Europese Commissie > EJN > Verkrijging van bewijs en bewijsvoering > Litouwen

Laatste aanpassing: 08-02-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Litouwen

 

INHOUDSOPGAVE

I. De bewijslast I.
1.
a) Hoe is de bewijslast geregeld? a)
b) Zijn er feiten waarvoor geen bewijslast geldt? In welke gevallen? Is het mogelijk (deze) vermoedens te weerleggen door bewijs te leveren? b)
2. Tot op welke hoogte moet de rechter overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel op het bestaan van dat feit te baseren? 2.
II. Het leveren van bewijs II.
3. Moet het bewijs altijd door een partij worden geleverd, of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen? 3.
4.
a) Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan? a)
b) In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen? b)
5.
a) Welke bewijsmiddelen bestaan er? a)
b) Zijn er verschillen tussen het verkrijgen van bewijs van een getuige en van een deskundige? Welke regels gelden voor het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenverslagen? b)
c) Zijn bepaalde bewijsmiddelen sterker dan andere? c)
d) Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht? d)
6.
a) Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen? a)
b) In welke gevallen kan een getuige weigeren bewijs te leveren? b)
c) Kan een persoon die weigert te getuigen gestraft worden of gedwongen worden te getuigen? c)
d) Zijn er personen van wie geen bewijs kan worden verkregen? d)
7. Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologie zoals videoconferencing? 7.
III. De toepasbaarheid van bewijs III.
8. Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs? 8.
9. Als ik partij ben in de zaak, kan mijn verklaring dan gelden als bewijs? 9.

 

I. De bewijslast

1.

a) Hoe is de bewijslast geregeld?

Volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Litouwen rust de bewijslast op de partijen in de zaak.

Artikel 178. Bewijslast

Partijen moeten het bewijs leveren van de feiten die zij aandragen om het door hen beoogde rechtsgevolg te kunnen inroepen, met uitzondering van feiten die volgens de procedure in het Wetboek als niet te bewijzen worden beschouwd.

Artikel 12. Concurrentiebeginsel

In alle gerechten worden civiele procedures behandeld op basis van het concurrentiebeginsel. Elke partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij heeft aangedragen om het door haar beoogde rechtsgevolg te kunnen bewerkstelligen, met uitzondering van feiten die niet hoeven te worden bewezen.

b) Zijn er feiten waarvoor geen bewijslast geldt? In welke gevallen? Is het mogelijk (deze) vermoedens te weerleggen door bewijs te leveren?

De feiten waarvoor geen bewijslast geldt, zijn genoemd in artikel 182 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze feiten kunnen echter worden betwist door tegenbewijs te leveren tijdens de hoofdprocedure.

Artikel 182. Feiten waarvoor geen bewijslast geldt

Van de volgende feiten en omstandigheden wordt geen bewijs verlangd:

  • feiten en omstandigheden die door de rechter als algemeen bekend worden verondersteld;
  • feiten waarover reeds een oordeel is uitgesproken in een andere civielrechtelijke of bestuursrechtelijke zaak waarbij dezelfde personen betrokken waren, tenzij een dergelijk oordeel juridische gevolgen heeft voor andere personen die niet bij die zaak betrokken waren (prejudiciële feiten);
  • gevolgen van persoonlijke strafbare feiten, indien de rechter een oordeel over die gevolgen heeft uitgesproken in een strafrechtelijke procedure (prejudiciële feiten);
  • vermoedens die in de wet zijn opgenomen en die niet zijn betwist tijdens de hoofdprocedure;
  • feiten die door de partijen zijn bekend (zie onderstaand artikel 187 van het Wetboek).

Artikel 187. Bekennen van feiten

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. Een partij heeft het recht om de feiten die de wederpartij aandraagt om het door haar beoogde rechtsgevolg te kunnen inroepen, te bekennen.
  2. De rechter kan het feit dat een partij heeft bekend, als vaststaand beschouwen indien hij van mening is dat die bekentenis is afgelegd met inachtneming van de omstandigheden van het geval, en niet om te misleiden, onder dreiging van geweld, onder dwang, per vergissing of om de waarheid te verdoezelen.

2. Tot op welke hoogte moet de rechter overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel op het bestaan van dat feit te baseren?

Indien een rechter op grond van geleverde bewijzen kan concluderen dat een bepaald feit eerder waar dan onwaar is, beschouwt hij dat feit als vaststaand.

II. Het leveren van bewijs

3. Moet het bewijs altijd door een partij worden geleverd, of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Artikel 179 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat het leveren van bewijs door de partijen en andere belanghebbenden in een zaak moet worden gedaan. Als het verkregen bewijs echter niet voldoende is, kan de rechter partijen en andere belanghebbenden in de zaak opdragen ondersteunend bewijs te leveren en een tijdslimiet daarvoor stellen. Daarnaast mag de rechter op eigen initiatief (ambtshalve) bewijs verzamelen, maar uitsluitend in gevallen die in het Wetboek en in andere wetten staan genoemd.

De rechter mag op eigen initiatief bewijs verzamelen in familie- of arbeidszaken indien dit naar zijn mening van belang is om tot een eerlijk oordeel in de zaak te komen (artikelen 376 en 414).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Artikel 476 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat een rechter bij het horen van een zaak betreffende de ontvoogding van een minderjarige:

  1. de rijksinrichting voor kinderbescherming van de woonplaats van de minderjarige moet verzoeken aan te geven in hoeverre zij de minderjarige in staat acht om al zijn burgerrechten zelfstandig uit te oefenen of zijn plichten te vervullen;
  2. moet nagaan of de minderjarige ooit is veroordeeld of een bestuursrechtelijke of andere wettelijke overtreding heeft begaan;
  3. indien het nodig is om het niveau van fysieke, morele, spirituele of geestelijke ontwikkeling van de minderjarige vast te stellen, een forensisch psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek moet gelasten en alle medische of andere documenten van de minderjarige moet eisen die nodig zijn voor een dergelijk onderzoek;
  4. alle overige handelingen moet verrichten die noodzakelijk zijn ter voorbereiding van de zaak.

Verder bepaalt artikel 582 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat de rechter bij het horen van zaken betreffende het overdragen, verpanden of op andere wijze bezwaren van familiebezit, met inachtneming van de omstandigheden van het geval het recht heeft om de eiser te verzoeken om bewijs van de materiële situatie van de familie (inkomsten, spaargelden, andere bezittingen, schulden), gegevens over het over te dragen familiebezit, gegevens van de inrichting voor kinderbescherming over de ouders van het kind, alsmede om voorafgaande voorwaarden, mogelijke manieren om de overdracht te realiseren, informatie over hoe de rechten van het kind kunnen worden beschermd indien de overdracht niet doorgaat, en overig bewijs.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

4.

a) Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Om bewijs te verzamelen, kan de rechter volgens de artikelen 199 en 206 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:

  1. een natuurlijke of rechtspersoon opdragen om schriftelijk of fysiek bewijs te leveren, dat binnen een bepaalde termijn rechtstreeks aan de rechter moet worden overgelegd. Als natuurlijke of rechtspersonen het vereiste schriftelijke of fysieke bewijs niet of niet binnen de gestelde termijn kunnen overleggen, moeten ze de rechter daarvan in kennis stellen met opgave van redenen;
  2. een persoon die een verzoek tot leveren van schriftelijk of fysiek bewijs heeft ingediend, een verklaring overhandigen waarin is bepaald dat hij het recht heeft om het te leveren bewijs te verkrijgen.

Tijdens de voorbereiding van een hoorzitting voert de rechter ook andere proceshandelingen uit die nodig zijn om de te behandelen zaak goed voor te bereiden (verkrijgen van bewijs dat niet door de belanghebbenden in de zaak kan worden verkregen, ambtshalve verzamelen van bewijs wanneer hij daartoe gerechtigd is volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, etc.).

b) In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter kan een bewijsaanbod afwijzen indien:

  1. het bewijs niet toelaatbaar is;
  2. het bewijs de feiten die voor de zaak van belang zijn, bevestigt noch weerlegt (artikel 180 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  3. het bewijs eerder had kunnen worden geleverd, en de latere bewijslevering het proces vertraagt (artikel 181, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Alle bescheiden en andere bewijsmiddelen waarop de eiser zich baseert, alsmede alle informatie waaruit blijkt dat de proceskosten zijn betaald, en alle verzoekschriften tot het leveren van bewijs indien de eiser dat bewijs niet kan leveren, met opgave van redenen waarom hij dat bewijs niet kan leveren, moeten bij de conclusie van eis worden bijgevoegd alvorens deze door de rechter kan worden geaccepteerd (artikel 135 van het  Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Verder zal het hof van beroep geen nieuw bewijs accepteren dat bij de rechtbank van eerste aanleg had kunnen worden ingediend, behalve wanneer de rechtbank van eerste aanleg het bewijs zonder geldige redenen heeft geweigerd of wanneer de noodzaak om dit bewijs te leveren pas later is ontstaan (artikel 314 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

5.

a) Welke bewijsmiddelen bestaan er?

Volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden onder bewijs in een civiele procedure alle gegevens verstaan die voor de rechter een basis vormen om tijdens de wettelijke procedure een oordeel te vormen omtrent het al dan niet bestaan van feiten en omstandigheden waarop partijen hun vorderingen baseren, alsmede andere feiten en omstandigheden die van belang zijn om tot een eerlijk oordeel in de zaak te komen. Genoemde gegevens kunnen gebaseerd zijn op: verklaringen van partijen of derden (in persoon of bij gevolmachtigde), getuigenverklaringen, schriftelijk bewijs, fysiek bewijs, plaatsopneming en deskundigenverslagen.

Ook wettelijk verkregen foto-, audio- en videomateriaal kan als bewijsmiddel dienen.

b) Zijn er verschillen tussen het verkrijgen van bewijs van een getuige en van een deskundige? Welke regels gelden voor het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenverslagen?

De regels voor het verkrijgen van bewijs van getuigen en van deskundigen staan uiteengezet in de artikelen 192 en 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:

Artikel 192. Getuigenverhoor

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. Elke getuige wordt apart ter terechtzitting gehoord. Getuigen die niet worden gehoord, mogen tijdens de zitting niet in de rechtszaal aanwezig zijn. Getuigen die worden gehoord, blijven tot het einde van de zitting in de rechtszaal. Op verzoek van de gehoorde getuige kan de rechter hem na raadpleging van de belanghebbenden in de zaak toestemming geven de rechtszaal te verlaten.
  2. Een getuige kan ter plaatse worden gehoord indien hij mogelijk niet ter terechtzitting kan verschijnen vanwege ziekte, hoge leeftijd, handicap of andere wettige redenen en de belanghebbende in de zaak die de getuige heeft opgeroepen niet kan garanderen dat die getuige ter terechtzitting zal verschijnen.
  3. De rechter stelt de identiteit van een getuige vast en wijst hem op zijn rechten en plichten alsmede op zijn aansprakelijkheid ten aanzien van eedbreuk en het niet of niet naar behoren vervullen van zijn andere plichten als getuige.
  4. Alvorens te worden gehoord, dient een getuige een eed af te leggen door een hand op de Grondwet van de Republiek Litouwen te leggen en de volgende woorden uit te spreken: “Ik, (volledige naam), zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid zal zeggen, zonder de waarheid te verzwijgen, aan te vullen of te verdraaien”. De getuige die de eed heeft afgelegd, dient deze te ondertekenen. De ondertekende eed wordt bij de notulen van de terechtzitting gevoegd.
  5. Na de relatie tussen getuige en partijen en derden alsmede andere omstandigheden die van belang zijn voor de getuigenverklaring (opleiding, gebied waarop de getuige werkzaam is, etc.), te hebben vastgesteld, nodigt de rechter de getuige uit om alles te vertellen wat hij met betrekking tot de zaak weet, maar informatie waarvan hij de bron niet weet achterwege te laten.
  6. Nadat de getuige zijn verklaring heeft afgelegd, kunnen hem vragen worden gesteld. De getuige wordt eerst gehoord door de persoon die de getuige heeft opgeroepen en door een vertegenwoordiger van die persoon. Vervolgens wordt de getuige gehoord door andere belanghebbenden in de zaak. De rechter verwerpt suggestieve en irrelevante vragen. De rechter heeft het recht om op elk moment tijdens het getuigenverhoor vragen te stellen.
  7. Indien nodig kan de rechter op verzoek van een belanghebbende in een zaak of op eigen initiatief (ambtshalve) een getuige nog een keer horen tijdens dezelfde zitting, de gehoorde getuige oproepen voor een nieuwe zitting in dezelfde rechtbank of getuigen met elkaar confronteren.

Artikel 217. Verhoor van deskundigen

Bovenkant paginaBovenkant pagina

  1. Een deskundigenoordeel wordt hardop voorgelezen tijdens de terechtzitting. Voordat een deskundigenoordeel wordt voorgelezen, legt (leggen) de deskundige(n) die verantwoordelijk is (zijn) voor het deskundigenverslag en ter terechtzitting verschijnt (verschijnen), een eed af door een hand op de Grondwet van de Republiek Litouwen te leggen en de volgende woorden te spreken: “Ik, (volledige naam), zweer dat ik de plichten van een deskundige met eerlijkheid zal vervullen en naar mijn beste geweten een objectief en beredeneerd deskundigenoordeel zal geven”. Indien het deskundigenoordeel buiten de terechtzitting wordt uitgebracht, vormt de door de deskundige ondertekende eed een integraal onderdeel van het deskundigenrapport.
  2. De rechter mag een deskundige aanbieden om mondeling verslag te doen. Een mondeling verslag van de deskundige wordt bij de notulen van de terechtzitting gevoegd.
  3. Deskundigen kunnen vragen worden gesteld ter verduidelijking of ter aanvulling van het deskundigenoordeel. De persoon die om een deskundigenoordeel heeft gevraagd, stelt als eerste vragen aan de deskundige. Vervolgens kunnen andere belanghebbenden in de zaak vragen stellen aan de deskundige. Indien een deskundige ambtshalve (op eigen initiatief) door de rechter wordt aangewezen, is de eiser de eerste die vragen kan stellen aan de deskundige.
  4. Rechters hebben het recht om op elk moment tijdens het verhoor van deskundigen vragen aan hen te stellen.

Deskundigenoordelen worden (in overeenstemming met de regels in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) uitsluitend op verzoek van de rechter geleverd (schriftelijk: in de vorm van een deskundigenverslag). Het deskundigenverslag moet een gedetailleerde beschrijving van de verhoren, conclusies op basis van die verhoren en beredeneerde antwoorden op de vragen van de rechter bevatten.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Als de rechter om een oordeel van een deskundige verzoekt zonder deskundigenverslag, wordt het oordeel van de deskundige als het schriftelijke bewijs beschouwd, dat door de deskundige wordt overgelegd (zoals door andere belanghebbenden in een zaak) of door de rechter wordt verkregen in overeenstemming met de procedure als vermeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De regels voor het overleggen van schriftelijk bewijs staan uiteengezet in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:

Artikel 198. Overleggen van schriftelijk bewijs

  1. Schriftelijk bewijs kan door belanghebbenden in een zaak worden geleverd of door de rechter worden verkregen in overeenstemming met de procedure als vermeld in het Wetboek.
  2. Schriftelijk bewijs dient te worden geleverd in de vorm als omschreven in artikel 114. Documenten die door belanghebbenden in een zaak zijn ondertekend en in overeenstemming met de betreffende wetten en andere voorschriften zijn verstuurd via telecommunicatiemiddelen, staan gelijk aan geschreven documenten. Indien schriftelijk bewijs is opgesteld in een andere taal dan de officiële taal, dient een volgens de vastgestelde procedure beëdigde vertaling van dat bewijs aan het bewijs te worden gehecht. Originele processtukken kunnen op verzoek van de personen die ze hebben ingediend, aan hen worden teruggegeven. In dat geval dienen kopieën van de terug te geven documenten die volgens de procedure als vermeld in het Wetboek zijn beëdigd, te worden bewaard.
c) Zijn bepaalde bewijsmiddelen sterker dan andere?

Artikel 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat documenten die door nationale en lokale overheden worden uitgegeven en door ambtenaren worden goedgekeurd binnen de grenzen van hun bevoegdheid en in overeenstemming met de vereisten voor de vorm van bepaalde documenten, als officieel schriftelijk bewijs worden beschouwd en een grotere bewijskracht hebben. Feiten die in officiële schriftelijke bewijsmiddelen staan vermeld, worden als volledig bewezen beschouwd totdat en tenzij ze door andere relevante bewijsmiddelen, met uitzondering van getuigenbewijs, worden weerlegd. De uitsluiting van getuigenbewijs geldt niet wanneer dit tegen de beginselen van eerlijkheid, rechtvaardigheid en redelijkheid ingaat. De bewijskracht van officieel schriftelijk bewijs kan ook wettelijk worden toegekend aan andere documenten.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

d) Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen feiten die op grond van wettelijke voorschriften door bepaalde bewijsmiddelen moeten worden bewezen, niet door andere bewijsmiddelen worden bewezen (artikel 177, lid 4).

6.

a) Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een opgeroepen getuige verplicht om ter terechtzitting te verschijnen en aldaar een eerlijke verklaring af te leggen. Een persoon die als getuige wordt opgeroepen, is aansprakelijk onder de wettelijke bepalingen omtrent niet-nakoming van de verplichtingen van getuigen (artikel 191).

b) In welke gevallen kan een getuige weigeren bewijs te leveren?

Volgens artikel 191, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een persoon zich verschonen van zijn getuigplicht wanneer getuigenbewijs bewijs tegen hemzelf, familieleden of naaste verwanten zou inhouden.

c) Kan een persoon die weigert te getuigen gestraft worden of gedwongen worden te getuigen?

Indien getuigen, deskundigen of tolken/vertalers niet ter terechtzitting verschijnen, kan de rechter de belanghebbenden in de zaak om hun mening vragen over de mogelijkheid om de zaak zonder de getuigen, deskundigen of tolken/vertalers te behandelen, en beslissen om de zitting voort te zetten dan wel te verdagen. Indien een opgeroepen getuige, deskundige of tolk/vertaler niet ter terechtzitting verschijnt zonder gegronde reden, kan hem een boete van duizend litas worden opgelegd en kan de rechter tevens bevelen dat de getuige voor hem wordt gebracht. (artikel 248 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Bovenkant paginaBovenkant pagina

d) Zijn er personen van wie geen bewijs kan worden verkregen?

Volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen de volgende personen niet als getuigen worden gehoord (artikel 189, lid 2):

  1. vertegenwoordigers in civiele procedures of raadslieden in strafprocedures als het gaat om feiten die de vertegenwoordiger of de raadsman zelf heeft verkregen in de uitoefening van zijn werk;
  2. personen die relevante feiten niet kunnen begrijpen of geen eerlijke verklaring kunnen afleggen wegens een lichamelijke of geestelijke handicap;
  3. geestelijken als het gaat om feiten die door hen zijn verkregen in de biechtstoel;
  4. medisch personeel als het gaat om feiten die onder hun beroepsgeheim vallen;
  5. andere personen die in wetten staan genoemd.

7. Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologie zoals videoconferencing?

Volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen er na de getuigenverklaring vragen aan de getuige worden gesteld. De getuige wordt eerst gehoord door de persoon die de getuige heeft opgeroepen en door een vertegenwoordiger van die persoon. Vervolgens wordt de getuige gehoord door andere belanghebbenden in de zaak. De rechter verwerpt suggestieve en irrelevante vragen. De rechter heeft het recht om op elk moment tijdens het getuigenverhoor vragen te stellen. Indien nodig kan de rechter op verzoek van een belanghebbende in een zaak of op eigen initiatief (ambtshalve) een getuige nog een keer horen tijdens dezelfde zitting, de gehoorde getuige oproepen voor een nieuwe zitting in dezelfde rechtbank of getuigen met elkaar confronteren (artikel 192).

Wat betreft de mogelijkheid en de voorwaarden om getuigen te horen via televisie of videoconference, kan de rechter volgens artikel 803, lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechtbank van de andere staat verzoeken om gebruik te maken van dergelijke communicatietechnologieën om bewijs te verzamelen.

III. De toepasbaarheid van bewijs

8. Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Volgens artikel 177 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan ook wettig verkregen foto-, audio- en videomateriaal als bewijsmiddel dienen. Indien dit materiaal echter staats- of overheidsgeheimen bevat, kan dit niet als bewijsmiddel dienen in civiele procedures totdat en tenzij deze geheimen tijdens de wettelijke procedure openbaar worden gemaakt.

Daarnaast bepaalt artikel 185 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat de rechter zich bij het beoordelen van het bewijsmateriaal laat leiden door zijn eigen verstand en dat hij het bewijs dat tijdens het proces is overgelegd, uitgebreid en onbevooroordeeld onderzoekt. Geen enkel bewijs is belangrijker dan het oordeel van de rechter, tenzij anders bepaald in dit Wetboek.

9. Als ik partij ben in de zaak, kan mijn verklaring dan gelden als bewijs?

Ja (zie antwoord op vraag 5.a)).

« Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Algemene informatie | Litouwen - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 08-02-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk