Rechtsorde
Organisatie van de rechtspraak
Juridische beroepen
Rechtsbijstand
Bevoegdheid van de rechtbanken
Aanhangigmaking van zaken bij de rechter
Procestermijnen
Toepasselijk recht
Betekening en kennisgeving van stukken
Verkrijging van bewijs en bewijsvoering
Voorlopige en bewarende maatregelen
Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Vereenvoudigde procedures en spoedprocedures
Echtscheiding
Ouderlijke verantwoordelijkheid
Alimentatie-
Faillissement
Alternatieve wijzen van geschillenbeslechting
Schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
Geautomatiseerde verwerking
Gelet op de specifieke kenmerken van het Belgisch rechtsstelsel, noodzaakt de duidelijkheid ons om de vragen A en B, I tezamen te behandelen.
Het betaamt vooreerst een onderscheid te maken tussen de volstrekte bevoegdheid (soms ook de materiële bevoegdheid genoemd) en de territoriale bevoegdheid.
Elke vordering heeft een voorwerp en vaak ook een geldwaarde. De wetgever bepaalt de omvang van de volstrekte bevoegdheid door de aard en de waarde van de vorderingen aan te duiden waarvan de rechtbank kennis mag nemen.
De volstrekte bevoegdheid wordt in dit informatiedossier beschreven in het antwoord op de vragen A en B, I.
De rechtbanken zijn niet bevoegd voor het gehele grondgebied van België. De wet heeft ons land in rechtsgebieden ingedeeld (kantons, arrondissementen,…). Elke rechtbank is maar bevoegd voor zijn gebied (territorium). Dit noemt men de territoriale bevoegdheid. De beschrijving ervan vindt U in het antwoord op vraag B.II.
De rechtbank van eerste aanleg heeft “ volheid van bevoegdheid”. Dit wil zeggen dat de rechtbank van eerste aanleg, in tegenstelling tot de andere rechtscolleges, kennis kan nemen van alle zaken, ook van die zaken die tot de bevoegdheden van andere rechtscolleges behoren.
Artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen. De rechtbank van eerste aanleg heeft aldus een voorwaardelijke volheid van bevoegdheid. De volheid van bevoegdheid is voorwaardelijk aangezien de verweerder de onbevoegdheid kan inroepen op grond van de bijzondere bevoegdheid van een andere rechter. Daarnaast heeft de rechtbank van eerste aanleg ook nog een aantal uitsluitende bevoegdheden. Een aantal geschillen dienen voorgelegd te worden aan deze rechtbank ook als de waarde van de vordering minder dan 1860 EUR bedraagt, zoals bvb. vorderingen betreffende de staat van de persoon.
Nu volgt een opsomming van de andere rechtscolleges en een korte beschrijving van hun volstrekte bevoegdheid.
a) Vrederechter
Volgens artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek omvat de algemene bevoegdheid van de vrederechter alle vorderingen waarvan het bedrag lager is dan 1860 EUR behalve die, welke de wet uitdrukkelijk aan de bevoegdheid van een andere rechtbank heeft toegewezen. Buiten deze algemene bevoegdheid worden aan de vrederechter een aantal bijzondere (zie de artikelen 591, 593 en 594 van het Gerechtelijk Wetboek) en uitsluitende bevoegdheden (artikelen 595 en 597 van het Gerechtelijk Wetboek) toegekend ongeacht het bedrag van de vordering. Voorbeelden van deze bijzondere bevoegdheden zijn geschillen i.v.m. huur, mede-eigendom, erfdienstbaarheden en onderhoudsuitkeringen. Verder is hij ook bevoegd tot het opstellen van adoptie-akten en akten van bekendheid. Dringende onteigeningen en verzegelingen behoren tot de uitsluitende bevoegdheden van de vrederechter.
b) Politierechtban
De politierechtbank neemt, artikel 601 bis van het Gerechtelijk Wetboek, kennis van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, ongeacht het bedrag. Dit is een uitsluitende bevoegdheid.
c) Rechtbank van koophandel
De rechtbank van koophandel neemt, volgens artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek, in eerste aanleg kennis van de geschillen tussen kooplieden, die handelingen betreffen die de wet als daden van koophandel aanmerkt en die niet onder de algemene bevoegdheid van de vrederechter of onder de bevoegdheid van de politierechtbanken vallen. Het is ook mogelijk dat een niet-handelaar, die een proces begint tegen een handelaar verkiest dat de zaak voor de rechtbank van koophandel wordt gebracht, maar een handelaar kan geen procedure tegen een niet-handelaar beginnen voor de rechtbank van koophandel. Daarnaast neemt de rechtbank van koophandel kennis van geschillen betreffende wisselbrieven en orderbriefjes, wanneer het bedrag van de vordering hoger is dan 1.860 EUR.
Naast deze algemene bevoegdheden heeft de rechtbank van koophandel ook een aantal bijzondere en uitsluitende bevoegdheden. De bijzondere bevoegdheden staan opgesomd in het artikel 574 van het Gerechtelijk Wetboek. Ze omvatten o.a. de geschillen ter zake van een handelsvennootschap en de vorderingen inzake zee- en binnenvaart. Artikel 574, 2° van het Gerechtelijk Wetboek beschrijft de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbank van koophandel: de vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en het gerechtelijk akkoord overeenkomstig de voorschriften van de faillissementswet en de wet betreffende het gerechtelijk akkoord, en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement en het gerechtelijk akkoord.
d) Arbeidsrechtbank
De arbeidsrechtbank is de voornaamste buitengewone rechtbank en heeft vooral bijzondere bevoegdheden. Deze bevoegdheden, beschreven in de artikelen 578 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, zijn:
De arbeidsrechtbank heeft een uitsluitende bevoegdheid voor wat betreft de toepassing der administratieve sancties bepaald bij de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 578 tot 582 en bij de wet betreffende de administratieve geldboeten in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
e) Voorzitters van de rechtbanken - het kort geding
De artikelen 584 tot 589 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen dat de voorzitters van de rechtbanken (eerste aanleg, rechtbank van koophandel en arbeidsrechtbank) in alle spoedeisende gevallen voorlopige beslissingen kunnen treffen over zaken, die tot de bevoegdheid van hun rechtbank behoren. De voorwaarde is dat het gaat over dringende zaken en dat de beslissing enkel van voorlopige aard is, zonder nadeel voor de zaak zelf. Enkele voorbeelden: bevelen van een deskundigenonderzoek, bevelen dat een getuige gehoord zou worden…
f) Beslagrechter ( zie artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek)
Alle vorderingen betreffende bewarende beslagen, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling worden gebracht voor de beslagrechter.
g) Jeugdrechter
Hoewel de Gemeenschappen (dit zijn de deelstaten van de Belgische federale staat) bevoegd zijn voor jeugdbescherming, vormt de organisatie van de jeugdgerechten nog altijd een federale materie die beheerst wordt door de federale wet betreffende de jeugdbescherming van 8 april 1965. De jeugdrechtbank is een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg die zich toelegt op jeugdbeschermingsmaatregelen. Daarnaast is de jeugdrechtbank bevoegd voor enkele burgerlijke aangelegenheden zoals de homologatie van een adoptie, betwistingen tussen de ouders inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag en het omgangsrecht, enz…
Het Belgisch rechtssysteem gaat uit van de keuzevrijheid van de eiser. De algemene regel is vastgelegd in artikel 624, 1° van het Gerechtelijk Wetboek. Normaal gezien brengt de eiser de zaak voor de rechter van de woonplaats van de verweerder of van één der verweerders.
Wat als die verweerder een rechtspersoon is? De woonplaats van een rechtspersoon is de plaats van zijn hoofdzetel, d.w.z. de administratiezetel vanwaar de onderneming wordt beheerd.
In een aantal gevallen heeft de eiser de keuze om de zaak bij een andere rechter in te leiden. Dit staat o.a. beschreven in het artikel 624, 2° tot 4° van het gerechtelijk wetboek. Naast de rechter van de woonplaats van de verweerder of van één der verweerders kan de eiser kiezen:
Daarnaast wordt in de rechtspraak wordt aangenomen dat inzake kort geding de voorzitter van de plaats waar de beslissing moet worden uitgevoerd, territoriaal bevoegd is.
Wat betreft de uitkeringen tot onderhoud bepaalt artikel 626 van het Gerechtelijk Wetboek dat de vorderingen betreffende de uitkeringen tot onderhoud, bedoeld in artikel 591, 7°, gebracht kunnen worden voor de rechter van de woonplaats van de eiser.
De regels in de artikelen 624 en 626 zijn echter van aanvullend recht en de partijen kunnen er van afwijken. De partijen kunnen dus, voor elk geschil, een bevoegdheidsovereenkomst sluiten waardoor een eventueel geschil enkel aan bepaalde gerechten in eerste aanleg kan worden voorgelegd.
Op dit basisprincipe van keuzevrijheid bestaan echter enkele uitzonderingen.
Zo beschrijft de wetgever een aantal gevallen waarbij de eiser geen keuze heeft. Deze gevallen staan met name in de artikelen 627 tot en met 629 van het Gerechtelijk Wetboek. Voorbeelden hiervan zijn:
De keuzevrijheid is echter zelfs in deze gevallen niet volledig beperkt. Artikel 630 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers dat de partijen na het ontstaan van het geschil bij overeenkomst kunnen afwijken van de wettelijke regeling. Overeenkomsten van voor het ontstaan van het geschil zijn echter van rechtswege nietig.
In een aantal gevallen, met name beschreven in de artikelen 631 tot 633 van het Gerechtelijk Wetboek, is slechts één rechtbank exclusief territoriaal bevoegd. De eiser heeft dus geen keuze en zowel voor als na het ontstaan van het geschil is geen bevoegdheidsovereenkomst mogelijk. Deze gevallen zijn onder meer:
Zoals eerder reeds werd uitgelegd zijn de regels in de artikelen 624 en 626 van aanvullend recht en de partijen kunnen er van afwijken. De partijen kunnen, voor elk geschil, een bevoegdheidsovereenkomst sluiten waardoor een eventueel geschil enkel aan bepaalde gerechten in eerste aanleg kan worden voorgelegd.
In de gevallen van de artikelen 627 tot en met 629 van het Gerechtelijk Wetboek mogen er geen bevoegdheidsovereenkomsten gesloten worden voor het ontstaan van het geschil. Uit artikel 630 kan men echter opmaken dat na het ontstaan van het geschil zijn deze overeenkomsten wel zijn toegelaten.
In de gevallen, beschreven in de artikelen 631 tot 633 van het Gerechtelijk Wetboek, mogen geen bevoegdheidsovereenkomsten gemaakt worden.
Het antwoord op deze vraag staat beschreven in het antwoord op de vragen A en B.
- klik op “Geconsolideerde wetgeving”
- kies bij “Juridische aard”: “Gerechtelijk Wetboek”
- voer in bij “Woord(en)”: “624”
- klik op “Opzoeking”
- klik op “Lijst”
* klik op “Justitie van A tot Z”
* kies “Hoven: bevoegdheid”
« Bevoegdheid van de rechtbanken - Algemene informatie | België - Algemene informatie »
Laatste aanpassing: 03-08-2007

