Rechtsorde
Organisatie van de rechtspraak
Juridische beroepen
Rechtsbijstand
Bevoegdheid van de rechtbanken
Aanhangigmaking van zaken bij de rechter
Procestermijnen
Toepasselijk recht
Betekening en kennisgeving van stukken
Verkrijging van bewijs en bewijsvoering
Voorlopige en bewarende maatregelen
Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Vereenvoudigde procedures en spoedprocedures
Echtscheiding
Ouderlijke verantwoordelijkheid
Alimentatie-
Faillissement
Alternatieve wijzen van geschillenbeslechting
Schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
Geautomatiseerde verwerking
Alimentatie is een verplichting om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. De verplichting tot het betalen van levensonderhoud vloeit voort uit bloed- en aanverwantschap, en de (vroegere) huwelijksband.
Elke ouder is onderhoudsplichtig jegens zijn kinderen. Dit geldt zowel tijdens de minderjarigheid van de kinderen als gedurende hun meerderjarigheid. Zolang de kinderen de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt bestaat de onderhoudsverplichting ongeacht de behoeftigheid van de kinderen.
Zie hierna voor de verplichting van ouders jegens hun kinderen bij vraag 2.
Kinderen zijn onderhoudsplichtig jegens hun ouders.
De onderhoudsplicht bestaat alleen in geval van behoeftigheid.
De onderhoudsverplichting die tussen echtgenoten tijdens het huwelijk bestaat, werkt door na de ontbinding van het huwelijk. De rechter kan bij de echtscheidingsuitspraak of bij een latere uitspraak aan de ene ex-echtgenoot die niet voldoende inkomsten voor zijn levensonderhoud heeft en deze zich in redelijkheid niet kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere ex-echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Bij het vaststellen hiervan houdt de rechter rekening met de behoefte van de ene ex-echtgenoot en de draagkracht (financiële middelen) van de andere ex-echtgenoot. Daarnaast kunnen ook niet-financiële factoren een rol spelen, zoals duur van het huwelijk, duur van de samenwoning. Indien de rechter geen termijn stelt aan de duur van de alimentatieplicht, geldt dat de alimentatieplicht automatisch na 12 jaar eindigt. Verlenging door de rechter op verzoek van de alimentatiebehoeftige ex-echtgenoot is in schrijnende gevallen mogelijk. Na een kort (niet langer dan 5 jaar) kinderloos huwelijk duurt de alimentatieplicht in beginsel niet langer dan de duur van het huwelijk.
Het bovenstaande geldt ook met betrekking tot alimentatie tussen ex-geregistreerde partners.
De ex-echtgenoten kunnen buiten de rechter om zelf afspraken maken terzake van de alimentatie. Deze worden veelal neergelegd in het echtscheidingsconvenant. In de praktijk zal dit convenant bij de echtscheidingsbeslissing door de rechter worden bekrachtigd. Een bekrachtiging geeft voor de alimentatiegerechtigde meer rechtszekerheid.
Andere categorieën van onderhoudsplicht:
Echtgenoten en geregistreerde partners moeten allebei, behalve onder bijzondere omstandigheden, bijdragen in de kosten van de huishouding. Zij kunnen in huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden hierover andere afspraken maken.
Er bestaat een verplichting van de verwekker van het kind om in het onderhoud van het door hem verwekte (niet erkende) kind te voorzien, zolang het kind niet tot deze man of een andere man in een familierechtelijke betrekking staat (kortom, zo lang er geen juridische vader is).
Eenzelfde verplichting geldt voor de levensgezel van de moeder die heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.
Degene die als niet-ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een kind is jegens dat kind onderhoudsplichtig (artikel 1:253w BW). De onderhoudsplicht loopt door tot het eenentwintigste jaar als het gezamenlijk eindigt door het meerderjarig worden van het kind.
De verplichting tot het betalen van levensonderhoud bestaat in het algemeen alleen ingeval van behoeftigheid. Met behoeftigheid wordt bedoeld de situatie dat iemand onvoldoende inkomsten heeft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en deze zich in redelijkheid niet zelf kan verwerven.
Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor onderhoudsverplichtingen van ouders en verwekkers jegens hun minderjarige kinderen, en jegens de jong meerderjarige kinderen (dus tot 21 jaar). In deze gevallen geldt de onderhoudsverplichting ook als de gerechtigden niet behoeftig zijn.
Voor kinderen beneden de 18 jaar (minderjarige kinderen) moeten de ouders de kosten van verzorging en opvoeding betalen. Het gaat hier om de kosten van levensonderhoud en de overige kosten van de opvoeding, bijvoorbeeld studie en vrije tijdsbesteding. Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding. De verplichting bestaat ook als het kind zelf vermogen en/of inkomsten heeft.
Voor kinderen van 18, 19 en 20 jaar (de “jong meerderjarigen”) komen de kosten van levensonderhoud en studie voor rekening van de ouders. Met kosten voor levensonderhoud en studie wordt hetzelfde bedoeld als met kosten van verzorging en opvoeding tijdens de minderjarigheid. Deze onderhoudsverplichting staat los van de behoeftigheid van de onderhoudsgerechtigden.
De verlengde onderhoudsplicht bestaat ook voor deze categorie kinderen indien zij zelf inkomsten uit arbeid dan wel vermogen hebben of gehuwd zijn. Eventuele inkomsten van het kind zelf bepalen wel de omvang van diens behoefte aan een onderhoudsbijdrage.
Voor kinderen van 21 jaar en ouder hebben de ouders alleen een onderhoudsverplichting als het kind behoeftig is en niet voor zich zelf kan zorgen. Bijvoorbeeld als het kind lichamelijk of geestelijk gehandicapt is.
Het toepasselijke recht inzake de vaststelling van een alimentatieverplichting wordt naar Nederlands internationaal privaatrecht bepaald aan de hand van de verwijzingsregels van het Haags Alimentatieverdrag (toepasselijk recht) 1973 (Trb. 1974, 86). Voor gegevens over dit verdrag wordt verwezen naar de website van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht.
Op grond van dit verdrag zal de Nederlandse rechter Nederlands recht toepassen;
De Nederlandse rechter past in dat geval in beginsel het vreemde recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde toe. Voorziet dat recht niet in levensonderhoud, dan past hij het gemeenschappelijke nationale recht van de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige toe.
Ingeval van echtscheiding wordt het recht dat op de echtscheiding is toegepast, ook op de onderhoudsverplichting jegens de ex-echtgenoot toegepast.
Het bedrag dat de onderhoudsplichtige dient te betalen kan worden vastgesteld door partijen zelf en in een overeenkomst worden vastgelegd, of het wordt door de rechter bepaald in een rechterlijke uitspraak.
In het kader van een echtscheidingsprocedure wordt de rechter veelal ook een beslissing gevraagd over alimentatie voor de ex-echtgenoot of om kinderalimentatie.
Als de alimentatie via een rechterlijke beslissing moet worden vastgesteld geldt het volgende
Een rechterlijke procedure tot vaststelling, wijziging of beëindiging van alimentatie begint met een verzoekschrift. Dit verzoekschrift wordt opgesteld door een advocaat. Deze zal de onderhoudsgerechtigde op de zitting vertegenwoordigen. In het verzoekschrift moeten worden vermeld naam, voornaam, geboortedatum en adres van de verzoeker evenals naam, voornaam, geboortedatum en adres van de onderhoudsplichtige. Verder moet in het verzoekschrift staan waarom de alimentatie moet worden vastgesteld, gewijzigd of beëindigd. Bij de indiening van het verzoekschrift ter griffie worden, voor zover nodig, overgelegd de bescheiden die kunnen dienen tot bewijs van het gestelde. Deze bescheiden zijn in alimentatiezaken in het bijzonder bescheiden inzake de financiële situatie, zoals fiscale jaaropgave, loonopgave, behoefte- en draagkrachtberekening. De advocaat stuurt het verzoekschrift naar de griffie van de bevoegde rechtbank. De griffier stuurt (in beginsel) een afschrift van het verzoekschrift en de daarbij behorende bescheiden naar de belanghebbende(n), dat wil zeggen in alimentatiezaken naar de onderhoudsplichtige. Deze wordt voor de behandeling ter zitting opgeroepen.
Nee. Het verzoekschrift moet worden ingediend door de advocaat van de onderhoudsgerechtigde. Indienen zonder advocaat is niet toegestaan.
Een minderjarig kind wordt vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger (veelal een ouder).
Wij maken hierbij een onderscheid naar de internationale bevoegdheid (is de Nederlandse rechter bevoegd?) en de interne bevoegdheid (welke Nederlandse rechter is bevoegd?).
Voor wat betreft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter geldt in het kader van de Europese Unie de zogenaamde "Brussel I" Verordening. Deze Verordening bevat regels over de bevoegdheid van de gerechten ten aanzien van alimentatievorderingen.
Op grond van artikel 2 Verordening wordt de in Nederland woonachtige onderhoudsplichtige (verweerder) in beginsel door de alimentatiegerechtigde (verzoeker) opgeroepen voor de Nederlandse rechter.
Op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevat de "Brussel I" Verordening nog een alternatieve regel. In artikel 5, lid 2, wordt bepaald dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat kan worden opgeroepen:
Sub a betekent dat een in Nederland woonachtige onderhoudsgerechtigde een bijvoorbeeld in Frankrijk woonachtige onderhoudsplichtige voor de Nederlandse rechter kan oproepen, die internationaal bevoegd is ex artikel 5 lid 2. Bevoegd is de rechtbank van de woonplaats van de verzoeker.
Voor wat betreft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter buiten het kader van de Europese Unie geldt het navolgende. Woont de verweerder (hetzij crediteur hetzij debiteur buiten de Europese Unie, dan is de hiervoor genoemde "Brussel I" Verordening niet van toepassing en ontleent de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid aan het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. De Nederlandse echtscheidingsrechter is dan bevoegd om een voorlopige voorzieningen in verband met de echtscheiding of een nevenvoorziening zoals alimentatie of voortgezette bewoning van de echtelijke woning te treffen. De Nederlandse rechter is dan ook bevoegd om over een zelfstandig verzoek om alimentatie te beslissen indien hetzij verzoeker hetzij een of meer in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland woont (wonen), dan wel indien de zaak anderszins voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is, indien zij een forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan of indien de belanghebbende partij ten processe verschijnt en geen exceptie van onbevoegdheid opwerpt.
Voor wat betreft de interne bevoegdheid van de Nederlandse rechter geldt inzake het soort gerecht (rechtbank, gerechtshof, Hoge Raad) dat in alimentatiezaken de rechtbank bevoegd is. Welke rechtbank bevoegd is wordt bepaald door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bevoegd is de rechtbank van de woonplaats van hetzij de verzoeker (één van de verzoekers), hetzij van één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden, dan wel bij gebreke van een woonplaats van een van hen, de rechter van het werkelijk verblijf van één van hen.
Een verzoek om vaststelling, wijziging of beëindiging van alimentatie dient door een advocaat te worden ingediend. De advocaat vertegenwoordigt de verzoeker op de zitting. Namen en adressen van advocaten zijn te vinden op de website van de landelijke advocatenorganisatie.
Er is een “Vereniging van Familierechtadvocaten en Scheidingsbemiddelaars”, waarvan de leden gespecialiseerd zijn in onder andere scheiding en alimentatie. Zij zijn ook gespecialiseerd in scheidingsbemiddeling en alles wat daarbij komt kijken.
Zie VFAS-Advocaten (met zowel een Nederlandstalige als een Engelstalige tekst).
Voor een procedure bij de rechtbank dient een bijdrage te worden betaald in de kosten van de rechtspraak. Dit is het griffierecht. Daarnaast zijn er de kosten voor de advocaat en de deurwaarder.
Als de rechtzoekende de kosten voor een advocaat niet (helemaal) kan betalen, kan deze onder bepaalde voorwaarden voor gesubsidieerde rechtsbijstand in aanmerking komen (zie ook de webpagina Rechtsbijstand). In dat geval is sprake van een “toevoeging”. De overheid betaalt een deel van de kosten; de rechtzoekende betaalt een “eigen bijdrage”. Hoe hoog die “eigen bijdrage” is, hangt af van het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. De Raad voor de Rechtsbijstand verleent de toevoeging. De rechtzoekende moet een aanvraag om een toevoeging indienen bij de Raad in het ressort (= rechtsgebied van een gerechtshof) waar de advocaat kantoor houdt. In de praktijk wordt de aanvraag vaak door de advocaat gedaan, als deze al voorafgaand aan de toevoeging is benaderd.
Voorts dient een “Verklaring omtrent Inkomen en Vermogen” (formulier af te halen bij de gemeente van de woonplaats) te worden overgelegd. Deze verklaring moet met de aanvraag naar de Raad voor de rechtsbijstand gestuurd worden, die nagaat of de rechtzoekende voor een toevoeging in aanmerking komt. Wanneer dit het geval is, wordt een toevoegingbewijs afgegeven. Ook het griffierecht wordt in voorkomend geval verminderd.
Voor grensoverschrijdende geschillen, dus als de verzoeker buiten Nederland woont, geldt ook de aanspraak op gesubsidieerde rechtsbijstand. Dit is geregeld in de Europese richtlijn grensoverschrijdende rechtsbijstand. Aan de hand van het bij die richtlijn behorende modelformulier, dat in alle lidstaten identiek is, kan via de Raad voor de rechtsbijstand te Den Haag de toevoeging worden aangevraagd, met een beroep op de artikelen 23A tot en met 23K van de Wet op de rechtsbijstand.
Zo nodig kan de Raad voor de rechtsbijstand behulpzaam zijn bij het kiezen van een advocaat. Het adres van de Raad staat onder punt 16.
De rechter zal bij zijn beslissing rekening houden met de behoefte van degene die alimentatie vraagt of ontvangt en de draagkracht (financiële middelen) van degene die alimentatie moet betalen of betaalt.
Behoefte en draagkracht zijn relatieve begrippen. De rechter heeft hier een zekere vrijheid om naar de omstandigheden van het geval te beslissen.
Door de rechterlijke macht zijn richtlijnen ontwikkeld, de zogenaamde Trema normen (zie De Rechspraak), die evenwel niet bindend zijn voor de rechter.
De volgende inkomsten en uitgaven zijn van belang voor het oordeel van de rechter:
Wettelijke indexering
De Minister van Justitie stelt elk jaar het percentage vast, waarmee een door de rechter toegekende onderhoudsbijdrage of bij overeenkomst vastgestelde bijdrage van rechtswege wordt verhoogd. Bij de berekening kijkt men naar de salarisontwikkeling bij het bedrijfsleven en de overheid en de ontwikkeling van salarissen in andere sectoren. Dit percentage wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
Op die automatische aanpassing van alimentaties is een aantal uitzonderingen. Zowel partijen als de rechter kunnen de wettelijke indexering uitsluiten of een andere wijze van indexering vastleggen.
Alimentatie ten behoeve van een ex-echtgenoot wordt rechtstreeks aan de gerechtigde betaald.
De onderhoudsuitkering die door de rechter is vastgesteld ten behoeve van een minderjarig kind wordt rechtstreeks uitbetaald aan de ouder (of voogd) die het kind verzorgt.
Indien de alimentatieverplichting in een rechterlijke uitspraak is neergelegd en de onderhoudsplichtige nalatig is met het betalen van partneralimentatie, zal meestal via de deurwaarder nakoming kunnen worden afgedwongen. Is er geen rechterlijke uitspraak dan moet de zaak aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe dient een advocaat te worden ingeschakeld. Voor het innen van de betaling van kinderalimentatie kan in een aantal situaties een beroep worden gedaan op het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) in Gouda. Zie hierna vraag 13.
In geval van kinderalimentatie het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Gouda.
Zowel wanneer er betalingsachterstand is als wanneer er geen betalingsachterstand is kan het LBIO tot inning overgaan. Het LBIO moet daartoe gemachtigd worden door de onderhoudsgerechtigde of- plichtige. Het LBIO kan zo nodig door middel van executie tot invordering overgaan. Het LBIO kan bijvoorbeeld beslag leggen op salaris, uitkering, of op(on)roerende goederen van de onderhoudsplichtige.
Inschakeling van het LBIO is niet gratis. In geval van een betalingsachterstand, dient de onderhoudsplichtige de kosten van invordering te betalen aan het LBIO. Het LBIO brengt voor de inning een opslag in rekening. Deze opslag bedraagt 10% van de verschuldigde bedragen. Ook de kosten van de gerechtelijke procedure en executie worden op de onderhoudsplichtige verhaald.
Het LBIO houdt zich alleen met de inning van kinderalimentatie bezig. Het LBIO regelt geen betaling van alimentatie ten behoeve van ex-echtgenoten (ex-geregistreerde partners). Dit is anders wanneer het gaat om de verdragstaken van het LBIO, zie het antwoord op vraag 17.
Het formulier “overname inning kinderalimentatie” kan men downloaden van de site van het LBIO.
Op deze site staat veel informatie over taak en werkwijze van het LBIO, tijden van (telefonische) spreekuren en andere informatie.
Neen.
Ja, in geval van kinderalimentatie, zie vraag 13.
Ja, ingeval van rechtshulp, zie vraag 8.
In geval van kinderalimentatie:
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)
Postbus 800
2800 AV GOUDA
Telefoonnummer +31182.572 020
Fax : +31182.537 179
In geval van rechtshulp:
Postbus 450,
2501 CL Den Haag.
Telefoonnummer +31703701414
Zie het antwoord op vraag 13.
Het LBIO heeft ook taken op het gebied van de internationale inning van alimentatie. Deze taken vloeien voort uit een tweetal verdragen, waarbij Nederland partij is.
Nederland is partij bij het VN Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud
-
, New York 20 juni 1956. Dit verdrag is een rechtshulpverdrag dat tot doel heeft de verkrijging van levensonderhoud in internationale gevallen te vergemakkelijken. Daartoe heeft het verdrag een systeem van verzendende en ontvangende instellingen opgezet, die de onderhoudsgerechtigde behulpzaam zijn bij het geldend maken van aanspraken op levensonderhoud. Voor Nederland is het LBIO de ontvangende en verzendende instelling.
Een ieder die in Nederland woont en problemen ondervindt met de inning van alimentatie bij een onderhoudsplichtige die in het buitenland (dat wil zeggen in een land dat partij is bij het verdrag van New York) woont, kan een beroep doen op het verdrag van New York. Het verdrag heeft zowel betrekking op kinderalimentatie als op partneralimentatie.
Het LBIO int ook alimentatie op verzoek van een onderhoudsgerechtigde die in het buitenland (dat wil zeggen in een land dat partij is bij het verdrag van New York) woont bij een alimentatieplichtige die in Nederland woont. Een onderhoudsgerechtigde die zich bevindt in een andere lidstaat kan wanneer hij aanspraak wenst te maken op alimentatie van een in Nederland woonachtige onderhoudsplichtige, een beroep doen op het systeem van dit verdrag. Hij dient zich dan te wenden tot de verzendende instelling in zijn eigen land, die zich vervolgens in verbinding stelt met de ontvangende instelling in Nederland (het LBIO). De ontvangende instelling neemt vervolgens de maatregelen om het onderhoud te verkrijgen.
Voor het inschakelen van het LBIO dient het aanvraagformulier “inning alimentatie in het buitenland” te worden ingediend. Dit formulier kan men downloaden van de site van het LBIO.
Zie voor de gesubsidieerde rechtsbijstand, het antwoord op vraag 9.
« Alimentatievorderingen - Algemene informatie | Nederland - Algemene informatie »
Laatste aanpassing: 06-08-2007

