Europese Commissie > EJN > Verkrijging van bewijs en bewijsvoering > Duitsland

Laatste aanpassing: 08-05-2007
Printversie Voeg toe aan favorieten

Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Duitsland

 

INHOUDSOPGAVE

I. De bewijslast I.
1.
a) Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast? a)
b) Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd? b)
2. In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren? 2.
II. Het verkrijgen van bewijzen II.
3. Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen? 3.
4.
a) Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan? a)
b) In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen? b)
5.
a) Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen? a)
b) Wat zijn de verschillen tussen bewijsmiddelen als het horen van een getuige of een deskundige enerzijds en het overleggen van een schriftelijk bewijs of deskundigenrapport anderzijds? b)
c) Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere? c)
d) Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht? d)
6.
a) Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen? a)
b) In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht? b)
c) Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft? c)
d) Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen? d)
7. Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing? 7.
III. De waardering van het bewijs III.
8. Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs? 8.
9. Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs? 9.

 

I. De bewijslast

1.

a) Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

(Welke partij moet bewijs leveren voor welk doel? Wat zijn de gevolgen, wanneer twijfels over een specifiek feit niet kunnen worden weggenomen?)

De regels betreffende de bewijslast dienen te worden ontleend aan de rechtsnorm waarop het aanhangige geschil betrekking heeft, dus aan het materiële recht. Daarbij geldt het beginsel dat iedere partij de voor haar gunstige feiten moet bewijzen. In een aantal gevallen bevat de wet ook expliciete regels met betrekking tot de bewijslast.

Wanneer er over de toedracht op een belangrijk punt onzekerheid blijft bestaan, nadat alle in het proces toegelaten bewijsmiddelen naar voren zijn gebracht, volgt er een beslissing inzake de bewijslast (Beweislastentscheidung) ten nadele van die partij, die de bewijslast draagt van de feiten die niet konden worden bewezen.

b) Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Bevrijding van de verplichting tot het leveren van bewijs komt in het Duitse recht in twee vormen voor, namelijk in de vorm van omkering van de bewijslast ten nadele van de wederpartij van de partij op wie eigenlijk de bewijslast rust en in de vorm van verlichting van de bewijslast ten gunste van de partij op wie de bewijslast rust.

  1. Omkering van de bewijslast

    Men spreekt van omkering van de bewijslast wanneer de bewijslast wordt gelegd bij de wederpartij van de partij op wie eigenlijk de bewijslast rust. Soms formuleert de wet een uitzondering op een regel. De bewijslast rust dan op de partij die zich op de uitzondering beroept. De wetgever gaat bijvoorbeeld in beginsel uit van de goede trouw van de verkrijger van een zaak (§ 932, lid 1, eerste volzin, § 892, lid 1, eerste volzin, § 2366 BGB (Bürgerliches Gesetzbuch – Duits burgerlijk wetboek). Van bijzonder belang is de omkering van de bewijslast in het geval van aansprakelijkheid bij wanprestatie, waarbij de schuldenaar moet bewijzen dat hij niet aansprakelijk mag worden gesteld voor het niet-nakomen van de verplichting (§ 280, lid 1, tweede volzin, BGB).

    Bovenkant paginaBovenkant pagina

  2. Verlichting van de bewijslast
    1. Vermoedens die in de wet zijn opgenomen, vormen voor de partij die de bewijslast draagt in zoverre een verlichting, dat deze alleen de feiten die aan het vermoeden ten grondslag liggen hoeft aan te voeren en te bewijzen (§ 292 ZPO – Zivilprozessordnung – Duits wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Wettelijke vermoedens kunnen betrekking hebben op feiten, bijvoorbeeld het vermoeden dat het hypotheekbewijs aan de schuldeiser is overgedragen wanneer deze de brief in zijn bezit heeft (§ 1117, lid 3, BGB). Ze kunnen ook betrekking hebben op rechten, bijvoorbeeld het vermoeden dat erfstelling plaatsvindt ten gunste van degene die de verklaring van erfrecht bezit (§ 2365 BGB).

      Wettelijke vermoedens kunnen volgens § 292 ZPO in beginsel worden weerlegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit.

    2. De feitelijke vermoedens waarop het prima facie-bewijs is gebaseerd, zijn in principe vergelijkbaar met wettelijke vermoedens. Voorwaarde voor het prima facie-bewijs is dat alle feitelijke omstandigheden die onomstotelijk vaststaan, duiden op een verloop dat op grond van algemene ervaringsregels typisch is voor het te bewijzen feit. Het prima facie-bewijs is met name bruikbaar voor het vaststellen van een causaal verband en het toewijzen van schuld. Zo duidt het rijden van een auto tegen een boom op schuld van de bestuurder.

      De wederpartij kan het vermoeden weerleggen met behulp van feiten die ernstige twijfel doen rijzen omtrent de aanname dat er sprake is van een typisch verloop.

    3. In de jurisprudentie komt men op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid of op grond van een rechtvaardige belangenafweging steeds vaker tot een bewijslastverdeling op basis van risicofactoren. De belangrijkste categorieën zijn:
Aansprakelijkheid van de producent (ex § 823, lid 1, BGB)

De eiser draagt de bewijslast voor de gebrekkigheid van een product, het bestaan van de schade en het causaal verband daartussen, de producent dient te bewijzen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Medische aansprakelijkheid

In gevallen van medische aansprakelijkheid kan het gaan om verlichting van de bewijslast en zelfs om omkering van de bewijslast op grond van de ontoereikendheid of onjuistheid van de medische documentatie (operatieverslagen, patiëntenregistratie). Bij een grove medische fout volstaat het bewijs van de eiser dat de fout in het algemeen kan leiden tot het soort schade waarvoor verhaal wordt gehaald. Bij de concrete vaststelling van de causaliteit kan de eiser een beroep doen op verlichting van de bewijslast en zelfs op omkering van de bewijslast ten nadele van de arts.

Informatie- en adviesplicht

In het geval van verzaking van een specifieke informatie-, waarschuwings- of adviesplicht dient de partij die de verplichting niet is nagekomen, te bewijzen dat de schade ook zou zijn ontstaan wanneer hij wel aan zijn plicht had voldaan. Er is dus sprake van een vermoeden dat de benadeelde op basis van de informatie juist ("aufklärungsrichtig") zou hebben gehandeld.

2. In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

(Moet de rechtbank volledig overtuigd zijn van de juistheid van een feit of volstaat voor de overtuiging een hoge waarschijnlijkheidsgraad, zelfs wanneer bepaalde twijfels blijven bestaan?)

Een fundamenteel procesrechtelijk beginsel van de burgerlijke rechtsvordering is volgens § 286 ZPO de vrije bewijswaardering. Volgens deze paragraaf moet de rechtbank met inachtneming van de volledige inhoud van het onderzoek ter terechtzitting en het resultaat van een eventuele bewijsverkrijging naar eigen oordeel beslissen, of een feitelijke bewering voor juist of onjuist moet worden gehouden.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Een behoorlijke of hoge graad van waarschijnlijkheid volstaat niet als bewijs van een feit. Aan de andere kant hoeven eventuele twijfels niet volledig te worden uitgesloten. Volgens de jurisprudentie volstaat een graad van zekerheid die voor het dagelijkse leven hanteerbaar is en eventuele resterende twijfel wegneemt zonder deze volledig te hoeven uitsluiten.

Een uitzondering met betrekking tot de vereiste bewijsgraad geldt in die gevallen, waarin volgens de wet de aannemelijkheid van feiten volstaat. Een bewering geldt als aannemelijk, wanneer er een behoorlijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat ze juist is. Om iets aannemelijk te maken is een partij niet gebonden aan de bewijsmiddelen van het dwingend bewijs (getuige, schriftelijk bewijs, plaatsopneming, deskundige, horen van een partij). Zo is bijvoorbeeld ook de voor de eed in de plaats komende verklaring toegelaten (§ 294 ZPO).

II. Het verkrijgen van bewijzen

3. Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Volgens het in de civiele procedure geldende beginsel van lijdelijkheid is het de taak van partijen om het feitelijke materiaal voor het proces en de bewijsmiddelen aan te dragen. De rechtbank mag niet zelfstandig materiaal voor het proces aanleveren en aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Beperkingen van dit beginsel vloeien voort uit de waarschuwings- en informatieplicht van de rechtbank (§ 139 ZPO).

In weerwil van het lijdelijkheidsbeginsel kan het verkrijgen van bewijs soms ook ambtshalve plaatsvinden. Dit moet echter zijn basis hebben in hetgeen partijen overtuigend naar voren brengen en mag niet dienen om de feiten te onderzoeken.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Zo mag de rechtbank ambtshalve plaatsopneming en een beoordeling door deskundigen (§ 144 ZPO), het overleggen van schriftelijk bewijs (§ 142 ZPO) en subsidiair het horen van een partij (§ 448 ZPO) gelasten. Ook het horen van een partij is ambtshalve mogelijk (§ 448 ZPO). Voorwaarde daarvoor is dat het resultaat van het onderzoek ter terechtzitting of van een eventuele bewijsverkrijging de rechtbank onvoldoende basis biedt om tot een oordeel over de juistheid of onjuistheid van het te bewijzen feit te komen. Voor het te bewijzen feit is dus in aanleg een zekere waarschijnlijkheid vereist.

4.

a) Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Nadat een partij een bewijsaanbod heeft gedaan, gelast de rechtbank de bewijsverkrijging. Dat gebeurt in beginsel vormvrij ter terechtzitting of ex § 358 ZPO bij tussenvonnis (Beweisbeschluss). Overeenkomstig § 359 ZPO bevat dit tussenvonnis een omschrijving van de betwiste feiten waarvoor bewijs moet worden geleverd, een opsomming van de bewijsmiddelen onder vermelding van de te horen getuigen en deskundigen of van de te horen partij en een vermelding van de partij die zich op het bewijsmiddel heeft beroepen.

Aansluitend wordt het bewijs verzameld conform de wettelijke bepalingen inzake de bewijsverkrijging (§ 355 tot en met § 484 ZPO). Hierbij moet met name rekening worden gehouden met de beginselen van onmiddellijkheid (Unmittelbarkeit – § 355 ZPO) en toegankelijkheid voor partijen (Parteiöffentlichkeit – § 357 ZPO).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het beginsel van onmiddellijkheid houdt in dat de bewijsverkrijging dient plaats te vinden voor de rechter die de zaak behandelt, omdat deze ook belast is met de waardering van het bewijs. Een uitzondering is slechts toegestaan in die gevallen waarin de wet bepaalt dat de bewijsverkrijging moet worden overgedragen aan een lid van de behandelende rechtbank (§ 361 ZPO) of aan een andere rechtbank (§ 362 ZPO). Het beginsel van toegankelijkheid voor partijen legt vast dat partijen het recht hebben bij de bewijsverkrijging aanwezig te zijn en vragen te stellen aan getuigen (§ 397 ZPO).

Het resultaat van de bewijsverkrijging wordt behandeld in de aansluitende terechtzitting met partijen (§ 285 ZPO). Op grond van het algehele resultaat van het onderzoek, inclusief de bewijsverkrijging, moet de rechter vervolgens de feitelijke juistheid vaststellen, waarbij de waardering van het bewijs aan zijn oordeel is overgelaten (§ 286 ZPO).

b) In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Een bewijsaanbod kan op procesrechtelijke of bewijsrechtelijke gronden worden afgewezen, indien:

  • het feit geen bewijs behoeft, dat wil zeggen reeds bewezen, algemeen bekend of onbetwist is,
  • het feit irrelevant is, dat wil zeggen geen invloed kan hebben op de beslissing,
  • het bewijsmiddel ongeschikt is om het aangevoerde feit te bewijzen (komt zeer zelden voor, aangezien bewijzen niet mogen worden gewaardeerd voordat ze zijn verkregen),
  • het bewijsmiddel onbereikbaar is,
  • het bewijsmiddel niet is toegelaten, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van rechtsmisbruik door een bewering "in het wilde weg" of omdat de plicht tot geheimhouding van de getuige dit in de weg staat (tenzij de getuige van zijn plicht tot geheimhouding is ontheven),
  • de verkrijging van bewijs aan de beoordeling van de rechtbank is overgelaten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van schade ex § 287 ZPO,
  • het feit in een ander proces op een voor beide partijen bindende wijze bij gewijsde is vastgesteld,
  • het bewijsaanbod te laat is gedaan (§ 296, lid 1, ZPO),
  • de bewijsverkrijging een belemmering van onbepaalde duur in de weg staat, een daarvoor gestelde termijn is verstreken en het proces anders zou worden vertraagd (§ 356 ZPO).

5.

a) Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

De vijf bewijsmiddelen van het dwingend bewijs zijn:

Bovenkant paginaBovenkant pagina

(1) Gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging (§ 371 - § 372a ZPO)

Plaatsopneming en bezichtiging (Augenschein) is iedere vorm van directe zintuiglijke waarneming door de rechter die strekt tot het verkrijgen van bewijs. De term "Augenschein" is in zoverre misleidend dat de zintuiglijke waarneming ook door voelen, ruiken, luisteren of proeven kan plaatsvinden. Tot de objecten voor plaatsopneming behoren daarom ook geluidsdragers, beelddragers en dragers van digitale bestanden.

(2) Getuigenbewijs (§ 373 tot en met § 401 ZPO)

De getuige wordt opgeroepen om het bewijs te leveren voor feiten uit het verleden die hem uit eigen waarneming bekend zijn. In tegenstelling tot de deskundige is hij daarom niet vervangbaar.

Alleen wie geen partij is in het geding, kan als getuige optreden.

Wanneer de getuige voor de waarneming van de feiten een speciale deskundigheid nodig heeft, spreekt men van een getuige-deskundige (§ 414 ZPO), bijvoorbeeld bij een verklaring van de dienstdoend arts over verwondingen die het gevolg zijn van een ongeval.

(3) Deskundige (§ 402 tot en met § 414 ZPO)

De deskundige helpt de rechter aan de ontbrekende vakkennis die nodig is om feiten te beoordelen. Hij onderzoekt de feiten niet zelf. De deskundige mag zijn waardeoordeel uitsluitend baseren op vaststaande feiten, de zogenoemde aanknopingsfeiten (Anschlusstatsachen).

Alleen wanneer het vaststellen van de feiten zelf een bijzondere vakkennis vereist, kan de vaststelling van deze onderzoeksfeiten (Befundtatsachen) aan de deskundige worden overgelaten. Een voorbeeld hiervan is de diagnose van een arts.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Een beoordeling die in opdracht van een partij is opgesteld (Privatgutachten), kan slechts bij uitzondering met instemming van beide partijen als deskundigenbewijs gelden.

(4) Schriftelijk bewijs (§ 415 tot en met § 444 ZPO)

Een akte in de zin van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is een verklaring waarin een bepaalde gedachte schriftelijk is vastgelegd (Gedankenerklärung). De wet maakt met het oog op de bewijskracht een onderscheid tussen authentieke akten (§ 415, § 417 en § 418 ZPO) en onderhandse akten (§ 416 ZPO).

(5) Het horen van een partij (§ 445 tot en met § 455 ZPO)

Het horen van een partij is subsidiair ten opzichte van andere bewijsmiddelen en slechts toegelaten als bewijsmiddel van de partij die de bewijslast draagt (§ 445, lid 2, ZPO). Het horen van een partij is slechts met toestemming van de wederpartij of ambtshalve mogelijk.

b) Wat zijn de verschillen tussen bewijsmiddelen als het horen van een getuige of een deskundige enerzijds en het overleggen van een schriftelijk bewijs of deskundigenrapport anderzijds?

Met betrekking tot de bewijskracht doen zich geen verschillen voor. Alle bewijsmiddelen zijn ingevolge het beginsel van de vrije bewijswaardering gelijkwaardig. Er zijn alleen verschillen in de procedure voor de verkrijging van het bewijs.

Iedere getuige moet apart en buiten tegenwoordigheid van de later te horen getuigen worden gehoord (§ 394, lid 1, ZPO). Getuigen die tegenstrijdige verklaringen afleggen, kunnen met elkaar worden geconfronteerd (§ 394, lid 2, ZPO).

Iedere getuige wordt voor de aanvang van het verhoor aangemaand de waarheid te zeggen en erop gewezen dat hij zijn verklaring later eventueel onder ede moet bevestigen (§ 395, lid 1, ZPO). Het verhoor begint met vragen over de persoonsgegevens van de getuige (§ 395, lid 2, ZPO). Vervolgens wordt de getuige overeenkomstig § 396 ZPO ondervraagd over de zaak. Daarbij stuurt de rechtbank erop aan dat de verklaring van de getuige verband houdt met het onderwerp van het verhoor. Ter wille van de duidelijkheid of volledigheid van de verklaring van de getuige dient de rechtbank zo nodig aanvullende vragen te stellen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Partijen hebben het recht bij het getuigenverhoor aanwezig te zijn en vragen te stellen. Daarbij mag een partij zelf in beginsel alleen vragen aan de getuige voorleggen, terwijl de advocaat de getuige direct mag ondervragen (§ 397 ZPO).

Deze regels met betrekking tot de procedure voor het horen van een getuige zijn van overeenkomstige toepassing op het horen van deskundigen of van een partij (§ 402 en § 451 ZPO).

Levering van het schriftelijk bewijs geschiedt door het overleggen van de akte. Indien de partij die het bewijs moet leveren niet in het bezit is van de akte, maar deze zich bij de wederpartij of bij derden bevindt, vindt bewijslevering plaats door middel van het verzoek om de wederpartij of de derde op te dragen de akte over te leggen (§ 421 en § 428 ZPO). De wederpartij of derde is daartoe verplicht wanneer degene die het bewijs moet leveren, krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht kan eisen dat de akte door de wederpartij of de derde wordt afgegeven of overgelegd (§ 422 ZPO). De omstandigheid die als reden voor deze verplichting wordt aangevoerd, moet aannemelijk worden gemaakt (§ 424, lid 5, tweede volzin, ZPO). Ook bij het schriftelijke deskundigenrapport gaat het om een akte in de zin van het wetboek voor burgerlijke rechtsvordering.

c) Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

(Heeft een schriftelijk bewijs bijvoorbeeld meer bewijskracht dan een getuigenverklaring of een authentieke akte meer dan een onderhandse akte?)

In beginsel is het antwoord nee. Alle bewijsmiddelen zijn gelijkwaardig. Dit vloeit voort uit het beginsel van de vrije bewijswaardering ingevolge § 286 ZPO. Derhalve vormt het algehele resultaat van de bewijsverkrijging de basis voor de waardering van het bewijs door de rechter. Slechts bij uitzondering gelden voor de rechter bindende bewijsregels zoals de bewijskracht van het proces-verbaal ex § 165 ZPO, van het vonnis ex § 314 ZPO of van andere akten ex § 415 tot en met § 418 ZPO.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

d) Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

(Is bijvoorbeeld bij financiële schulden die een bepaald bedrag te boven gaan, het schriftelijk bewijs vereist?)

Neen, dergelijke verplichte bewijsmiddelen om bepaalde feiten te bewijzen, kent het wetboek van burgerlijke rechtsvordering niet.

Een uitzondering geldt alleen voor bepaalde soorten procedures. Zo is in het Urkundenprozess (proces dat uitsluitend betrekking heeft op het voldoen van een bepaalde geldsom of de levering van vervangbare zaken of waardepapieren) en het Wechselprozess (proces over het voldoen van een wissel) de bewijslevering voor de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen, alleen door middel van schriftelijk bewijs toegestaan en voor alle andere feiten alleen door middel van schriftelijk bewijs of door het horen van een partij (§ 592 e.v. ZPO).

6.

a) Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Iedere op wettige wijze opgeroepen getuige die onder de Duitse jurisdictie valt, heeft de plicht om voor de rechtbank te verschijnen, getuigenis af te leggen en de eed te zweren.

De getuigplicht omvat ook de plicht van de getuige om aan de hand van documenten zijn kennis te verifiëren en zijn geheugen op te frissen (§ 378 ZPO). De getuige is niet verplicht feiten na te trekken die hem niet bekend zijn.

b) In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

(Wanneer de getuige bijvoorbeeld een bloed- of aanverwant is van een der partijen (en tot welke graad?) of wanneer hij een voor hemzelf bezwarende verklaring zou afleggen)

Bovenkant paginaBovenkant pagina

De in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering vastgelegde verschoningsrechten behelzen het recht om op grond van een persoonlijke relatie met een der partijen in het geheel geen verklaring af te leggen (§ 383 ZPO) en het recht om vanwege inhoudelijke redenen op bepaalde vragen niet te antwoorden (§ 384 ZPO).

Het verschoningsrecht van § 383 ZPO knoopt enerzijds aan bij familiale banden en anderzijds bij de geheimhoudingsplicht van de getuige. Het is bedoeld om belangenconflicten te voorkomen.

Van de getuigplicht kunnen zich verschonen: de verloofde (sub 1), de echtgenoot en de gewezen echtgenoot (sub 2) en de levenspartner en de vroegere levenspartner (sub 3). Het verschoningsrecht komt bovendien toe aan de bloed- of (voormalige) aanverwanten van een der partijen in de rechte lijn, de bloedverwanten van een der partijen in de zijlijn tot en met de derde graad en de (voormalige) aanverwanten van een der partijen in de zijlijn tot en met de tweede graad (sub 3). Zijlijn wil zeggen dat men niet in de rechte lijn, maar van dezelfde derde persoon afstamt. De graad van bloedverwantschap of aanverwantschap wordt bepaald door het aantal tussenliggende geboorten.

Bovendien geldt volgens § 383 ZPO het verschoningsrecht ook voor geestelijken (sub 4) en voor personen die beroepsmatig aan de voorbereiding, productie of verspreiding van periodieke drukwerken of uitzendingen meewerken of hebben meegewerkt (sub 5), alsmede voor degenen aan wie uit hoofde van hun ambt, stand of beroep feiten zijn toevertrouwd waarvan geheimhouding door de aard van die feiten of door wettelijk voorschrift is geboden (sub 6).

Het functionele verschoningsrecht omvat alles wat de genoemde personen juist vanwege hun specifieke functie ter kennis is gekomen.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Het verschoningsrecht van § 384 ZPO is bedoeld om de getuige te beschermen tegen de gevolgen van zijn getuigplicht. Het geeft hem het recht om specifieke vragen niet te beantwoorden, maar verschaft hem niet, zoals § 383 ZPO, het recht om in het geheel geen verklaring af te leggen.

Het verschoningsrecht van § 384 ZPO geldt voor vragen, waarvan beantwoording zou leiden tot een directe vermogensrechtelijke schade voor de getuige of voor een persoon met wie hij een familierelatie heeft zoals bedoeld in § 383 ZPO (sub 1), of waarvan beantwoording de getuige of bedoelde persoon tot oneer zou strekken dan wel zou blootstellen aan het gevaar van vervolging wegens een misdrijf of overtreding (sub 2). Bovendien hoeft een getuige een vraag ook niet te beantwoorden wanneer hij daardoor een vak- of bedrijfsgeheim (Kunst- oder Gewerbegeheimnis) zou moeten prijsgeven (sub 3).

§ 385 ZPO regelt enkele uitzonderingen op de verschoningsrechten van § 383 en § 384 ZPO. Van bijzonder belang is de ontheffing van de plicht tot geheimhouding op grond van § 385, lid 2, ZPO, waardoor geestelijken en personen die volgens § 383, lid 1, sub 6, ZPO ten aanzien van bepaalde feiten die hun zijn toevertrouwd, tot geheimhouding zijn verplicht, alsnog een getuigplicht hebben.

c) Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Ja. Indien een op wettige wijze opgeroepen getuige niet verschijnt, legt de rechtbank overeenkomstig § 380, lid 1, ZPO een boete op en voor het geval deze niet kan worden geïnd, vervangende hechtenis. De boete bedraagt ten minste 5 en ten hoogste 1.000 € (art. 6, lid 1, EGStGB – Einführungsgesetz zum Strafgesetzbuch – Duitse invoeringswet wetboek van strafrecht), de vervangende hechtenis duurt ten minste een dag en ten hoogste zes weken (art. 6, lid 2, EGStGB). Bovendien wordt de getuige verplicht tot het betalen van de kosten die door zijn niet-verschijnen zijn ontstaan.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Indien de getuige na herhaalde oproepen nog niet verschijnt, kan de rechter naast het opleggen van een boete of vervangende hechtenis bevelen dat de getuige door de openbare macht voor hem wordt gebracht (§ 380, lid 2, ZPO). Deze maatregelen blijven achterwege, wanneer de getuige zijn niet-verschijnen tijdig in voldoende mate rechtvaardigt. Bij een verontschuldiging achteraf moet de getuige aannemelijk maken dat de te late verschijning hem niet kan worden aangerekend (§ 381 ZPO).

Indien de getuige weigert zijn verklaring of de eed af te leggen en daarvoor geen reden aanvoert of daarvoor een reden aanvoert die door een rechterlijke beslissing irrelevant is verklaard, kunnen tegen hem op grond van § 390, lid 1, ZPO dezelfde maatregelen worden genomen als tegen de getuige die zonder opgaaf van redenen niet verschijnt. Bij herhaalde weigering wordt de getuige op verzoek in gijzeling gesteld om hem tot zijn verklaring te dwingen. De gijzeling mag echter niet langer duren dan tot het einde van het proces in de lopende instantie (§ 390, lid 2, ZPO).

d) Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

(Handelingsonbekwame meerderjarigen, minderjarigen, personen die een gedeeld belang hebben met een der partijen, personen die wegens bepaalde delicten zijn veroordeeld)

Neen, een algemene "onbekwaamheid om te getuigen" bestaat niet. Derhalve kan iedereen als getuige optreden wiens verstandelijke vermogens zodanig zijn ontwikkeld dat hij in staat is tot feitelijke waarnemingen en vragen daaromtrent kan begrijpen en beantwoorden, ongeacht leeftijd en handelingsbekwaamheid.

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Voor personen die wegens het opzettelijk afleggen van een valse verklaring of wegens meineed eerder zijn veroordeeld, gelden geen bijzondere regels.

Wie zelf als partij of als wettelijke vertegenwoordiger van een partij direct bij het proces is betrokken, kan niet als getuige optreden. Een uitzondering geldt voor personen die als medepartij optreden (einfache Streitgenossen) ten aanzien van feiten die uitsluitend andere medepartijen betreffen. Een vertegenwoordiger mag onder bepaalde omstandigheden als getuige optreden, wanneer het onderwerp van verhoor buiten het kader van de vertegenwoordiging valt. Zo kan een curator een verklaring afleggen over feiten die losstaan van zijn taakgebied in een proces waarin de curandus partij is.

Of iemand in staat is om als getuige op te treden, wordt altijd bepaald op het tijdstip waarop het verhoor plaatsvindt.

7. Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

(Wie leidt het getuigenverhoor? Kan de rechter de getuige ondervragen? Heeft de wederpartij het recht vragen aan de getuige te stellen?)

Het getuigenverhoor geschiedt door de rechtbank. Het verhoor kan ook worden opgedragen aan een lid van de rechtbank die dan als bevoegde rechter optreedt. In dat geval gaat het vaak om toepassing van § 375, lid 1a, ZPO.

Iedere getuige moet apart en buiten tegenwoordigheid van de later te horen getuigen worden gehoord (§ 394, lid 1, ZPO). Getuigen die tegenstrijdige verklaringen afleggen, kunnen met elkaar worden geconfronteerd (§ 394, lid 2, ZPO).

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Partijen hebben het recht bij het getuigenverhoor aanwezig te zijn en vragen te stellen. Daarbij mag een partij zelf in beginsel alleen vragen aan de getuige voorleggen, terwijl de advocaat de getuige direct mag ondervragen (§ 397 ZPO).

Het horen van een getuige door middel van videoconferencing is toegestaan, wanneer de betrokkenen daaraan desgevraagd hun goedkeuring hebben gegeven (§ 128a, lid 2, ZPO). Bovendien is toestemming vereist van de getuige of deskundige, aangezien door de uitzending zijn persoonlijke levenssfeer wordt aangetast.

III. De waardering van het bewijs

8. Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

(Bijvoorbeeld onrechtmatige opnamen e.d.)

Een verbod op het gebruik van een bewijs kan in de eerste plaats voortvloeien uit wettelijke bepalingen, bijvoorbeeld het verbod op het gebruik van veroordelingen die uit het Bundeszentralregister (Duitse centrale strafregister) zijn geschrapt of voor schrapping in aanmerking komen (§ 51 BZRG – Bundeszentralregistergesetz).

In de tweede plaats blijkt uit de jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht (constitutioneel hof van de Bondsrepubliek Duitsland) dat het gebruik van een bewijs is verboden, wanneer bij de verkrijging van het bewijs inbreuk is gemaakt op de door de grondwet beschermde persoonlijke levenssfeer en het gebruik ervan niet bij uitzondering op grond van een afweging van de verschillende rechtsbelangen is gerechtvaardigd.

Zo bestaat er volgens deze jurisprudentie in beginsel een verbod op het gebruik van bewijs wanneer dit is verkregen door geheime geluidsopnamen. Hetzelfde geldt voor het afluisteren van gesprekken via minizenders, richtmicrofoons of intercoms en voor het gebruik van onrechtmatig verkregen persoonlijke aantekeningen, zoals dagboeken of vertrouwelijke correspondentie.

In al deze gevallen kan echter een afweging van rechtsbelangen die op het concrete geval betrekking heeft, bij uitzondering leiden tot de toepasbaarheid van de onrechtmatig verkregen bewijzen, zolang de persoonlijke levenssfeer niet in de kern is aangetast.

Of ook een overtreding van procesrechtelijke regels een reden is voor een verbod op het gebruik van een bewijs, moet voor iedere regel afzonderlijk worden beslist. Fouten die het proces en in het bijzonder de vorm van een proceshandeling betreffen, hoeven volgens § 295, lid 1, ZPO geen gevolgen te hebben. Zo is het horen van een partij als getuige een procedurefout waarin men zich kan schikken, dat wil zeggen dat het als bewijs kan worden gebruikt wanneer partijen afstand doen van naleving van de regel of niet voor het einde van de volgende terechtzitting bezwaar hebben gemaakt tegen de fout. Ook het feit dat een getuige niet is gewezen op zijn verschoningsrecht hoeft volgens § 295, lid 1, ZPO geen gevolgen te hebben.

Er kan echter geen afstand worden gedaan van de naleving van normen die het algemeen belang dienen (§ 295, lid 2, ZPO). Voorbeelden hiervan zijn alle aspecten die ambtshalve in acht moeten worden genomen, zoals ontvankelijkheid, toegestane rechtsmiddelen en wraking.

9. Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Zoals al onder punt 5 a) en c) is uiteengezet, is het horen van een partij onder bepaalde voorwaarden als bewijsmiddel toegelaten. De waardering van het bewijs wordt vervolgens aan het oordeel van de rechter overgelaten (§ 286 ZPO).

« Verkrijging van bewijs en bewijsvoering - Algemene informatie | Duitsland - Algemene informatie »

Bovenkant paginaBovenkant pagina

Laatste aanpassing: 08-05-2007

 
  • Gemeinscheftsrecht
  • Internationaal recht

  • België
  • Bulgarije
  • Tsjechië
  • Denemarken
  • Duitsland
  • Estland
  • Ierland
  • Griekenland
  • Spanje
  • Frankrijk
  • Italië
  • Cyprus
  • Letland
  • Litouwen
  • Luxemburg
  • Hongarije
  • Malta
  • Nederland
  • Oostenrijk
  • Polen
  • Portugal
  • Roemenië
  • Slovenië
  • Slowakije
  • Finland
  • Zweden
  • Verenigd Koninkrijk