Rechtsorde
Organisatie van de rechtspraak
Juridische beroepen
Rechtsbijstand
Bevoegdheid van de rechtbanken
Aanhangigmaking van zaken bij de rechter
Procestermijnen
Toepasselijk recht
Betekening en kennisgeving van stukken
Verkrijging van bewijs en bewijsvoering
Voorlopige en bewarende maatregelen
Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Vereenvoudigde procedures en spoedprocedures
Echtscheiding
Ouderlijke verantwoordelijkheid
Alimentatie-
Faillissement
Alternatieve wijzen van geschillenbeslechting
Schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
Geautomatiseerde verwerking
“Onderhoudsplicht” kan worden omschreven als de verplichting die bij wet wordt opgelegd aan een persoon om aan een behoeftige andere persoon die een bepaalde familiale band met de eerstbedoelde persoon heeft, levensonderhoud te verstrekken. “Levensonderhoud” omvat niet alleen voeding, maar ook alles wat nodig is om te leven: voedsel, kledij, huisvesting, medische verzorging, enz.
De onderhoudsplicht is gebaseerd op een band van bloed- of aanverwantschap of op een daarvoor in de plaats komende verplichting wanneer deze band is verbroken. De onderhoudsplicht bestaat tussen bloed- en aanverwanten, tussen echtgenoten en tussen wettelijk samenwonenden. Zij is als het ware gebaseerd op een verplichting tot "solidariteit", die in bepaalde gevallen dwingender kan zijn dan normaal het geval is.
Hier kunnen twee soorten onderhoudsplicht worden onderscheiden:
- een onderhoudsplicht in ruime zin: de ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. Deze verplichting hangt samen met het ouderlijk gezag, maar blijft ook na de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind bestaan. Zij bestaat ongeacht het vermogen van de ouders, en ongeacht de behoeften van het kind. Het gaat om onderhoudsplicht in ruime zin omdat zij naast het levensonderhoud van het kind, ook de opvoeding, de opleiding, enz. omvat (artikel 203 van het burgerlijk wetboek);
- een onderhoudsplicht op basis van afstamming, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van het kind en het vermogen van de ouders (de artikelen 205, 207 en 208 van het burgerlijk wetboek).
De onderhoudsplicht van de ouders jegens hun kinderen (artikel 205 van het burgerlijk wetboek) is wederkerig. Kinderen zijn dus levensonderhoud verschuldigd aan hun ouders die behoeftig zijn.
De onderhoudsplicht tussen echtgenoten is gebaseerd op de verplichting hulp en bijstand te verlenen alsook op de verplichting bij te dragen in de lasten van het huwelijk (zie de artikelen 213 en 221 van het burgerlijk wetboek). Deze verplichtingen, die samenhangen met de eveneens op de echtgenoten rustende verplichting tot samenwoning, zijn wederkerig. Indien een der echtgenoten deze verplichtingen niet nakomt, kan de andere bij de rechter een alimentatievordering instellen of zich door de rechter laten machtigen om door derden verschuldigde geldbedragen te ontvangen (zie ook vraag 12 en zie de artikelen 213, 221 en 223 van het burgerlijk wetboek).
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten echtscheiding: echtscheiding op grond van bepaalde feiten en echtscheiding door onderlinge toestemming
Tijdens de procedure tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten (echtscheiding op grond van overspel, gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen en echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar) kan elk der echtgenoten de bevoegde rechter verzoeken voorlopige maatregelen te nemen en een voorlopige uitkering tot onderhoud toe te kennen, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de schuldvraag (artikel 1280 van het gerechtelijk wetboek).
Na echtscheiding op grond van overspel, gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen, kan de echtgeno(o)t(e) die de echtscheiding heeft verkregen (‘de onschuldige echtgeno(o)t(e)’) de bevoegde rechter verzoeken hem/haar een uitkering toe te kennen die hem/haar in staat kan stellen in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven (artikel 301 van het burgerlijk wetboek).
Bij echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar wordt de echtgenoot die de echtscheiding vordert, geacht de echtgenoot te zijn tegen wie de echtscheiding wordt uitgesproken. Alleen de verwerende echtgenoot kan aanspraak maken op een onderhoudsuitkering. De eisende echtgenoot kan dit vermoeden echter weerleggen (artikel 306 van het burgerlijk wetboek).
In het geval van echtscheiding door onderlinge toestemming kunnen de echtgenoten in een aan de echtscheiding voorafgaande overeenkomst het bedrag vaststellen van de eventuele uitkering die door de ene echtgenoot aan de andere moet worden betaald vóór en na de echtscheiding (artikel 1288 van het gerechtelijk wetboek).
In welke gevallen?
De onderhoudsplicht bestaat tussen bloedverwanten in rechte lijn en dit zowel in de opgaande als de nederdalende lijn (ouders/kinderen, kinderen/ouders maar ook kleinkinderen/grootouders en omgekeerd – de artikelen 205 en 207 van het burgerlijk wetboek).
Tussen aanverwanten moet worden gewezen op twee gevallen:
- de langstlevende echtgenoot is binnen bepaalde grenzen onderhoudsplichtig ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden echtgenoot van wie hij niet de vader of de moeder is (artikel 203, lid 2, van het burgerlijk wetboek);
- schoonzonen en schoondochters zijn levensonderhoud verschuldigd aan hun schoonouders en omgekeerd. Deze verplichting houdt op: wanneer de schoonvader of de schoonmoeder een tweede huwelijk aangaat; wanneer degene van de echtgenoten die de aanverwantschap heeft doen ontstaan en de kinderen uit zijn huwelijk met de andere echtgenoot geboren, overleden zijn (artikel 206 van het burgerlijk wetboek).
De nalatenschap van de eerststervende echtgenoot is onder bepaalde omstandigheden levensonderhoud verschuldigd aan de langstlevende echtgenoot of aan de bloedverwanten in de opgaande lijn van de overledene (artikel 205bis van het burgerlijk wetboek).
Het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, kan van degene die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad, een uitkering tot levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding vorderen (artikel 336 van het burgerlijk wetboek).
Indien de verstandhouding tussen de wettelijk samenwonenden ernstig verstoord is, kan een partij in het kader van de te nemen dringende maatregelen bij de vrederechter alimentatie vorderen. Hetzelfde geldt in het kader van de voorlopige maatregelen bij beëindiging van de wettelijke samenwoning (artikel 1479 van het burgerlijk wetboek).
Normaal gezien eindigt de onderhoudsplicht bij de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. Zij kan echter doorlopen indien de opleiding van het kind niet is voltooid (de artikelen 203 en 336 van het burgerlijk wetboek).
België is toegetreden tot het Verdrag van 's-Gravenhage van 24 oktober 1956 nopens de wet welke op onderhoudsverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is. Overeenkomstig dit Verdrag, dat alleen van toepassing is tussen de verdragsluitende staten, is op onderhoudsverplichtingen jegens kinderen in beginsel de wet van het land van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing (artikel 1).
België kan evenwel de eigen wet van toepassing verklaren indien de verblijfplaats van het kind in het buitenland het enige extraneïteitselement van de zaak is (artikel 2). De Belgische wet is dus van toepassing op de vordering die een in het buitenland verblijvend kind in België instelt tegen een in België verblijvende ouder.
De Belgische wet is ook van toepassing wanneer de wet van de gewone verblijfplaats van het kind, het kind elk recht op onderhoud ontzegt (artikel 3).
Afgezien van de onder dit verdrag vallende gevallen, zijn de regels van het Belgisch internationaal privaatrecht van toepassing (artikel 3, eerste en derde alinea, van het burgerlijk wetboek). Ofwel is het Belgisch recht van toepassing op iedere onderhoudsgerechtigde die zich op het grondgebied van België bevindt, ofwel valt de onderhoudsplicht onder de nationale wet van de betrokkenen (behalve in het geval van schending van de internationale openbare orde of in het geval van spoedeisendheid).
Indien de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige zich beiden op Belgisch grondgebied bevinden:
De regels van het Belgisch internationaal privaatrecht kunnen in bepaalde gevallen verwijzen naar buitenlands recht. In andere gevallen wordt het Belgisch recht toepasselijk verklaard.
De onderhoudsplichtige kan vrijwillig in het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde voorzien. Indien dit niet het geval is of in het geval van een geschil, betwisting of stopzetting van betaling, moet er een rechtsvordering worden ingesteld.
De vordering komt aan de alimentatiegerechtigde persoonlijk toe. De vorderingen worden bij een aan de rechter aangeboden verzoekschrift ingediend door de eiser persoonlijk of door zijn advocaat (zie met name de artikelen 1253ter, 1254 en 1320 van het gerechtelijk wetboek).
Indien de eiser onbekwaam is, handelt zijn wettelijke vertegenwoordiger in zijn naam (vader, moeder, voogd, enz.).
De vrederechter neemt kennis van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud (artikel 591, punt 7, van het gerechtelijk wetboek). Op deze regel bestaan er echter uitzonderingen.
De vordering van het kind tegen degene die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad (artikel 336 van het burgerlijk wetboek), moet worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg (artikel 338 van het burgerlijk wetboek).
Tijdens de echtscheidingsprocedure en de procedure tot scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten, neemt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding, kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon, op het levensonderhoud en op de goederen van de echtgenoten en de kinderen (artikel 1280 van het gerechtelijk wetboek). Op de inleidingszitting van de echtscheidingsprocedure kan de rechter de volledige of gedeeltelijke overeenstemming van de echtgenoten over de voorlopige maatregelen met betrekking tot hun onderhoud en/of het onderhoud van hun kinderen bekrachtigen (artikel 1258, lid 2, van het gerechtelijk wetboek). Indien de overeenkomst later niet wordt gewijzigd, blijven de voorlopige maatregelen met betrekking tot de kinderen ook na de echtscheiding van kracht (artikel 302 van het burgerlijk wetboek).
Voor de vaststelling van de onderhoudsuitkering na echtscheiding (de artikelen 301, 306, 307 en 307bis van het burgerlijk wetboek) is het bevoegde gerecht, afhankelijk van de fase van de echtscheidingsprocedure, de vrederechter of de rechtbank waarbij de vordering tot echtscheiding aanhangig is gemaakt. Na het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, is alleen de vrederechter bevoegd.
In het geval van echtscheiding door onderlinge toestemming of scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming, sluiten de partijen vooraf een overeenkomst over de bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen en over het bedrag van de eventuele uitkering die de ene echtgenoot aan de andere moet betalen. De vrederechter is bevoegd om te beslissen over een eventuele herziening van de onderhoudsuitkering voor de kinderen. Er wordt echter aangenomen dat ook de jeugdrechtbank, die alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag kan opleggen of wijzigen (artikel 387bis van het burgerlijk wetboek), zich kan uitspreken over de onderhoudsuitkering voor de kinderen.
Zie antwoord op vraag 6. Afhankelijk van het geval, wordt de vordering ingeleid bij dagvaarding door een deurwaarder of bij verzoekschrift. Aanhangigmaking via een advocaat is niet verplicht.
Aan de gerechtelijke procedure zijn er kosten verbonden. Het is niet mogelijk het totaalbedrag van de desbetreffende kosten op te geven. Deze kosten hangen immers af van het soort vordering dat wordt ingesteld, de gerechtskosten en de kosten voor de verdediging in rechte wanneer een advocaat wordt ingeschakeld. Wat de vergoeding van de proceskosten bij wege van rechtsbijstand betreft, zijn de gewone regels van toepassing (zie «Rechtsbijstand - België»).
De bijstand bestaat uit een uitkering tot levensonderhoud. In bepaalde gevallen kan deze uitkering worden vervangen door een kapitaal (artikel 301, lid 5, van het burgerlijk wetboek).
Er bestaat geen schaal. Levensonderhoud wordt slechts toegestaan naar verhouding van de behoeften van hem die het vordert en van het vermogen van hem die het verschuldigd is (de artikelen 208 en 209 van het burgerlijk wetboek).
De onderhoudsplicht van de ouders (artikel 203 van het burgerlijk wetboek) wordt vastgesteld naar evenredigheid van hun middelen en omvat de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen (totdat de opleiding is voltooid). Deze uitkering bestaat uit een forfaitaire maandelijkse bijdrage aan de ouder die met de zorg voor het kind is belast. Elk van de ouders kan van de andere ouder diens bijdrage vorderen in de kosten voor huisvesting, levensonderhoud, enz. (artikel 203bis van het burgerlijk wetboek).
Het bedrag van de uitkering die moet worden betaald door degene die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met de moeder van het kind gemeenschap heeft gehad, wordt bepaald met inachtneming van de behoeften van het kind en de inkomsten, mogelijkheden en maatschappelijke toestand van de uitkeringsplichtige (artikel 336 van het burgerlijk wetboek).
De onderhoudsuitkering na een echtscheiding op grond van bepaalde feiten moet de begunstigde, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, in staat stellen in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven (artikel 301, lid 1, van het burgerlijk wetboek). De uitkering wordt van rechtswege aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen (artikel 301, lid 2). Het bedrag van de uitkering mag in geen geval hoger zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot. Overeenkomstig artikel 307bis van het burgerlijk wetboek mag de onderhoudsuitkering die wordt toegekend na een echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar, een derde gedeelte van de inkomsten van de schuldenaar te boven gaan (contra, zie de arresten 48/2000 en 163/2001 van het Arbitragehof). In het geval van echtscheiding door onderlinge toestemming beslissen de echtgenoten welke uitkering door de ene echtgenoot aan de andere moet worden betaald en hoe deze uitkering aan de kosten van levensonderhoud moet worden aangepast (artikel 1288, punt 4, van het gerechtelijk wetboek).
Zoals reeds uiteengezet onder vraag 1 is de onderhoudsplicht tussen echtgenoten gebaseerd op de verplichting hulp en bijstand te verlenen alsook op de verplichting bij te dragen in de lasten van het huwelijk (zie de artikelen 213 en 221 van het burgerlijk wetboek).
De uitkering wordt betaald aan de onderhoudsgerechtigde of diens vertegenwoordiger. Zij kan in de vorm van een maandelijkse uitkering worden uitbetaald en kan in bepaalde gevallen ook worden uitbetaald in de vorm van een kapitaal.
Een onderhoudsgerechtigde die in het bezit is van een uitvoerbare titel, kan overgaan tot de gedwongen uitvoering van zijn vordering. Onder bepaalde voorwaarden mag op roerend of onroerend goed van de in gebreke blijvende onderhoudsplichtige beslag worden gelegd (artikel 1494 van het gerechtelijk wetboek). Een onderhoudsgerechtigde kan ook uitvoerend beslag onder derden laten leggen, bijvoorbeeld bij de werkgever van de onderhoudsplichtige (artikel 1539 van het gerechtelijk wetboek). De onderhoudsgerechtigde die nog niet in het bezit is van een uitvoerbare titel, kan met het oog op de toekomstige invordering van de onderhoudsuitkering onder bepaalde voorwaarden bewarend beslag laten leggen (artikel 1413 van het gerechtelijk wetboek).
Voorts werd er een vereenvoudigd uitvoeringsmechanisme ingevoerd. Het gaat om de zogeheten sommendelegatie, d.w.z. de machtiging aan de onderhoudsgerechtigde om binnen bepaalde grenzen rechtstreeks de inkomsten van de onderhoudsplichtige of andere door derden verschuldigde geldsommen te ontvangen. De sommendelegatie geldt voor de wettelijke onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten of ex-echtgenoten (artikel 220, lid 3, de artikelen 221, 223 en 301bis van het burgerlijk wetboek, en de artikelen 1280 en 1306 van het gerechtelijk wetboek), de verplichting tot onderhoud, opvoeding en opleiding jegens de kinderen (met inbegrip van de vordering die overeenkomstig artikel 203bis van het burgerlijk wetboek kan worden ingesteld door de ene ouder tegen de andere ouder) en de wettelijke onderhoudsverplichtingen tussen ascendenten en descendenten (artikel 203ter van het burgerlijk wetboek).
Tot slot bevat het strafwetboek een artikel betreffende verlating van familie (artikel 391bis): strafbaar is eenieder die, na door een definitieve rechterlijke beslissing te zijn veroordeeld tot betaling van een onderhoudsuitkering, meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten.
Indien de onderhoudsgerechtigde na de onder vraag 12 uiteengezette procedures te hebben doorlopen, geen betaling van de uitkering kan verkrijgen, kan hij zich wenden tot de dienst voor alimentatievorderingen van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze dienst betaalt voorschotten op één of verscheidene en welbepaalde termijnen van de onderhoudsgelden, en is belast met de inning of invordering van de betaalde voorschotten alsook van het saldo en de achterstallen van het onderhoudsgeld ten laste van de onderhoudsplichtige.
Tot 30 september 2005 moest de onderhoudsgerechtigde zich wenden tot het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), dat hem voorschotten op één of verscheidene welbepaalde en opeenvolgende termijnen van de onderhoudsgelden kon toekennen (artikel 68bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn). Het betrof echter alleen de uitkeringen voor kinderen, en voorts moest het onderhoudsgerechtigde kind zijn verblijfplaats in België hebben.
Bovenvermelde instanties kunnen geheel of gedeeltelijk betalen in plaats van de onderhoudsplichtige. De aldus betaalde bedragen worden teruggevorderd van de onderhoudsplichtige, tenzij deze niet over de nodige financiële middelen beschikt
Wanneer de onderhoudsgerechtigde zich in België bevindt en de onderhoudsplichtige in een andere land verblijft, kan de onderhoudsgerechtigde aan wie bij rechterlijke beslissing een onderhoudsuitkering is toegekend, steun krijgen van de Belgische overheid:
Federale Overheidsdienst Justitie ‑ Directoraat-generaal Wetgeving en Fundamentele Rechten en Vrijheden
Deze instantie is voor België de verzendende autoriteit in de zin van het Verdrag van New York van 20 juni 1956
-
inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud, dat is goedgekeurd bij wet van 6 mei 1966.
FOD JUSTITIE
Verdrag van New York
Waterloolaan 115
1000 Brussel
België
Tel. : +32 (0)2/542.65.11
Fax : +32 (0)2/542.70.06
Indien de onderhoudsgerechtigde zich in een ander land bevindt en de onderhoudsplichtige zich in België bevindt, bepaalt het Verdrag van New York dat de bemiddelende (hier Belgische) instelling namens de verzoeker alle maatregelen neemt om te zorgen voor de invordering van de alimentatie. In eerste instantie moet worden nagegaan waar de onderhoudsplichtige zich bevindt en moet in samenwerking met de justitiële autoriteiten worden getracht een schikking te treffen. Indien geen schikking kan worden getroffen of indien de schikking niet wordt uitgevoerd, kan de bemiddelende instelling namens de verzoeker en na voor hem eventueel om kosteloze rechtsbijstand te hebben verzocht, een alimentatievordering instellen en de betrokken beslissing laten uitvoeren.
De onderhoudsgerechtigde die in een ander land dan België verblijft, moet zich wenden tot de centrale autoriteit van zijn land die is belast met de toepassing van bovenvermeld verdrag. Hij kan zich niet rechtstreeks wenden tot een orgaan of instelling van de Belgische overheid.
N.v.t., zie vraag 18.
N.v.t., zie vraag 18.
« Alimentatievorderingen - Algemene informatie | België - Algemene informatie »
Laatste aanpassing: 20-03-2007

