Europese Commissie > EJN > Bevoegdheid van de rechtbanken > Letland

Laatste aanpassing: 27-02-2008
Printversie Voeg toe aan favorieten

Bevoegdheid van de rechtbanken - Letland

EJN logo

Deze pagina is vervallen. De originele taalversie is bijgewerkt en verplaatst naar het Europees e-justitieportaal.


 

INHOUDSOPGAVE

A. Moet ik mij wenden tot een gewone rechtbank of tot een gespecialiseerde rechtbank? A.
B. Als de gewone rechtbanken bevoegd zijn, hoe kan ik dan te weten komen welke van die rechtbanken bevoegd is voor mijn zaak? B.
I. Is er een onderscheid tussen lagere en hogere gewone burgerlijke rechtbanken van eerste aanleg en zo ja, welke rechtbank is dan bevoegd voor mijn zaak? I.
II. Territoriale bevoegdheid II.
1. De basisregel van de territoriale bevoegdheid 1.
2. Uitzonderingen op de basisregel 2.
a) Wanneer mag ik kiezen tussen de rechtbank van de woonplaats van de verweerder (aangewezen door de basisregel) en een andere rechtbank? a)
b) Wanneer moet ik kiezen voor een andere rechtbank dan die van de woonplaats van de verweerder (aangewezen door de basisregel)? b)
c) Mogen de partijen zelf een rechtbank, die normaal gezien niet bevoegd zou zijn, aanwijzen? c)
C. Als een gespecialiseerde rechtbank bevoegd is, hoe kan ik dan te weten komen tot welke rechtbank ik mij moet wenden? C.

 

A. Moet ik mij wenden tot een gewone rechtbank of tot een gespecialiseerde rechtbank?

De Wet op de burgerlijke rechtsvordering garandeert iedere natuurlijke persoon en rechtspersoon het recht om zijn rechtmatige belangen en burgerrechten in rechte te verdedigen indien daarop inbreuk wordt gemaakt of deze worden betwist. De hoofdregel is dat alle civiele geschillen in rechte dienen te worden beslecht en dat deze dienen te worden behandeld krachtens een procedure voor civiele vorderingen. In uitzonderingsgevallen en indien daar door de wet in wordt voorzien, kunnen geschillen krachtens buitengerechtelijke procedures worden beslecht. In door de wet bepaalde gevallen behandelt de rechter eveneens vorderingen van natuurlijke personen en rechtspersonen die naar hun aard bezien niet civiel zijn. In alle gevallen wordt echter door een rechter over de arbitrage van een geschil beslist. Indien een rechter tot de slotsom komt dat een geschil niet voor de rechter dient te worden gebracht, geeft de beslissing eveneens aan welk orgaan voor beslechting bevoegd is.

De partijen bij een geschil kunnen in onderling overleg bepalen hun zaak aan een hof van arbitrage voor te leggen, of het nu gaat om een gerezen of mogelijk nog te rijzen geschil. Behoudens bij wet bepaalde geschillen, kan ieder civiel geschil aan een hof van arbitrage worden voorgelegd. Daartoe dient bij het betreffende hof van arbitrage een verzoek te worden ingediend.

B. Als de gewone rechtbanken bevoegd zijn, hoe kan ik dan te weten komen welke van die rechtbanken bevoegd is voor mijn zaak?

Civiele zaken worden in het gerecht van eerste aanleg inhoudelijk beoordeeld, met uitzonderling van bij wet bepaalde zaken die in regionale gerechten worden behandeld.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Een zaak wordt door een hogere instantie niet inhoudelijk behandeld voordat hij in een lager gerecht is behandeld. Het gerecht van eerste aanleg voor civiele zaken is het districtsgerecht (gemeentelijk gerecht) of regionaal gerecht dat voor de zaak bevoegd is. In civiele procedures houdt jurisdictie in dat civiele zaken die voor de rechter dienen te worden gebracht worden toegewezen aan de gerechten van eerste aanleg voor inhoudelijke behandeling op grond van hun inhoudelijke of territoriale jurisdictie.

Zaken die door de rechter worden beslecht, worden behandeld in districtsgerechten (gemeentelijke gerechten), met uitzondering van bij wet bepaalde zaken die in regionale gerechten worden behandeld. De volgende zaken die door de rechter worden beslecht, worden behandeld in regionale gerechten:

  1. geschillen inzake eigendomsrechten op onroerende zaken;
  2. zaken met betrekking tot het overeenkomstenrecht waar een bedrag in het geding is van meer dan LVL 150 000;
  3. zaken met betrekking tot octrooirechten en de bescherming van handelsmerken;
  4. zaken met betrekking tot faillissement en liquidatie van kredietinstellingen.

Voorts wordt een zaak in een regionaal gerecht behandeld indien binnen dezelfde zaak diverse eisen worden ingediend waarvan sommige onder de bevoegdheid van districtsgerechten (gemeentelijke gerechten) vallen en andere in een regionaal gerecht zouden moeten worden behandeld of indien een tegenvordering die onder de bevoegdheid van een regionaal gerecht valt is ingediend in een districtsgerecht (gemeentelijk gerecht).

De rechter behandelt civiele zaken op grond van wetten en andere regelgeving, internationale verdragen die voor Letland bindend zijn en wetgeving van de Europese Unie. Indien de bepalingen van een door de Saeima (het Letse parlement) goedgekeurd verdrag in strijd zijn met die van de Letse wetgeving, zijn de bepalingen van het internationale verdrag van toepassing. Indien een kwestie die voor de rechter is gebracht, wordt beheerst door wetgeving van de Europese Unie met rechtstreekse werking, worden de Letse wetsbepalingen toegepast voor zover krachtens de wetgeving van de Europese Unie toegestaan.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

I. Is er een onderscheid tussen lagere en hogere gewone burgerlijke rechtbanken van eerste aanleg en zo ja, welke rechtbank is dan bevoegd voor mijn zaak?

In civiele zaken wordt de toewijzing van de bevoegdheid aan de diverse niveaus van gerechten van eerste aanleg inhoudelijke bevoegdheid genoemd, omdat civiele zaken die onder de bevoegdheid van deze gerechten vallen, worden ingedeeld naar de soort zaak of de soort vordering (aard van de zaak of waarde van de vordering). In beide gevallen moet ook met de territoriale bevoegdheid van gerechten van dezelfde aanleg rekening worden gehouden.

Zie bovenstaande informatie over het onderscheid tussen de lagere en de hogere gerechten van eerste aanleg.

II. Territoriale bevoegdheid

1. De basisregel van de territoriale bevoegdheid

Ingevolge algemene procedures inzake territoriale bevoegdheid, dient een vordering tegen een natuurlijke persoon te worden gericht aan een gerecht dat wordt bepaald op basis van de woonplaats van de persoon (art. 26 van de Wet op de Strafvordering). Een vordering tegen een rechtspersoon wordt gericht aan een gerecht dat wordt bepaald op basis van de vestiging (juridisch adres) van de rechtspersoon. Het gerecht van eerste aanleg waar een zaak voor de rechter komt, hangt dus af van de aard van de zaak en de waarde van de vordering, maar ook van de regels omtrent territoriale bevoegdheid.

2. Uitzonderingen op de basisregel

De Wet op de burgerlijke rechtsvordering bepaalt ook uitzonderingen op de regels omtrent territoriale bevoegdheid in civiele zaken. Zo kan een eiser een rechtszaak aanspannen met toepassing van de algemene regels inzake territoriale bevoegdheid, d.w.z. zijn eis indienen bij het gerecht in de woon- of vestigingsplaats van de verweerder of bij een ander gerecht van eerste aanleg dat op hetzelfde niveau opereert en bij wet is aangeduid als alternatief gerecht.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

a) Wanneer mag ik kiezen tussen de rechtbank van de woonplaats van de verweerder (aangewezen door de basisregel) en een andere rechtbank?

Een vordering tegen een verweerder wiens woonplaats niet bekend is of die geen permanente woonplaats in Letland heeft, wordt gericht aan een gerecht op grond van de ligging van een eventueel aan de verweerder toebehorende onroerende zaak of op grond van zijn laatst bekende woonplaats.

De regels omtrent de keuze door de eiser van het bevoegde gerecht zijn neergelegd in art. 28 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering, waar de volgende gedetailleerde opsomming wordt gegeven van de aard van de zaken en de alternatieve gerechten waar een vordering kan worden ingediend:

  1. Een vordering verband houdend met de handelingen van een dochtermaatschappij of vertegenwoordigend kantoor van een rechtspersoon mag ook worden ingediend in een gerecht op grond van de vestiging van de dochtermaatschappij of het vertegenwoordigend kantoor.
  2. Een vordering verband houdend met verkrijging van alimentatie of de vaststelling van vaderschap kan eveneens bij een gerecht worden ingediend op grond van de woonplaats van de eiser.
  3. Een vordering verband houdend met persoonlijke geweldpleging (artt. 2347-2353 van de Wet op het Burgerlijk Recht latviešu valoda) die heeft geleid tot invaliditeit, andere gezondheidsschade of de dood van de betrokkene kan eveneens bij een gerecht worden ingediend op grond van de woonplaats van de eiser of op grond van de plaats waar de persoonlijke geweldpleging is begaan.
  4. Een vordering verband houdend met schade toegebracht aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan eveneens bij een gerecht worden ingediend op grond van de plaats waarde de schade is toegebracht.
  5. Een vordering verband houdend met de terugvordering van eigendommen of de vergoeding van de waarde van dergelijke eigendommen kan eveneens bij een gerecht worden ingediend op grond van de woonplaats van de eiser.
  6. Vorderingen verband houdend met de zeevaart kunnen eveneens bij een gerecht worden ingediend op grond van de plaats waar het vaartuig van de verweerder in beslag is genomen.
  7. Een zaak tegen diverse verweerders die in verschillende plaatsen woonachtig of gevestigd zijn, kan bij een gerecht aanhangig worden gemaakt op grond van de woon- of vestigingsplaats van een van de verweerders.
  8. Een zaak verband houdend met een scheiding of nietigverklaring van het huwelijk kan bij een gerecht aanhangig worden gemaakt op grond van de woonplaats van de eiser, indien:
    1. er minderjarige kinderen bij de eiser inwonen;
    2. een van de partijen die om scheiding verzoeken formeel als geestelijk onbekwaam is aangemerkt of onder voogdij staat (art. 365 van de Wet op het burgerlijk recht);
    3. een van de partijen die om scheiding verzoeken een gevangenisstraf uitzit;
    4. de woonplaats van een van de partijen die om scheiding verzoeken onbekend of buiten Letland is;
    5. de echtelieden bij hun besluit om om scheiding te verzoeken daartoe een verzoek hebben ingediend.
  9. Een vordering verband houdend met een arbeidsovereenkomst kan eveneens bij een gerecht worden ingediend op grond van de woonplaats of plaats van de werkzaamheden van de eiser.
b) Wanneer moet ik kiezen voor een andere rechtbank dan die van de woonplaats van de verweerder (aangewezen door de basisregel)?

Exclusieve bevoegdheid in civiele zaken betreft niet alleen uitzonderingen van de algemene territoriale bevoegdheid in civiele zaken, maar ook van alle andere soorten territoriale bevoegdheid. Deze bevoegdheid geldt zaken van een bepaalde aard:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. vorderingen verband houden met eigendomsrechten en alle andere bezitsrechten op onroerende zaken of de inboedel daarvan, evenals vorderingen verband houdend met de inschrijving van dergelijke rechten in het kadaster of de doorhaling van dergelijke rechten bij het kadaster en uitsluiting van dergelijke rechten van de betreffende akte worden gericht aan het gerecht op basis van de ligging van de betreffende onroerende zaak;
  2. een vordering van een schuldeiser jegens een gehele nalatenschap valt onder de bevoegdheid van het gerecht op grond van de woonplaats van de erflater indien de erkende erfgenamen of legatarissen niet bekend zijn. Indien de woonplaats niet bekend of buiten Letland is gelegen, wordt de vordering gericht aan het gerecht op grond van de ligging van de nalatenschap of een deel daarvan;
  3. ook op grond van andere wetten kan een exclusieve bevoegdheid gelden.

De onderstaande bepalingen gelden eveneens voor zaken die volgens bijzondere gerechtelijke procedures worden behandeld:

  1. een verzoekschrift verband houdend met de goedkeuring van een adoptie dient te worden gericht aan een gerecht op grond van de woonplaats van de adoptiefouder, maar een verzoekschrift verband houdend met nietigverklaring van de adoptie dient te worden gericht aan een gerecht op grond van de woonplaats van een van de verzoekers. Een verzoekschrift van een vreemdeling of een in een buitenlandse staat woonachtige persoon dient te worden gericht aan een gerecht op grond van de woonplaats van de geadopteerde (art. 259 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  2. een verzoekschrift om iemand handelingsonbekwaam te laten verklaren wegens een geestesziekte of geestelijk gebrek dient te worden gericht aan een gerecht op grond van de woonplaats van de betrokkene of, indien deze buitenshuis wordt verzorgd, op grond van de vestigingsplaats van de medische instelling (art. 264 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  3. een verzoekschrift om een persoon wiens liederlijk gedrag, uitgavenpatroon, levensstijl of bovenmatig gebruik van alcohol of verdovende middelen hun of hun gezin ontbering of armoede dreigt te brengen onder voogdij te stellen, dient te worden gericht aan een gerecht op grond van de woonplaats van de betrokkene (art. 271 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  4. een zaak verband houdend met het bewind over de goederen van een afwezige of vermiste persoon wordt behandeld door het gerecht op grond van de laatst bekende woonplaats van de afwezige of vermiste persoon (art. 278 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  5. een verzoek tot overledenverklaring van een vermiste persoon dient te worden ingediend bij een gerecht op grond van de laatst bekende woonplaats van de betrokkene (art. 282 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  6. een verzoekschrift voor de vaststelling van rechtsfeiten dient te worden gericht aan het gerecht op grond van de woonplaats van de verzoeker (art. 290 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  7. een verzoekschrift voor de nietigverklaring van rechten verband houdend met onroerende zaken dient te worden gericht aan een gerecht op grond van de ligging van de onroerende zaak; indien het verzoek verband houdt met andere rechten, wordt het verzoek gericht aan een gerecht op grond van de plaats van de verzoeker, d.w.z. de woonplaats van een natuurlijke persoon of de vestigingsplaats (juridisch adres) van een rechtspersoon, behoudens waar wettelijk anderszins bepaald (art. 294, tweede lid van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  8. een verzoek tot nietigverklaring van verloren, gestolen of vernietigde stukken en het herstel van rechten aangaande dergelijke stukken dient te worden gericht aan het gerecht op grond van de plaats van betaling aangegeven op het document. Indien de plaats van betaling niet bekend is, dan geldt de woonplaats van de schuldenaar indien deze een natuurlijke persoon is of de vestigingsplaats (juridisch adres) indien deze een rechtspersoon is. Indien het adres van de schuldenaar eveneens onbekend is, geld de plaats van uitgifte van het document (art. 299 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  9. verzoekschriften verband houdend met de aflossing van onroerende zaken dienen te worden gericht aan het gerecht op grond van de ligging van de betreffende onroerende zaak (art. 336 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  10. zaken verband houdend met het faillissement van een onderneming of vennootschap dienen te worden behandeld door een gerecht op grond van de vestiging (juridisch adres) van de onderneming of de vennootschap. Zaken verband houdend met het openen van insolventieprocedures krachtens artikel 3, eerste lid van Verordening (EG) Nr. 1346/2000 worden behandeld door een gerecht op grond van het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar; zaken verband houdend met het openen van insolventieprocedures krachtens artikel 3, tweede lid van deze Verordening worden behandeld door een gerecht op grond van de vestigingsplaats van de onderneming van de schuldenaar (als bedoeld in artikel 2 onder h van deze Verordening) (art. 342 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  11. zaken verband houdend met het faillissement of de liquidatie van kredietinstellingen dienen te worden behandeld door een gerecht op grond van de vestigingsplaats (juridisch adres) van de kredietinstelling (art. 364 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  12. een werkgever kan een verzoek indienen om een staking of een stakingsverzoek onwettig te laten verklaren op de gronden als omschreven en krachtens de procedure beschreven in de Wet op de stakingen latviešu valoda. Een verzoek om een staking of een stakingsverzoek onwettig te laten verklaren dient te worden gericht aan een gerecht op grond van de plaats waar de staking zou moeten plaatsvinden (art. 390 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  13. werknemersvertegenwoordigers kunnen een verzoek indienen om een uitsluiting of een uitsluitingsverzoek onwettig te laten verklaren op de gronden als omschreven en krachtens de procedure beschreven in de Wet op de stakingen latviešu valoda. Een verzoek om een uitsluiting of een uitsluitingsverzoek onwettig te laten verklaren dient te worden gericht aan een gerecht op grond van de plaats waar de uitsluiting zou moeten plaatsvinden (art. 3941 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering).

Zaken verband houdend met een onbetwiste uitwinning van vorderingen:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. verzoekschriften verband houdend met de vrijwillige verkoop van onroerende zaken bij veiling door rechterlijke tussenkomst dient te worden gericht aan het districtsgerecht (gemeentelijk gerecht) op grond van de ligging van de onroerende zaak (art. 395 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  2. verzoekschriften verband houdend met de onbetwiste vrijwillige uitwinning van vorderingen betreffende geldelijke betalingen of de teruggave van roerende zaken dienen te worden gericht aan het districtsgerecht (gemeentelijk gerecht) op grond van de woonplaats van de schuldenaar (art. 403, eerste lid van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  3. verzoekschriften verband houdend met de onbetwiste vrijwillige uitwinning krachtens een pandakte ter zake van een onroerende zaak of een verplichting tot ontruiming of teruggave van gehuurde onroerende zaken dienen te worden gericht aan het districtsgerecht (gemeentelijk gerecht) op grond van de woonplaats van de schuldenaar (art. 403, tweede lid van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering);
  4. verzoekschriften verband houdend met de onbetwiste vrijwillige uitwinning krachtens een hypotheekakte met betrekking tot een vaartuig dienen te worden gericht aan het districtsgerecht (gemeentelijk gerecht) op grond van de plaats waar de hypotheekakte is ingeschreven (art. 403, derde lid van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering).

Exclusieve bevoegdheid geldt niet bij de gedwongen uitwinning van vorderingen krachtens aanmaningsprocedures indien een vordering wordt gericht aan een gerecht op grond van de woon- of vestigingsplaats van de schuldenaar, en met betrekking tot dergelijke zaken gelden geen uitzonderingen op de bevoegdheid van een regionaal gerecht. Een aanmaning kan namelijk ook aan een schuldenaar worden betekend indien de waarde van de vordering meer dan LVL 150.000 bedraagt, aangezien de rechter geen uitspraak behoeft te doen inzake geschillen omtrent aanmaningsprocedures. De schuldenaar wordt een aanmaning inzake de vordering uitgereikt, op grond waarvan hij kan kiezen voor voldoening of een gerechtelijke procedure. Indien de schuldenaar de vordering niet aanvaardt, wordt het geschil behandeld conform de procedures voor vorderingen en de regels omtrent bevoegdheid van de gerechten bij gerechtelijke procedures.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

c) Mogen de partijen zelf een rechtbank, die normaal gezien niet bevoegd zou zijn, aanwijzen?

Ja, die mogelijkheid bestaat inderdaad. De Letse wetgeving voorziet in de mogelijkheid van bevoegdheidstoewijzing in onderling overleg, waarbij de partijen het recht hebben de territoriale bevoegdheid voor hun zaak gezamenlijk toe te wijzen. Bij het sluiten van een overeenkomst kunnen de partijen het gerecht van eerste aanleg aangeven waar eventuele toekomstige geschillen verband houdend met de overeenkomst of de nakoming van de bepalingen ervan dienen te worden beslecht. De partijen mogen echter niet de inhoudelijke bevoegdheid wijzigen waaronder een zaak valt (art. 25 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering); dit is de toewijzing van een civiele zaak aan de diverse fasen van het gerecht van eerste aanleg. Evenmin mogen de partijen exclusieve bevoegdheid wijzigen (art. 29 van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering). Bevoegdheidstoewijzing in onderling overleg kent een tweetal beperkingen:

  1. deze wijze van bevoegdheidstoewijzing kan slechts worden gebruikt bij geschillen die met een overeenkomst verband houden;
  2. overeenstemming tot het wijzigen van territoriale jurisdictie dient te worden vastgelegd ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en het concrete gerecht waar een eventueel geschil kan worden behandeld, dient te worden aangeduid. Aangezien de partijen bij het sluiten van de overeenkomst de waarde van een vordering met betrekking tot het eventuele geschil kunnen inschatten, dient de overeenkomst te voorzien in een alternatieve keuze voor een gerecht van eerste aanleg, d.w.z. zowel een districtsgerecht (gemeentelijk gerecht) en een regionaal gerecht waaraan de partijen geschillen kunnen voorleggen, afhankelijk van de waarde van de vordering.

C. Als een gespecialiseerde rechtbank bevoegd is, hoe kan ik dan te weten komen tot welke rechtbank ik mij moet wenden?

Ingevolge de Letse wetgeving behandelen de gerechten met algemene bevoegdheid zowel civiele zaken als strafzaken. Letland heeft geen gespecialiseerde gerechten, zoals gezinsrechtbanken, of rechters die in bepaalde rechtsgebieden gespecialiseerd zijn, zoals in andere landen wel het geval is.

Zoals hierboven gememoreerd, worden civiele zaken inhoudelijk beoordeeld in een gerecht van eerste aanleg en niet in een gerecht van hogere instantie alvorens te zijn behandeld in een lager gerecht. Voor een civiele zaak is het gerecht van eerste aanleg het districtsgerecht (gemeentelijke gerecht) of het regionale gerecht dat bevoegd is voor de zaak. Krachtens algemene bepalingen dienen alle civiele geschillen in rechte te worden beslecht en dienen deze te worden behandeld krachtens een procedure voor civiele vorderingen.

« Bevoegdheid van de rechtbanken - Algemene informatie | Letland - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 27-02-2008

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk