij het arbeidshof en, daarna en eventueel, door een voorziening bij het Hof van Cassatie:

Beslissingen gewezen door de arbeidsrechtbank

De beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken en van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken worden voor het arbeidshof als gerecht van tweede aanleg gebracht (art. 607 van het Gerechtelijk Wetboek).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Link utili

----------------------

[1] (verwijzingen naar de Grondwet in dit informatieblad hebben betrekking op de tekst van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 [Belgisch Staatsblad van 17 februari 1994])
[2] (Zie tevens de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 januari 1989 en de website van het Arbitragehof http://www.arbitrage.be)
[3] (Art. 3 van het Bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken)
[4] De arrondissementsrechtbank bestaat uit de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel of uit de rechters die hen in die respectieve rechtbanken vervangen (art. 74 van het Gerechtelijk Wetboek). Zij beslist in eerste aanleg over de regeling van geschillen over de bevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, wanneer die betwist wordt (art. 639 van het Gerechtelijk Wetboek).
[5] Het Hof van assisen is bevoegd voor de zwaarste misdrijven, zoals moord, doodslag, enz.

« Organisatie van de rechtspraak - Algemene informatie | België - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 30-07-2004

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk