Europese Commissie > EJN > Verkrijging van bewijs en bewijsvoering > Slovenië

Laatste aanpassing: 11-12-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Slovenië

 

INHOUDSOPGAVE

I. De bewijslast I.
1.
a) Hoe is de bewijslast geregeld? a)
b) Zijn er feiten waarvoor geen bewijslast geldt? In welke gevallen? Is het mogelijk (deze) vermoedens te weerleggen door bewijs te leveren? b)
2. Tot op welke hoogte moet de rechter overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel op het bestaan van dat feit te baseren? 2.
II. Het leveren van bewijs II.
3. Moet het leveren van bewijs altijd door een partij worden gedaan, of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen? 3.
4.
a) Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan? a)
b) In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen? b)
5.
a) Welke bewijsmiddelen bestaan er? a)
b) Zijn er verschillen tussen het verkrijgen van bewijs van een getuige en van een deskundige? Welke regels gelden voor het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten? b)
c) Zijn bepaalde bewijsmiddelen sterker dan andere? c)
d) Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht? d)
6.
a) Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen? a)
b) In welke gevallen kan een getuige weigeren bewijs te leveren? b)
c) Kan een persoon die weigert te getuigen, gestraft worden of gedwongen worden om te getuigen? c)
d) Zijn er personen van wie geen bewijs kan worden verkregen? d)
7. Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologie zoals videoconferencing? 7.
III. De toepasbaarheid van bewijs III.
8. Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs? 8.
9. Als ik partij ben in de zaak, kan mijn verklaring dan gelden als bewijs? 9.

 

I. De bewijslast

1.

a) Hoe is de bewijslast geregeld?

De algemene regel is dat partijen alle feiten moeten vermelden die aan hun vorderingen en bezwaren ten grondslag liggen en voor deze feiten bewijs moeten leveren (artikelen 7 en 212 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Zakon o pravdnem postopku – ZPP)).

Eisers moeten de feiten bewijzen die aan hun vorderingen ten grondslag liggen en verweerders moeten de feiten bewijzen die aan hun bezwaren ten grondslag liggen. Het materieel recht bepaalt welke partij een bepaald feit dient te stellen en bewijzen. De gevolgen van een niet bewezen feit komen ten laste van de partij die volgens de normen van het materieel recht het feit dient te stellen en ook te bewijzen (artikelen 7 en 215 ZPP).

b) Zijn er feiten waarvoor geen bewijslast geldt? In welke gevallen? Is het mogelijk (deze) vermoedens te weerleggen door bewijs te leveren?

Het bewijsvereiste geldt voor de feiten waarop de vorderingen en bezwaren zijn gegrond, op wetenschappelijke en beroepsregels en op ervaringsregels, maar niet op rechtsregels. Het beginsel dat van toepassing is op rechtsregels is dat de rechter daarvan ambtshalve op de hoogte dient te zijn (iura novit curia).

Voor feiten van algemene bekendheid is geen bewijs nodig (ZPP artikel 214, leden 1 en 4 ZPP).

De rechter gebruikt een feit van algemene bekendheid als basis voor zijn uitspraak zonder het waarheidsgehalte te onderzoeken (artikel 214, lid 1 ZPP), tenzij hij oordeelt dat de partij dit feit heeft aangevoerd met de bedoeling een vordering te staven die zij niet kan staven.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Zowel in theorie als in de praktijk rijzen nog altijd vragen over de bewijslast met betrekking tot onbetwiste feiten – feiten die aan het licht komen tijdens de bewijsleveringsprocedure maar die niet door een van de partijen worden gesteld – en wettelijke vermoedens.

2. Tot op welke hoogte moet de rechter overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel op het bestaan van dat feit te baseren?

Om een beslissing te nemen over de vordering van de eiser dient de rechter in hoge mate te beschikken over materieel bewijs en er anderszins van overtuigd zijn dat er sprake is van relevante rechtsfeiten.

In sommige gevallen volstaat het voor het doen van een rechterlijke uitspraak dat de waarschijnlijkheid van feiten wordt aangetoond, in het bijzonder bij bepaalde tussenuitspraken die het proces niet tot een eind brengen en waarbij de rechter een voorlopige uitspraak doet over procedurele kwesties. Als de rechter een bepaalde procesregel toepast, dient de waarschijnlijkheid van de relevante rechtsfeiten te zijn aangetoond. Het is echter niet noodzakelijk dat de rechter van hun bestaan overtuigd is. Het ZPP geeft geen omschrijving van feiten waarbij het voldoende is dat de waarschijnlijkheid kan worden aangetoond om in aanmerking genomen te kunnen worden.

II. Het leveren van bewijs

3. Moet het leveren van bewijs altijd door een partij worden gedaan, of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Conform het beginsel van tegenspraak moet een partij doorgaans zelf het bewijs leveren dat hij wil aanvoeren. De rechter kan ook eigener beweging bewijs verkrijgen (artikel 7, lid 2 ZPP), als hij oordeelt dat de partijen voornemens zijn op ontoelaatbare wijze gebruik te maken van hun vorderingen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

4.

a) Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De rechter beslist welk bewijs wordt verkregen voor de vaststelling van doorslaggevende feiten (artikel 213, lid 2 en artikel 287 ZPP). Hij besluit op grond van het bewijs door de verzoeken van partijen te aanvaarden of te verwerpen en hij kan ook eigener beweging bepaald bewijs verkrijgen.

Als het verzoek tot bewijslevering van een partij bij rechterlijke beslissing wordt toegewezen, wordt dit bewijs vervolgens daadwerkelijk verkregen. De rechter is niet gebonden aan zijn besluit over bewijslevering. Hij kan in de loop van het proces zijn standpunt wijzigen en bewijs verkrijgen over datgene wat hij bij een vorig verzoek heeft afgewezen en hij kan ook nieuw bewijs verkrijgen (artikel 287, lid 4 ZPP).

Doorgaans wordt bewijs verkregen tijdens de behandeling ter zitting ten overstaan van de rechter die de einduitspraak zal doen (artikel 217, lid 1 ZZP). Als daarvoor geldige redenen zijn, kan op verzoek bewijs worden verkregen door een daartoe aangewezen rechter (artikel 217, lid 1 ZPP). In bijzondere gevallen is het ook mogelijk bewijs te verkrijgen nadat de behandeling ter zitting is voltooid (artikel 291 ZPP).

b) In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Het ZPP bepaalt in het bijzonder dat de bewijsverkrijging uitsluitend kan worden afgewezen wanneer het bewijs niet relevant is voor de uitspraak, dat wil zeggen, dat het bewijs niet dienstig is aan de vaststelling van de wettelijk relevante feiten. Het ZPP bevat echter geen specifieke bepalingen over mogelijkheden voor het afwijzen van ontoelaatbaar bewijs of bewijs dat slechts tegen hoge kosten of moeilijk te verkrijgen is.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Wat betreft ontoelaatbaar bewijs en bewijs waarvan de verkrijging moeilijk haalbaar is, bepaalt artikel 3, lid 3 ZPP dat de rechter die verzoeken van partijen afwijst die in strijd zijn met bindende regels of met zedelijke regels en bepalingen betreffende de uitsluiting van bewijs.

5.

a) Welke bewijsmiddelen bestaan er?

Overeenkomstig het ZPP: plaatsopneming, documenten (akten), getuigenverhoor, deskundigenonderzoek en horen van partijen.

b) Zijn er verschillen tussen het verkrijgen van bewijs van een getuige en van een deskundige? Welke regels gelden voor het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten?

Getuigen. Eenieder die is opgeroepen als getuige is verplicht om te verschijnen en om getuigenis af te leggen, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 229, lid 1 ZPP). Getuigen worden gehoord op verzoek van een partij die moet aangeven waarover de getuige wordt gehoord en die de personalia van die getuige dient te verstrekken (artikel 236 ZPP). Getuigen worden voor een bepaalde dag opgeroepen via een bijzondere dagvaarding waarin zij worden gewezen op hun verplichting getuigenis af te leggen, op de gevolgen wanneer zij ongerechtvaardigd verstek laten gaan en op hun recht op kostenvergoeding (artikel 237 ZPP).

Getuigen worden op de zitting gehoord. Getuigen die vanwege hun leeftijd, ziekte of ernstige invaliditeit niet in staat zijn aan de dagvaarding gevolg te geven, kunnen thuis worden gehoord (artikel 237, lid 2 ZPP). Elke getuige wordt afzonderlijk gehoord en niet in tegenwoordigheid van andere getuigen die later getuigenis afleggen (artikel 238, lid 1 ZPP). De rechter wijst getuigen op hun verplichting de waarheid te spreken en niets weg te laten. Hij waarschuwt ze ook voor de gevolgen van het afleggen van een valse getuigenis. De getuige verklaart eerst wat hij over de zaak weet. De voorzitter of de leden van de rechtbank en de partijen en hun vertegenwoordigers en gemachtigden stellen vervolgens vragen om de getuigenverklaring te toetsen, aan te vullen of te verhelderen. Als getuigen inconsistente verklaringen afleggen, kunnen zij hiermee worden geconfronteerd (artikel 239, lid 3 ZPP). Het ZPP kent geen eedsaflegging (meer) door getuigen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het ZPP maakt geen onderscheid tussen de procedure voor het horen van gewone getuigen en getuige-deskundigen en kent in dat opzicht geen bijzondere bepalingen. Er is geen verschil in procedure voor het horen van getuigen en getuige-deskundigen.

Documenten. Hoewel het ZPP geen rangorde aanbrengt in de verschillende bewijsmiddelen, worden documenten (akten) als het betrouwbaarst beschouwd. Ze worden onderscheiden in authentieke akten en onderhandse akten. Authentieke akten zijn die documenten welke in een voorgeschreven vorm zijn afgegeven door een overheidsinstelling die handelt binnen haar verantwoordelijkheid of documenten die in een dergelijke officiële vorm worden verstrekt door een lokale overheid, een vereniging of een andere organisatie of individu in de uitoefening van overheidsgezag dat bij wet is toegekend (artikel 224, lid 1 ZPP). Onderhandse akten zijn alle documenten die geen authentieke akten zijn. In een onderhandse akte kan de ondertekening worden gewaarmerkt door een bevoegde overheidsinstelling of een rechts- of natuurlijk persoon met overheidsgezag (bijvoorbeeld een notaris). Dergelijke gewaarmerkte zinnen of clausules in onderhandse akten hebben een maatschappelijk belang en dat deel van het document kan ook als een authentieke akte worden beschouwd. De bewijskracht van authentieke akten wordt afzonderlijk bepaald in het ZPP. Een authentieke akte bewijst de waarheid van de daarin opgenomen of vermelde feiten (artikel 224, lid 1 ZPP). Het ZPP gaat uit van het vermoeden dat de inhoud van een authentieke akte op waarheid berust. Het is echter toegestaan om te bewijzen dat de feiten in een authentieke akte onjuist zijn weergegeven of dat een authentieke akte onjuist is opgesteld (artikel 224, lid 3 ZPP). Dat is zelfs de enige bewijsregel in de Slowaakse civiele procedure.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Buitenlandse authentieke akten die zijn gelegaliseerd conform de desbetreffende voorschriften hebben dezelfde bewijskracht als Sloveense documenten, mits wederkerige regelingen gelden en tenzij bij internationaal verdrag anders is bepaald (artikel 225 ZPP).

Het ZPP bevat ook regels voor de verstrekking van documenten al maar gelang of het document zich bevindt bij de partij die ernaar verwijst, bij de wederpartij, bij een overheidsinstelling of organisatie met overheidsgezag of bij een derde (natuurlijke of rechtspersoon).

Getuige-deskundigen. De rechter verkrijgt bewijs van een getuige-deskundige wanneer technische kennis is vereist om een bepaald feit vast te stellen of te verhelderen en deze kennis niet bij het gerecht beschikbaar is (artikel 243 ZPP). De rechter wijst de getuige-deskundige bij afzonderlijk besluit aan (artikel 244, lid 1 ZPP). Voordat de rechter deze getuige-deskundige benoemt, hoort hij de partijen ter zake (artikel 244, lid 2 ZPP). Een getuige-deskundige kan ook worden benoemd door de voorzittende rechter of door een daartoe aangezochte rechter als deze is gemachtigd dergelijk bewijs te verkrijgen (artikel 244, lid 3 ZPP). Getuige-deskundigen worden doorgaans benoemd uit een bijzondere, door het gerecht opgestelde lijst. De taak kan ook worden toevertrouwd aan een gespecialiseerde instelling. Alleen natuurlijke personen kunnen optreden als getuige-deskundige. Getuige-deskundigen zijn gehouden hun taken te vervullen en hun bevindingen en oordeel te geven (artikel 246, lid 1 ZPP). De rechter kan een getuige-deskundige beboeten als deze een afspraak niet nakomt ondanks daartoe op correcte wijze te zijn gedagvaard; hij mag een getuige-deskundige ook een boete opleggen indien deze weigert zijn taken zonder een gerechtvaardigde reden uit te voeren (artikel 248, lid 1 ZPP). Een getuige-deskundige kan op eigen verzoek door de rechter van zijn taak worden ontheven, maar uitsluitend in de gevallen waarin hij mag weigeren te getuigen of te antwoorden op een afzonderlijke vraag, dat wil zeggen op grond van de redenen die worden genoemd in de artikelen 231-233 ZPP. De rechter kan een getuige-deskundige ook van zijn taak ontheffen vanwege andere gerechtvaardigde redenen (bijvoorbeeld een bovenmatige werkbelasting). Om vrijstelling vanwege deze reden kan ook worden verzocht door een gemachtigde werknemer van een instelling of organisatie waarbij de getuige-deskundige werkzaam is (artikel 246, leden 2 en 3 ZPP). Een getuige-deskundige kan, op dezelfde manier als een rechter, worden gewraakt. De enige uitzondering hierop is dat iemand die eerder als getuige is gehoord, als getuige-deskundige kan worden toegelaten (artikel 247, lid 1 ZPP).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het is de taak van de getuige-deskundige om zijn bevindingen en oordeel te geven. De rechter kan ook besluiten of de getuige-deskundige zijn bevindingen en oordelen alleen mondeling op de zitting geeft of deze eveneens schriftelijk overlegt voor de zitting. Als meer dan een getuige-deskundige wordt benoemd, mogen zij hun bevindingen en oordelen samen geven als ze het daarover eens zijn. Als zij het niet met elkaar eens zijn, geeft elke getuige-deskundige zijn bevindingen afzonderlijk (artikel 254 ZPP). Als er fundamentele verschillen zijn in de informatie van de getuige-deskundigen of als de bevindingen van een of meer getuige-deskundigen onduidelijk, onvolledig of tegenstrijdig zijn of de onderzochte omstandigheden weerspreken, en zulke onregelmatigheden niet in een nieuw verhoor van de getuige-deskundigen worden rechtgezet, wordt opnieuw bewijs verkregen van dezelfde of een andere getuige-deskundige (artikel 254, lid 2 ZPP). Als de oordelen van een of meer getuige-deskundigen echter tegenstrijdigheden bevatten of als hierin onregelmatigheden voorkomen of als gerede twijfel rijst over de juistheid van het gegeven oordeel, wordt naar het oordeel van andere getuige-deskundigen gevraagd (artikel 254, lid 3 ZPP). Getuige-deskundigen hebben recht op vergoeding van de kosten en recht op schadeloosstelling voor hun arbeid (artikel 249, lid 1 ZPP).

c) Zijn bepaalde bewijsmiddelen sterker dan andere?

Voor bewijs geldt het beginsel dat de rechter het vrijelijk kan beoordelen. De rechter handelt op grond van zijn eigen overtuiging en besluit welke feiten hij acht te zijn bewezen, op basis van een grondige en zorgvuldige beoordeling van elk afzonderlijk onderdeel van het bewijs en van al het bewijs bij elkaar en op basis van het slagen van het proces als geheel (artikel 8 ZPP). De Slowaakse civiele procedure kent daarom geen “bewijsregels” waarbij de wetgever van tevoren in abstracto de waarde van bepaalde categorieën van bewijs aangeeft. De enige uitzondering hierop is de regel inzake de waardering van authentieke akten.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

In de praktijk wordt echter als regel toegepast dat bijvoorbeeld schriftelijk bewijs betrouwbaarder is, maar niet zwaarder weegt dan ander bewijs, zoals verklaringen van getuigen of partijen.

d) Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Het ZPP kent geen bepalingen over de kwestie of bepaalde bewijsmethoden verplicht zijn voor de vaststelling van het bestaan van bepaalde feiten.

6.

a) Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Ja. Iedereen die als getuige is gedagvaard, moet verschijnen en getuigenis afleggen, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 229, lid 1 ZPP).

b) In welke gevallen kan een getuige weigeren bewijs te leveren?

Iemand kan niet als getuige worden gehoord indien hij met zijn getuigenis een ambts- of militair geheim zou schenden, tenzij het bevoegd gezag hem van die verplichting ontslaat (artikel 230 ZPP).

Getuigen kunnen weigeren een verklaring af te leggen (artikel 231 ZPP):

  • in aangelegenheden die aan hen als gevolmachtigd vertegenwoordiger door een partij zijn toevertrouwd;
  • in aangelegenheden die de partij of iemand anders aan hen als religieuze biechtvader heeft bekend;
  • over feiten die zij als advocaat of dokter te weten zijn gekomen of in de uitoefening van enig ander beroep of enig andere activiteit met geheimhoudingsplicht, over enig feit dat zij in de uitoefening van dat beroep of die activiteit te weten zijn gekomen.

Getuigen kunnen op individuele vragen weigeren te antwoorden als zij daarvoor goede redenen hebben. Dit is in het bijzonder het geval als de beantwoording ervan ernstige schande, aanzienlijke financiële schade of strafrechtelijke vervolging zou meebrengen, voor henzelf of voor rechtstreekse bloedverwanten in enige graad of aanverwanten tot in de derde graad. Dit is eveneens het geval als de beantwoording ernstige schande, aanzienlijke financiële schade of strafrechtelijke vervolging zou meebrengen voor hun echtgeno(o)t(e) of een aanverwant door huwelijk tot en met de tweede graad (zelfs als het huwelijk reeds ontbonden is) of voor hun voogd of pupil, of voor hun adoptieouder of geadopteerd kind (artikel 233 lid 1 ZPP).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De kans om enige financiële schade te veroorzaken kan echter niet als reden worden gebruikt voor een weigering om te getuigen over rechtshandelingen waarbij een persoon als getuige aanwezig is geweest, over handelingen die zijn verricht als rechtmatige voorganger of vertegenwoordiger van een van de partijen aangaande een geschil, over feiten die betrekking hebben op eigendomszaken in verband met familie - of huwelijksbanden, over feiten die betrekking hebben op geboorte, huwelijk of overlijden, of indien zij, overeenkomstig bijzondere voorschriften, een verzoekschrift moeten indienen of een verklaring moeten afleggen (artikel 234 ZPP).

c) Kan een persoon die weigert te getuigen, gestraft worden of gedwongen worden om te getuigen?

Ja. Als getuigen die op correcte wijze zijn gedagvaard niet verschijnen en hun afwezigheid niet gerechtvaardigd is of als zij zonder toestemming de plaats waar zij gehoord zouden worden, hebben verlaten, kan de rechter hen met de sterke arm, op hun kosten voor hem doen verschijnen en kan hij hen ook een boete opleggen. De rechter kan een dergelijke boete ook opleggen aan een getuige die wel verschenen is, maar die nadat hij voor de gevolgen is gewaarschuwd, weigert te getuigen of bepaalde vragen weigert te beantwoorden om redenen die de rechter niet gerechtvaardigd acht. In het laatste geval kan de rechter een onwillige getuige in bewaring stellen totdat deze bereid is te getuigen of totdat deze niet langer behoeft te worden gehoord. De duur van deze bewaring is echter ten hoogste één maand (artikel 241, leden 2 en 3 ZPP).

d) Zijn er personen van wie geen bewijs kan worden verkregen?

Een getuige is eenieder die in staat is inlichtingen te geven over de te bewijzen feiten (artikel 229, lid 2 ZPP). De geschiktheid om als getuige op te treden hangt niet af van iemands handelingsbekwaamheid. Een kind of iemand die geheel of gedeeltelijk handelingsonbekwaam verklaard is, kan als getuige optreden als hij daadwerkelijk in staat is inlichtingen te verschaffen over relevante rechtsfeiten. De vraag of een getuige al dan niet in staat is te getuigen, wordt door de rechter van geval tot geval beoordeeld.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Een partij of een wettelijke vertegenwoordiger van een partij kan niet als getuige optreden, maar een gewone vertegenwoordiger (pooblaščenec) of een gevoegde belanghebbende (stranski intervenient) wel.

7. Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologie zoals videoconferencing?

Voor wat betreft het horen van getuigen, zie het antwoord op punt 5b.

Nieuwe technologieën, bijvoorbeeld televisie- of videoverbindingen, worden in Slovenië momenteel in de praktijk niet gebruikt voor het horen van getuigen, hoewel het ZPP wel bepalingen bevat over het vastleggen van zittingen met behulp van moderne technologie (bijvoorbeeld op band) of met stenografische apparatuur (artikel 225 ZPP).

III. De toepasbaarheid van bewijs

8. Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

In de Sloveense rechtsleer, jurisprudentie en wetgeving heeft het probleem van ontoelaatbaar bewijs zich tot dusver alleen voorgedaan in strafprocessen. Op dit moment kent het ZPP geen specifieke bepalingen over ontoelaatbaar bewijs.

9. Als ik partij ben in de zaak, kan mijn verklaring dan gelden als bewijs?

Als de verklaring deel uitmaakt van de klacht of van enige vorm van verzoekschrift, geldt die verklaring niet als bewijs maar heeft zij de status van een stelling van de partij waarvoor de partij ook geschikt bewijs dient aan te dragen. Als de verklaring is opgenomen in een document dat is ingediend als bewijs voor de stelling van een partij, heeft die verklaring de status van een document (akte).

Een verklaring die een partij heeft afgelegd tijdens de hoorzitting, geldt ook als bewijs, aangezien het ZPP ook het horen van partijen als bewijs erkent (artikel 257 ZPP).

« Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Algemene informatie | Slovenië - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 11-12-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk