Rechtsorde
Organisatie van de rechtspraak
Juridische beroepen
Rechtsbijstand
Bevoegdheid van de rechtbanken
Aanhangigmaking van zaken bij de rechter
Procestermijnen
Toepasselijk recht
Betekening en kennisgeving van stukken
Verkrijging van bewijs en bewijsvoering
Voorlopige en bewarende maatregelen
Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Vereenvoudigde procedures en spoedprocedures
Echtscheiding
Ouderlijke verantwoordelijkheid
Alimentatie-
Faillissement
Alternatieve wijzen van geschillenbeslechting
Schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
Geautomatiseerde verwerking
Deze pagina is vervallen. De originele taalversie is bijgewerkt en verplaatst naar het Europees e-justitieportaal.
Als voorlopige en preventieve maatregelen kunnen de conservatoire procedures worden vermeld. Het Oostenrijkse recht kent de volgende conservatoire procedures:
Deze conservatoire procedures hebben met elkaar gemeen, dat de partijen hun beweringen niet hoeven te bewijzen maar enkel schriftelijk moeten bevestigen, dus geloofwaardig moeten maken.
Omdat met name de kortgedingprocedures van belang zijn, beperkt de onderstaande beschrijving zich tot het kort geding.
Een kortgedinguitspraak is een rechterlijk bevel in de vorm van een beslissing, waardoor een toekomstige executie wordt gewaarborgd of louter feitelijke verhoudingen voor een bepaalde tijd worden geregeld of een voorlopige voorziening wordt gerealiseerd.
Bij de kortgedingprocedures kan voorts een onderscheid worden aangebracht tussen kortgedingprocedures:
Een kortgedinguitspraak wordt enkel op verzoek gegeven. De partijen worden aangeduid als “eisende partij” en “gedaagde partij”. Bevoegd tot het geven van een kortgedinguitspraak zijn:
Omdat de procedure volgens de voorschriften van het executierecht verloopt, is er in de procedure in eerste aanleg geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat.
Voor zover reële uitvoeringshandelingen – zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van een gerechtelijke beslaglegging – moeten worden uitgevoerd, dient dit ambtswege (door de gerechtsdeurwaarder) te gebeuren. De kosten van een kortgedingprocedure, waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde van de zeker te stellen aanspraak, moet de eiser in eerste instantie zelf dragen. Pas als hij in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld, kan hij aanspraak maken op vergoeding van de kosten, waartoe doorgaans in de bodemprocedure reeds een eis moet worden ingediend. De gedaagde ontvangt echter reeds een kostenvergoeding bij de beslissing in kort geding indien hij in die procedure in het gelijk wordt gesteld.
De voorwaarde voor het geven van een kortgedinguitspraak is een verzoek van de eisende partij, waarin:
- Bij een kortgedingprocedure ter zekerstelling van geldvorderingen moet een subjectief risico schriftelijk worden bevestigd; hetgeen betekent de schriftelijke bevestiging dat zonder kortgedingprocedure de tegenpartij met door haar genomen maatregelen het innen van de geldvordering kan verhinderen of bemoeilijken.
- Bij de overige soorten kortgedingprocedures moet enkel een objectief risico schriftelijk worden bevestigd, d.w.z. dat zonder het geven van een kortgedinguitspraak de juridische vervolging of verwezenlijking van de aanspraak verhinderd of aanzienlijk bemoeilijkt zou worden, met name door verandering van de huidige toestand van het litigieuze object.
- Zowel bij kortgedingprocedures ter zekerstelling van geldvorderingen alsook bij de overige soorten kortgedingprocedures is als schriftelijke risicobevestiging voldoende het bewijs dat de tenuitvoerlegging van de aanspraak zou moeten plaatsvinden in landen, waar de executieverordening niet van toepassing is en die noch het executieverdrag noch het Verdrag van Lugano hebben geratificeerd.
De zekerstellingen ten gunste van een geldvordering zijn in de Exekutionsordnung (wet inzake de tenuitvoerlegging van door de gewone rechterlijke instanties gegeven rechterlijke beslissingen) uitputtend opgesomd. Het betreft:
De gevolgen verschillen per soort zekerstelling. Bij de bewaring en het beheer van roerende lichamelijke zaken worden de zaken onttrokken aan de rechtstreekse feitelijke invloed van de gedaagde partij. Maar ook de juridische beschikking over de bewaarde en beheerde zaak is in beginsel ongeldig. Met het oog op het tegengaan van waarde- of opbrengstverminderende veranderingen tijdens de bewaring of het beheer biedt de wet het gerecht een verdere speelruimte binnen de beslissingsbevoegdheid voor “noodzakelijke of nuttige” beschikkingshandelingen. Hiermee worden beschikkingshandelingen bedoeld zoals bijvoorbeeld de verkoop van aan bederf onderhevige in bewaring zijnde goederen.
Beschikkingshandelingen in strijd met een verkoop- en verpandingsverbod van roerende lichamelijke zaken zijn ongeldig.
Een gerechtelijk derde-verbod wordt voltrokken in de zin dat de gedaagde partij elke beschikkingsmogelijkheid met betrekking tot zijn aanspraak en met name de invordering daarvan wordt verboden. Tegelijkertijd krijgt de derde het gebod tot nader gerechtelijk bevel het aan de gedaagde partij verschuldigde niet te betalen en de deze toekomende zaken niet af te geven en ook verder niets te ondernemen, dat de uitvoering van de executie op de geldvordering of op de verschuldigde of af te geven zaken zou kunnen verhinderen of aanzienlijk zou kunnen bemoeilijken. De derde-schuldenaar kan dus enkel de nakoming van een verplichting respectievelijk de belemmering van de nakoming worden verboden, maar hem kan niet het verrichten van betalingen aan de eisende partij worden opgedragen of de uitoefening van een recht worden verboden. De derde is in het geval van de niet-nakoming van het verbod tot schadevergoeding verplicht; of beschikkingshandelingen die in strijd zijn met het verbod ongeldig zijn, is niet uitdrukkelijk in de wet geregeld en in de Oostenrijkse leer omstreden.
Bij het beheer van onroerend goed van de gedaagde partij neemt een door het gerecht aangewezen en vervolgens te controleren beheerder het beheer van het onroerend goed op zich.
Het verbod op de verkoop en belasting van onroerend goed of kadastrale rechten wordt in het kadaster aangetekend. Na deze aantekening is de vrijwillige beschikking door de gedaagde partij over het onroerend goed respectievelijk het recht alsook de bijbehorende inschrijvingen in het kadaster weliswaar toegestaan, maar uitsluitend geldig jegens de eisende partij. Alleen indien de aanspraak van de eisende partij rechtsgeldig wordt afgewezen of de kortgedingprocedure overigens wordt beëindigd, verwerft de derde ook in relatie tot de eisende partij een volledig geldend recht en kan hij het verbod laten doorhalen.
Een kortgedinguitspraak geldt uitsluitend voor een bepaalde periode en kan op verzoek van de eisende partij worden verlengd. Indien de kortgedinguitspraak los van een declaratoire procedure wordt gegeven, dan moet het gerecht voor het indienen van de eis of het executieverzoek een passende motiveringstermijn bepalen ten behoeve van het indienen van de eis betreffende de aanspraak tot zekerstelling. Door het storten van een zekerheidstelling (waarborgsom) kan degene tegen wie het verzoek is gericht een belemmering van de uitvoering van de beschikkingshandeling en de opheffing van de reeds uitgevoerd beschikkingshandelingen bewerkstelligen.
De kortgedinguitspraak kan op verzoek of ambtshalve worden opgeheven indien:
In de procedure tot het afgeven van een kortgedinguitspraak zijn twee rechtsmiddelen voorzien, die geen opschortende werking hebben:
In familierechtzaken voorziet de wet in 4 bijzondere feitelijke toestanden:
Binnen deze bijzondere regelingen voor familierechtzaken hebben de kortgedingprocedures ter bescherming tegen geweld binnen het gezin een bijzondere betekenis. Sinds de inwerkingtreding op 1 mei 1997 van het Gewaltschutzgesetzes (de Wet ter bescherming tegen geweld) kent Oostenrijk een eenvoudig ingericht en zeer efficiënt systeem van bescherming tegen geweld binnen het gezin, dat mogelijkheden biedt voor het wegsturen van een gewelddadige verwant en het geven van een terugkeerverbod. Het systeem voorziet met name in een nauwe samenwerking tussen politie, familierechter, interventie-instantie ter bescherming tegen geweld binnen het gezin en – indien minderjarigen betrokken zijn - jongerenwelzijnswerkers.
Het politierecht machtigt de veiligheidsinstanties om in het geval van het vermoeden van een gevaarlijke aanval op leven, gezondheid of vrijheid een wegsturing of een toegangsverbod van maximaal 10 dagen af te geven. In het geval van een verzoek bij het gerecht op het afgeven van een kortgedinguitspraak wordt de termijn tot maximaal 20 dagen verlengd. De politie is ook verplicht om de interventie-instantie te informeren om ondersteuning te verkrijgen voor de door het geweld getroffen persoon.
Het gerecht moet een persoon, die een naaste verwant door een lichamelijke aanval, een bedreiging daarmee of een gedrag dat aanzienlijke schade toebrengt aan de psychische gezondheid het verdere samenleven ondraaglijk maakt, op diens verzoek:
Bovendien kan het gerecht de weg te sturen persoon ook het verblijf op bepaalde aan te duiden plaatsen (bijvoorbeeld voor het woonhuis, voor de school van het kind) verbieden en die persoon opdragen om ontmoetingen alsook het opnemen van contact met de verzoeker te vermijden, voor zover dat niet in strijd is met een zwaarwegend belang van degene tegen wie het verzoek is gericht.
Indien een kortgedinguitspraak in samenhang met een bodemprocedure wordt gegeven, zoals bijvoorbeeld een echtscheidingsprocedure, beëindiging of nietigverklaring van een huwelijk, een boedelscheidingsprocedure of een procedure tot oplossing van het gebruiksrecht van de woning, dan is deze geldig tot en met de rechtsgeldige beëindiging van de bodemprocedure. De kortgedinguitspraak kan onafhankelijk van het voortbestaan van het gezinsverband of in samenhang met een bodemprocedure worden gegeven. Zolang een dergelijke procedure echter niet aanhangig is, mag de periode waarvoor die beschikking wordt getroffen niet langer zijn dan drie maanden.
Indien aan de voorwaarden wordt voldaan dan wordt de kortgedinguitspraak direct van ambtswege of op verzoek voltrokken. Daarbij moet de uitvoeringsinstantie (gerechtsdeurwaarder) degene tegen wie het verzoek is gericht wegsturen uit de woning en hem alle sleutels van de woning afnemen en deze bij het gerecht deponeren. Voor de uitvoering van de kortgedinguitspraak ter bescherming tegen geweld binnen het gezin kan het gerecht opdracht verlenen aan de veiligheidsautoriteiten, die daarbij de hen ter beschikking staande instanties van de openbare veiligheidsdienst kunnen inschakelen. Dit komt in de praktijk zeer vaak voor, zodat de kortgedinguitspraak ter bescherming tegen geweld binnen het gezin doorgaans niet door de gerechtsdeurwaarder, maar door instanties van de openbare veiligheidsdienst worden uitgevoerd.
« Voorlopige en bewarende maatregelen - Algemene informatie | Oostenrijk - Algemene informatie »
Laatste aanpassing: 29-08-2007

