Rechtsorde
Organisatie van de rechtspraak
Juridische beroepen
Rechtsbijstand
Bevoegdheid van de rechtbanken
Aanhangigmaking van zaken bij de rechter
Procestermijnen
Toepasselijk recht
Betekening en kennisgeving van stukken
Verkrijging van bewijs en bewijsvoering
Voorlopige en bewarende maatregelen
Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Vereenvoudigde procedures en spoedprocedures
Echtscheiding
Ouderlijke verantwoordelijkheid
Alimentatie-
Faillissement
Alternatieve wijzen van geschillenbeslechting
Schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
Geautomatiseerde verwerking
Het basisbeginsel is dat degene die de uitvoering van een verbintenis vordert het bestaan ervan moet bewijzen. Omgekeerd moet degene die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.
In het Luxemburgse recht zijn voor sommige gevallen vermoedens opgenomen. Van de partij wordt dan geen bewijs verlangd van feiten die niet of moeilijk kunnen worden bewezen. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.
In de wet wordt een onderscheid gemaakt tussen twee categorieën vermoedens. De wettelijke vermoedens zijn vermoedens die door een bijzondere wetsbepaling met bepaalde handelingen of met bepaalde feiten zijn verbonden. Daarnaast worden de niet bij wet ingestelde vermoedens overgelaten aan het oordeel van de rechter, die enkel gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aannemen.
In de regel kunnen vermoedens door bewijzen worden weerlegd. Een voorbeeld hiervan is het vermoeden van vaderschap: het kind dat is geboren tijdens het huwelijk heeft de echtgenoot van de moeder tot vader. Het vaderschap kan echter wel worden betwist.
In zeldzame gevallen kunnen vermoedens niet worden weerlegd; er kan dan geen tegenbewijs worden geleverd.
De rechter is vrij in de waardering van de feiten. In geval van twijfel gaat de rechter na of er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen zijn, en aanvaardt of verwerpt hij het bewijs afhankelijk van de graad van waarschijnlijkheid van de gestelde feiten.
De rechter kan op verzoek van een partij een onderzoeksmaatregel gelasten. De rechter kan dat echter ook op eigen initiatief doen.
De rechter deelt aan de aangewezen deskundige mee wat zijn taak is. De partijen en derden die hun medewerking aan de onderzoeksmaatregelen moeten verlenen, worden door de deskundige opgeroepen. Overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor worden de onderzoeksmaatregelen uitgevoerd in aanwezigheid van de partijen.
De onderzoeksmaatregelen kunnen worden gelast telkens de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om uitspraak te doen.
Een onderzoeksmaatregel met betrekking tot een feit kan alleen worden gelast indien de partij die dat feit aanvoert over onvoldoende gegevens beschikt om dat feit te bewijzen. In geen geval kan een onderzoeksmaatregel worden gelast om de nalatigheid van een partij bij de bewijsvoering te herstellen.
De rechter moet zich bij de keuze van de onderzoeksmaatregel beperken tot hetgeen voldoende is voor de beslechting van het geschil en moet de eenvoudigste en goedkoopste onderzoeksmaatregel kiezen.
De bewijsmiddelen zijn: het schriftelijk bewijs, het bewijs door getuigen, de vermoedens, de bekentenis en de eed.
Op het gebied van de bewijskracht zijn er geen verschillen tussen een mondeling deskundigenadvies en een deskundigenrapport. De beoordeling van het getuigenbewijs wordt aan de rechter overgelaten. Soms is de rechter gebonden door schriftelijk bewijs, voorzover dat niet wordt betwist door de tegenpartij.
Authentieke akten worden verleden door openbare ambtenaren (notarissen, gerechtsdeurwaarders) in de uitoefening van hun ambt. Zij leveren tussen partijen bewijs op, behoudens in geval van betichting van valsheid.
Onderhandse akten worden zonder tussenkomst van een openbare ambtenaar door de partijen zelf opgemaakt en door hen ondertekend. Zij leveren tussen partijen bewijs op, behoudens in geval van tegenbewijs.
De beoordeling van het getuigenbewijs en van de andere bewijsmiddelen wordt aan de rechter overgelaten.
Voor alle zaken die de som of de waarde van 2 500 EUR te boven gaan, moet een rechtsakte (contract) worden opgemaakt. Aan het bewijs van een rechtsfeit (ongeval, enz.) worden daarentegen geen voorwaarden gesteld.
Krachtens de wet moeten getuigen met het gerecht samenwerken met het oog op de ontdekking van de waarheid.
Personen kunnen om een wettige reden worden ontslagen van het afleggen van een getuigenis. De ouders of verwanten in de rechte lijn van een van de partijen kunnen weigeren een getuigenis af te leggen, alsook de (ex-) echtgeno(o)t(e) van een van de partijen.
Getuigen die niet verschijnen, kunnen op hun kosten worden gedagvaard indien hun getuigenis noodzakelijk wordt geacht. Getuigen die niet verschijnen en getuigen die zonder wettige reden weigeren de eed af te leggen of te getuigen, kunnen worden veroordeeld tot een civiele geldboete van 50 EUR tot 2 500 EUR.
Getuigen die bewijzen dat zij niet op de gestelde dag konden verschijnen, kunnen van de opgelegde boete en de dagvaardingskosten worden ontheven.
Iedereen kan als getuige worden gehoord, behalve personen die onbekwaam zijn om in rechte te getuigen.
Personen die niet mogen getuigen kunnen echter onder dezelfde voorwaarden worden gehoord, zonder dat zij de eed afleggen. Descendenten mogen echter nooit worden gehoord over de grieven die de echtgenoten aanvoeren tot staving van een vordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed.
De rechter hoort de getuigen afzonderlijk en in de door hem bepaalde volgorde, mits de partijen aanwezig zijn of naar behoren zijn opgeroepen. Getuigen mogen geen geschreven verklaring voorlezen.
De rechter kan de getuigen horen of ondervragen met betrekking tot alle feiten waarvan het bewijs wettelijk is toegestaan, zelfs indien deze feiten niet zijn vermeld in de beschikking waarbij het onderzoek werd gelast. Hij kan getuigen opnieuw horen, ze met elkaar of met de partijen confronteren, en indien nodig overgaan tot het verhoor van getuigen in aanwezigheid van een technische deskundige.
De partijen mogen de getuigen die een verklaring afleggen niet onderbreken, ondervragen, of trachten te beïnvloeden en evenmin mogen zij zich rechtstreeks tot de getuigen wenden, zulks op straffe van uitsluiting. De rechter stelt, indien hij dat nodig acht, de vragen die de partijen na het getuigenverhoor bij hem hebben ingediend.
De rechter kan een geluids-, beeld- of audiovisuele opname laten maken van (alle) door hem gelaste onderzoekshandelingen. De opname wordt bewaard op de griffie van de betrokken rechterlijke instantie. Iedere partij kan verzoeken dat haar op haar kosten een exemplaar, een kopie of een transcriptie van de opname wordt verstrekt.
De rechter houdt geen rekening met bewijs dat op frauduleuze wijze is verkregen, bijvoorbeeld bewijs verkregen met behulp van een verborgen camera, of opnames van telefoongesprekken zonder dat de betrokkene daarvan op de hoogte was.
De verklaringen van procespartijen gelden niet als bewijs.
« Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Algemene informatie | Luxemburg - Algemene informatie »
Laatste aanpassing: 19-04-2006

