Europese Commissie > EJN > Rechtsorde > Italië

Laatste aanpassing: 14-02-2008
Printversie Voeg toe aan favorieten

Rechtsorde - Italië

De Italiaanse rechtsorde wordt beheerst door de grondwet van de Italiaanse Republiek, die in 1948 in werking is getreden. Het is een rigide grondwet: zij kan niet worden gewijzigd bij gewone wet, hiervoor moet een bijzondere procedure worden gevolgd. Deze zeer complexe procedure is in artikel 138 van de grondwet zelf neergelegd.

De strikte status van de grondwet wordt gewaarborgd door een toetsing van wetten en besluiten met kracht van wet aan de grondwet. De Corte costituzionale (Constitutioneel Hof), een speciaal grondwettelijk hof, is daartoe bij uitsluiting bevoegd.

Sommige artikelen van de grondwet kunnen onder geen enkele voorwaarde worden gewijzigd. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het artikel dat de republiek tot regeringsvorm van Italië verklaart. In het algemeen worden alle wezenlijke elementen van het grondwettelijk stelsel als onveranderlijk gezien, bijvoorbeeld de beginselen van vrijheid en gelijkheid, het parlementaire stelsel, het beginsel van een rigide grondwet, de grondwettelijke rechtspraak.

De grondwet bevat de algemene beginselen die als wezenlijke waarden voor het optreden van de overheid worden gezien. Zij dicteert de beginselen waaraan het parlement, de regio's en alle andere overheidsorganen met de bevoegdheid besluiten en regelgeving vast te stellen die algemeen of voor bepaalde adressaten verbindend zijn, zich bij hun wetgevingshandelingen moeten houden. Zij legt de grondslagen voor het buitenlands beleid en de verhouding met de rechtsorde van de Europese Unie.



 

INHOUDSOPGAVE

1. Bronnen van het Italiaans privaatrecht 1.
1.1. Primaire bronnen 1.1.
1.2. Secundaire bronnen 1.2.
1.3. Gewoonten en gebruiken 1.3.
1.4. Billijkheid 1.4.
1.5. Algemene beginselen van de rechtsorde 1.5.
1.6. Jurisprudentie 1.6.
1.7. Circulaires 1.7.
2. Wetgevende bevoegdheid van het parlement 2.
3. Wet- en regelgevende bevoegdheden van regio’s, provincies, gemeenten en grote steden 3.
4. Inwerkingtreding van regelgeving 4.
5. Procedures voor de harmonisatie van nationaal en internationaal recht 5.
6. Communautair recht en zijn voorrang ten opzichte van nationaal recht 6.
7. Normenhiërarchie en voorrangsregels 7.

 

1. Bronnen van het Italiaans privaatrecht

De bronnen van het Italiaans privaatrecht zijn: wetten, verordeningen (in het fascistische corporatieve stelsel dat in 1943 werd ingetrokken ook corporatieve regelgeving) en gewoonten en gebruiken [zie de artikelen 1 tot en met 8 van de disposizioni sulla legge generale (de algemene bepalingen bij het Italiaanse burgerlijk wetboek)].

Deze bronnen zijn hiërarchisch geordend volgens de rechtskracht van de bronnen en de voorschriften die eruit voortvloeien.

1.1. Primaire bronnen

Afgezien van constitutionele wetten zijn de primaire rechtsbronnen:

  1. Gewone nationale wetten (leggi ordinarie) (artikel 1 van de algemene bepalingen). De voorrang van wetten in de nationale rechtsorde kan worden afgeleid uit het feit dat een wettelijke bepaling enkel door een andere, latere wet kan worden ingetrokken of gewijzigd. Bij een gewone nationale wet kunnen alle bepalingen binnen het wettelijke stelsel worden gewijzigd of ingetrokken, met uitzondering van constitutionele bepalingen, die enkel door constitutionele wetten kunnen worden gewijzigd of ingetrokken.
  2. Gedelegeerde wetten (leggi delegate), die door de regering na delegatie door het parlement worden goedgekeurd.
  3. Wetgevingsdecreten (decreti legge), die in bijzondere gevallen door de regering worden vastgesteld en dezelfde dag voor omzetting in wet aan het parlement moeten worden voorgelegd. Als decreti legge niet binnen zestig dagen na bekendmaking worden omgezet, komen ze met terugwerkende kracht te vervallen. Het parlement kan echter de rechtsbetrekkingen die als gevolg van niet-omgezette wetgevingsdecreten zijn ontstaan, bij wet regelen.
  4. Statuten van gewone regio's (statuti di regioni ordinarie) die bij nationale wet zijn goedgekeurd en de wetten die door de regionale raden (leggi regionali) en de provinciale raden van Trente en Bolzano (leggi provinciali) zijn goedgekeurd.

De werkingssfeer van statuten en regionale (en provinciale) wetten is geografisch en materieel beperkt (artikel 117 en artikel 123 van de grondwet). De beperkingen aan de wetgevende bevoegdheid van autonome regio's zijn neergelegd in hun statuten, die bij constitutionele wet zijn vastgesteld.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Binnen het kader van de primaire bronnen worden gedelegeerde wetten (decreti legislativi, wetgevingsdecreten) en regionale wetten als subprimair geclassificeerd, omdat wetgevingsdecreten gebonden zijn aan de beginselen en criteria uit de delegatiewet, terwijl de regionale en provinciale wetten gebonden zijn aan de richtsnoeren voor wetgeving van de nationale overheid in de rechtsgebieden waar het beginsel van niet-uitsluitende bevoegdheid geldt.

Als de regering of een regio in dergelijke subprimaire rechtsbronnen de grenzen van de toegewezen bevoegdheden overschrijdt, is de tekst door een gebrek aangetast, namelijk ongrondwettigheid.

De belangrijkste bronnen van Italiaans privaatrecht zijn de wetboeken. Die hebben eveneens de status van wet en hebben dezelfde werkingssfeer als een afzonderlijke wet, hoewel zij van bijzonder belang zijn vanwege hun reikwijdte en samenhang. De Italiaanse wetboeken op het gebied van privaatrecht zijn de Codice civile (burgerlijk wetboek) en de Codice della navigazione (wetboek van zeerecht), voorzover deze privaatrecht bevat.

1.2. Secundaire bronnen
  1. Secundaire bronnen met kracht van wet zijn alle besluiten (of afzonderlijke bepalingen daaruit) die algemeen verbindende voorschriften van abstracte aard bevatten en eerdere voorschriften kunnen wijzigen, terwijl zij op hun beurt niet kunnen worden gewijzigd behalve bij andere normen met kracht van wet.

    Bij deze vrije voorschriften, die door overheidsorganen worden goedgekeurd, gaat het bijvoorbeeld om regeringsbesluiten, besluiten van ministers of prefecten waarbij bindende prijzen en tarieven voor goederen en diensten worden vastgesteld, gemeentebesluiten en bestemmingsplannen waarbij bouwvoorschriften worden vastgesteld die afwijken van het stelsel van het burgerlijk wetboek.

    Bovenkant paginaBovenkant pagina

  2. Secundaire bronnen zonder kracht van wet zijn uitvoeringsbesluiten (bedoeld om beginselen uit een wet concreet en specifiek ten uitvoer te leggen) en andere regelgevende bestuurlijke voorzieningen die zijn vastgesteld door nationale overheidsorganen (centrale of gedeconcentreerde) of lagere overheden (gemeenten en provincies) die niet bevoegd zijn om af te wijken van normen met kracht van wet.

    Dergelijke besluiten zijn enkel geldig en dus verbindend als zij in overeenstemming zijn met alle (primaire en secundaire) bronnen met kracht van wet.

1.3. Gewoonten en gebruiken

Een als recht aanvaarde gewoonte kan worden geclassificeerd als gewoonte secundum legem of gewoonte praeter legem, afhankelijk van de functie die zij vervult.

De gewoonte secundum legem vormt een aanvulling op geschreven recht (wet of besluit), voorzover dat onvolledig is. De gewoonte wordt dus geïncorporeerd in de wet. In dat geval krijgt de gewoonte dezelfde kracht als de betrokken norm en wordt zij dus, schijnbaar in strijd met de normenhiërarchie van artikel 1 van de algemene bepalingen bij het burgerlijk wetboek, een primaire of secundaire bron.

De gewoonte praeter legem vult lacunes in het geschreven recht aan en werkt onafhankelijk van verwijzingen in de wet.

In dergelijke gevallen vormt de gewoonte een parallelle rechtsbron die in zekere zin op één lijn staat met de wet: de resulterende normen kunnen niet worden aangetast door andere secundaire bronnen, tenzij deze kracht van wet hebben.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

1.4. Billijkheid

De billijkheid is alleen in uitzonderlijke gevallen een bron van recht, namelijk wanneer bepaald is dat de rechter bij gebrek aan eerdere regelgeving de toepasselijke rechtsregel op grond van de billijkheid kan vaststellen.

Wanneer de billijkheid wordt gebruikt als criterium voor de uitlegging van de wet, om een strikt voorschrift van geschreven recht te matigen, is zij geen rechtsbron.

1.5. Algemene beginselen van de rechtsorde

Volgens sommige rechtsgeleerden vallen onder ongeschreven rechtsbronnen ook de ‘algemene rechtsbeginselen’ die in artikel 12 van de algemene bepalingen bij het burgerlijk wetboek worden genoemd als middel om een geschil te beslechten dat niet door analoge of extensieve interpretatie kan worden opgelost.

Daartegenover vormen ongeschreven beginselen (hetzij richtsnoeren voor een bepaald rechtsgebied, hetzij algemene rechtsbeginselen) geen (autonome) rechtsbron. Zij vormen integendeel zelf een rechtsregel, omdat zij worden afgeleid uit een of meer regelgevingshandelingen waaruit het beginsel blijkt.

1.6. Jurisprudentie

Rechtspraak doet geen wettelijke regels ontstaan omdat zij binnen de door de wetgever getrokken krijtlijnen blijft.

De 'regels' uit de rechtspraak hebben betrekking op een concrete zaak. Ze zijn fragiel en kunnen op elk gewenst moment naar aanleiding van een nieuwe zaak weer worden aangepast.

De rechter is daarom niet gebonden aan eerdere uitspraken en hij kan deze niet inroepen om een beslissing te rechtvaardigen. De rechtspraak kan altijd een andere richting inslaan: de regel van stare decisis (bindende precedentwerking) is niet van toepassing.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Bij wetgevingsdecreet nr. 40/2006, waarbij de procedure voor de Corte di cassazione (Hof van cassatie) is hervormd, is bepaald dat een kamer van het Hof die niet instemt met een rechtsbeginsel dat door de gevoegde kamers van het Hof is vastgesteld, de beslissing in de zaak bij gemotiveerde beschikking naar de gevoegde kamers verwijst. Deze voorziening is bedoeld om de eenheid van het recht te bevorderen, wat een van de taken van de Corte di cassazione is, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de rechtspraak een nieuwe, andere richting kan inslaan.

1.7. Circulaires

Circulaires (beleidsregels) zijn geen bronnen van positief recht, maar aanwijzingen van een hogere aan een lagere bestuurlijke autoriteit. Ze berusten dus op een hiërarchie tussen de twee organen.

2. Wetgevende bevoegdheid van het parlement

De grondwet wijst het parlement (dat bestaat uit een senaat en een kamer van afgevaardigden) de taak toe wetten vast te stellen. Wetten zijn de primaire rechtsbronnen van de Italiaanse rechtsorde.

Een nationale wet wordt vastgesteld als de twee kamers van het parlement eenzelfde tekst goedkeuren. Zij wordt binnen een maand na goedkeuring afgekondigd door de Italiaanse president en vervolgens bekendgemaakt in de Gazzetta Ufficiale della Repubblica Italiana (het Italiaanse staatsblad) en opgenomen in de officiële verzameling van wetten en decreten. De president kan bij met redenen omkleed memorandum de kamers voorstellen opnieuw te beraadslagen. Als de wet opnieuw wordt goedgekeurd, is de president echter verplicht haar af te kondigen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In bepaalde gevallen wordt de wetgevende bevoegdheid aan de regering gedelegeerd. Deze kan dan een wetgevingsdecreet vaststellen, mits de richtsnoeren en criteria in een delegatiewet zijn aangegeven en de delegatie enkel voor een welomschreven periode en materie wordt gegeven.

Als wetgevingsdecreten de grenzen van de gedelegeerde bevoegdheden overschrijden, kunnen zij wegens ongrondwettigheid ter discussie worden gesteld.

3. Wet- en regelgevende bevoegdheden van regio’s, provincies, gemeenten en grote steden

De twintig Italiaanse regio’s oefenen krachtens artikel 117 van de grondwet wetgevende bevoegdheid uit op de terreinen die niet aan de nationale wetgever zijn voorbehouden, in overeenstemming met de grondwet en de beperkingen die voortvloeien uit de communautaire rechtsorde en internationale verplichtingen.

Op de terreinen waarvoor zij bevoegd zijn nemen de regio’s en de autonome provincies Trente en Bolzano deel aan de vaststelling van communautaire regelgeving en leggen zij internationale overeenkomsten en wettelijke besluiten van de Europese Unie ten uitvoer. Daarbij nemen zij de nationale wetten in acht, waarin onder andere de bevoegdheid tot substitutie in geval van niet-nakoming is geregeld.

De regio’s met een bijzondere status (Friuli Venezia Giulia, Sardinië, Sicilië, Trentino Alto Adige en Valle d’Aosta) hebben uitgebreidere wetgevende bevoegdheden.

De gemeenten, provincies en grote steden beschikken over de regelgevende bevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de organisatie en de vervulling van hun taken.

4. Inwerkingtreding van regelgeving

Voor de inwerkingtreding van wetgevende bepalingen (wetten en besluiten) is het volgende vereist:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. bekendmaking in de Gazzetta Ufficiale;
  2. verstrijken van een bepaalde periode (vacatio legis genoemd) vanaf de bekendmaking tot aan de inwerkingtreding. Tenzij anders bepaald treedt de regeling in werking op de vijftiende dag na de bekendmaking. Na afloop van de vacatio legis is de wet of het besluit verbindend, ook al hebben zij die tot inachtneming zijn gehouden, er nog geen kennis van genomen of kunnen nemen.

Een wettelijke bepaling vervalt door uitdrukkelijke of stilzwijgende intrekking (als gevolg van onverenigbaarheid met een nieuw voorschrift of omdat de wetgever de volledige materie opnieuw heeft geregeld).

5. Procedures voor de harmonisatie van nationaal en internationaal recht

Nationaal recht en internationaal recht worden geharmoniseerd door de automatische toepassing van de internationale bepaling, zoals in het geval van gewoonterecht krachtens artikel 10 van de grondwet, of door de gewone procedure van omzetting van de internationaalrechtelijke bepaling.

De rang van een internationale bepaling is die van de bepaling waarmee zij is omgezet. In het eerste geval verkrijgen zelfs regels van gewoonterecht op deze manier dezelfde rang als de grondwet. In het tweede geval krijgt het internationale verdrag dezelfde rang als de bepalingen van nationaal recht. In het algemeen wordt echter aangenomen dat de bijzondere aard van de internationaalrechtelijke bepaling ertoe noopt voorrang te geven aan interpretaties die zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met de internationaalrechtelijke bepaling.

6. Communautair recht en zijn voorrang ten opzichte van nationaal recht

Verordeningen zijn communautaire besluiten die rechtstreeks toepasselijk zijn in de nationale rechtsorde. Van alle communautaire bepalingen die de rechtspositie van individuen kunnen beïnvloeden, wordt aangenomen dat zij directe werking hebben.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Richtlijnen moeten door de nationale wetgevers worden omgezet. Als zij echter volledig en onvoorwaardelijk zijn, hebben ook richtlijnen (verticale) rechtstreekse werking. Dat wil zeggen dat de bepalingen van een niet-omgezette richtlijn kunnen worden ingeroepen jegens een niet-nakomende overheid (verticale rechtstreekse werking), maar niet jegens andere particulieren (horizontale rechtstreekse werking).

Beschikkingen zijn verbindend voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk zijn gericht of voor identificeerbare adressaten (lidstaten, natuurlijke personen of rechtspersonen).

Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend.

De verhouding tussen het communautaire recht en het nationale recht wordt gekenmerkt door de stelselmatige voorrang van het communautaire recht boven het nationale recht, verwezenlijkt door middel van de niet-toepassing van nationale bepalingen (zowel eerdere als latere) die in strijd zijn met een rechtstreeks werkende bepaling van het Gemeenschapsrecht.

Na een lang evolutieproces heeft de Corte costituzionale de niet-toepassing van bepalingen van nationaal recht erkend als methode om conflicten met onverenigbare bepalingen van het Gemeenschapsrecht op te lossen. Een incidentele toetsing van de grondwettigheid van onverenigbare bepalingen van nationaal recht is niet nodig, tenzij daaruit de wens blijkt om het Verdrag te verwerpen.

De fundamentele beginselen van de grondwet vormen ook een absolute begrenzing van de gelding van bepalingen van communautair recht. In geval van strijd wordt niet de Gemeenschapsrechtelijke bepaling, maar de binnenlandse wet waarbij is toegetreden tot het Verdrag getoetst, uit hoofde van het beginsel van scheiding van rechtsordes dat de Corte costituzionale heeft aanvaard.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Daarnaast heeft de Corte costituzionale de mogelijkheid erkend om een conflict tussen Italiaanse regionale en communautaire bepalingen in een zelfstandige procedure aan de Corte voor te leggen.

Onlangs is de verplichting het Gemeenschapsrecht in aanmerking te nemen bij wijziging van artikel 117 in de grondwet opgenomen. Daardoor is het mechanisme van niet-toepassing van onverenigbare nationale bepalingen weliswaar niet aangetast, maar is wel een onomkeerbare tendens tot transformatie van de nationale rechtsorde in een deelorde van een gemeenschappelijke (communautaire) rechtsorde naar voren gekomen.

7. Normenhiërarchie en voorrangsregels

De bepalingen van de grondwet staan bovenaan in de hiërarchie van normen, omdat in de grondwet de basisbeginselen voor het openbaar bestuur en de staatsinrichting zijn neergelegd.

Daarna volgen de primaire en secundaire bronnen en de gewoonte, zoals hierboven uiteengezet.

Wettelijke bepalingen hebben geen terugwerkende kracht, met andere woorden, zij zijn alleen van toepassing op toekomstige situaties, tenzij uit de bepaling zelf anders voortvloeit. Een conflict tussen in de tijd opeenvolgende bepalingen wordt opgelost aan de hand van het beginsel dat een eerdere wet door een latere opzij wordt gezet (lex posterior derogat legi priori).

Uit de normenhiërarchie volgt dat primaire bronnen boven secundaire (en latere) bronnen gaan.

Conflicten tussen besluiten met kracht van wet en de grondwet kunnen door de rechter bij wie de zaak aanhangig is, aan de Corte costituzionale worden voorgelegd, als de kwestie niet kennelijk ongegrond is en van belang voor de beslechting van het geschil. In tegenstelling tot intrekking ontneemt een ongrondwettigheidsverklaring met terugwerkende kracht de rechtsgevolgen aan een betwiste bepaling, behalve in het geval van rechtsbetrekkingen die al bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zijn vastgesteld.

Een conflict tussen wetgeving van de nationale en een regionale wetgever als gevolg van inbreuk op hun respectieve bevoegdheden levert een schending op van de grondwettelijke grenzen die aan de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden zijn gesteld. Een dergelijk conflict kan aan de Corte costituzionale worden voorgelegd voor een regeling van bevoegdheden.

Zie vraag 6 voor conflicten tussen nationaal en communautair recht.

Bijgewerkt tot en met 30 april 2007.

« Rechtsorde - Algemene informatie | Italië - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 14-02-2008

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk