Europese Commissie > EJN > Rechtsorde > Letland

Laatste aanpassing: 18-02-2008
Printversie Voeg toe aan favorieten

Rechtsorde - Letland

 

INHOUDSOPGAVE

1. De hiërarchie in rechtsbronnen 1.
2. Juridische instrumenten of rechtsbronnen waarin de status wordt geregeld van internationaal recht, Europees gemeenschapsrecht, de Grondwet, wetten en andere wetgevende stukken binnen de rechtsorde. 2.
3. Aanvullende rechtsbronnen (algemene rechtsbeginselen, gewoonterecht, jurisprudentie) en hun betekenis 3.
3.1. Algemene rechtsbeginselen 3.1.
3.2. Gewoonterecht 3.2.
3.3. Jurisprudentie 3.3.
4. De autoriteiten belast met de vaststelling van regelgeving en hun verantwoordelijkheidsgebieden 4.
5. Het proces van wetgeving 5.
6. De wijze van inwerkingtreding van nationale regels 6.
7. De inwerkingtreding van internationale regels 7.
8. Middelen om eventuele conflicten tussen rechtsregels te regelen 8.

 

1. De hiërarchie in rechtsbronnen

Binnen de Letse wetgeving geldt de volgende hiërarchie:

  1. de Grondwet;
  2. wetten en kabinetsverordeningen met kracht van wet;
  3. overige kabinetsverordeningen;
  4. dwingendrechtelijke verordeningen van lokale overheden.

2. Juridische instrumenten of rechtsbronnen waarin de status wordt geregeld van internationaal recht, Europees gemeenschapsrecht, de Grondwet, wetten en andere wetgevende stukken binnen de rechtsorde.

In art. 15, lid 3 van de Wet bestuursrecht is bepaald dat internationale wetgeving, ongeacht de bron, van toepassing is naar de positie in de hiërarchie van de rechtskracht van externe wetgeving. Waar strijdigheid ontstaat tussen een bepaling van internationale wetgeving en een bepaling van Letse wetgeving met gelijke rechtskracht, is de bepaling van internationale wetgeving bepalend.

Evenals bij andere wetgeving, wordt de rechtskracht van een internationaal verdrag bepaald door de organisatie die het verdrag heeft ondertekend of goedgekeurd en door de procedures krachtens welke dit heeft plaatsgevonden. Een internationaal verdrag dat door de Saeima (het parlement) is geratificeerd, heeft dan ook dezelfde rechtskracht als een wet, en een internationaal verdrag dat door het kabinet van ministers is goedgekeurd, heeft dezelfde rechtskracht als een kabinetsverordening.

Art. 13 van de Wet op de internationale verdragen van de Republiek Letland bepaalt echter dat, indien een door de Saeima goedgekeurd internationaal verdrag in regels voorziet die verschillen van de regels die in de Letse wetgeving zijn vastgelegd, de bepalingen van het internationale verdrag toepassing vinden. Daarnaast bepaalt art. 16, lid 9 van de Wet op het constitutionele hof dat, waar internationale verdragen in overeenstemming met de grondwet dienen te zijn, deze wel degelijk voorrang hebben boven andere nationale wetgeving, waaronder wetten.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Ingevolge art. 15, lid 4 van de Wet bestuursrecht zijn de bepalingen van het Europees gemeenschapsrecht van toepassing naar hun positie in de hiërarchie van de rechtskracht van externe wetgeving. Bij de toepassing van Europees gemeenschapsrecht dienen wetgever en rechter de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie in aanmerking te nemen. Sinds haar toetreding tot de Europese Unie dient te Republiek Letland niet slechts rechtstreeks of onrechtstreeks verordeningen toe te passen, maar ook andere juridische instrumenten van de Europese Unie, zoals de oprichtingsverdragen van de EU, de verdragen van de Gemeenschap met derde landen, richtlijnen, beschikkingen van de instellingen van de EU, aanbevelingen, adviezen, conclusies, samenwerkingsinstrumenten krachtens pijler 2 (gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) en pijler 3 (samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken), algemene juridische bepalingen van de lidstaten en, ten slotte, rechtsbeginselen verwoord ingevolge de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie.

3. Aanvullende rechtsbronnen (algemene rechtsbeginselen, gewoonterecht, jurisprudentie) en hun betekenis

3.1. Algemene rechtsbeginselen

De toepassing van een algemeen rechtsbeginsel als rechtsbron wordt geregeld in art. 5 van de Letse Wet op het burgerlijk recht en art. 11, lid 3 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering. Art. 15, lid 5 van de Wet bestuursrecht regelt de toepassing van algemene rechtsbeginselen waar een bepaalde kwestie niet bij externe wetgeving is geregeld en als hulpmiddel bij de uitleg van wetgeving.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Voorts benadrukt de wetgever in art. 4 van de Wet bestuursrecht de volgende beginselen van behoorlijk bestuur en hun betekenis:

  1. het beginsel van eerbiediging van de rechten van het individu;
  2. het gelijkheidsbeginsel;
  3. het beginsel van de rechtsorde;
  4. het redelijkheidsbeginsel;
  5. het verbod op willekeur;
  6. het beginsel van vertrouwen in de rechtmatigheid van handelingen;
  7. het beginsel van de wettelijke grondslag;
  8. het beginsel van de democratische structuur;
  9. het proportionaliteitsbeginsel;
  10. het beginsel van de voorrang van het recht.

De Wet op de bevoegdheid van de gerechten bevat de algemene rechtsbeginselen zoals de gelijkheid van personen voor de wet, de immuniteit van de gerechten en gerechtsdienaren, gelijke rechten van de partijen, het vermoeden van onschuld, enz.

3.2. Gewoonterecht

Ingevolge art. 2 van de Wet op het burgerlijk recht kan gewoonterecht geen wetgevend instrument ongedaan maken of wijzigen en is het van toepassing in wettelijk bepaalde gevallen. Voorts is internationaal gewoonterecht van toepassing ingevolge het Weens Verdragenverdrag.

3.3. Jurisprudentie

Jurisprudentie vormt een belangrijke rechtsbron als hulpmiddel bij de uniforme toepassing van de wetgeving en daarmee voor het waarborgen van rechtszekerheid. Jurisprudentie is een aanvullend rechtsbron en wordt voor interpretatiedoeleinden gebruikt.

4. De autoriteiten belast met de vaststelling van regelgeving en hun verantwoordelijkheidsgebieden

Art. 64 van de Grondwet bepaalt dat de wetgevende macht berust bij de Saeima en het volk (middels referendum). Ingevolge art. 81 van de Grondwet kan ook het kabinet van ministers verordeningen uitvaardigen die kracht van wet hebben. De primaire wetgevende macht berust derhalve bij de Saeima en het volk, terwijl deze macht kan worden gedelegeerd aan het kabinet van ministers en lokale overheden. Ingevolge de Wet op de inrichting van het kabinet van ministers kan het kabinet van ministers wetgeving in de vorm van verordeningen uitvaardigen in gevallen waarin de wet het kabinet van ministers daartoe specifiek machtigt en indien de betreffende kwestie niet bij wetgeving is geregeld. Lokale overheden vaardigen dwingendrechtelijke verordeningen uit krachtens de Wet op de lagere overheden. Voorts voorziet de Grondwet in delegatie door de Saeima van wetgevende macht aan internationale organen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De wetgevende macht van de Saeima bestrijkt geheel Letland, maar die van de lokale overheden is beperkt tot het grondgebied waarbinnen de lokale overheid bevoegd is.

5. Het proces van wetgeving

Een wetsvoorstel kan bij de Saeima worden ingediend door:

  • de president
  • het kabinet van ministers
  • parlementaire commissies
  • ten minste vijf afgevaardigden
  • één tiende van de kiezers
  1. De eerste behandeling - de eerste behandeling van het wetsvoorstel omvat kennisgeving van de verantwoordelijke commissie, gevolgd door een debat over de beginselen van het wetsvoorstel. Na het debat besluit de Saeima of het wetsvoorstel na de eerste behandeling wordt aangenomen. Wanneer een wetsvoorstel niet na de eerste behandeling is aangenomen, wordt het geacht te zijn verworpen en kan het tijdens dezelfde zitting slechts ter herziening worden aangeboden indien het door ten minste 51 afgevaardigden is ondertekend of wanneer op het wetsvoorstel wijzigingen zijn aangebracht. Wanneer de Saeima op voorstel van de verantwoordelijke commissie of van tien afgevaardigden besluit een wetsvoorstel als spoedeisend aan te merken, wordt het wetsvoorstel slechts aan twee behandelingen onderworpen. Na twee behandelingen worden aangenomen:
    • als spoedeisend aangemerkte wetsvoorstellen;
    • de ontwerpbegroting en wijzigingen op de begroting;
    • wetsvoorstellen die voorzien in de goedkeuring van internationale verdragen.
  2. De tweede behandeling - de verantwoordelijke commissie stelt het wetsvoorstel op voor de tweede behandeling en dient een verslag in van de ingediende amendementen. Voorstellen voor amendementen op een wetsvoorstel of een ontwerpbesluit van de Saeima kunnen worden ingediend door:
    • de president
    • een commissie van de Saeima
    • een fractie
    • een afgevaardigde
    • de minister-president, de viceminister-president, een minister, een minister van staat
    • de parlementair secretaris van een minister onder de bevoegdheid van een minister
    • de juridische dienst van de Saeima, waar de voorstellen betrekking hebben op technische aspecten van de wetgeving of codificatie.

    Een voorstel wordt geacht te zijn aangenomen wanneer de absolute meerderheid van de aanwezige afgevaardigden ervóór stemt. Nadat alle voorstellen zijn besproken, wordt over het wetsvoorstel als geheel gestemd, met inbegrip van de aangenomen voorstellen. Indien de Saeima het wetsvoorstel bij de tweede behandeling verwerpt, wordt het aan de verantwoordelijke commissie geretourneerd en kan het opnieuw voor een tweede behandeling worden ingediend. Indien de Saeima op deze wijze een wetsvoorstel aanneemt, wordt het aan de verantwoordelijke commissie geretourneerd en voorbereid voor de derde behandeling.

    Bovenkant paginaBovenkant pagina

  3. De derde behandeling - tijdens de derde behandeling van een wetsvoorstel worden slechts de artikelen waarover voorstellen zijn ingediend behandeld en in stemming gebracht. Nadat alle voorstellen zijn behandeld, wordt de gehele wet, met inbegrip van de aangenomen voorstellen, in stemming gebracht. Indien de Saeima het wetsvoorstel bij de derde behandeling verwerpt, wordt het aan de verantwoordelijke commissie geretourneerd en kan het opnieuw voor een derde behandeling worden ingediend.
  4. De tweede herziening van een wet - indien de president ingevolge art. 71 van de Grondwet om een tweede herziening van een wet verzoekt, overlegt de Saeima de met redenen omklede bezwaren van de president aan de verantwoordelijke commissie. Indien een wet wordt herzien, gelden de regels voor de derde behandeling van een wetsvoorstel en slechts de door de president geuite bezwaren en voorstellen worden behandeld. Een wetsvoorstel wordt geacht te zijn aangenomen en tot wet verheven wanneer na twee c.q. drie behandelingen de absolute meerderheid van de aanwezige afgevaardigden voor aanname stemt. Door de Saeima aangenomen wetten worden door de president afgekondigd.

6. De wijze van inwerkingtreding van nationale regels

  1. Wetten - ingevolge de Wet op de afkondiging, publicatie, procedures voor inwerkingtreding en geldigheid van wetten en andere door de Saeima, de president en het kabinet van ministers aangenomen wetgeving, wordt een wet veertien dagen na de afkondiging van kracht, tenzij de wet anders vermeldt. Deze periode van veertien dagen tot inwerkingtreding vangt aan op de dag na publicatie.
  2. Kabinetsverordeningen - ingevolge de Wet op de inrichting van het kabinet van ministers gelden voor de publicatie van kabinetsaanwijzingen en -aanbevelingen dezelfde procedures als voor wetten. Tenzij anders vermeld, treden deze op de dag na publicatie in werking.
  3. Dwingendrechtelijke verordeningen van lokale overheden - ingevolge de Wet op de lagere overheden treden verordeningen en aanwijzingen op de dag na ondertekening in werking, tenzij een andere datum voor inwerkingtreding is aangegeven. Beschikkingen van lokale overheden gericht aan afzonderlijke natuurlijke personen of rechtspersonen treden na ondertekening in werking. Door een stadsraad uitgevaardigde dwingendrechtelijke verordeningen worden uiterlijk twee weken na aanname in het officiële dagblad bekendgemaakt en treden op de dag na publicatie in werking. Door een regionale raad, districtsraad of gemeenteraad uitgevaardigde dwingendrechtelijke verordeningen worden uiterlijk twee weken na aanname op een zichtbare plaats in of nabij een gebouw van de lokale overheid aangebracht en treden in werking op de dag nadat zij voor het eerst zijn aangebracht.

7. De inwerkingtreding van internationale regels

Internationale verdragen worden goedgekeurd bij wet, door de Saeima aan te nemen. Door de Saeima aangenomen wetten worden door de president afgekondigd. Alle internationale verdragen en de vertaling in het Lets worden in de het officiële dagblad Latvijas Vēstnesis en het kabinetsdagblad Ziņotājs gepubliceerd. Een wet wordt veertien dagen na de afkondiging van kracht, tenzij de wet anders vermeldt. Deze periode van veertien dagen tot inwerkingtreding vangt aan op de dag na publicatie.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

8. Middelen om eventuele conflicten tussen rechtsregels te regelen

  1. Conflicten tussen wetsbepalingen (beginselen) worden geregeld door deze bepalingen anders uit te leggen (en derhalve te harmoniseren) of door een voorrangstelsel te hanteren.
  2. Indien een tegenstrijdigheid wordt vastgesteld tussen diverse wetsbepalingen met een verschillende rechtskracht, geldt de wetsbepaling met de hoogste rechtskracht.
  3. Indien een tegenstrijdigheid wordt vastgesteld tussen internationale wetsbepalingen en nationale wetsbepalingen, gaan de internationale wetsbepalingen voor.
  4. Indien een tegenstrijdigheid wordt vastgesteld tussen algemene wetgeving en bijzondere wetgeving met gelijke rechtskracht, geldt de algemene wetgeving voorzover deze niet wordt beperkt door de bijzondere wetgeving.
  5. Indien een eerdere wetsbepaling niet strookt met een latere wetsbepaling, gaat de latere bepaling voor.
  6. Indien een latere algemene wetsbepaling niet strookt met een eerdere bijzondere wetsbepaling, gaat de eerste bijzondere wetsbepaling voor.

Ingevolge de Wet bestuursrecht moet bij de beoordeling welke van twee wetsbepalingen met gelijke rechtskracht voorgaat, rekening worden gehouden met de objectieve betekenis die in een algemeen kader aan beide wetsbepalingen moet worden toegekend en moet voorrang worden toegekend aan de bepaling die een kwestie regels van belang voor de democratische samenleving en het regeringsstelsel.

Voorts geldt dat indien een autoriteit die verantwoordelijk is voor de toepassing van bepaalde wetgeving redelijkerwijs twijfelt of de wetgeving strookt met andere wetgeving met een grotere rechtskracht zij de gewraakte bepalingen dient toe te passen en een hogere autoriteit en het ministerie van Justitie van haar twijfel in kennis dient te stellen. Het is autoriteiten en rechters niet toegestaan het nemen van beslissingen te weigeren op grond van het feit dat de betreffende kwestie niet in een wetgevend instrument is geregeld.

« Rechtsorde - Algemene informatie | Letland - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 18-02-2008

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk